Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoord Kamervragen over een tekort bij UMC Utrecht

Datum nieuwsfeit: 05-06-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Antwoord Kamervragen over een tekort bij het universitair medisch centrum in utrec ht

Gemaakt: 6-6-2000 tijd: 14:36


4

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 juni 2000

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen, gesteld door het lid van uw Kamer Kant (SP) over een tekort bij het Universitair Medisch Centrum te Utrecht (2990011020).

De Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport,

dr. E. Borst-Eilers

Antwoorden op kamervragen van Kant over een tekort bij het Universitair Medisch Centrum te Utrecht.

(2990011020)


1.

Is het u bekend dat het Universitair Medisch Centrum (UMC) in Utrecht kampt met een tekort van vijftien tot twintig miljoen gulden?1 Zo ja, bent u met de bestuursvoorzitter van mening dat de oplopende tekorten sinds 1996 te maken hebben met verbeterde patiëntenzorg, trage terugbetaling van voorgefinancierde projecten en minder toegestane groei van academische ziekenhuizen?


1.

Uit het concept van het financieel jaarverslag 1999 is mij bekend dat de exploitatie in 1999 sloot met een nadelig saldo van 15,8 miljoen gulden.

Het budget dat het UMC op basis van de resultaten van het lokaal overleg met zorgverzekeraars en de CTG beleidsregels ter beschikking staat is toereikend voor een adequate zorgverlening. Dit laat onverlet de vrijheid van het UMC binnen dit kader prioriteiten in de wijze van zorgverlening te stellen. Indien het UMC kosten maakt waarvan de financiële dekking onzeker is, kan dit leiden tot een beslag op het eigen vermogen. De reserves in 1998 bedroegen 30,1 miljoen gulden en in 1999 waren die 14,3 miljoen gulden.

In het kader van het Hoofdlijnenakkoord heb ik tot en met 1998 met de Vereniging Academische Ziekenhuizen (VAZ) afspraken gemaakt over de beschikbare macrokaders. In het Regeerakkoord 1999-2002 zijn voor toegestane groei academische ziekenhuizen niet minder middelen ter beschikking gesteld dan de in de voorgaande jaren.


2.

Erkent u dat hierdoor de, zeker voor academische ziekenhuizen, noodzakelijke, vernieuwende geneeskunde in de knel komt? Zo ja, bent u bereid hieraan wat te doen?


2.

Voor de ontwikkelingsgeneeskunde, inclusief programma doelmatigheidsonderzoek, zijn voldoende middelen beschikbaar om vernieuwende geneeskunde te ontwikkelen (in totaal 27 mlj.). Daarnaast is vanaf 1999 voor nieuwe medisch technologische ontwikkelingen (de ontwikkelfunctie) jaarlijks een bedrag van 8 mlj opgenomen in de Meerjaren-afspraken.

In het voor- en najaarsoverleg dat ik voer met de VAZ en Zorgverzekeraars Nederland is de zorgvraagontwikkeling een belangrijk thema ten behoeve van de beschikbaar te stellen financiële kaders in de Zorgnota (voorheen JOZ). De op deze wijze jaarlijks gemaakte afspraken over de omvang van de exploitatie over het komend jaar is uitgangspunt en aldus ook door de VAZ geaccepteerd. Dit jaar ontving ik van de zijde van de VAZ voor het eerst een signaal dat zij een andere benadering van het Hoofdlijnenakkoord voorstaan. In juli heb ik met de VAZ een overleg op welke wijze tot afspraken zal worden gekomen.


3.

Is het u bekend dat het academisch ziekenhuis niet wacht op politieke oplossingen maar zelf particuliere initiatieven gaat ontplooien om de benodigde speelruimte te creëren Zo ja, vindt u het acceptabel dat een onderzoeksinstituut voor kinderen met complexe aandoeningen wordt opgericht met geld van de ex-zakenvrouw van het jaar, dat de afdeling interne geneeskunde een aantal onderzoeksbedden wil laten bekostigen door de farmaceutische industrie, dat een privaat gefinancierd psychiatrisch instituut wordt opgericht ten behoeve van bedrijven en dat een geboortecentrum wordt opgericht, gefinancierd uit collectieve middelen, waar tegen extra betaling zogenaamde pretecho's kunnen worden gemaakt?


3.

In de gezondheidszorg is een maatschappelijke tendens waarbij onderdelen van de zorg via particuliere initiatieven gefinancierd worden. Deze financiering is gebonden aan de regels van de Gedragscode voor Fondsenwerving in de Zorgsector. Het ziekenhuis is immers een maatschappelijke onderneming.

De overheid moet verder keuzes maken binnen het huidige budget en de prioriteit ligt in de zorg vanzelfsprekend bij de meest noodzakelijke voorzieningen. Via particuliere financiering kunnen, naast de noodzakelijke zorg, projecten worden opgezet die anders geen prioriteit zouden kunnen krijgen. De bijdrage van de Sylvia Tóth Stichting past in deze beweging. Dit project van de Sylvia Tóth Stichting neemt een iets andere positie in dan de gebruikelijke sponsoring. Ik beschouw dit initiatief als een experiment. De komende tien jaren zal blijken wat de betekenis is van dit centrum en van de methode die hier wordt gebruikt. Als blijkt dat deze vorm van zorg werkelijk toegevoegde waarde heeft gehad en de exploitatie van het centrum kosteneffectief en efficiënt is geweest, zullen afspraken met verzekeraars moeten worden gemaakt voor financiering uit de reguliere budgetten van de verzekeraars.

In mijn antwoord op uw vragen over sponsoring van ziekenhuizen van
17-4-2000 (2990009890) heb ik u eerder antwoord gegeven over de sponsering door farmaceutische bedrijven. Verbintenissen dienen aan normen te voldoen. Deze zijn beschreven in «de gedragscode voor Fondsenwerving in de Zorgsector» en in bepalingen van het Reclamebesluit geneesmiddelen.

Ik heb bij het UMC geïnformeerd over uw aangehaald voorbeeld van privaat gefinancierd psychiatrisch instituut en pretecho's. Dit verkeert nog in een pril stadium van uitwerking. Uiteraard dient bij de uitwerking van deze projecten rekening te worden gehouden met de beleidsregel aanvullende inkomsten zorginstellingen van het CTG.


4.

Bent u van plan genoemde initiatieven te verbieden? Zo nee, hoe voorkomt u dan een ongewenste belangenverstrengeling met de industrie en een verdergaande tweedeling?


4.

In mijn antwoord op uw vragen van 17-4-2000 ben ik hier op ingegaan. Ik onderken de mogelijkheid dat zorginstellingen door het fenomeen sponsoring mede afhankelijk kunnen worden van en beïnvloed door de industrie. Ik acht het reële gevaar daartoe overigens gering. Ik acht het overgrote deel van de artsen en ziekenhuizen, ook indien sprake is van sponsoring, zeer wel in staat hun taak objectief te blijven verrichten. Verbintenissen tot sponsoring hoeven derhalve niet verboden te worden. Ik ben thans nog van mening dat ik de instellingen voor gezondheidszorg op het terrein van de sponsoring vrij moet laten zo lang niet is gebleken dat sponsoring op een onaanvaardbare wijze plaats vindt. Wel dienen zij aan stricte normen te voldoen. Ook vind ik dat transparantie nodig is. Gelet op de geringe gemiddelde opbrengst acht ik verder het risico van tweedeling niet groot .


5.

Zijn dit soort initiatieven een bedoeld gevolg van uw aanpassing van de CTG-beleidsmaatregel die aanvullende inkomsten mogelijk maakt zonder te korten op het budget? Zo nee, bent u bereid deze aanpassing weer ongedaan te maken?


5.

Ook voor deze vraag heb ik in mijn antwoord op uw vragen van 17-4-
2000 aangegeven dat ik niet voornemens ben de CTG-beleidsregel inzake aanvullende inkomsten op dit onderdeel ongedaan te maken.

6.

Wat is uw reactie op de stelling van de bestuursvoorzitter dat een tweedeling niet meer tegen te houden is als er in het verzekeringsstelsel geen onderscheid wordt gemaakt tussen ziekte en ongemak, en dat nu eenmaal erkend moet worden dat er in de gezondheidszorg ook rijke en minder rijke patiënten zijn?


6.

De uitspraken van de bestuursvoorzitter zijn geheel voor zijn rekening. Zoals u bekend is hecht ik eraan dat ziekenhuizen en de daarin werkzame medisch specialisten zich opstellen als maatschappelijke ondernemers. Dat betekent dat zij een maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben om patiënten alleen op medische gronden voorrang te geven. Dat is uitgangspunt in ons huidige verzekeringsstelsel en geldt voor het eerste en tweede compartiment in zijn volle omvang. Het is voor mij volstrekt onaanvaardbaar dat groepen patiënten in een ziekenhuis een snellere behandeling zouden kunnen kopen door bijvoorbeeld extra betaling.

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie