|
Tweede Kamer der Staten Generaal
Nota verslag paspoortwet
Gemaakt: 13-6-2000 tijd: 14:11
17
26 977 (R1644)
Wijziging van de Paspoortwet, onder andere in verband met het daarin
opnemen van enige bepalingen ter voorkoming van misbruik van
reisdocumenten
Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG, TEVENS NOTA NAAR
AANLEIDING VAN HET VERSLAG VAN DE STATEN VAN ARUBA
Ontvangen 6 juni 2000
Met genoegen hebben wij kennis genomen van de verslagen die door de
vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal en door de Staten van Aruba zijn
uitgebracht. Het is verheugend te constateren dat de vaste commissie -
onder voorbehoud dat de regering de in het verslag gestelde vragen
tijdig zal hebben beantwoord - de openbare behandeling van dit
wetsvoorstel voldoende acht voorbereid en dat de Staten van Aruba
akkoord kunnen gaan met het voorstel.
ALGEMEEN
In het algemene deel van het verslag hebben de meeste vragen
betrekking op een drietal onderwerpen, te weten de verplichting tot
het doen van aangifte van vermissing van een reisdocument bij de
politie, de invoering van het basisregister reisdocumenten en de
verruiming van de mogelijkheid om een reisdocument te weigeren bij een
gegrond vermoeden van strafbare feiten met betrekking tot
reisdocumenten (artikel 24, onder b). In deze nota zullen eerst deze
vragen worden beantwoord, gerangschikt naar onderwerp, en komen
vervolgens de andere vragen aan de orde.
Verplichte aangifte van vermissing reisdocument bij de politie
De leden van de CDA-fractie vragen of een nadere kwalitatieve en
kwantitatieve toelichting kan worden gegeven bij de stelling dat de
laatste jaren een toenemend misbruik met (gebruikmaking van)
Nederlandse reisdocumenten kan worden geconstateerd, of dit misbruik
hoger is dan in andere Europese landen en of in het bijzonder nader
kan worden ingegaan op misbruik in relatie tot vermissing van
reisdocumenten. Voorts vragen deze leden in hoeveel gevallen kon
worden geconstateerd dat een houder van een reisdocument bewust dit
document als vermist opgeeft teneinde dit document in het criminele
circuit terecht te laten komen.
In de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel is vermeld dat
misbruik van reisdocumenten zich op verschillende terreinen blijkt
voor te doen, zoals bij financiële fraude, drugshandel en
mensensmokkel. Directe aanleiding voor het treffen van een aantal
maatregelen en voor het indienen van dit wetsvoorstel waren een
tweetal opzienbarende opsporingsonderzoeken in het najaar van 1996,
waarbij op grote schaal (vervalste) Nederlandse reisdocumenten werden
aangetroffen. Het beeld van een toenemend misbruik van reisdocumenten
is in de afgelopen jaren slechts bevestigd. In dit verband kan worden
gewezen op de recent aan het licht gekomen fraude met sofinummers in
combinatie met (vervalste) identiteitsdocumenten, waaronder het
Nederlandse paspoort, door illegale vreemdelingen die daarmee
onrechtmatig toegang trachten te verkrijgen tot de Nederlandse
arbeidsmarkt en voorzieningen. Hierover werd uw Kamer geïnformeerd bij
brief van 5 november 1999 (Kamerstukken II, 1999-2000, 25 764, nr.
13).
Een schatting van de omvang van het misbruik van reisdocumenten in al
zijn mogelijke verschijningsvormen is niet te geven. In antwoord op
vragen van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties naar aanleiding van de bovengenoemde fraude met
sofinummers is bij brief van 11 mei j.l. door de Minister voor Grote
Steden- en Integratiebeleid medegedeeld, dat slechts op basis van
dossieronderzoek kan worden vastgesteld of bij de fraude gebruik is
gemaakt van vervalste reisdocumenten (Kamerstukken II, 1999-2000, 25
764, nr. 14). Dit geldt voor alle vormen van fraude waarbij gebruik
wordt gemaakt van valse of vervalste reisdocumenten. In de praktijk
vinden wel deelonderzoeken plaats, bijvoorbeeld door het regionaal
interdisciplinair fraudeteam, maar landelijke cijfers zijn niet te
geven.
Uit het voorgaande volgt, dat niet valt te zeggen hoeveel van de
vermiste reisdocumenten worden misbruikt of in hoeveel gevallen een
houder van een reisdocument dit bewust als vermist opgeeft teneinde
het document in het criminele circuit terecht te laten komen. Voor
cijfers met betrekking tot het aantal vermiste Nederlandse
reisdocumenten en het aantal zogenoemde 'hits' op reisdocumenten in
het Verificatie- en Informatiesysteem (VIS) bij de CRI in de afgelopen
vier jaar, die een indicatie zijn voor het vaststellen van frauduleus
gebruik van vermiste reisdocumenten, moge worden verwezen naar de
bovengenoemde brief van 11 mei j.l.
Het ontbreken van landelijke cijfers betekent dat ook de vraag of het
misbruik van reisdocumenten in Nederland hoger is dan in andere
Europese landen niet kan worden beantwoord. Overigens is het voor het
maken van een zinvolle vergelijking noodzakelijk, dat in alle
onderzochte landen een gelijke definitie van misbruik wordt gehanteerd
en dat inzicht wordt verschaft in alle vormen van misbruik en de
verschillende identiteitsdocumenten die daarbij worden gebruikt. Zoals
de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken op 22 januari 1997 tijdens
een overleg met de vaste commissie van Binnenlandse Zaken evenwel
reeds meldde, bestaat in andere landen bijna geen openheid over het
verlies of het vervalsen van paspoorten (Kamerstukken II, 1996-1997,
25 059, nr. 7). Een vergelijking met de situatie in andere Europese
landen is op dit moment derhalve niet voorhanden.
In antwoord op de vraag van de leden van de PvdA-fractie in welke
gemeente destijds in één jaar tijd aan één persoon 7 maal een nieuw
reisdocument werd verstrekt, delen wij mee dat het hier uitsluitend
een constatering betrof in het kader van het in 1996 verrichte
onderzoek door het IRT Noord en Oost Nederland naar mensensmokkel. In
de brief van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 6 december
1996 aan uw Kamer is toen het voorbeeld genoemd van het in een jaar
tijd verstrekken van 7 reisdocumenten aan dezelfde persoon, ter
illustratie van de bevinding in dat onderzoek dat de ruimte in de
wetgeving voor het verstrekken van een nieuw paspoort aan iemand die
zegt het oude paspoort te zijn verloren, onaanvaardbaar groot is
(Kamerstukken II, 1996-1997, 25 059, nr. 5).
Evenals toen kan echter ook thans niet worden gesteld, dat daarbij in
strijd met de geldende wet- en regelgeving is gehandeld. Het
onderhavige wetsvoorstel is er nu juist op gericht om de instanties
die belast zijn met de uitvoering van de Paspoortwet te voorzien van
een beter instrumentarium, zowel in juridische zin als op het gebied
van de informatievoorziening, om effectiever te kunnen optreden in
dergelijke situaties. Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat
er een gegrond vermoeden moet zijn, dat een persoon strafbare feiten
met (betrekking tot) reisdocumenten heeft gepleegd en zal plegen,
alvorens betrokkene een reisdocument te kunnen onthouden en daarmee te
beperken in diens grondwettelijke recht het land te verlaten. In het
licht van het voorgaande was er dan ook geen reden om ten aanzien van
de betrokken gemeente specifieke maatregelen te treffen.
De leden van de fracties van PvdA, CDA, VVD, D66 en GroenLinks hebben
vragen gesteld over de effectiviteit van de maatregel inzake het
opmaken van een proces-verbaal door de politie in geval van vermissing
van een reisdocument.
Zoals vermeld in de memorie van toelichting heeft de maatregel (nog)
nauwelijks kwantitatief vast te stellen effecten gehad bij het
terugdringen van het aantal vermissingen, maar kan zij wel een
bijdrage leveren aan het voorkomen van misbruik van reisdocumenten,
zeker wanneer de uitvoering daarvan wordt geoptimaliseerd. Door
diverse factoren laat de uitvoering van de maatregel op dit moment nog
te wensen over.
De leden van de CDA-fractie vragen of hieraan de conclusie moet worden
verbonden dat het criminele circuit nauwelijks last heeft gehad van
deze maatregel. Gezien het ontbreken van kwantitatieve gegevens kan
hierover geen uitspraak worden gedaan. Niettemin verwachten wij dat
bij een optimalisering van de uitvoering van de maatregel, zowel door
flankerende maatregelen als in de sfeer van de prioriteitstelling bij
de politie, de effectiviteit daarvan zal toenemen. Van groot belang
hierbij is, dat ook de betrokkenen zelf de maatregel als zinvol
ervaren, hetgeen een onmisbare voorwaarde is om een goede uitvoering
daarvan mogelijk te maken.
De leden van de fracties van PvdA, CDA, D66 en GroenLinks stelden
vragen over de mate van prioriteit die de politie geeft aan de
uitvoering van de maatregel.
Uit de constatering in het onderzoek van het Bureau Eysink Smeets &
Etman dat er door de politie te weinig prioriteit wordt gegeven aan de
uitvoering van de maatregel, moet niet de conclusie worden getrokken
dat de politie nalatig zou zijn in het opnemen van processen-verbaal
van vermissing of het opsporen van vermiste documenten. Er blijkt
echter te weinig structurele aandacht te zijn voor het onderwerp
binnen de organisatie (in veel gevallen is er bijvoorbeeld binnen de
korpsleiding geen portefeuillehouder beleidsmatig verantwoordelijk
voor meervoudige vermissingen van reisdocumenten), onvoldoende
communicatie van de maatregel binnen de korpsen en weinig contact met
het openbaar ministerie over dit onderwerp, waardoor vervolgacties
uitblijven. Het ontbreken van een voldoende instrumentarium, zoals het
nu voorgestelde basisregister reisdocumenten waarin meervoudige
vermissingen kunnen worden opgespoord en de verruiming van de
mogelijkheden om een nieuw reisdocument te weigeren, waardoor de
politie geen optimale uitvoering kan geven aan de haar opgedragen
taak, bevorderde tot nog toe evenmin het geven van een hogere
prioriteit aan het onderwerp.
Inmiddels zijn de volgende acties ter verbetering genomen. In de
bovengenoemde brief van 11 mei j.l. over het misbruik van sofinummers
op Nederlandse reisdocumenten is het vraagstuk van de
prioriteitstelling bij de politie rond reisdocumentenfraude ook aan de
orde geweest. In antwoord op de vraag waarom de opsporing van
reisdocumentenfraude geen hogere prioriteit geniet, is medegedeeld dat
reisdocumentenfraude één van de gedaanten van fraude betreft die een
vorm kunnen zijn van georganiseerde criminaliteit. Fraude in
georganiseerde vorm vormt een ernstige bedreiging van de rechtstaat en
heeft dan ook prioriteit gekregen in het Beleidsplan Nederlandse
politie 1999-2002. Gelet op die prioriteitstelling wordt de opsporing
van reisdocumentenfraude dan ook ter hand genomen, als de organisaties
die worden geconfronteerd met fraude of pogingen van fraude met
vervalste reisdocumenten dit melden.
Hieruit mag worden afgeleid, dat de aandacht bij de politie voor
signalen die wijzen op een mogelijk misbruik van reisdocumenten
toeneemt. Daaraan kan worden toegevoegd dat bij de CRI, de Koninklijke
Marechaussee en de BVD contactpersonen zijn benoemd die het
scharnierpunt vormen inzake de melding van incidenten over misbruik en
fraude met Nederlandse reisdocumenten. Voorts is bij brief aan de
voorzitter van het korpsbeheerdersberaad het verzoek gedaan dat de
korpsbeheerders binnen het onder hun beheer staande politiekorps
aandacht vragen voor de noodzaak om incidenten met Nederlandse
reisdocumenten te melden aan de voor reisdocumenten verantwoordelijke
minister.
De leden van de fracties van CDA en GroenLinks stelden de vraag of het
geven van een te lage prioriteit door de politie mogelijk wordt
veroorzaakt door capaciteitstekort. Het antwoord hierop dient
ontkennend te luiden. De redenen voor de te lage prioriteit zijn
hierboven vermeld en hebben niet te maken met een tekort aan
capaciteit bij de politie. De invoering van de maatregel, begin 1997,
heeft destijds budgettair neutraal plaatsgevonden. In het onderhavige
wetsvoorstel is slechts sprake van een wettelijke vastlegging van de
desbetreffende maatregel, zodat daaraan als zodanig geen budgettaire
of capacitaire gevolgen verbonden zijn. De verwachting is dat
aanvullende maatregelen de uitvoering van de maatregel binnen de
bestaande kaders zal optimaliseren en mede daardoor tot een hogere
prioriteitstelling zullen leiden.
De fractieleden van CDA en D66 willen weten aan welke aanvullende
maatregelen wordt gedacht om de uitvoering van de verplichte aangifte
van vermissing bij de politie te optimaliseren.
Uit het onderzoek naar de effectiviteit van deze maatregel kwam een
aantal aanbevelingen naar voren die tot flankerende maatregelen zullen
leiden.
Nagegaan zal worden hoe het verschil in tijdstip van vermissing en
registratie daarvan in het basisregister reisdocumenten zo klein
mogelijk kan worden gehouden. Dit vereist enerzijds voorlichting aan
de houder, opdat deze bij vermissing van zijn reisdocument daarvan zo
snel mogelijk aangifte doet. Anderzijds zal in de
paspoortuitvoeringsregelingen de bestaande koppeling tussen het
registreren van de vermissing en het doen van een aanvraag voor een
nieuw reisdocument worden losgelaten, zodat opneming van het vermiste
reisdocument in het basisregister reisdocumenten reeds in een eerder
stadium kan plaatsvinden.
De mogelijkheden voor de politie tot identiteitsvaststelling bij
aangifte van vermissing kunnen worden vergroot door een effectiever
gebruik van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
(GBA). Daarbij valt in eerste instantie te denken aan het gebruik van
de GBA door de politie als binnengemeentelijk afnemer. Daarnaast zal
worden gewerkt aan een verbeterde toegang van de politie tot de
decentrale paspoortadministraties, waarbij de voorziene digitale
opslag van de aanvraaggegevens, inclusief foto en handtekening, van de
houder van een reisdocument in het kader van het project nieuwe
generatie reisdocumenten binnen afzienbare termijn mogelijkheden biedt
voor een electronische beschikbaarstelling van deze gegevens.
De regelgeving zal met name aan de politie duidelijker en beter worden
gecommuniceerd, waarbij onder andere gedacht wordt aan het maken c.q.
verbeteren van standaardvoorschriften voor het opmaken van de
processen-verbaal inzake vermissing.
Het maken van afspraken en het vormen van regulier overleg tussen
politie en gemeenten ten aanzien van de manier waarop met meervoudige
vermissingen wordt omgegaan, zal worden bevorderd. In dit verband kan
melding worden gemaakt van het door de Minister voor Grote Steden- en
Integratiebeleid in gang gezette project identiteitsvaststelling, dat
gericht is op bestrijding van identiteitsfraude met behulp van
documenten. Een van de deelprojecten heeft tot doel na te gaan in
hoeverre de samenwerking tussen gemeente, politie en openbaar
ministerie op het terrein van fraude, op regionaal niveau kan worden
gestimuleerd.
De leden van de VVD-fractie vragen nog of het afleggen van een
schriftelijke verklaring omtrent de vermissing, zoals bedoeld in
artikel 31, geen grote administratieve last met zich meebrengt die in
de praktijk zal neerkomen op het gebruik van
standaardverklaringformulieren. Mocht deze inschatting juist zijn, wat
is dan de waarde van dergelijke verklaringen.
Het afleggen van een schriftelijke verklaring van vermissing ten
overstaan van de autoriteit die de aanvraag voor een nieuw
reisdocument in ontvangst neemt, is geen nieuw voorschrift, maar geldt
reeds op dit moment. Het betreft een administratieve handeling die al
sinds jaar en dag door de betrokken autoriteiten wordt verricht. Zij
is noodzakelijk om administratief vast te leggen dat de burger niet
aan de wettelijke verplichting tot het overleggen van het eerder
verstrekte reisdocument heeft voldaan. Het gevolg daarvan is dat het
gegeven van de vermissing van het reisdocument wordt opgenomen in de
administraties betreffende reisdocumenten, alsmede in de
basisadministratie reisdocumenten (thans in het Verificatie- en
Informatiesysteem reisdocumenten bij de CRI). Deze registraties zijn
noodzakelijk voor het geval later het vermiste reisdocument weer
opduikt, hetzij bij een derde hetzij bij de burger zelf. Voor deze
administratieve handelingen brengen de betrokken autoriteiten apart
leges in rekening.
Het afleggen van een proces-verbaal van vermissing bij de politie
heeft een ander doel. Het gaat er dan om dat gebruik kan worden
gemaakt van de expertise bij de politie om een betrouwbare aangifte
van de vermissing te verkrijgen en vast te stellen, of er mogelijk
sprake is van een valse aangifte. Voorts kan de inschakeling van de
politie een preventief effect hebben op het al te gemakkelijk
aanvragen van een nieuw reisdocument bij (vermeende) vermissing van
het eerder uitgereikte reisdocument.
De verplichting tot overlegging van een proces-verbaal van de politie
als aanvullend document bij de verklaring van vermissing bestaat
sedert begin 1997 en is voor zover bekend niet als een grote
administratieve last ervaren door de paspoortverstrekkende
autoriteiten. Dit is waarschijnlijk toe te schrijven aan het feit, dat
deze autoriteiten slechts kunnen volstaan met het bij de bestaande
verklaring van vermissing voegen van het proces-verbaal van de
politie. In een aantal gevallen gebeurde dit trouwens al, namelijk
indien reeds een proces-verbaal was opgemaakt waarin melding werd
gedaan van vermissing van een reisdocument (b.v. als gevolg van
diefstal, inbraak of beroving). Op de capacitaire gevolgen van de
maatregel voor de politie is hiervoor al ingegaan.
Basisregister reisdocumenten
De leden van de fractie van de PvdA vragen wie het basisregister gaat
beheren, welke instanties en functionarissen toegang krijgen tot dit
systeem en onder welke voorwaarden. In vergelijkbare zin vragen de
leden van de GroenLinks-fractie de regering om aan te geven op welke
wijze en door wie het register gebruikt moet gaan worden, en welke
effecten derhalve worden verwacht van de registratie.
Het systeem zal worden beheerd door of onder directe
verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties. Deze blijft in juridische zin te allen tijde
verantwoordelijk voor een juiste verwerking van de daarin opgenomen
gegevens, waaronder de verstrekking van die gegevens aan derden. Zoals
vermeld in de memorie van toelichting worden de in het register
opgenomen gegevens verstrekt aan instellingen en personen, voor zover
deze gegevens noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun
publiekrechtelijke taak. Genoemd zijn de autoriteiten die belast zijn
met de uitvoering van de Paspoortwet, zoals de autoriteiten die een
aanvraag voor een nieuw reisdocument in ontvangst nemen, de tot
inhouding van een reisdocument bevoegde autoriteiten en de politie die
een proces-verbaal van vermissing dient op te maken. Ook de Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zelf kan belang hebben
bij gegevensverstrekking uit het basisregister in verband met de
beslissing om een persoon op te nemen in het register
paspoortsignaleringen wegens een gegrond vermoeden van strafbare
feiten met (betrekking tot) reisdocumenten.
Naast de bovenvermelde verstrekking van gegevens die noodzakelijk is
voor de vervulling van een publiekrechtelijke taak, kan de Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties besluiten ook andere
instellingen en personen aan te wijzen, die naar zijn oordeel een
gerechtvaardigd belang hebben bij verstrekking van gegevens uit het
register. De gegevensverstrekking beperkt zich in dat geval
uitsluitend tot de mededeling of in het register gegevens zijn
opgenomen met betrekking tot een reisdocument, waarvan de instelling
of persoon het documentnummer opgeeft. In de praktijk wordt hiertoe
gebruik gemaakt van het verificatieregister, een deelregister van het
basisregister waarin slechts documentnummers zijn opgenomen. De
verzoekende instelling of persoon krijgt slechts te horen of een door
hem opgegeven documentnummer wel of niet voorkomt in het register
(hit/no-hit-functie). Voor deze zeer beperkte gegevensverstrekking
komen instellingen als banken en financieringsmaatschappijen in
aanmerking, die willen nagaan of er iets aan de hand zou kunnen zijn
met het document dat hen ter identificatie wordt aangeboden. Op dit
moment verkrijgen zij deze gegevens uit het Verificatie- en
Informatiesysteem (VIS).
De toegang tot de verschillende onderdelen van het basisregister
reisdocumenten, zowel in juridische als in technische zin, wordt
geregeld door middel van autorisaties, die worden afgegeven door de
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Dit kan,
afhankelijk van de gevoeligheid van de gegevens en de praktische
uitvoerbaarheid van de verstrekking, zowel het verlenen van
rechtstreekse toegang inhouden (zoals bij het verficatieregister) als
verstrekking van gegevens door tussenkomst van de beheerder van het
register.
De leden van de GroenLinks-fractie vragen nog welke relatie er bestaat
tussen het geregistreerd staan in het basisregister en een eventuele
weigeringsgrond. In vergelijkbare zin willen de leden van de
D66-fractie weten welke conclusie de autoriteiten, die in het kader
van een aanvraag voor een reisdocument gegevens opvragen uit het
basisregister, kunnen trekken uit het feit dat een aanvrager van een
reisdocument meerdere keren een reisdocument als vermist heeft gemeld.
In antwoord hierop kan worden medegedeeld, dat de vermelding van een
meervoudige vermissing van reisdocumenten bij een persoon in het
basisregister slechts als een indicatie kan worden beschouwd voor het
gegronde vermoeden dat er ten aanzien van de betrokken persoon sprake
is van een strafbaar feit met (betrekking tot) reisdocumenten als
bedoeld in artikel 24, onder b, van de wet. Dit kan in samenhang met
andere gegevens er toe leiden dat betrokkene door de Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt geregistreerd in het
register paspoortsignaleringen. Deze registratie is een onmisbare
voorwaarde om eventueel tot weigering of vervallenverklaring van een
reisdocument te kunnen overgaan. Voor een nadere uiteenzetting moge
worden verwezen naar hetgeen in deze nota is opgemerkt ten aanzien van
de voorgestelde verruiming van artikel 24, onder b, van de wet.
De leden van de PvdA-fractie vragen op welke wijze het basisregister
wordt gecontroleerd, hoe lang men daarin kan worden opgenomen, of er
een verjaringstermijn is voor opneming, of personen worden ingelicht
over hun opname in het register en daartegen bezwaar en beroep
mogelijk is, alsmede of men inzicht kan krijgen in het eigen dossier.
Op het basisregister reisdocumenten zal - na aanneming door de Eerste
Kamer - de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp, de opvolger van de
Wet persoonsregistraties) onverkort van toepassing zijn. Dit betekent
dat de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de daarin
opgenomen personen is gewaarborgd. De gegevensverwerking is ingevolge
artikel 8, onder e, van de Wbp gerechtvaardigd, omdat zij noodzakelijk
is voor een goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door de
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze taak is
wettelijk vastgelegd in het voorgestelde artikel 4a van de
Paspoortwet. De opname van gegevens in dit register is derhalve niet
afhankelijk van de voorafgaande toestemming van de burger (artikel 8,
onder a, van de Wbp). Dit is in overeenstemming met het doel van het
basisregister reisdocumenten, namelijk het voorkomen en bestrijden van
fraude met en misbruik van reisdocumenten. Aangezien de gegevens in
het register niet van de betrokkene zelf worden verkregen en de
vastlegging en verstrekking van de gegevens bij wet zijn
voorgeschreven, behoeft de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties als verantwoordelijke voor de verwerking van de
gegevens in het basisregister reisdocumenten de betrokken persoon
slechts op diens verzoek te informeren over het wettelijk voorschrift
dat tot de vastlegging of verstrekking van de hem betreffende gegevens
heeft geleid (artikel 34 van de Wbp). De in het basisregister
opgenomen persoon kan ingevolge de Wbp verzoeken om inzage van zijn
gegevens, alsmede om verbetering, aanvulling of verwijdering daarvan
(artikel 36 Wbp). Tegen een weigering om aan het verzoek te voldoen
kan de betrokken persoon ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
bezwaar en beroep aantekenen (artikel 45 Wbp). Hij kan zich ook voor
bemiddeling of advies wenden tot het College bescherming
persoonsgegevens (artikel 47 Wbp). Dit College is tevens belast met de
controle op een juiste toepassing van de regels inzake de bescherming
van de persoonlijke levenssfeer in verband met de verwerking van
gegevens in het basisregister reisdocumenten (artikel 51 Wbp).
In het basisregister reisdocumenten is voorts een voorziening
getroffen die het mogelijk maakt om de gegevens na een vooraf
ingegeven termijn daaruit te verwijderen. Deze termijn bedraagt op dit
moment voor de in het VIS opgenomen gegevens tien jaar. Nagegaan wordt
of deze termijn voor het basisregister reisdocumenten korter kan
worden, bijvoorbeeld zeven jaar. Hierbij speelt enerzijds de normale
geldigheidsduur van een reisdocument (vijf jaar) en anderzijds het
tijdsbestek waarbinnen zich meervoudige vermissingen van
reisdocumenten kunnen voordoen, een rol.
Tenslotte kan in antwoord op de vraag van de leden van de CDA-fractie
worden gemeld, dat er naar de opvatting van de regering in de
bestaande wettelijke regelingen geen beperkingen aanwezig zijn inzake
de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, wat betreft de
registratie van gegevens op het gebied van reisdocumenten, die met het
oog op de bestrijding van fraude minder gewenst zijn.
De leden van de fracties van PvdA en CDA vragen waarom geen gegevens
met betrekking tot buitenlandse reisdocumenten in het register worden
opgenomen.
Het opnemen van gegevens met betrekking tot vermiste buitenlandse
reisdocumenten achten wij in strijd met de positie die het
basisregister reisdocumenten in de Paspoortwet inneemt. Binnen het
kader van deze regelgeving kunnen slechts voorschriften worden gegeven
met betrekking tot Nederlandse reisdocumenten. Voorts kunnen slechts
aan Nederlandse instanties die betrokken zijn bij de uitvoering van de
Paspoortwet verplichtingen worden opgelegd tot het aanleveren van
betrouwbare document- en persoonsgegevens. Het opnemen van gegevens
betreffende vermiste of gestolen buitenlandse reisdocumenten, voor
zover deze (min of meer toevallig) beschikbaar komen, kan wellicht een
bijdrage leveren aan het voorkomen van fraude, die in Nederland met
dergelijke documenten wordt gepleegd. De onvolledigheid van deze
gegevens, de moeilijke controleerbaarheid van de (buitenlandse) bron
en het feit dat de Paspoortwet slechts regels kan stellen met
betrekking tot Nederlandse reisdocumenten leiden er evenwel toe, dat
niet gekozen is voor het opnemen van buitenlandse reisdocumenten in
het register.
Overigens worden, dit in antwoord op een vraag van de leden van de
PvdA-fractie, de gegevens van een identiteitskaart (de Europese
identiteitskaart, straks de Nederlandse identiteitskaart genoemd) ook
in het basisregister reisdocumenten opgenomen. Het betreft immers een
reisdocument als bedoeld in de Paspoortwet (artikel 2, tweede lid).
De leden van de VVD-fractie werpen de vraag op waarom niet gekozen is
voor een registratie van alle reisdocumenten met daarbij een
vermelding van de status van het document. Dit zou enerzijds een
bijdrage kunnen leveren in de bestrijding van misbruik en biedt
anderzijds de mogelijkheid de burger bijtijds te wijzen op het aflopen
van de geldigheidsduur van diens reisdocument.
De vraag komt er in feite op neer waarom gekozen is voor een
'negatief' in plaats van een 'positief' register. Ook de leden van de
GroenLinks-fractie hebben daarover een vraag gesteld. Zij gaan echter
ten onrechte uit van de veronderstelling dat het systeem zowel een
positieve als een negatieve registratie van reisdocumenten zal
inhouden.
Zoals gemeld in de memorie van toelichting is de keuze voor een
'negatief' register aan de orde gekomen in de brief aan uw Kamer van
12 juni 1998 (Kamerstukken II, 1997-1998, 25 764,nr. 7). In deze brief
is ingegaan op de aanbevelingen van het Expertisecentrum (HEC), dat in
opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken onderzoek heeft
uitgevoerd naar de noodzaak van het inrichten van een basisregistratie
reisdocumenten. Daarbij is de informatiebehoefte onderzocht in de
verschillende schakels van de paspoortketen. Het HEC deed de
aanbeveling om voor de schakels productie, distributie en uitgifte
geen nieuwe registratie in te richten, omdat de bestaande registraties
voldoen aan de informatiebehoefte van de actoren in de
reisdocumentenketen. Ook voor de schakel regulier gebruik diende geen
nieuwe registratie te worden ingericht. De bestaande registraties
kunnen weliswaar niet voldoen aan de informatiebehoeften, maar er kan
wel een acceptabele benadering van de gewenste managementinformatie
met behulp van deductie en steekproeven worden verkregen. Het HEC
adviseerde voor de schakel 'uit het regulier verkeer' wel een aparte
negatieve registratie in te richten, dat wil zeggen een registratie
waarin alleen gegevens over reisdocumenten en de houders zijn
opgenomen van reisdocumenten die niet in het maatschappelijk verkeer
mogen zijn en niet zijn verlopen. In de bovengenoemde brief is
medegedeeld dat deze aanbevelingen door de regering zijn overgenomen.
Een 'positief' register heeft ongetwijfeld voordelen. De inrichting
van een dergelijk register achten wij op dit moment echter nog niet
opportuun. In dit verband is het van belang om op te merken, dat in
het kader van het project nieuwe generatie reisdocumenten als gevolg
van de inzet van ict-technologie voor de centrale personalisering van
reisdocumenten ook een digitale opslag van gegevens met betrekking tot
verstrekte reisdocumenten bij de desbetreffende autoriteiten zal
ontstaan. Dit betekent dat na verloop van vijf jaar, zijnde de normale
geldigheidsduur van Nederlandse reisdocumenten, de
paspoortadministratie in zijn geheel electronisch raadpleegbaar zal
zijn. Hierdoor ontstaan mogelijkheden om te komen tot een positief
register, waarbij de in de paspoortadministraties opgenomen gegevens
met die in het basisregister reisdocumenten kunnen worden
gecombineerd.
Overigens kan in reactie op de opmerking van de leden van de
VVD-fractie worden gemeld, dat dankzij de opneming van
paspoortgegevens in de GBA de gemeenten nu al in staat zijn om de
houder van een reisdocument te wijzen op het verstrijken van de
geldigheidsduur daarvan. Veel gemeenten verlenen deze service in de
praktijk dan ook.
De leden van de fracties van CDA, D66 en GroenLinks vragen of er, ook
op de langere termijn, voldoende financiële ruimte is voor investering
in en exploitatie van het basisregister. Hierop kan worden geantwoord,
dat in de begroting voor het jaar 2000 rekening is gehouden met de
kosten voor ontwikkeling en invoering van het basisregister
reisdocumenten, terwijl voor de jaren 2001 en volgende in de begroting
een structureel bedrag is opgenomen voor de exploitatie van het
register. Extra claims zijn derhalve niet aan de orde.
De leden van de PvdA-fractie vragen of het bestaande register
paspoortsignaleringen te combineren valt met het basisregister
reisdocumenten. Het antwoord hierop dient ontkennend te luiden. Het
register paspoortsignaleringen is een registratie van personen aan wie
in beginsel geen reisdocument mag worden verstrekt . Uitgangspunt voor
vermelding van gegevens in het basisregister reisdocumenten
daarentegen is niet de persoon, maar het reisdocument dat is vermist,
gestolen of anderszins van rechtswege is vervallen. De functionaliteit
van beide registers is derhalve te verschillend om deze te kunnen
combineren. Hieraan staat niet in de weg dat thans, in zeer beperkte
mate en bij wijze van tijdelijke oplossing, ingevolge artikel 47,
vierde lid, van de wet in het register paspoortsignaleringen ook van
rechtswege vervallen reisdocumenten kunnen worden opgenomen. Het gaat
hierbij om reisdocumenten die de de houder had moeten inleveren,
bijvoorbeeld wegens verlies van het Nederlanderschap. Indien
betrokkene weigert het desbetreffende reisdocument in te leveren, is
er ook sprake van een vermoeden van misbruik. Deze situatie heeft er
toe geleid om, bij het ontbreken van een basisregister reisdocumenten,
bij de totstandkoming van de Paspoortwet in artikel 47, vierde lid, te
bepalen dat gegevens met betrekking tot deze reisdocumenten en de
houders daarvan in het register paspoortsignalering kunnen worden
opgenomen. De reden en de duur van de vermelding wijken echter af van
de overige in het register opgenomen signaleringen ingevolge de
artikelen 18 tot en met 24 van de wet.
In dit verband wilden de leden van de fracties van GPV en RPF nog
weten waarom de registratie van de gegevens betreffende van rechtswege
vervallen reisdocumenten ingevolge artikel 47, vierde lid, van de
Paspoortwet (voorlopig) blijft plaatsvinden in het register
paspoortsignaleringen, terwijl deze gegevens ook in het basisregister
reisdocumenten worden opgenomen. De reden is dat dit verband houdt met
de mogelijkheden voor een directe electronische beschikbaarheid van
het basisregister reisdocumenten bij de Nederlandse
paspoortautoriteiten, met name in het buitenland. Zodra de gewenste
beschikbaarheid van de gegevens uit het basisregister reisdocumenten
is bereikt, zal het opnemen van dergelijke gegevens in het register
paspoortsignaleringen worden beëindigd. Over de termijn waarop dit het
geval zal zijn, kan geen stellige uitspraak worden gedaan. Dit is
enerzijds afhankelijk van de infrastructurele voorzieningen die in het
kader van het project nieuwe generatie reisdocumenten bij de
verschillende autoriteiten worden gerealiseerd en anderzijds van de
administratieve en organisatorische aanpassingen die de desbetreffende
autoriteiten zelf dienen te treffen.
Kan worden aangegeven welke omstandigheden kunnen leiden tot het van
rechtswege vervallen van een document, vragen de leden van de
PvdA-fractie. Reisdocumenten vervallen van rechtswege, indien zich een
omstandigheid voordoet als genoemd in artikel 47, eerste lid, van de
Paspoortwet. Daarbij moet onder andere worden gedacht aan het
verliezen van het Nederlanderschap, het niet meer beschikken over de
status of verblijfstitel op grond waarvan het reisdocument voor
vluchtelingen of voor vreemdelingen is verstrekt, het verstrijken van
de geldigheidsduur van het reisdocument en het overlijden van de
houder.
De leden van de fracties van GPV en RPF vragen in dit verband hoe
gehandeld wordt bij overlijden van een houder. Het reisdocument
vervalt bij overlijden van rechtswege, ingevolge artikel 47, eerste
lid, onder f, van de Paspoortwet. Dit betekent dat het document op
grond van artikel 54, eerste lid, moet worden ingehouden. De houder
van een reisdocument dat van rechtswege is vervallen, is ingevolge
artikel 56 verplicht dit zo spoedig mogelijk in te leveren bij een tot
inhouding bevoegde autoriteit. Indien de houder is overleden, rust
deze verplichting op de erfgenamen van de overledene. Het is niet
bekend in hoeverre in de praktijk tot inlevering c.q. inhouding van
reisdocumenten van overleden personen wordt overgegaan. Het betreft
hier een verantwoordelijkheid van de tot inhouding bevoegde
autoriteiten, waaronder de gemeenten. Daarbij is van belang om op te
merken dat bij overlijden van een houder van een nog niet ingeleverd
reisdocument, de gegevens van dat document wel worden vermeld in het
VIS, teneinde mogelijk misbruik daarvan te voorkomen. Dit gebeurt bij
gemeenten automatisch door middel van een bericht uit de GBA naar de
CRI. Na invoering van het basisregister reisdocumenten zullen
dergelijke berichten worden verzonden naar de beheerder van het
basisregister. In de praktijk treedt derhalve geen verandering op in
de vermelding van gegevens van reisdocumenten van overleden houders.
De leden van de fractie van D66 vragen of ook de politie gegevens kan
verstrekken aan het basisregister. Ingevolge het vierde lid van het
voorgestelde artikel 4a worden de gegevens verstrekt door de
autoriteiten, belast met de uitvoering van deze wet. Daartoe behoort
ook de politie. Zoals vermeld in de memorie van toelichting zullen de
gegevens in het algemeen echter afkomstig zijn van de autoriteiten,
die een aanvraag voor een nieuw reisdocument in ontvangst nemen en
daarbij worden geconfronteerd met een verklaring van vermissing van
het oude reisdocument. Voor zover het gemeenten betreft, zal daarbij
gebruik gemaakt worden van standaardberichtuitwisseling via het
GBA-netwerk. Gegevensverstrekking door de politie ligt in deze
systematiek niet voor de hand.
In onderdeel e van het vijfde lid van het voorgestelde artikel 4a
staat dat Onze Minister bij regeling kan bepalen dat andere
administratieve gegevens in het basisregister reisdocumenten worden
opgenomen. De leden van de fracties van GPV en RPF vragen de regering
aan te geven aan welke gegevens zij hierbij denkt. Het gaat hierbij om
zuiver administratieve gegevens, zoals systeemdatums en coderingen,
die inhoudelijk geen nieuwe gegevens omtrent de betrokken persoon
toevoegen. Deze gegevens zijn slechts noodzakelijk om de
gegevensverwerking in het basisregister op een logische wijze te laten
plaatsvinden en geaggregeerde managamentinformatie te kunnen
genereren.
De leden van de GroenLinks-fractie vragen tenslotte of de Kamer kan
worden ingelicht over de verwachte aantallen per jaar te registreren
reisdocumenten en (al dan niet overleden) personen. In antwoord hierop
kan worden medegedeeld dat, gebaseerd op de aantallen van de afgelopen
vier jaar, gerekend wordt op jaarlijks circa 100.000 als vermist of
gestolen opgegeven reisdocumenten en ongeveer 145.000 reisdocumenten
van overleden personen.
Verruiming van de mogelijkheid om een reisdocument te weigeren of
vervallen te verklaren (artikel 24, onder b)
De voorgestelde verruiming van de weigeringsgrond in artikel 24, onder
b, heeft bij de leden van de meeste fracties een aantal vragen
opgeroepen. De leden van de fracties van CDA en D66 willen weten hoe
vaak van het huidige artikel gebruik is gemaakt.
Ingevolge het in de wet neergelegde systeem dienen eerst de gegevens
van een persoon, ten aanzien van wie een grond tot weigering of
vervallen bestaat, in het register paspoortsignaleringen te worden
vermeld alvorens door de daartoe bevoegde autoriteit eventueel tot
weigering of vervallen verklaring van een reisdocument kan worden
overgegaan. Raadpleging van dit register, dat op het ministerie van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt bijgehouden, heeft
uitgewezen dat sedert de inwerkingtreding van de Paspoortwet nog nooit
een persoon op grond van het bepaalde in artikel 24, onder b, in het
register paspoortsignaleringen is geregistreerd. Dit betekent in het
systeem van de wet dat ook nimmer een weigering of vervallenverklaring
van een reisdocument op grond van de desbetreffende bepaling heeft
plaatsgevonden.
In de memorie van toelichting wordt de eis dat de betrokken persoon in
de voorafgaande vijf jaar moet zijn veroordeeld wegens strafbare
feiten met betrekking tot reisdocumenten verantwoordelijk gehouden
voor het feit, dat de toepassing van het artikel tot nog toe illusoir
is gebleken. Daarnaast bleken ook de bestaande strafrechtelijke
instrumenten niet voldoende om misbruik en fraude met (behulp van)
reisdocumenten te bestrijden. Dit heeft ertoe geleid om in de
desbetreffende bepaling de eis van een eerdere strafrechtelijke
veroordeling te laten vervallen. De leden van de fracties van GPV en
RPF menen dat door het loslaten van de koppeling tussen het gegronde
vermoeden dat de betrokken persoon zich schuldig zal maken aan
strafbare feiten met betrekking tot reisdocumenten en de eerdere
onherroepelijke veroordeling straks elk formeel criterium voor
weigering of vervallenverklaring in de wet komt te ontbreken. Deze
leden vragen daarom een nadere onderbouwing van het standpunt dat de
thans voorgestelde regeling blijft binnen de grenzen van de Grondwet
en Europese regelgeving. Een vergelijkbare vraag is gesteld door de
leden van de D66-fractie.
Wij zijn van mening dat, ondanks de voorgestelde wijziging, een
weigering of vervallenverklaring van een reisdocument op grond van
artikel 24, onder b, nog steeds voldoet aan de voorwaarden die de
Grondwet en Europese regelgeving stellen aan de mogelijkheid om het
recht het land te verlaten te beperken. Artikel 2, vierde lid, van de
Grondwet stelt de formele eis dat het recht het land te verlaten
alleen beperkt mag worden in bij de wet te bepalen gevallen. In
genoemd artikel zijn geen materiële vereisten voor een beperking van
dit recht opgenomen. Artikel 2, derde lid, van het Vierde Protocol bij
het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de
fundamentele vrijheden (VP EVRM) voegt aan het vereiste van regeling
bij wet toe, dat de beperking noodzakelijk moet zijn in een
democratische samenleving met het oog op een aantal nader omschreven
belangen, zoals het belang van de nationale veiligheid of de openbare
orde en het belang van de voorkoming van strafbare feiten. Zoals voor
elke grondrechtbeperking geldt, zal uiteraard ook voldaan moeten zijn
aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit. De
voorgestelde wijziging van artikel 24, onder b, voldoet aan de
gestelde voorwaarden. Zo is met de vastlegging in de Paspoortwet
voldaan aan het vereiste van de vastlegging in een wet in formele zin.
Daarnaast is eveneens voldaan aan de materiële vereisten van artikel
2, derde lid, VP EVRM. De beperking is immers noodzakelijk in een
democratische samenleving in het belang van de voorkoming van
strafbare feiten. Het huidige instrumentarium in de Paspoortwet biedt
te weinig mogelijkheden om effectief tegen misbruik van reisdocumenten
op te treden.
Bovendien is de maatregel met ruime waarborgen omgeven. In de eerste
plaats moge er op worden gewezen dat de voorwaarde van een eerdere
onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling weliswaar niet meer
wordt gesteld, maar de bepaling nog steeds een dubbele eis bevat. Om
een reisdocument te kunnen weigeren of vervallen te verklaren dient
niet alleen het gegronde vermoeden te bestaan dat de betrokken persoon
strafbare feiten zal plegen, maar ook dat hij eerder dergelijke
strafbare feiten heeft gepleegd. Deze dubbele eis dwingt tot een
gedegen onderzoek naar de gedragingen van de betrokken persoon met
betrekking tot reisdocumenten gedurende een langere periode. Dit
waarborgt dat er een vermoeden ontstaat dat voldoende gegrond is om
een beslissing tot weigering of vervallenverklaring van een
reisdocument te kunnen motiveren. Om deze reden zijn wij het niet eens
met de suggestie van de leden van de VVD-fractie om deze dubbele eis
niet te stellen en de bepaling van artikel 24 te beperken tot die
situaties waarin een redelijk vermoeden bestaat dat de betrokken
persoon strafbare handelingen zal plegen met (betrekking tot)
reisdocumenten dan wel een ander daartoe in de gelegenheid te stellen.
Het begrip 'gegrond vermoeden' is ook niet louter illustratief, zoals
deze leden veronderstellen, maar heeft de hierboven vermelde
specifieke betekenis van een gemotiveerde beslissing.
Aan het oordeel dat er sprake is van een gegrond vermoeden dient een
gedegen feitenonderzoek ten grondslag te liggen. In antwoord op een
vraag van de leden van de GroenLinks-fractie in dit kader merken wij
op, dat het gebruik van zogenaamde zachte CID-informatie daarvoor niet
voldoende is. De beslissing zal gedragen moeten kunnen worden door de
daarin neergelegde motivering. Dit betekent dat bij beroep tegen het
besluit tot weigering of vervallenverklaring de administratieve
rechter zal beoordelen of het betrokken bestuursorgaan, in het licht
van de gegeven motivering, in redelijkheid tot de bestreden beslissing
heeft kunnen komen. De leden van de GroenLinks-fractie vragen in dit
verband of de bewijsvoering achterwege kan blijven als bijvoorbeeld
CID-informatie is gebruikt, die uit een oogpunt van de bescherming van
informanten niet kan worden openbaar gemaakt en op welke wijze daarmee
in bezwaar en/of beroep wordt omgegaan. Wij gaan er van uit dat een
dergelijke situatie zich in de praktijk waarschijnlijk niet zal
voordoen. Het is namelijk niet ondenkbaar, dat een besluit tot
weigering of vervallenverklaring van een reisdocument waarbij het
gegrond vermoeden geheel of grotendeels op CID-informatie zou zijn
gebaseerd, door de administratieve rechter zal worden vernietigd
wegens gebrek aan voldoende motivering. Om die reden zal, zoals
hierboven is opgemerkt, bij het vaststellen van een gegrond vermoeden
als bedoeld in artikel 24, onder b, dan ook niet worden volstaan met
het gebruik van CID-informatie.
Uit het voorgaande volgt dat de toepassing van artikel 24, onder b,
met de nodige waarborgen is omgeven, waaraan nog wordt bijgedragen
door het feit dat ingevolge het systeem van de Paspoortwet in eerste
instantie de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
zal vaststellen of er sprake is van een gegrond vermoeden als bedoeld
in deze wettelijke bepaling. Indien dit het geval is, zal registratie
van de betrokken persoon in het register paspoortsignaleringen
plaatsvinden. Slechts na opneming van diens gegevens in dit register
kan door de daartoe bevoegde autoriteit, gehoord de betrokken persoon,
een beslissing tot weigering of vervallenverklaring van het
reisdocument worden genomen. Tegen deze beslissing staat vervolgens
ingevolge de Algemene wet bestuursrecht bezwaar en beroep open op de
onafhankelijke bestuursrechter, hetgeen een bijkomende waarborg biedt
dat niet te lichtvaardig gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om
een reisdocument te weigeren of vervallen te verklaren.
Tegen deze achtergrond is de regering van mening, dat de voorgestelde
bepaling blijft binnen de grenzen van zowel de Grondwet als de
Europese regelgeving. In dit verband moge nog worden gewezen op een
uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 20
november 1980, nr. A-21615 (1980), waarin de Afdeling het verstrekken
van een beperkt geldig paspoort, op grond van het feit dat betrokkene
in een periode van ruim anderhalf jaar driemaal een Nederlands
paspoort was kwijtgeraakt waarvan de toedracht niet duidelijk is
kunnen worden, niet in strijd achtte met artikel 48 van het
EEG-verdrag. Van deze uitspraak is overigens reeds eerder melding
gemaakt in de memorie van toelichting bij de Paspoortwet.
De hierboven weergegeven uitgangspunten die gelden bij het vaststellen
of er sprake is van een gegrond vermoeden als bedoeld in artikel 24,
onder b, rechtvaardigen naar onze mening het vertrouwen dat deze
bepaling bijdraagt aan een betere en effectievere bestrijding van
fraude en misbruik met Nederlandse reisdocumenten. Hoewel in de
praktijk niet is uit te sluiten dat een bepaling waarin gesproken
wordt over een gegrond vermoeden in de praktijk ook weer aanleiding
kan geven tot juridische uitvluchten, zoals de leden van de
CDA-fractie opmerken, verwachten wij, gezien de beoogde wijze van
toepassing van deze weigeringsgrond en de ervaring met de overige
weigeringsgronden in de Paspoortwet waarin het begrip «gegrond
vermoeden» eveneens voorkomt, dat de voorgestelde bepaling op dit
terrein een zinvolle aanvulling is op het bestaande (strafrechtelijke)
instrumentarium.
In dit verband vragen de leden van de fractie van D66 hoe voorkomen
wordt dat het strafrechtelijk traject te gemakkelijk wordt verlaten,
omdat het bestuurlijk optreden eenvoudiger is. Ook willen deze leden
weten of het in geval van misbruik waar geen strafbedreiging op staat
wel geëigend is om de verstrekking van een reisdocument te weigeren.
De leden van de GroenLinks-fractie stelden vergelijkbare vragen naar
de relatie tussen de bestaande strafrechtelijke sancties en de
toepassing van de voorgestelde bestuursrechtelijke maatregel.
Zoals vermeld in de memorie van toelichting hebben de beperkte
(repressieve) mogelijkheden die het strafrecht biedt om fraude en
misbruik met reisdocumenten te bestrijden de afgelopen jaren tot
toenemende kritiek geleid. Deze is enerzijds afkomstig van
paspoortverstrekkende instanties die bijvoorbeeld met lede ogen moeten
toezien hoe dezelfde personen binnen kort tijdsbestek telkens hun
reisdocument als vermist opgeven en anderzijds van
opsporingsinstanties die eveneens hebben aangegeven moeite te hebben
met de geringe mogelijkheden die de huidige Paspoortwet biedt om tegen
misbruik van reisdocumenten op te treden. Dit heeft geleid tot de
conclusie dat preventieve maatregelen noodzakelijk zijn om in
dergelijke gevallen handelend te kunnen optreden. Gezien dit
preventieve karakter is in beginsel de reikwijdte van de het
voorgestelde artikel 24, onder b, ruimer dan de bestaande
strafrechtelijke bepalingen. Anderzijds wordt deze reikwijdte in de
bepaling zelf weer beperkt, omdat de eis wordt gesteld dat er een
gegrond vermoeden moet zijn met betrekking tot strafrechtelijke
feiten. Hiermee wordt de samenhangende doelstelling van deze bepaling
met de strafrechtelijke benadering op het gebied van de voorkoming en
bestrijding van misbruik en fraude met reisdocumenten benadrukt. De
memorie van toelichting merkt dan ook op, dat het van belang is dat
zowel de regelgeving als de organisatie en de praktische uitvoering
van de voorgestelde maatregelen plaatsvinden in nauw overleg tussen de
autoriteiten die betrokken zijn bij de uitvoering van de Paspoortwet
en de instanties die belast zijn met de strafrechtelijke handhaving.
Daarmee wordt ook voorkomen dat het strafrechtelijk traject te
gemakkelijk wordt verlaten voor een bestuursrechtelijk optreden op
grond van de Paspoortwet.
De leden van de fractie van de PvdA vragen of het voorliggende
wetsvoorstel zal leiden tot een toename van het aantal gevallen van
bezwaar en beroepsprocedures tegen beslissingen tot weigering of
vervallenverklaring van reisdocumenten. Zoals vermeld in paragraaf 5
van het algemeen deel van de memorie van toelichting (Gevolgen voor de
rechtshandhaving) zullen de gevolgen van de verruiming van de
weigeringsgrond in artikel 24, onder b, zeer beperkt zijn. Voorts
vragen deze leden wat moet worden verstaan onder het door betrokkene
tijdelijk verliezen van zijn aanspraak op een Nederlands reisdocument
en welke vorm van rechtsbescherming hierop van toepassing is. Deze
passage in de memorie van toelichting heeft betrekking op het in de
wet neergelegde systeem van weigering of vervallenverklaring van een
reisdocument door een daartoe bevoegde autoriteit, zoals de
burgemeester van een gemeente. Afhankelijk van het belang van de
overheidsinstantie die om weigering of vervallenverklaring verzoekt en
het belang dat de betrokken persoon bij het bezit van een reisdocument
heeft, kan de beslissing inhouden dat gedurende een bij de
desbetreffende beschikking te bepalen termijn,
aan de betrokken persoon geen dan wel een beperkt geldig reisdocument
wordt verstrekt. Deze termijn kan in beginsel niet langer zijn dan
twee jaar, waarna de desbetreffende overheidsinstantie eventueel bij
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan
verzoeken om handhaving van de betrokken persoon in het eerder
genoemde register paspoortsignaleringen. Zoals gezegd is vermelding in
dit register namelijk weer een voorwaarde om tot weigering of
vervallenverklaring van een reisdocument te kunnen overgaan. Tegen een
besluit tot weigering of vervallenverklaring van een reisdocument
staat in Nederland bezwaar en beroep open ingevolge de Algemene wet
bestuursrecht. De Nederlandse Antillen en Aruba kennen een eigen
stelsel van rechtsbescherming tegen besluiten die door bestuursorganen
zijn genomen.
De leden van de GroenLinks-fractie vragen of alleen een paspoort of
ook een Europese identiteitskaart kan worden geweigerd. Ingevolge
artikel 46a kan een Europese identiteitskaart niet worden geweigerd.
Het huidige wetsvoorstel brengt hierin geen verandering. Deze leden
wilden voorts weten welke wegen er nog openstaan voor iemand zonder
Nederlands reisdocument om het buitenland op legale wijze te bezoeken,
indien men uitsluitend de Nederlandse nationaliteit heeft. Indien is
besloten om aan deze persoon in het geheel geen reisdocument te
verstrekken (bijvoorbeeld omdat het openbaar ministerie daarom heeft
verzocht in verband met de vervolging wegens een strafbaar feit) kan
betrokkene inderdaad niet op legale wijze het buitenland bezoeken.
Overeenkomstig de bedoeling van de desbetreffende wettelijke
bepalingen wordt de betrokken persoon in dat geval beperkt in zijn
recht om het land te verlaten.
Overige vragen
De leden van de CDA-fractie vragen of eventueel in de nieuwe generatie
reisdocumenten op te nemen biometrische kenmerken binnen het raamwerk
van de (herziene) Paspoortwet kunnen worden geïntroduceerd. Indien
wordt besloten tot het opnemen van biometrie in reisdocumenten, zal
daartoe een nieuwe wijziging van de Paspoortwet dienen plaats te
vinden. Aangezien een eventuele invoering van biometrische kenmerken
in de nieuwe generatie reisdocumenten niet eerder dan in 2003 is
voorzien, is er voldoende tijd om een dergelijke wetswijziging in gang
te zetten.
De leden van de fracties van D66, CDA, GPV en RPF stelden enkele
vragen met betrekking tot het voorstel om in het reisdocument
desgevraagd de naam van de geregistreerde partner te laten opnemen. De
leden van de D66-fractie willen graag weten op welke manier de
geregistreerde partner in het paspoort vermeld wordt.
De vermelding van de (gewezen) geregistreerde partner geschiedt
ingevolge het voorgestelde artikel 3, zevende lid, op vergelijkbare
wijze als de vermelding van de (gewezen) echtgeno(o)t(e). Dit houdt in
dat in de desbetreffende rubriek op de houderpagina in het
reisdocument achter de naam van de houder de naam van de partner wordt
vermeld, met daarbij een code die aangeeft of er sprake is van een
geregistreerde partner (p/v), een partner met wie het geregistreerd
partnerschap anders dan door overlijden is beëindigd (b/v) dan wel een
achtergebleven geregistreerde partner (a/v). Voor een uitvoeriger
overzicht van de vermeldingen in het reisdocument wordt verwezen naar
de per 1 januari 1998 in werking getreden circulaire van 25 september
1997 (Stcrt. 1997, 207) aan de burgemeesters betreffende de te
gebruiken paspoortclausules in verband met het geregistreerd
partnerschap.
Deze leden vragen voorts of inwoners van de Nederlandse Antillen en
Aruba zich in Nederland kunnen laten registreren en dit op de
Nederlandse Antillen en Aruba in hun Nederlandse paspoort kunnen laten
opnemen. Zoals vermeld in de memorie van toelichting kunnen vanaf 1
januari 1998 Nederlanders, dus ook Nederlands-Antilliaanse en
Arubaanse Nederlanders, die dat wensen bij de Nederlandse ambtenaar
van de Burgerlijke Stand hun partnerschap laten registreren. Het staat
hen vervolgens vrij om in de Nederlandse Antillen of Aruba een verzoek
te doen tot vermelding van de naam van de geregistreerde partner in
het reisdocument.
De leden van de CDA-fractie vragen zich af in hoeverre het opnemen van
de naam van de partner in het reisdocument eigenlijk nog opportuun is
en vragen of er eventueel alternatieven denkbaar zijn om de naam van
een gewezen partner beschikbaar te hebben in verband met de vermelding
van kinderen van de desbetreffende partner in het reisdocument.
Dergelijke alternatieven zijn er inderdaad, bijvoorbeeld in de vorm
van kopieën van geboorteakten van deze kinderen, waarop de naam van de
houder is vermeld, of een trouwboekje. Mede in antwoord op de vraag
van de leden van de fracties van GPV en RPF wordt in dit verband
echter opgemerkt dat er tot op heden geen signalen zijn binnengekomen
die erop wijzen dat er geen behoefte meer zou bestaan aan de
mogelijkheid om desgewenst in het reisdocument ook de naam van de
partner te vermelden. Om die reden is besloten deze faciliteit te
handhaven en de wettelijke regeling met de naamsvermelding van de
geregistreerde partner uit te breiden. Hieraan doet niet af, dat
andere landen van het Koninkrijk het geregistreerde partnerschap niet
kennen. Dit laatste vloeit voort uit het feit, dat de onderscheiden
landen elk hun eigen wetgeving hebben op het terrein van het personen-
en familierecht.
Naar aanleiding van de redactionele opmerking van de leden van de
fracties van GPV en RPF zijn bij nota van wijziging in onderdeel L het
tweede en vierde lid van artikel 31 opnieuw geformuleerd.
De Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid,
R.H.L.M. van Boxtel
Tweede Kamer der Staten Generaal
|
|
 |