Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoord vragen sponsoring politieke partij door Casema

Datum nieuwsfeit: 06-06-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Antwoord Kamervragen over sponsering politieke partij door kabelonderneming casema
Gemaakt: 13-6-2000 tijd: 10:3


6

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 6 juni 2000

Hierbij bied ik u de antwoorden aan op de vragen die zijn gesteld door de leden Oedayraj Singh Varma en Van Gent (beiden GroenLinks) over sponsoring van de VVD door kabelonderneming Casema (ingezonden 18 mei
2000, kenmerk 2990011200).

DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES,

K.G. de Vries

Vragen van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, fracties van de PvdA, VVD en CDA (nr. 26800 VI)

Vragen van de PvdA-fractie

Vraag 1.

Waarom worden deze brieven niet aan provinciale staten gestuurd? De stellen immers de begroting vast?

Antwoord 1.

Na vaststelling door provinciale staten dienen de begrotingen ingevolge het bepaalde in artikel 195, tweede lid, van de Provinciewet door gedeputeerde staten te worden gezonden aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Zij doen dit als het provinciaal orgaan dat in de Provinciewet is belast met de voorbereiding en uitvoering van besluiten van provinciale staten (artikelen 159 en 160 van de Provinciewet). In dat licht is het vanzelfsprekend de hier bedoelde correspondentie te zenden aan gedeputeerde staten, die op hun beurt provinciale staten hierover dienen te informeren.

Vraag 2.

Waarom wordt niet uitdrukkelijk gesteld dat een structureel ongedekte begroting via een aanvullende begrotingswijziging alsnog binnen 1 jaar sluitend wordt gemaakt?

Antwoord 2.

De in de vraagstelling gebruikte terminologie lijkt te duiden op een misverstand.

Gelet op de, in de Grondwet verankerde, autonomie van de provinciale besturen en het feit dat krachtens artikel 193, twee lid, van de Provinciewet provinciale staten zelf verantwoordelijk zijn voor een evenwichtige begroting is in de Provinciewet uitdrukkelijk gekozen voor een in principe repressieve vorm van financieel toezicht.

Ingevolge artikel 207, eerste lid, van de Provinciewet dien ik echter van rechtswege preventief toezicht in te stellen indien naar mijn oordeel de begroting niet in evenwicht is en
blijkens de meerjarenraming niet aannemelijk is dat in de eerstvolgende jaren een evenwicht tot stand zal worden gebracht.
In de Memorie van Toelichting op de Gemeentewet, welke voor een groot deel ook op de Provinciewet van toepassing is, is opgenomen dat onder een evenwichtige begroting niet dient te worden verstaan een formeel, boekhoudkundig evenwicht maar dat sprake dient te zijn van materieel evenwicht. Dat wil zeggen dat (bij ongewijzigd beleid) de structurele (elk jaar terugkerende) lasten dienen te worden gedekt door structurele (elk jaar terugkerende) baten. Als structurele baten worden blijkens de Memorie van Toelichting bijvoorbeeld niet aangemerkt bijdragen uit de algemene reserve, anders dan 1/30 deel van deze reserve.

Dezelfde criteria worden gehanteerd bij de beoordeling van de meerjarenraming om te kunnen beoordelen of het materiële evenwicht in de eerstvolgende jaren tot stand zal worden gebracht.

Gelet op de hiervoor gegeven definitie van materieel evenwicht van zowel de begroting als de meerjarenraming meen ik de door u gebruikte term «structureel ongedekte begroting» te moeten opvatten als een meerjarig materieel niet in evenwicht zijnde begroting. Een situatie waarin ik van rechtswege gehouden ben om preventief toezicht in te stellen. Van een dergelijke situatie is in de onderhavige gevallen geen sprake. De begroting is met incidentele middelen sluitend gemaakt, terwijl in de meerjarenraming sprake is van structurele dekking en evenwicht.

Vraag 3.

Waarom wordt niet volgens de regels het repressieve toezicht in preventief toezicht gewijzigd als de begroting niet structureel sluitend is?

Antwoord 3.

Zie het antwoord op vraag 2.

Vragen van de VVD-fractie

Vraag 4.

Is het niet vreemd, dat enerzijds de financiële situatie van de beide provincies als zorgelijk wordt omschreven en tegelijkertijd de provincies grote inkomensoverschotten hebben?

Antwoord 4.

De financiële situatie van de beide provincies heb ik niet als zorgelijk omschreven.

Ik heb slechts in de eerder bedoelde brieven aan de colleges van gedeputeerde staten aangegeven dat mijn oordeel omtrent het materiële evenwicht van de begrotingen van die provincies anders luidt dan de door provinciale staten van die provincies vastgestelde verklaring dat de begrotingen materieel in evenwicht zijn. Het evenwicht wordt echter in de meerjarenraming hersteld. Zie ook het antwoord op vraag 2.

Vraag 5.

Is er een verschil in opvatting tussen de provinciebesturen en de minister, nu de provinciebesturen de financiële situatie als zeer rooskleurig beoordelen en de minister nog net akkoord gaat met het repressief toezicht?

Antwoord 5.

Zie ook het antwoord op vraag 4. Overigens kan worden vermeld dat naar mijn mening de financiële positie van alle provincies als goed tot zeer goed kan worden gekenschetst. In het door mij aan de Tweede Kamer toegezegde jaarlijks uit te brengen toezichtverslag zal ik daar nader op ingaan.

Vraag 6.

Kan een overzicht worden gegeven van de opbrengsten van de motorrijtuigenbelasting en de inkomsten voor de provincie Noord-Brabant in de onderhavige periode?

Antwoord 6.

Bij de begroting en rekening worden in een verplicht voorgeschreven bijlage specificaties van de inkomstencategorieën voor de totale begroting en rekening weergegeven. In de hierna weergegeven tabel treft u de gevraagde specificatie van de inkomsten van de provincie Noord-Brabant aan voor het rekeningsjaar 1998 respectievelijk het begrotingsjaar 2000 nadat de totaal budgetten en de inkomstencategorieën van beide jaren zijn gezuiverd van eventueel aanwezige dubbeltellingen.

Het opvallend grote verschil in de 'overige baten' tussen de rekening 1998 en de begroting 2000 betreft hoofdzakelijk de in 1998 ontvangen Europese middelen ten behoeve van de uitvoering van specifieke projecten.

De hiervoor gegeven specificaties zijn niet voorhanden met betrekking tot de meerjarenramingen over de periode 2001 tot en met 2003.

In onderstaand overzicht zijn de voor die jaren in de meerjarenraming opgenomen ramingen voor de algemene uitkering uit het provinciefonds en de opbrengsten wegens heffing van opcenten op de hoofdsom van de motorrijtuigenbelasting weergegeven.

Vraag 7.

Hoe groot is het tijdens het onderzoek vastgestelde saldo-overschot in de provincie Noord-Brabant?

Antwoord 7.

Het saldo van de provincie Noord-Brabant van de vastgestelde rekening over 1998 bedroeg nihil. Dit wordt veroorzaakt doordat het feitelijke overschot van de rekening in de betreffende rekening al aan de algemene reserve wordt toegevoegd. Zo is bij de rekening 1998 rond

f 53 mln aan de algemene reserve toegevoegd.

Uit het door mij ingestelde onderzoek naar het materiële evenwicht van de rekening blijkt dat het voor alle incidentele lasten en baten gezuiverde saldo van de rekening over 1998 kan worden bepaald op rond f 31,8 mln.

Vraag 8.

Op welke wijze dient te worden omgegaan met het ontbreken van een risicoparagraaf bij de toelichting op de begroting?

Antwoord 8.

In het Besluit comptabiliteitsvoorschriften 1995 is een aantal bepalingen opgenomen die verlangen dat de begroting en rekening, alsmede de toelichting daarop voldoen aan de daaraan te stellen minimale informatie-eisen. Zo is onder andere in artikel 14 van deze voorschriften bepaald dat de toelichting op de begroting tenminste een risicoparagraaf dient te bevatten.

Wanneer een dergelijke paragraaf ontbreekt is dit strijdig met de vigerende regelgeving.

Bij de rekening over 1998 is evenwel in de toelichting een uitgebreide risicoparagraaf opgenomen, waartoe overigens op grond van vorenbedoelde voorschriften geen verplichting bestaat.

Gelet hierop heb ik in dit geval gemeend te kunnen volstaan met het verzoek om voortaan bij de begroting te voldoen aan de verplicht voorgeschreven informatie-eisen en in de toelichting een risicoparagraaf op te nemen.

Vraag 9.

Op welke termijn wordt verwacht, dat het structurele tekort van Utrecht van f 4,9 mln zal zijn hersteld? In hoeverre heeft dit tekort gevolgen voor de komende begrotingen?

Antwoord 9.

Op basis van de opgestelde meerjarenraming wordt verwacht dat het herstel van het materiële evenwicht bij de begroting voor 2001 zal worden gerealiseerd. Het tekort heeft derhalve geen gevolgen voor de komende begrotingen.

Vraag 10.

Wat is de reden, de baten van de verkoop van de NV UNA niet in de begroting op te nemen?

Welk bedrag van deze baten wordt aangewend voor structurele saneringen? Welk gedeelte voor incidentele kosten?

Antwoord 10.

Ten tijde van het opstellen van de begroting voor 2000 was bij de provincie Utrecht nog niet exact bekend hoe groot de opbrengst van de verkoop van de betreffende aandelen zou zijn en op welk moment daarover kon worden beschikt. Bovendien handelt het hier om een bijzondere bate die in principe niets van doen heeft met de normale jaarlijkse exploitatie.

Bij het besluit tot verkoop van de UNA-aandelen hebben provinciale staten van Utrecht gelijktijdig besloten de opbrengst in de incidentele sfeer aan te wenden en onder andere te gebruiken voor een door te voeren balanssanering en vervroegde aflossing van langlopende geldleningen. Als gevolg hiervan ontstaat nieuwe structurele ruimte. Over deze nieuwe ruimte is, blijkens ambtelijke informatie, de provinciale besluitvorming nog niet afgerond. Derhalve heeft een en ander geen vertaling gevonden in concrete wijzigingen van de begroting.

Vragen van de CDA-fractie

Vraag 11.

In de brief aan gedeputeerde staten van Noord-Brabant en in de brief aan gedeputeerde staten van Utrecht stelt u dat u van mening bent dat de begroting materieel geen evenwicht vertoont. In de brief van 13 maart aan de Kamer stelt u dat de begroting materieel wel evenwicht vertoont. Hoe verklaart u dit bij uzelf levende verschil van opvatting?

Antwoord 11.

Voor de onderbouwing van mijn mening dat de begroting van de provincies Noord-Brabant en Utrecht materieel geen evenwicht vertonen verwijs ik kortheidshalve naar mijn antwoord op vraag 2.

In de brief van 9 maart, kenmerk IFLO2000/57851, verwijs ik slechts naar de bijgevoegde afschriften van de desbetreffende brieven aan gedeputeerde staten van de provincies Noord-Brabant en Utrecht.

Voorts meld ik, dat ik gedeputeerde staten van de overige provincies schriftelijk heb medegedeeld dat ik van oordeel ben dat de begrotingen van die provincies materieel in evenwicht zijn en dat om deze reden ook voor deze provincies volstaan kan worden met de repressieve toezichtsvorm.

Vraag 12.

Welke concrete invulling geeft u aan de repressieve toezichtsnorm in deze twee gevallen?

Antwoord 12.

De normale invulling die geldt voor alle onder repressief toezicht staande provincies. Dat wil zeggen dat alle ter kennisneming ingezonden besluiten inzake wijziging van de begroting slechts worden getoetst op strijd met het recht. Relevante gegevens uit de begrotings-wijzigingen die later van belang zijn voor de beoordeling van materieel evenwicht van de rekening worden stelselmatig vastgelegd.

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie