Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag overleg ontmanteling kerncentrale Dodewaard

Datum nieuwsfeit: 05-06-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Verslag algemeen overleg inzake ontmanteling kerncentrale dodewaard
Gemaakt: 6-6-2000 tijd: 16:14


1


26800 XI Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI) voor het jaar 2000
nr. 69 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 5 juni 2000

De vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer<1> en de vaste commissie voor Economische Zaken<2> hebben op 11 mei 2000 overleg gevoerd met minister Pronk van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en minister Jorritsma-Lebbink van Economische Zaken over:


- de brief d.d. 9 november 1999 over radioactieve transporten (26800-XI, nr. 12);


- de brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer d.d. 31 maart 2000 over de ontmanteling kerncentrale Dodewaard en brief inzake Sellafield (VROM-2000-292);

- de antwoorden op vragen van de commissies naar aanleiding van het algemeen overleg op 19 januari 2000 over de verwerking van gebruikte splijtstoffen uit Nederlandse kerncentrales en het vervoer van radioactief materiaal (VROM-2000-338).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Van den Akker (CDA) vroeg waarom nog geen overeenstemming is bereikt over het tijdstip van ontmanteling van de kerncentrale in Dodewaard en welk standpunt de minister van EZ en de minister van VROM op dit punt innemen. Ervan uitgaande dat beide opties even veilig zijn, sprak hij geen voorkeur uit, maar hij achtte het in het belang van de veiligheid en van alle betrokkenen om snel een eind te maken aan de langdurige onzekerheid. De kerncentrale moet het proces van ontmanteling immers nauwkeurig kunnen plannen; bovendien vertrekken veel gekwalificeerde medewerkers en neemt de gemiddelde leeftijd van de staf en het personeel snel toe. Betekent het uitblijven van een beslissing dat de veiligheid voor de regering niet centraal staat en is het verschil in kosten tussen 40-jarige insluiting en versnelde ontmanteling het struikelblok? Kan dat kostenverschil, dat naar verluidt 130 mln. bedraagt, overigens concreet worden onderbouwd?

In dit verband vroeg de heer Van den Akker of de minister van VROM het initiatief heeft genomen tot de recente audit ten aanzien van de kerncentrale in Dodewaard en wat de uitkomst daarvan is geweest.

Gelet op het feit dat de versnelde ontmanteling van de met de kerncentrale in Dodewaard vergelijkbare centrale bij Big Rock Point in de Verenigde Staten economischer blijkt te zijn dan uitgestelde ontmanteling, sprak de heer Van den Akker zijn teleurstelling uit over het feit dat geen nadere informatie over de sluiting van die kerncentrale beschikbaar is.

Met het oog op het medische belang van een ongestoorde productie van isotopen door de hoge fluxreactor (HFR) in Petten vroeg de heer Van den Akker of in de tweede helft van 2000 transporten van de aldaar aanwezige splijtstof naar de Verenigde Staten zijn gepland en of al splijtstofelementen uit de bassins van de HFR naar de speciaal ontworpen containers zijn overgebracht om ruimte vrij te maken. Staan die containers overigens nog in het gebouw van de HFR en zo ja, waarom hebben dan nog geen transporten plaatsgevonden naar de COVRA?

In dit verband vroeg de heer Van den Akker tevens waarom tot het gereedkomen van het HABOG (het gebouw voor hoogradioactief afval bij de COVRA) wordt gekozen voor opslag in het LOG (het gebouw voor laag radioactief afval bij de COVRA) en niet meer voor opslag in speciaal geschikt gemaakte containers in het gebouw van de HFR. Is dit het gevolg van de door de gemeente Zijpe aangespannen procedure?

Met betrekking tot Sellafield vroeg de heer Van den Akker of het management van de opwerkingsinstallatie inmiddels heeft gereageerd op de door de Britse nucleaire inspectie geconstateerde aanbevelingen en tekortkomingen op het punt van de bedrijfsvoering. Kan de minister van VROM bevestigen dat er geen reden meer is om af te zien van transporten naar Sellafield? Zijn de opwerkingscontracten overigens bindend als Sellafield niet aan de verplichtingen op het punt van de veiligheid voldoet?

Tot slot vroeg de heer Van den Akker of de minister van VROM problemen verwacht bij de behandeling door de Raad van State van de nieuwe transportvergunning voor de afvoer van de splijtstofelementen van Dodewaard.

De heer Van der Steenhoven (GroenLinks) pleitte voor een snelle, goed beargumenteerde keuze tussen versnelde sluiting of 40-jarige insluiting van de kerncentrale in Dodewaard. Ook hij drong erop aan om te proberen om alsnog nadere gegevens te verkrijgen over de versnelde sluiting van de kerncentrale in Big Rock Point, maar hij beschouwde versnelde sluiting niet als een dogma en informeerde daarom naar de argumenten voor 40-jarige sluiting. Een argument kan bijvoorbeeld zijn dat het daarmee bespaarde geld in afwachting van betere behandelingstechnieken kan worden gebruikt voor het in Nederland creëren van een opslagplaats voor verwerkte splijtstoffen. Dat is een betere oplossing dan opwerking, mede gelet op het daarbij overblijvende plutonium.

Mede gelet op de desastreuze veiligheidssituatie in Sellafield, de gevolgen daarvan voor de aanvoer van splijtstoffen, het streven van British Energy om de financiële banden met Sellafield te verbreken en berichten over leukemie bij kinderen en vervuiling van de zee door opwerkingsinstallaties, pleitte de heer Van der Steenhoven ervoor om net als Denemarken, Ierland en IJsland op de OSPAR-conferentie aan te dringen op het stopzetten van opwerking en van transporten naar Sellafield.

Tot slot drong de heer Van der Steenhoven erop aan om snel te starten met de procedure die gericht is op sluiting van de kerncentrale in Borssele.

Mevrouw Augusteijn-Esser (D66) benadrukte het belang van de veiligheid en vroeg of de minister van VROM nadere informatie heeft over de veiligheidssituatie in Sellafield en de toekomst van die opwerkingsinstallatie. Mede gelet op de twijfels van veel landen over de veiligheidssituatie in Sellafield en op het feit dat de reeds vanuit Dodewaard vervoerde splijtstofstaven nog steeds niet zijn opgewerkt, vroeg zij zich af of moet worden doorgegaan met transporten naar Sellafield. De huidige situatie in Dodewaard moet echter wel zo snel mogelijk worden beëindigd. Als wordt besloten om met opwerking te stoppen, is het dan mogelijk om de splijtstofstaven zelf op te slaan in een apart te creëren opslagplaats?

Omdat moet worden voorkomen dat de veiligheid in Dodewaard, met name vanwege de personele situatie, wordt bedreigd, informeerde mevrouw Augusteijn naar de mogelijkheden voor personele samenwerking tussen de kerncentrale en de COVRA.

Mevrouw Augusteijn constateerde dat er op het punt van de veiligheid weinig verschil blijkt te zijn tussen directe ontmanteling van de kerncentrale in Dodewaard en ontmanteling na 40-jarige insluiting, zodat het financiële aspect de doorslag lijkt te gaan geven. Directe ontmanteling van de enigszins vergelijkbare centrale in Big Rock Point was aldaar de goedkoopste optie, maar bij de keuze dient ook rekening te worden gehouden met de MER-procedure en het al of niet bestaan van de mogelijkheid om het afval veilig op te slaan; het creëren van een veilige opslagplaats zou overigens ook behulpzaam kunnen zijn bij de sluiting in 2004 van de kerncentrale in Borssele. Bovendien moet beseft worden dat niemand kan voorspellen hoe hoog het prijspeil over
40 jaar zal zijn, over welke expertise men dan beschikt en of dan makkelijk een opslagplaats te vinden is. Wat is het oordeel van de bewindslieden over dit soort aspecten?

Op basis van deze overwegingen sprak mevrouw Augusteijn een lichte voorkeur uit voor directe ontmanteling, mede omdat op die manier de gehele met kernenergie samenhangende problematiek snel uit Nederland verdwijnt. Kan er overigens al informatie worden gegeven over de resultaten van de MER?

De heer Blaauw (VVD) sprak zijn teleurstelling uit over het feit dat ook in het afgelopen jaar nauwelijks vooruitgang is geboekt en drong aan op een spoedig besluit over de wijze waarop de kerncentrale in Dodewaard zal worden ontmanteld. Ook hij achtte het creëren van duidelijkheid, ook voor het personeel, belangrijker dan de aard van dat besluit.

Omdat het transport van afgewerkte splijtstofstaven naar de mening van de heer Blaauw telkens wordt gefrustreerd door een overmatig gebruik van de wetgeving door tegenstanders van dergelijke transporten, vroeg hij of daar iets aan kan worden gedaan. Moeten de vergunningen ook niet zorgvuldiger worden geformuleerd en moet de regering zich niet nauwkeuriger aan de tijdschema's houden?

Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State over de kerncentrale in Borssele vroeg de heer Blaauw wanneer op basis van die uitspraak een besluit wordt genomen. Gaat het ook in dit geval louter om een financiële afweging?

Ten aanzien van Sellafield was de heer Blaauw het ermee eens dat de door de Engelse regering gegeven geruststellende informatie betekent dat de situatie in de opwerkingsinstallatie transporten naar Sellafield niet in de weg staat; de verantwoordelijkheid voor de situatie aldaar ligt immers bij de Britse regering.

Tot slot vroeg de heer Blaauw een reactie op het door hem vernomen bericht dat het stralingsgevaar voor de omgeving bij versnelde sluiting van de kerncentrale in Dodewaard groter is dan bij 40-jarige insluiting. Tevens vroeg hij of dit bericht in de Verenigde Staten kan worden geverifieerd.

De heer Poppe (SP) wees erop dat het uitblijven van besluitvorming op diverse punten leidt tot ongewenste tussenoplossingen. Hij sloot zich daarom aan bij het pleidooi voor een spoedig besluit over Dodewaard en wees erop dat het uitblijven van een besluit nieuwe veiligheidsproblemen veroorzaakt, mede in verband met het personeelsverloop. Waarom laat de besluitvorming zo lang op zich wachten en welke optie is het veiligst?

Met betrekking tot de HFR sprak de heer Poppe zich uit voor een zo spoedig mogelijk transport van de splijtstof naar de Verenigde Staten; daarbij ging hij ervan uit dat het probleem van de containers makkelijk op te lossen is. Opslag van de splijtstof in het LOG achtte hij ongewenst, maar als daar toch toe wordt overgegaan, zal de splijtstof dan later alsnog naar de Verenigde Staten worden vervoerd?

Gelet op het besluit om de Nederlandse kerncentrales te sluiten, achtte de heer Poppe het onlogisch om de opwerking van splijtstoffen voort te zetten; Nederland moet dus zelf snel een oplossing vinden voor de eigen splijtstofstaven. Ook hij pleitte ervoor om net als Ierland, Denemarken en IJsland aan te dringen op sluiting van Sellafield als er sprake blijft van milieuschade door lozingen.

De heer Feenstra (PvdA) constateerde met tevredenheid dat er wordt vastgehouden aan de overeengekomen sluitingsdatum voor de kerncentrale in Borssele; de schorsingsuitspraak van de Raad van State is immers gebaseerd op procedurele gronden. Welke procedurele stappen wil de regering op dit punt nemen?

Gelet op het belang van de medische toepassingen, de voorgenomen ontmanteling van Dodewaard en het standpunt van de Gezondheidsraad dat transport van radioactief afval veilig kan plaatsvinden, pleitte de heer Feenstra voor snelle en zorgvuldige hervatting van de radioactieve transporten, waarbij de wettelijke bezwaarprocedure als een gegeven beschouwd dient te worden. Wanneer kunnen de transporten vanuit Dodewaard worden hervat en kan de COVRA daarbij dienen als tussenstation? Wanneer kunnen de transporten vanuit Petten worden hervat op basis van de onderhandelingen met de VS?

Met betrekking tot de ontmanteling van de kerncentrale in Dodewaard sprak de heer Feenstra zijn teleurstelling uit over het feit dat de drie betrokken ministers nog geen overeenstemming hebben bereikt. Ten behoeve van alle betrokkenen, met name het personeel van de kerncentrale, drong hij aan op het bepalen van een regeringsstandpunt, zodat de Kamer haar oordeel daarover kan aangeven. Bepalend voor het standpunt van zijn fractie is de vraag of veiligheidsoverwegingen en de beschikbaarheid van voldoende gekwalificeerd personeel moeten leiden tot directe ontmanteling.

Omdat de COVRA na de sluiting van de twee kerncentrales de enige Nederlandse langetermijnvoorziening op nucleair gebied zal zijn en omdat de SEP zal verdwijnen, pleitte de heer Feenstra ervoor om alle deskundigheid en al het personeel van de kerncentrales, evenals alle budgetten, vergunningen en verplichtingen van de kerncentrales en van de SEP onder te brengen bij de COVRA.

Naar aanleiding van het verslag dat de Kamer op basis van de wijziging van de Kernenergiewet heeft uitgebracht, drong de heer Feenstra aan op een zeer snelle reactie van de regering op het deel dat betrekking heeft op de wijziging van de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de departementen.

Tot slot vroeg de heer Feenstra naar aanleiding van de op de dag van dit overleg ontvangen antwoorden op de vragen over Sellafield of de regering bereid is om de bezwaren van Ierland, Denemarken en IJsland op de komende OSPAR-conferentie te onderschrijven indien onverhoopt geen sprake is van een progressieve en substantiële reductie van de lozingen door Sellafield.

Het antwoord van de bewindslieden

De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer wees erop dat eerdere discussies over Sellafield in Nederland hebben geleid tot besluitvorming en daarom los moeten worden gezien van het nieuwe vraagstuk: de veiligheidscultuur binnen BNFL (British Nuclear Fuels) inzake het in ontvangst nemen en opslaan van gebruikte splijtstofstaven. Met betrekking tot de veiligheid van een opwerkingsinstallatie dient in eerste instantie te worden afgegaan op het oordeel van de verantwoordelijke regering. Uit mondelinge informatie van de Engelse minister van milieu, de heer Meacher, en uit een op de dag van dit overleg ontvangen brief van de Engelse minister van energie, mevrouw Liddell, blijkt dat de Engelse regering op basis van officiële inspectierapporten van mening is dat het nieuwe management van BNFL garandeert dat de veiligheidscultuur zodanig is gewijzigd dat er op dat punt geen reden is om geen transporten naar Sellafield te laten plaatsvinden. De Nederlandse regering is daarom van mening dat zij kan doorgaan met het verlenen van transportvergunningen; er is nog geen standpunt bepaald ten behoeve van de OSPAR-conferentie, maar dat is een andere aangelegenheid.

De minister deelde mee dat na de schorsing van twee transportvergunningen door de Raad van State enkele nieuwe vergunningen zijn afgegeven, waarbij de uiterste zorgvuldigheid is betracht om nieuwe procedurele schorsingsgronden te voorkomen. De vergunning voor transport vanuit Dodewaard naar Sellafield is afgegeven op 11 februari 2000; daartegen is op 30 maart 2000, een dag voor het sluiten van de termijn, bezwaar aangetekend. Op 19 mei 2000 vindt de desbetreffende zitting van de Raad van State plaats; enkele weken daarna zal de Raad van State uitspraak doen. Bij een positieve uitspraak zal het transport niet voor september plaatsvinden, omdat in de zomer, mede door de EK voetbal, onvoldoende politie beschikbaar is.

Met betrekking tot de HFR wees de minister erop dat de gemeente Zijpe bezwaar heeft gemaakt tegen opslag ter plekke; die oplossing was immers slechts bedoeld voor een jaar. Inmiddels zijn er geen technische problemen meer die transport van splijtstofstaven naar de VS belemmeren. De vergunninghouder wilde de transportvergunning echter alleen aanvragen als de overheid de extra kosten van dat transport betaalt. Inmiddels is besloten dat de overheid de extra kosten van ongeveer 6 mln. voor een eerste verscheping van drie containers voor haar rekening zal nemen; dat komt neer op de productie van twee jaar en schept dus ruimte voor voortzetting van de productie van isotopen. Een "stap voor stapbeleid" verdient de voorkeur; de door de vergunninghouder genoemde optie van een transport van acht containers, waarvan de kosten ten bedrage van 23 mln. tot 25 mln. ook door de overheid zouden moeten worden betaald, is dan ook onredelijk en onnodig. Het is nu aan de vergunninghouder om de transportvergunning aan te vragen en een contract met de vervoerder te sluiten. Als dat gebeurt, moet het mogelijk zijn om het transport in september te laten plaatsvinden. Als transport naar de VS om een onvoorzienbare reden toch onmogelijk blijkt te zijn, zal een transportvergunning worden afgegeven ten behoeve van de tijdelijke opslag van ongeveer dezelfde hoeveelheid splijtstofstaven in het LOG. De staven zullen daar dan opgeslagen blijven tot de voltooiing van het HABOG in 2003 of totdat het transport naar de VS alsnog kan plaatsvinden. Het LOG is niet daarvoor gebouwd, maar is wel veilig.

Ten aanzien van Borssele deelde de minister mee dat de uit Frankrijk geïmporteerde en in Borssele onderzochte en geteste container schoon en technisch in orde blijkt te zijn. Het is de bedoeling dat die container binnen afzienbare tijd wordt gebruikt voor het transport van gebruikte splijtstof vanuit Borssele naar Frankrijk. De eind april ingediende vergunningaanvraag wordt zeer zorgvuldig behandeld, maar de behandeling kost meer tijd dan gehoopt omdat de vervoerder in verband met de doorvoer door België de aanvraag inmiddels zodanig heeft gewijzigd dat eigenlijk sprake is van een nieuwe aanvraag.

Op basis van deze ontwikkelingen constateerde de minister dat ten aanzien van Petten, Dodewaard en Borssele talloze stappen zijn gezet die hopelijk binnen zeer afzienbare tijd tot definitieve besluiten zullen leiden ter verwezenlijking van de doelstellingen: het vertrek van de splijtstofstaven uit Dodewaard, de voortzetting van de voor medische toepassingen belangrijke productie van isotopen in Petten en de sluiting van de kerncentrale in Borssele. Daarbij tekende hij aan dat de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen tegen transportvergunningen bij de wettelijke procedures hoort en dat hij niet van plan is om die procedures te wijzigen; het enige wat kan worden gedaan om op dat punt ontoelaatbare complicaties te voorkomen, is het zorgvuldig formuleren van de vergunningen.

Met betrekking tot de ontmanteling van de kerncentrale in Dodewaard wees de minister erop dat hij verantwoordelijk is voor het uitblijven van een beslissing, omdat hij op basis van opvattingen van de kernfysische dienst versnelde ontmanteling als optie naar voren heeft gebracht. Dit is voor hem echter absoluut geen zwart-witkwestie. Een notitie van de verantwoordelijke ministers is enkele weken geleden in de onderraad van de ministerraad besproken. Er is nog geen beslissing genomen, maar op 19 mei zal de ministerraad hierover spreken. De voorlopige conclusie van de recente audit, die overigens niet op initiatief van de minister is uitgevoerd, is dat er op het punt van de veiligheid geen verschil is tussen snelle en langzame ontmanteling, maar dat de beschikbaarheid van personeel een belangrijk zorgpunt is. De audit, waarvan ook de Kamer de resultaten zal ontvangen, zal wellicht een rol spelen bij de bespreking in de ministerraad.

De minister van Economische Zaken merkte op dat niet versnelde ontmanteling op zich, maar een zo spoedig mogelijke besluitvorming van belang is voor de bedrijfsvoering en het personeel van de kerncentrale in Dodewaard.

Met betrekking tot de COVRA deelde de minister mee dat er gewerkt wordt aan een zo snel mogelijke overgang naar de staat; het ministerie van VROM bereidt de daarvoor benodigde wetgeving voor. Wanneer dat wetgevingsproces afgerond is, zal de GKN naar de COVRA overgaan, zodat alle deskundigheid, juridische verplichtingen en budgetten dan gebundeld zijn.

Naar aanleiding van de vragen over de centrale in Big Rock Point deelde de minister mee dat het omvangrijke rapport over de versnelde ontmanteling van die centrale is opgevraagd, maar tot nu toe is bestempeld als vertrouwelijk. Zij sprak haar bereidheid uit om een nieuwe poging te wagen, maar wees erop dat de situatie in Big Rock Point sterk verschilde van de situatie in Dodewaard: men kon in Big Rock Point al het afval direct kwijt, terwijl die zekerheid op langere termijn ontbrak; bovendien zou bij uitgestelde ontmanteling de gebruikte splijtstof ter plekke opgeslagen moeten worden, zodat het garanderen van de veiligheid gedurende de insluiting veel duurder zou zijn dan in Dodewaard. In het geval van Dodewaard is uitgestelde ontmanteling goedkoper dan versnelde ontmanteling.

De minister zegde toe dat het uiteindelijke besluit over Dodewaard gemotiveerd, inclusief alle voor- en nadelen van de gekozen optie, aan de Kamer zal worden voorgelegd. Bij de overweging moet overigens ook rekening worden gehouden met het feit dat het besluit niet alleen betrekking heeft op Dodewaard. Er zal zo spoedig mogelijk een zorgvuldig besluit over Borssele worden genomen. De op dat punt met de sector gemaakte afspraak is, ondanks de gewijzigde omstandigheden, niet gewijzigd.

Met betrekking tot het HABOG wees de minister erop dat dit in aanbouw zijnde gebouw niet geschikt is voor directe opslag van het kernafval uit Dodewaard; als men het HABOG daarvoor wil aanpassen, moet de gehele ontwerp- en bouwprocedure worden overgedaan.

Tot slot merkte de minister op dat het belangrijkste nadeel van directe opslag van gebruikte splijtstofstaven ten opzichte van opwerking financieel van aard is: directe opslag is 425 mln. tot 625 mln. duurder en veroorzaakt bovendien een grote mate van onzekerheid over de kosten, omdat nog nauwelijks ervaring is opgedaan met de conditionering van de splijtstofelementen bij directe opslag. Met opwerking is meer ervaring opgedaan en bovendien zijn de kosten daarvan contractueel vastgelegd.

Nadere gedachtewisseling

De heer Van den Akker (CDA) constateerde verheugd dat, wat de minister van VROM betreft, niets de transporten in de weg staat en dat hoe dan ook een oplossing wordt gevonden voor het dringende probleem in de HFR. Met betrekking tot de kerncentrale in Dodewaard vroeg hij of verwacht wordt dat de regering op 19 mei een beslissing zal nemen en of direct na de besluitvorming de vergunningprocedure zal worden gestart, opdat geen nieuwe vertraging zal optreden.

De heer Van der Steenhoven (GroenLinks) vond het antwoord van de minister van VROM over Sellafield onbevredigend, omdat vervanging van het management van BNFL niet de oplossing is voor alle problemen. Sommige problemen zijn immers structureel, bijvoorbeeld de radioactieve besmetting van de zee rondom Sellafield. Dat probleem doet zich ook voor bij de Franse opwerkingsfabriek in La Hague, zoals is gebleken uit onderzoek van door Greenpeace naar Nederland vervoerd zeewater. Het proces van opwerking veroorzaakt dus een fundamenteel probleem. Welk standpunt zal de regering op de OSPAR-conferentie innemen als het onmogelijk blijkt te zijn om een eind te maken aan de radioactieve besmetting van de zee?

Ook de heer Van der Steenhoven sprak de hoop uit dat de regering op 19 mei een besluit over Dodewaard zal nemen.

Mevrouw Augusteijn-Esser (D66) constateerde dat op verschillende punten vorderingen zijn gemaakt, maar vroeg of het op basis van de maatregelen op het punt van het management en de werkwijze van Sellafield nu zeker is dat de personele situatie in Dodewaard in 2002 niet tot een groot veiligheidsprobleem zal leiden en dat een oplossing hiervoor in zicht komt. Daarnaast drong zij erop aan om bij de afweging ook aandacht te besteden aan de personele situatie, de bewaking, de noodzaak om een opslagplaats te vinden voor het later vrijkomende radioactieve afval en de ontmanteling van de kerncentrale in Borssele.

De heer Blaauw (VVD) sprak de hoop uit dat de door de minister van VROM geschetste tijdpaden gerealiseerd zullen worden en dat de regering op 19 mei een besluit over Dodewaard zal nemen. Hij ging ervan uit dat het besluit gepaard zal gaan met een personeelsplan en een duidelijke verantwoordelijkheidsverdeling. Daarnaast vroeg hij een reactie op de stelling dat een mogelijke ontmanteling van de kerncentrale in Borssele zal vallen onder de gewijzigde Kernenergiewet en daarom niet kan worden gekoppeld aan de ontmanteling van de kerncentrale in Dodewaard.

De heer Poppe (SP) vond dat alleen een wijziging van het management van BNFL onvoldoende vertrouwen wekt, omdat het vorige management de veiligheid blijkbaar ongehinderd kon laten versloffen. Daarom vroeg hij of de minister van VROM de rapporten van de Health and Safety Executive (HSE) over Sellafield heeft ontvangen en zo ja, of het oordeel van deskundigen daarover is gevraagd. Voordat transporten naar Sellafield worden uitgevoerd, moet duidelijk zijn dat in Sellafield technische en bestuurstechnische verbeteringen zijn aangebracht die verslapping van de arbeidsmoraal en de veiligheidscultuur onmogelijk maken. Daarnaast herhaalde hij, gelet op de besmetting van de zee rondom Sellafield, zijn pleidooi om de bezwaren van Ierland, Denemarken en IJsland tegen de situatie in Sellafield met kracht te steunen.

Met betrekking tot Dodewaard sprak de heer Poppe de hoop uit dat de regering op 19 mei een besluit zal nemen. Hij ging ervan uit dat de Kamer dit besluit met de daaraan ten grondslag liggende redenen en met alle consequenties van het besluit zal ontvangen.

De heer Feenstra (PvdA) benadrukte dat de veiligheid en de beschikbaarheid van voldoende deskundig personeel doorslaggevend moeten zijn bij het besluit over Dodewaard. Ten behoeve van de beoordeling van het kabinetsbesluit zag hij de audit, de opvatting van de Kernfysische Dienst en de kostenberekening met belangstelling tegemoet.

Ten behoeve van het centraal stellen van de COVRA als kernvoorziening drong de heer Feenstra erop aan om de op dat punt aangekondigde wetswijziging snel aan de Kamer voor te leggen.

Tot slot herhaalde de heer Feenstra zijn pleidooi om, indien geen progressieve en substantiële reductie van de lozingen door Sellafield zal plaatsvinden en indien dit onderwerp zal worden besproken op de OSPAR-conferentie, de door Ierland, Denemarken en IJsland tegen die lozingen aangetekende bezwaren te onderschrijven.

De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer wees erop dat al in eerdere discussies is aangegeven dat rapporten aantonen dat het Verenigd Koninkrijk het gebruik van de best beschikbare technologie als uitgangspunt hanteert en dat de lozingen afnemen en binnen neerwaarts bijgestelde limieten blijven. Op basis daarvan achtte de Nederlandse regering het verantwoord om het beleid inzake opwerking voort te zetten. Via de ook door de Nederlandse regering ontvangen rapporten van de HSE is het aparte, additionele probleem aan het licht gekomen van gebreken op het punt van de veiligheidscultuur binnen Sellafield. Dat probleem is voor de Britse regering aanleiding geweest om de top van het management te vervangen. Uit de brief van minister Liddell blijkt dat de Engelse regering na die radicale ingreep en de maatregelen van het management op het punt van de veiligheidscultuur voortzetting van de activiteiten van de opwerkingsinstallatie verantwoord acht. Op grond van die brief en de internationale opvattingen over de verbeteringen in Sellafield acht de Nederlandse regering het verantwoord om het na de eerdere overwegingen vastgestelde beleid en het verlenen van transportvergunningen voort te zetten en ziet zij geen reden om het contract met Sellafield eenzijdig op te zeggen.

In dit verband benadrukte de minister dat het van groot belang is dat er geen aanleiding is om het beleid inzake opwerking te wijzigen, omdat dat beleid een van de factoren is die uitvoering van de genomen basisbeslissingen mogelijk maakt. Als om welke reden dan ook zou worden besloten om af te zien van opwerking en daarop gerichte transporten, zou dat immers betekenen dat de splijtstofstaven in Dodewaard moeten blijven. De daarmee samenhangende nieuwe problemen, bijvoorbeeld de noodzaak van permanente bewaking, zouden ontmanteling dan in feite onmogelijk maken.

Met betrekking tot de transporten in het algemeen wees de minister erop dat hij na de door hem ingelaste extra bedenktijd, de uitvoering van extra tests, de invoering van nieuwe voorschriften en het oordeel van de Gezondheidsraad enkele maanden geleden tot de conclusie is gekomen dat hervatting van de transporten verantwoord is en dat alle garanties aanwezig zijn dat transporten veilig kunnen plaatsvinden. Met die stelling zal ook worden gereageerd op bezwaren en beroepen.

Tot slot merkte de minister op dat onderzoek van het door Greenpeace naar Nederland vervoerde zeewater uit de omgeving van de Franse opwerkingsinstallatie in La Hague juist heeft aangetoond dat dat water niet verontreinigd was.

De minister van Economische Zaken deelde mee dat, wat de ontmanteling betreft, de opname van het begrip "ontmanteling" een verschil is tussen de oude en de nieuwe Kernenergiewet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Reitsma

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken,

Biesheuvel

De griffier van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

De Gier


1 Samenstelling:

Leden: Reitsma (CDA), voorzitter, Witteveen-Hevinga (PvdA), Van Middelkoop (RPF/GPV), Feenstra (PvdA), Verbugt (VVD), Poppe (SP), Duivesteijn (PvdA), Crone (PvdA), Augusteijn-Esser (D66), Klein Molekamp (VVD), Hofstra (VVD), ondervoorzitter, Eisses-Timmerman (CDA), Th.A.M. Meijer (CDA), Luchtenveld (VVD), Van Wijmen (CDA), Van der Steenhoven (GroenLinks), Van der Staaij (SGP), Ravestein (D66), Oplaat (VVD), Kortram (PvdA), Van der Knaap (CDA), Van Gent (GroenLinks), Udo (VVD), Waalkens (PvdA), Schoenmakers (PvdA)

Plv. leden: Leers (CDA), Dijksma (PvdA), Stellingwerf (RPF/GPV), Valk (PvdA), Essers (VVD), De Wit (SP), Van Heemst (PvdA), De Boer (PvdA), Scheltema-de Nie (D66), Van Beek (VVD), Geluk (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Schreijer-Pierik (CDA), Blok (VVD), Biesheuvel (CDA), M.B. Vos (GroenLinks), Van 't Riet (D66), Giskes (D66), Niederer (VVD), Van den Akker (CDA), Halsema (GroenLinks), Snijder-Hazelhoff (VVD), Hindriks (PvdA), Spoelman (PvdA)


2 Samenstelling:

Leden: Blaauw (VVD), Biesheuvel (CDA), voorzitter, Witteveen-Hevinga (PvdA), Leers (CDA), Voûte-Droste (VVD), ondervoorzitter, Van Zuijlen (PvdA), M.B. Vos (GroenLinks), Rabbae (GroenLinks), Marijnissen (SP), Hessing (VVD), Giskes (D66), Crone (PvdA), Van Dijke (RPF/GPV), Van Walsem (D66), Hofstra (VVD), Wagenaar (PvdA), De Boer (PvdA), Verburg (CDA), Stroeken (CDA), Ravestein (D66), Geluk (VVD), Van den Akker (CDA), Blok (VVD), Hindriks (PvdA),Dijsselbloem (PvdA)

Plv. leden: Snijder-Hazelhoff (VVD), Atsma (CDA), Kalsbeek (PvdA), Wijn (CDA), Klein Molekamp (VVD), Schoenmakers (PvdA), Van der Steenhoven (GroenLinks), Vendrik (GroenLinks), Poppe (SP), Kamp (VVD), Van den Berg (SGP), Kuijper (PvdA), Van Middelkoop (RPF/GPV), Schimmel (D66), Van Baalen (VVD), Herrebrugh (PvdA), Smits (PvdA), Schreijer-Pierik (CDA), Van der Hoeven (CDA), Bakker (D66), Van Beek (VVD), De Haan (CDA), Udo (VVD), Hamer (PvdA), Koenders (PvdA)

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie