Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Lijst vragen en antwoorden begroting OCW 2000

Datum nieuwsfeit: 05-06-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

lijst vr-antw begroting ocw 2000

Gemaakt: 16-6-2000 tijd: 12:12


13


27137 Wijziging van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (VIII) voor het jaar 1999 (slotwet)

Nr. 3 Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden

Vastgesteld 5 juni 2000

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen 1), belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie,

Van der Hoeven

De griffier van de commissie,

Mattijssen


1.

Hoe is de meevaller op de personele uitgaven in het primaire onderwijs ontstaan? Klopt het dat meevallers op de personele uitgaven in het primair onderwijs een structureel karakter beginnen te krijgen? Zo nee, hoe valt dan te verklaren dat zij bij elke wijziging van de begroting optreden, zo ja, wat is daarvan de achtergrond? (blz. 5)

In het algemene deel van de slotwet staat een toelichting op hoofdlijnen. Een toelichting op de mutaties wordt gegeven in de toelichting per beleidsterrein. De toelichting op de personele uitgaven staat op pagina 19 en 20 van de slotwet.

Bij de 1
e suppletore 1999 is er f 254,8 miljoen toegevoegd aan de personele uitgaven, bij de 2e suppletore is een meevaller van f 77,4 miljoen en bij de slotwet een meevaller van f 4,4 miljoen gemeld. Als we de technische mutaties buiten beschouwing laten is er bij de 1e suppletore '99 een meevaller van f 57,7 miljoen en bij de 2e suppletore een meevaller van f 35,9 miljoen gemuteerd en een tegenvaller van f 2,5 miljoen bij de slotwet. De oorzaken hiervan zijn zeer divers, zie hiervoor de toelichtingen bij de suppletore wetten. Het is voorbarig om hieruit de conclusie te trekken dat de meevallers op de personele uitgaven in het primair onderwijs een structureel karakter beginnen te krijgen.


2.

'Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door minder uitgaven op het personele artikel (-/-4,4 miljoen) en meer uitgaven op het materiele artikel (2,9 miljoen). Hoe komt het dat er minder is uitgegeven aan de gemiddelde personele lasten (blz. 5)

Dit is een tekstpassage uit het algemene deel. De toelichtingen staan op het beleidsterrein specifieke deel (pagina 19 t/m 24). Er is overigens niet minder maar juist meer uitgegeven aan de gemiddelde personele lasten, zoals blijkt uit pagina 5.


3.

Wat zijn de gevolgen voor de betrokken scholen van opschorting van hun bekostiging vanwege het nog niet inzenden van de jaarrekening? Is deze sanctie al eens eerder getroffen? (blz. 6)

Scholen waarvan de bekostiging is opgeschort, zullen de uitgaven die zij normaal gesproken betalen uit de bekostiging, zelf moeten voorfinancieren. Als zij hun jaarrekening alsnog hebben ingestuurd, wordt de bekostiging hervat en ontvangen zij tevens de bekostiging uit de periode van opschorting. De sanctie is in 1997 en 1998 eveneens getroffen.


4.

Hoe is de meevaller op de reguliere formatie in het voortgezet onderwijs ontstaan?

(blz. 6)

Zie het antwoord op vraag 24.


5.

Wat is er de oorzaak van dat het niet mogelijk is gebleken uitgaven in de BVE-sector geheel te verplichten? (blz. 6)

Inzet is om de exploitatie-uitgaven te verplichten in het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de kasuitgaven worden gedaan (de zgn. t-1 systematiek). Dit is in een aantal gevallen niet mogelijk gebleken. Redenen hiervoor zijn b.v. het niet tijdig beschikbaar zijn van de benodigde basisgegevens of het ontbreken van de juridische grondslag.


6.

Waarom is het niet gelukt de uitgaven voor 2000 (-f 39,0 miljoen) voor het beleidsterrein beroepsonderwijs en volwasseneneducatie geheel in
1999 te verplichten?

Betreft dat met name de wachtgelden, de examens en de middelen voor Kennisnet?

(blz. 6)

Zie het antwoord op vraag 5.


7.

Waarom moest 17,8 miljoen aan verplichte kasuitgaven doorgeschoven worden naar 2000? (blz.7)

De verschuiving van de verplichte kasuitgaven voor techniek, voor allochtonenbeleid hoger onderwijs en van de projectmiddelen HBO-raad was noodzakelijk gelet op de liquiditeitsbehoefte en -prognoses van betrokkenen die deze beleidsthema's voor het ministerie van OCenW uitvoeren.


8.

Wat is de achtergrond van de lagere uitgaven dan begroot voor het convenant universitaire lerarenopleidingen? (blz. 8)

In het convenant lerarenopleidingen in het wetenschappelijk onderwijs van 1 mei 1998 is voor 1999 voor de opleiding van leraren f 6,4 miljoen begroot. Dit bedrag is echter niet uitgeput, omdat bekostiging plaatsvindt op basis van het aantal opgeleide leraren en het aantal ingeschreven studenten in 1999 achterbleef bij de verwachting. In afwachting van invoering van een nieuwe bekostigingssystematiek, zoals aangekondigd in het ulo-convenant, is besloten de bekostiging in 1999 te bevriezen op het niveau van 1998.


9.

Kan de passage over de daling van de verplichtingenruimte op het begrotingsonderdeel onderzoek en wetenschapsbeleid nader worden toegelicht? (blz. 8)

De formele vaststelling van de begrotingen door de Raden van de internationale onderzoeksinstellingen en het aandeel van Nederland daarin kwam op een zo laat tijdstip in 1999, dat om technische redenen de verplichtingen eerst in 2000 kunnen worden vastgelegd.

Om technische redenen worden de uitgaven stelselwijziging rijkshuisvesting voor het jaar 2000 nog rechtstreeks door het ministerie gedaan. Daardoor komen de verplichtingen terzake, anders dan wanneer de uitgaven via instellingen verlopen, ten laste van het jaar waarin de uitgaven worden gedaan in plaats van in 1999.

Gelet op het daarvoor noodzakelijke technische overleg met NWO konden de voor het jaar 2000 uitgetrokken gelden voor de vernieuwingsimpuls, ten bedrage van 10 miljoen, pas in 2000 worden verplicht in plaats van
1999.


10.

Hoe komt het dat de kosten voor het convenant financiering van universitaire lerarenopleidingen lager uitvielen dan oorspronkelijk begroot? (blz. 8)

Zie het antwoord op vraag 8.


11.

Waarom zijn de verplichtingen voor internationale onderzoeksinstellingen nog niet aangegaan? (blz. 8)

De formele vaststelling van de begrotingen door de Raden van de internationale onderzoeksinstellingen en het aandeel van Nederland daarin kwam op een zo laat tijdstip in 1999, dat om technische redenen de verplichtingen eerst in 2000 kunnen worden vastgelegd.


12.

Hoe is het genoemde tekort van f 156.000,- bij de Onderwijsinspectie ontstaan?

(blz. 13)

Het genoemde tekort van f 156.000,- werd verwacht door de versnelde aanschaf van meubilair voor een gerenoveerd kantoor.


13.

In verband met een positief resultaat 1999 op dit artikel is f 8,3 miljoen doorgeschoven van 1999 naar 2000. Een aanzienlijk deel van dit bedrag zal worden gebruikt ter financiering van uitgestelde voorlichtingscampagnes.

Waarover gaan deze voorlichtingscampagnes en hoeveel uitgestelde campagnes zijn er? (blz. 13)

Het betreffen 2 campagnes die betrekking hebben op 'Voortijdig Schoolverlaten (VSV)' en voorlichting over de 'Wet Studiefinanciering (WSF)'.


14.

«Het project onderwijsnummer heeft in 1999 tot minder uitgaven geleid dan verwacht. In plaats van integrale invoering wordt gefaseerde invoering per beleidsterrein overwogen. De voor het project gereserveerde middelen f 4,1 miljoen komen via een kasschuif in 2000 beschikbaar» Is dat het volledige bedrag dat voor het project onderwijsnummer beschikbaar is? Zo niet, wat heeft het project dan gekost in 1999? Waarom wordt nu een gefaseerde invoering overwogen? Is een gefaseerde invoering per beleidsterrein financieel gezien goedkoper of gaat het om beleidsinhoudelijke afwegingen? (blz. 13)

In 1999 was f 5,3 miljoen beschikbaar voor invoering van het Onderwijsnummer. Hiervan is f 0,9 miljoen uitgegeven aan werkzaamheden die de Centrale Financiën Instellingen heeft verricht en f 0,4 miljoen is uitgegeven aan salarissen en overige kosten van het projectbureau.

Overwogen wordt het onderwijsnummer per sector in te voeren. Een voordeel van de sectorale variant is, dat een sector die in staat is het onderwijsnummer vlot in te voeren niet op een andere sector hoeft te wachten. De keuze tussen gelijktijdig invoeren of per sector invoeren is geen kwestie van geld maar van beleid.


15.

Hoe is de stand van zaken in de ontwikkeling van het datawarehouse HBO? (blz. 17)

Op 26 januari 2000 is de eerste versie van het datawarehouse HBO opgeleverd. In het beheerplan is het functionele beheer belegd bij de directie hoger beroepsonderwijs. Het technische beheer is belegd bij een projectorganisatie binnen CFI.


16.

Is de nasleep van de SBK-regeling hiermee geheel afgehandeld? (blz. 18)

Bij brief van 12 oktober 1999, kenmerk AB/PSW/1999/42210 aan USZO ben ik akkoord gegaan met een vaste prijs van f 1,4 miljoen voor de hersteloperatie van de SBK-regeling. Het gaat hierbij om uitvoeringskosten van USZO en niet om de kosten van de SBK-regeling zelf. Met deze afspraak is voor wat betreft de uitvoeringskosten van USZO de nasleep van de SBK-regeling afgehandeld.


17.

Wat is de concrete bestemming voor de extra vergoeding van f 5,3 miljoen in verband met de invoering van de WPO ? (blz 20)

De aan basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs toegekende faciliteiten, zijn bedoeld als tegemoetkoming voor de extra werkzaamheden in het kader van de invoering van maatregelen die in de WPO zijn opgenomen. De faciliteiten kunnen bijvoorbeeld worden toegevoegd aan de formatie voor de schoolleiding om directieleden in staat te stellen de implementatie van de WPO te begeleiden. Over de concrete inzet van de faciliteiten wordt door het bestuur van de desbetreffende school beslist.


18.

Hoe is het mogelijk dat het extra budget voor kinderopvang bijna in zijn geheel niet is besteed in 1999? Ligt het in de lijn der verwachting dat dit budget in 2000 wel zal worden besteed?(blz. 20)

Pas in de loop van 1999 werd duidelijk dat er extra budget voor kinderopvang beschikbaar zou komen. Het vergt wat tijd om extra kinderopvangplaatsen te realiseren. Het is niet gelukt om alle extra plaatsen al in 1999 te realiseren.


19.

Hoe komt het dat niet alle ict-vouchers zijn benut? Hoe is de voorlichting geweest? Waarom was de besteding van de vouchers aan (zo'n krappe) tijd gebonden? (blz. 21)

Per school waren er drie vouchers beschikbaar voor scholing op ict-gebied. Niet alle scholen hebben het blijkbaar nodig geacht alle vouchers te benutten. De scholen zijn door het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum uitgebreid voorgelicht over de vouchers. De besteding van de vouchers was gebonden aan het begrotingsjaar 1999, aangezien de middelen alleen in dat begrotingsjaar beschikbaar waren.


20.

Waaruit bestaan de versneld aangegane verplichtingen ten bedrage van f
31 miljoen? (blz. 21)

Deze verplichtingen hebben voornamelijk betrekking op de reguliere vergoeding voor materiële instandhouding, het zogenoemde 'Vereenvoudigd Londo (VeLo) budget. In de programma's van eisen is opgenomen uit welke onderdelen deze exploitatievergoeding bestaat (programma's van eisen 2000, kenmerk PO/A/99/37109 d.d. 29/09/1999). De 5 groepen PVE's zijn: onderhoud, energie- en waterverbruik, publiekrechtelijke heffingen, middelen en administratie en beheer en bestuur.

Dat de verplichtingen versneld zijn aangegaan heeft overigens geen effect op de kasuitgaven in 1999 noch in 2000.


21.

Waarom is het project over het leerlingvolgsysteem niet aanbesteed? Gaat dat alsnog gebeuren? Hoe staat het met het uitgezette project over Nederlands als Tweede Taal, waarvan de evaluatie in voorjaar 2000 zou moeten beginnen? (blz. 22)

Het project 'beoordeling leerlingvolgsystemen' was een voorgenomen vervolg op een studie van het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum naar de criteria die aan leerlingvolgsystemen gesteld moeten worden. Uit die studie kwam naar voren dat de mogelijkheden die ict biedt, de komende jaren dermate ingrijpende verbeteringen aan leerlingvolgsystemen mogelijk maken dat een beoordeling van bestaande leerlingvolgsystemen op dit moment minder zinvol is. Beter is het aldus het APS om te investeren in de ontwikkeling van nieuwe leerlingvolgsystemen. Via de Subsidieregeling Landelijke Onderwijsondersteunende Activiteiten (SLOA) wordt elk jaar een deel van het budget van het Centraal Instituut voor Toetsontwikkeling geoormerkt voor de verdere ontwikkeling van het Cito-leerlingvolgsysteem.

Het project over Nederlands als Tweede Taal ziet op het project « Landelijk ondersteuning taalbeleid NT2» dat sinds 1998 in het kader van een vierjarige aanpak wordt uitgevoerd door het Katholiek Pedagogisch Centrum onder regie van het procesmanagement primair onderwijs. Het project loopt eind 2001 af, waarbij in een eindevaluatie is voorzien. Het KPC rapporteert periodiek over de voortgang, onder andere met het oog op deze eindevaluatie.


22.

Kan de aanpassing van het ligplaatsonderwijs nader worden toegelicht? (blz. 23)

Het huidig ligplaatsonderwijs - bestemd voor kinderen van binnenschippers in de leeftijd van 3,5 tot ca. 7 jaar - bestaat uit zes scholen en een steunpunt. Er zijn vijf schoolbesturen van verschillende denominaties bij betrokken.

De veranderende situatie in de binnenvaart maakt het noodzakelijk het ligplaatsonderwijs te moderniseren. De liberalisering in de binnenvaart - en daardoor scherpere concurrentie in de bedrijfstak - heeft tot gevolg dat het aantal schepen afneemt. Hierdoor zal ook het aantal schipperskinderen geleidelijk aan afnemen. Bovendien is er sprake van een afname van het schoolbezoek door langere vaarroutes die o.m. verband houden met de ontsluiting Oost-Europa.

Gevolg is dat een deel van de leerlingen geen gebruik kan maken van de onderwijsvoorzieningen.

Om op de ontwikkelingen in de binnenvaart in te spelen zal een nieuwe flexibele organisatie worden opgezet. Bestuurlijk betekent dit dat de zes ligplaatsscholen zullen fuseren tot één onderwijsvoorziening (met meer locaties verspreid over het land) onder één bevoegd gezag. Het onderwijs zal rond het begrip «afstandsleren» worden vorm gegeven; ICT wordt geïntegreerd in het onderwijs. Alle varende kinderen worden door een mentor begeleid met behulp van moderne media. De onderwijsvorderingen worden gevolgd d.m.v. een elektronisch leerlingvolgsysteem. De modernisering geschiedt op basis van een plan van de betrokken schoolbesturen.

Voor een gedetailleerde beschrijving van de ontwikkelingen in het ligplaatsonderwijs verwijs ik kortheidshalve naar de brief aan de TK van 23 april 1998, kenmerk PO/A/98/14850 u.


23.

Voor welke regeerakkoordmiddelen zijn hogere meerjarige verplichtingen aangegaan dan geraamd? (blz. 26)

Het betreft met name de Regeerakkoordmiddelen voor het inhalen van achterstallig onderhoud (f 192,0 miljoen).

Bij de begroting 1999 was voorzien dat de verplichting en de uitgaven over de jaren 1999 tot en met 2003 vrijwel gelijk zou zijn. Dus was er alleen een verplichtingenraming voor 1999.

De regeling achterstallig onderhoud die medio 1999 is gepubliceerd, geldt voor de periode 1999 tot en met 2003 en is administratief in
1999 voor deze hele periode verplicht. Als gevolg daarvan is de verplichtingenraming bijgesteld.


24.

Hoe komt het dat de Bapo-regeling tot minder uitgaven heeft geleid dan geraamd?

(blz. 26)

Per 1 augustus 1998 is de bapo-regeling in het voortgezet onderwijs gedecentraliseerd. Elke school ontvangt een genormeerde opslag op de formatie ten behoeve van de vervanging van de bapo-uren.

Op verzoek van de besturenorganisatie is voor het schooljaar 1998-1999 een overgangsvoorziening getroffen om de herverdeeleffecten van de decentralisatie per school tot een minimum te beperken. Voor het schooljaar 1999-2000 is de overgangsvoorziening bepaald op bestuursniveau. Bij de voorziening voor 1998-1999 is uitgegaan van de feitelijke deelname aan de bapo per 1-8-1998 en de verwachte deelname voor het gehele schooljaar. Op grond hiervan is een bapo-voorschot aan de scholen toegekend. In juni 1999 moesten de scholen de feitelijke deelname over het schooljaar 1998-1999 melden. Deze feitelijke deelname over het gehele schooljaar was lager dan die door de scholen gemeld aan het begin van het schooljaar en heeft geleid tot een totale mutatie in 1999 van f 3 miljoen.

De regeling voor het schooljaar 1999-2000 is in overleg met de besturenorganisatie geplafonneerd. Het totaal aan aanvragen bleek f
3.000,-- hoger te zijn. Deze aanvragen zijn in 1999 volledig toegekend.


25.

De verplichtingenrealisatie met betrekking tot de personele en materiële

uitgaven voor het voortgezet onderwijs vallen f 121,3 miljoen hoger uit dan geraamd omdat er meer meerjarige verplichtingen zijn aangegaan dan geraamd. Houden deze niet geplande uitgaven alleen verband met CAO-afspraken of worden hier ook andere uitgaven mee bedoeld? Zo ja, welke en om welke bedragen gaat het? (pag. 26)

Zie antwoord op vraag 23. Een en ander heeft niets met de CAO-afspraken te maken.


26.

Kan post 3.1, taakstelling secundair beroepsonderwijs, nader worden toegelicht?

(blz. 28)

Het betreft hier de voorgenomen efficiencykorting op de landelijke organen, welke was opgenomen in de begroting 2000. Deze is bij nota van wijziging teruggedraaid.


27.

Hoe valt de stijging in de wachtgelden Hbo te rijmen met het personeelstekort in het hoger onderwijs en het feit dat de uitgaven wel binnen het akkoord met de Hbo-Raad zijn gebleven? (blz. 32)

Zoals is toegelicht in de financiële verantwoording over het jaar 1999 (blz. 80 en 81) is in 1999 geen sprake van een stijging van de wachtgelduitgaven maar kan ten opzichte van de raming een daling worden geconstateerd van f 5,7 miljoen. Worden de gerealiseerde uitgaven vergeleken met het uitgavenkader dat in het met de HBO-raad gesloten wachtgeldakkoord is overeengekomen, dan levert dit het volgende beeld:


* realisatie 1999 f 158,3 mln.


* wachtgeldakkoord HBO-raad (gecorrigeerd naar het loonpeil 1999) f 165,8 mln.

Verschil f 7,5 mln.


28.

Betekent de verhoging van het budget voor wachtgelduitgaven met 15,5 miljoen dat er meer wachtgelders zijn bijgekomen dan verwacht door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen? Hoe kan dat? (blz.
32)

De verhoging van het budget van artikel 21.03 (slotwet 1999) met f
15,5 miljoen betekent niet dat er meer wachtgelders zijn bijgekomen dan verwacht. Integendeel de totale wachtgelduitgaven (inclusief overige wachtgelduitgaven) bedragen voor oude en nieuwe instroom tezamen f 153,8 miljoen. Dit uitgavenniveau ligt onder het niveau van de raming in de begroting 1999 van f 159,5 miljoen (zie het antwoord op vraag 27).


29.

Waarom zijn de uitgaven onder post 1.2 uit het Fonds Economische Structuurversterking verschoven naar 2000? (blz. 42)

Omdat de verantwoordingen over 1999 voor de projecten PPS MIBITON en Kennisinfrastructuur Mainport Rotterdam pas na 31 december 1999 worden ingediend kan de slotafrekening pas in 2000 plaatsvinden.

De toezegging van de FES-fondsbeheerder voor het project Wetenschap en Technologie Centrum Watergraafsmeer heeft pas in de loop van het vierde kwartaal 1999 plaatsgevonden. Daardoor kon de procedure rond de formele toekenning van OCenW niet meer worden afgerond in 1999.


30.

Kan de oorzaak van de stijging 'leerlingkenmerken' nader worden toegelicht? (blz. 45)

De autonome mutatie die toe te schrijven is aan 'leerlingkenmerken' bedraagt bijna f 42 miljoen: hiervan is f 37 miljoen toe te rekenen aan de uitgaven WSF en voor bijna f 5 miljoen aan de WTS.

In de raming is voor de WTS uitgegaan van een gemiddeld bedrag per gerechtigde dat lager ligt dan het gemiddeld bedrag dat gerealiseerd is. Dit prijsverschil leidt tot een verhoging van de WTS uitgaven met bijna f 5 miljoen.

De verhoging van f 37 miljoen van de WSF-uitgaven heeft een andere oorzaak. In de techniek van de begroting worden de uitgaven basisbeurs en aanvullende beurs per onderwijssoort geraamd en wordt vervolgens voor het hoger onderwijs de verdeling gemaakt tussen prestatiebeurs en tempobeurs. Op totaalniveau spoort de raming met de realisatie. Echter de verdeling blijkt in de raming niet juist te zijn gemaakt en er is teveel toegerekend aan het prestatiebeursregime. Aangezien prestatiebeursuitgaven in eerste instantie niet-relevant zijn en tempobeursuitgaven direct relevant, betekent dit dat in de raming te weinig aan het relevante deel is toegerekend.


31.

Zal de meevaller in de lesgeldontvangsten leiden tot een tegenvaller in 2000? (blz. 47)

Nee, dit zal niet tot een tegenvaller in 2000 leiden. De meevaller treedt op doordat een groter deel van het lesgeld 1999/2000 nog in het kalenderjaar 1999 is betaald. Te verwachten valt dat dit betalingsgedrag zich ook in volgende schooljaren zal voordoen. Voor het jaar 2000 betekent dit dat de minder te ontvangen lesgelden uit het schooljaar 1999/2000 gecompenseerd worden door meer-ontvangsten over het schooljaar 2000/2001. Voor het jaar 2000 (en zo ook voor de daarop volgende jaren) is er dus geen sprake van een tegenvaller.


32.

Waarom is een deel van het budget voor bemiddeling wachtgelders in
1999 niet besteed? (blz. 47)

De lopende en nieuwe programma's van het SBO, het Paticipatiefonds, Sofokles, het Mobiliteitsfonds en de BVE-Raad in 1999 bleken na indiening van de activiteitenplannen en de begrotingen voor 1999 te kunnen worden gerealiseerd voor f 0,7 mln minder dan hiervoor in de begroting was gereserveerd.


33.

Welke activiteiten uit Onderwijs on Line hebben vertraging opgelopen? (blz. 48)

Een deel van de activiteiten kon als gevolg van de behandeling in de kamer van Onderwijs on Line in juni, pas na de zomer van start gaan waardoor een beperkte onderuitputting is ontstaan op een aantal thema's. Ik verwijs u graag naar de inmiddels bij brief van 25-2-2000 aangeboden voortgangsrapportage, waarin per thema is te lezen wat de meest actuele voortgangontwikkelingen zijn en waaruit blijkt dat er sprake is van een inhaaleffect. Zie ook mijn brief van 9 mei (ict ontwikkelingen in het onderwijs).


34.

Waarom zijn de middelen voor competentiemanagement ad f 15 miljoen doorgeschoven naar 2000? Loopt het traject naar competentiemanagement vertraging op? (blz. 50)

De eerste tranches van het budget voor integraal personeelsbeleid en competentiebeloning zijn met name bedoeld voor scholing en deskundigheidsbevordering van het management. Om te bereiken dat de invoering van integraal personeelsbeleid en competentiebeloning ook gedragen wordt door het onderwijsveld is voor de Vereniging Samenwerkende Werkgevers Onderwijs (VSWO) in samenwerking met de schoolleidersorganisaties en voor de BVE-raad een duidelijke rol weggelegd in het implementatie traject. Het maken van afspraken over de rolverdeling en de samenwerking tussen deze organisaties heeft m.n. voor wat betreft het PO en VO meer tijd gevraagd dan in eerste aanleg was voorzien en konden pas begin 2000 tot stand komen. Ik ga er van uit dat de effectiviteit van het budget door de samenwerking tussen VSWO en schoolleidersorganisaties wordt verhoogd.

Bovendien wordt door samenvoeging van het budget van 1999 en 2000 het bedrag dat de instellingen in 2000 krijgen substantiëler.


35.

Wat is de reden dat het bedrag van f 6,5 mln voor Cultuur en school in
1999 niet is uitgegeven? Zal dit bedrag in 2000, bovenop de geraamde bedragen voor dit jaar, alsnog tot besteding komen? (pag. 52)
Het gaat hier voornamelijk om de dekking van de CKV-bonnen in het voortgezet onderwijs; deze zijn in de eerste helft van november 1999 naar de scholen gegaan en hebben een geldigheidsduur tot 15 november
2000. De bonnen kunnen tot die datum bij culturele instellingen gebruikt worden. De culturele instellingen kunnen de ingenomen bonnen verzilveren tot 15 december 2000. Het bedrag zal dus in het jaar 2000 tot betaling komen.


36.

Kan een overzicht worden gegeven van alle mutaties bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen die betrekking hebben op de stelselwijziging rijkshuisvesting en kan worden aangegeven wat de totaal bedragen zijn die gemoeid zijn met de stelselwijzigingen en kunnen tevens de veranderingen en verschuivingen bij de het ministerie van VROM in de beschouwing worden meegenomen? (pag. 52)

Bij de slotwet hebben de volgende overboekingen plaatsgevonden om de beschikbare budgetten voor de stelselwijziging rijkshuisvesting te laten aansluiten bij de feitelijke uitgaven. Voor de veranderingen en verschuivingen bij het ministerie van VROM wordt verwezen naar dit ministerie.

Beleidsterrein


1999

17.10


1.366

17.12


-2.933

17.13


69
Totaal ministerie algemeen


-1.498

27.01


2.933

27.03


-1.435
Totaal cultuur


1.498
Totaal generaal


0

37.

Wat betekent de kasverschuiving van f 3,6 mln ten behoeve van het op te richten Instituut voor Beeldcultuur voor de - toekomstige - financiering van het instituut?

(pag. 53)

Het gaat om de aanloopkosten van het voorziene Centrum voor de Beeldcultuur. Het bedrag zou in eerste instantie kunnen worden aangewend voor kosten die verbonden zijn aan het samengaan van de betrokken instellingen. Dat betekent dat, indien in de aanloopkosten wordt gesubsidieerd, de exploitatie in structurele zin daar niet mee hoeft te worden belast. Gezien de omvang van het project zal echter de financieringsbehoefte daardoor niet substantieel lager uitvallen. In de Cultuurnota zal ik op deze kwestie uitvoerig terugkomen.


38.

Welke media-instelling wordt bedoeld in de toelichting onder 1.1, en wat was de reden van de loonbijstelling? (blz. 53)

Dit betreft de loonbijstelling 1999 op de basissubsidie van Stichting Omroep Allochtonen. Op grond van berekeningen over geraamde loonontwikkeling wordt een loonbijstelling toegekend.


39.

Wat is de oorzaak dat het bedrag voor leesbevorderingsbudget media in
1999 niet geheel is besteed? Is onderbesteding van invloed op het beleid in 2000? (blz. 53)

Ten behoeve van leesbevordering via de media was voor 1999 f 2,5 miljoen beschikbaar uit de subsidies mediabeleid. De Stichting Lezen dient bij de advisering over subsidiering onder meer als criteria te hanteren dat er een uitzendgarantie is van een zendgemachtigde en dat de omroep zelf minimaal het gemiddelde uurbedrag beschikbaar stelt. Deze voorwaarden kunnen er toe leiden dat het beschikbare subsidiebedrag niet ten volle wordt besteed.

De onderbesteding is niet rechtstreeks van invloed op het beleid in
2000. Voor dat jaar is in beginsel weer f 2,5 miljoen uit de subsidies mediabeleid beschikbaar voor leesbevordering via de media.

40.

Wat is in 1999 de toename geweest van het fonds Wet Behoud Cultuurbezit?(blz. 58)

Het verloop over 1999 van het fonds Wet Behoud Cultuurbezit is als volgt geweest.

Per 1 januari 1999 f 100.000.000,-

Afname:

aankoop "Parel" Naturalis f 100.000,-

Rembrandt "De oude Man" - 6.000.000,-

Museale Collectie Nederland - 3.000.000,-

"Bloemstilleven in houten Kuip" - 1.100.000,-

Toename:

Rekening Courant Rentevergoeding


1999 - 4.422.296,-

Nieuw Saldo per 31-12-1999 f 94.222.296,-


41.

Kan een nadere toelichting worden gegeven op het feit dat de afschaffing van de omroepbijdrage per 1 januari 2000 heeft geleid tot een vermindering van de ontvangsten in 1999 ten bedrage van f 80 mln? (blz. 59)

In verband met de afschaffing van de omroepbijdrage is de inning voor december 1999 niet uitgevoerd. Deze inkomsten hebben betrekking op het jaar 2000 en zouden na afschaffing van de omroepbijdrage moeten worden gerestitueerd. Hierdoor is de ontvangst achtergebleven ten opzichte van de raming. Dit bedrag komt voor rekening van Financiën en wordt gefinancierd door middel van een kasschuif. Aangezien de media-uitgaven (27.04) niet verlaagd zijn, heeft deze lagere ontvangst geen invloed op de uitgaven van de media-instellingen.

Samenstelling:

Leden:

Plv. leden:

Van der Vlies (SGP)

Schutte (GPV)

Van de Camp (CDA)

Van der Hoeven (CDA),

voorzitter

De Vries (VVD)

Van Zuijlen (PvdA)

Rabbae (GroenLinks)

Lambrechts (D66)

Dittrich (D66)

Cornielje (VVD)

Dijksma (PvdA)

Cherribi (VVD)

Rehwinkel (PvdA),

ondervoorzitter

Passtoors (VVD)

Wijn (CDA)

Ross-van Dorp (CDA)

Orgü (VVD)

Nicolaï (VVD)

Kortram (PvdA)

Halsema (GroenLinks)

Eurlings (CDA)

Belinfante (PvdA)

Van Bommel (SP)

Barth (PvdA)

Hamer (PvdA)

Schimmel (D66)

Stellingwerf (RPF)

Mosterd (CDA)

Atsma (CDA)

Van Baalen (VVD)

De Cloe (PvdA)

Harrewijn (GroenLinks)

Bakker (D66)

Ravestein (D66)

E. Meijer (VVD)

Valk (PvdA)

Udo (VVD)

Van der Hoek (PvdA)

Blok (VVD)

Verhagen (CDA)

Schreijer-Pierik (CDA)

Rijpstra (VVD)

Vacature VVD

Middel (PvdA)

Vendrik (GroenLinks)

Visser-van Doorn (CDA)

Gortzak (PvdA)

Poppe (SP)

Arib (PvdA)

Spoelman (PvdA)

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie