Gerechtshof Amsterdam
Gerechtshof te Amsterdam, Belastingsector
Persbericht van 1 juni 2000
Beroepschriften tegen beschikkingen inzake verplichte
ziekenfondsverzekering zelfstandigen; verzoeken om een voorlopige
voorziening
Bij het Gerechtshof Amsterdam zijn meer dan vier honderd
beroepschriften ingediend tegen beschikkingen inzake de verplichte
ziekenfondsverzekering zelfstandigen. Een deel daarvan betreft de
bodemprocedure, een ander deel betreft een verzoek aan de President
van het Hof om een voorlopige voorziening vooruit lopend op de
beslissing in de bodemprocedure.
Met ingang van 1 januari 2000 zijn ondernemers en andere
zelfstandigen, zoals sommige free-lancers, met een belastbaar inkomen
dat niet meer bedraagt dan f 41 200 verplicht verzekerd in het
ziekenfonds. De Belastingdienst geeft bij voor bezwaar en beroep
vatbare beschikking verklaringen af waaruit blijkt of men al dan niet
onder de verzekering valt, en heft de premie. Wie als verzekerd geldt
wordt verondersteld zich onder overlegging van de verklaring aan te
melden bij een ziekenfonds en de particuliere ziektekostenverzekering
op te zeggen. Dit is soms voordelig voor de betrokkene maar in een
aantal gevallen ook nadelig. Een aantal zelfstandigen heeft allerlei
bezwaren tegen de nieuwe regeling en heeft dit tot uitdrukking
gebracht in procedures betreffende deze beschikkingen.
Inmiddels heeft een meervoudige kamer van dit hof in een uitspraak van
3 mei 2000, nr. 00/470 een bodemprocedure in het kader van een
spoedprocedure beslist. De uitspraak is op vermeld op de internet-site
van het hof (www.gerechtshof-amsterdam.nl). Belanghebbende is daarbij
in het ongelijk gesteld. Beslist werd onder meer dat de verklaringen
maar een beperkte betekenis hebben en dat bepaalde bezwaren pas bij
bezwaar en beroep betreffende de premieaanslag aan de orde kunnen
worden gesteld.
Nu aannemelijk is dat de meeste beroepschriften in de bodemprocedure
zullen worden afgewezen ziet de President in beginsel geen aanleiding
tot toewijzing van de verzoeken om een voorlopige voorziening en
evenmin tot het toekennen van een proceskostenvergoeding terzake van
het afgewezen verzoek.
Niettemin zullen alle verzoeken thans in behandeling worden genomen.
Indieners die gelet op het voorgaande berusten in afwijzing van het
verzoek om een voorlopige voorziening wordt in overweging gegeven in
elk geval het verzoek om een voorlopige voorziening in te trekken.
In andere gevallen zal eerst een nota griffierecht worden toegezonden.
Na betaling volgt de behandeling. Indien betaling achterwege blijft
volgt afwijzing van het verzoek op de grond dat het griffierecht niet
is voldaan.
De bodemzaken - de eigenlijke beroepschriften - zullen thans op de
normale wijze in behandeling worden genomen. Indieners die ook in de
bodemzaak berusten in de uitspraak van de meervoudige kamer kunnen het
beroepschrift intrekken en gelijktijdig verzoeken om een vergoeding
van proceskosten. Het betaalde griffierecht wordt dan steeds
teruggegeven. In beginsel wordt overigens geen vergoeding van
proceskosten verleend indien men zonder beroepsgemachtigde procedeert.
Zo nodig kan nader overleg worden gepleegd met mr. C.M.
Rentenaar-Groot, wnd. Hoofd Bedrijfsvoering, telefoon 020-541
3250/2243 (Corresp.adres: Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam).