Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Ministerie EZ over begroting Kamer van Koophandel Zd-Limburg

Datum nieuwsfeit: 08-06-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief EZ inzake de kamer de koophandel zuid-limburg
Gemaakt: 14-6-2000 tijd: 15:55


3

Aan de Voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken

's-Gravenhage, 8 juni 2000

In antwoord op uw brief van 10 mei 2000, met kenmerk 11-00-EZ, bericht ik u als volgt.

Inleiding

Naar aanleiding van de begroting en het activiteitenplan voor 2000 van de Kamer van Koophandel voor Zuid-Limburg (de Kamer ZL) waren bij mij vragen gerezen over de bestaande of voorgenomen betrokkenheid van de Kamer ZL bij een groot aantal rechtspersonen. Deze rechtspersonen houden zich bezig met activiteiten die niet tot de wettelijke taken van de Kamers behoren, met name investeren in en exploiteren van onroerend goed. Hiermee waren zeer forse bedragen gemoeid. Omdat hier mogelijk sprake was van strijd met Wet op de Kamers van Koophandel 1997 (de wet), heb ik bij de Kamer ZL nadere informatie opgevraagd.

Daaruit bleek mij, dat de Kamer ZL de gewraakte activiteiten ontplooide vanuit haar taak regiostimulering. De Kamer ZL bleek een onjuist beeld te hebben van de ruimte die de wet een Kamer biedt om invulling te geven aan deze taak en met name over de mogelijkheden van participatie en het verstrekken van financiële bijdragen.

De wettelijke taak regionale stimulering

Kamers van Koophandel zijn publiekrechtelijke organisaties, die op grond van de wet een aantal wettelijke taken uitvoeren, die mede uit heffingen worden bekostigd. Eén van deze taken is de niet-verplichte taak regionale stimulering. Indien een Kamer deze taak uitvoert, dan dient dat te gebeuren binnen de kaders die artikel 27 van de wet stelt.

Dit artikel bepaalt:

«Een Kamer kan besluiten tot het stimuleren van economische ontwikkelingen in haar gebied door middel van het bevorderen van onderzoeken, overlegvormen en samenwerkingsverbanden. Ten behoeve van een dergelijk onderzoek, overlegvorm of samenwerkingsverband kan een subsidie worden verstrekt.»

In de toelichting wordt hierover het volgende opgemerkt:

«Bij subsidies dient het te gaan om een beperkte bijdrage in de kosten van dit soort projecten. (...). De (...) subsidie heeft vooral een symbolisch karakter en een aanjaagfunctie. Het is niet de bedoeling dat in dat kader substantiële bedragen ter financiering van projecten worden verstrekt.»

Hieruit is af te leiden dat Kamers geen forse bedragen aan subsidies dienen uit te geven.

Naast de hoogte van de subsidies kan een subsidie ongeoorloofd zijn vanwege de bestemming daarvan. Het verstrekken van subsidies aan bijvoorbeeld infrastructuur en exploitatie van onroerend goed kan niet worden beschouwd als het bevorderen van onderzoeken, overlegvormen en samenwerkingsverbanden zoals artikel 27 vereist. Degelijke bestedingen behoren niet tot de mogelijkheden die een Kamer heeft ter stimulering van de regio.

De wet bindt de uitoefening van taken zoals regiostimulering aan voorwaarden (artikelen 30 en 31 van de wet). Kamers dienen zich niet te begeven op terreinen die behoren tot de activiteiten van marktpartijen, zoals financieringsinstellingen. Zij mogen dus geen economische activiteiten ontplooien zoals het investeren in infrastructurele voorzieningen, het bijdragen aan de exploitatie van onroerend goed, het verschaffen van risicodragend kapitaal of het zich garant stellen voor exploitatietekorten.

Het bekostigen van subsidies met dergelijke bestemmingen uit de verplichte heffingen, dan wel uit het kapitaal dat in het verleden uit de heffingen is opgebouwd, acht ik dan ook in strijd met de wet. Het geld waar de Kamer over beschikt dient te worden besteed onder de strikte voorwaarden die de wet stelt.

Het is bovendien in het belang van de verlaging van de administratieve lastendruk voor het bedrijfsleven om de heffingen zo laag mogelijk te houden. Voorkomen moet worden dat de post subsidies te zwaar op de begroting van een Kamer drukt, aangezien dit een opdrijvend effect op de heffingen heeft.

De nieuwe wet is ten opzichte van de vorige wet op dit punt niet veranderd. Ook de rol van het algemeen bestuur is in de het kader van regiostimulering niet verruimd. Het bovenstaande is bovendien de afgelopen jaren herhaaldelijk aan de Kamer van Koophandels medegedeeld. Op 20 juni 1994 heeft de toenmalige Minister Andriessen een circulaire met deze strekking aan alle Kamers gestuurd. Sindsdien heb ik dit ook nog een aantal malen onder de aandacht van de Kamer ZL gebracht.

Overigens kunnen Kamers wel op andere wijze hun betrokkenheid bij dergelijke projecten tonen. Zo kan een Kamer vanuit haar taak regionale stimulering onder ondernemers op vrijwillige basis fondsen werven, ten behoeve van de financiering van een snelweg, een vliegveld of een voetbalstadion. Uiteraard dient het vrijwillige karakter van de bijdrage daarbij duidelijk te zijn. Deze wijze van financiële betrokkenheid is niet in strijd met de wet omdat met deze formule geen beslag wordt gelegd op de verplichte heffingen. Een bijkomend voordeel is dat de bijdrage die via de Kamer voor een dergelijk project wordt bijeengebracht ook geen limiet kent. Bovendien laat het regionale bedrijfsleven door vrijwillige giften geen afgedwongen, maar juist echt draagvlak voor zo'n project blijken.

Voorlopige conclusies over de activiteiten van de Kamer ZL

Op grond van het bovenstaande heb ik op basis van de mij door de Kamer ZL beschikbaar gestelde informatie geconcludeerd dat een aantal activiteiten die de

Kamer ZL had ontwikkeld of wilde ontwikkelen, op gespannen voet staan met de wet. Het heffingenbesluit voor 2000 heb ik niet goedgekeurd omdat deze mogelijk voor

niet-wettelijke taken zouden worden ingezet. Hangende het verdere onderzoek heb ik op 19 april 2000 drie besluiten van de Kamer ZL die een financieel gevolg met zich meebrachten geschorst.

Ik heb vervolgens op 30 mei 2000 overleg gevoerd met een delegatie van het bestuur over mijn voorlopige conclusies. In dit overleg is overeenstemming bereikt over het feit dat de Kamer ZL een aantal activiteiten zal beëindigen, c.q. niet zal ontplooien. De Kamer ZL zal bezien of dit laatste gevolgen heeft voor de begroting en het heffingenbesluit voor 2000, waarna ik de laatste zal kunnen goedkeuren. Indien deze afspraken verder zijn uitgewerkt, verwacht ik de schorsingsbesluiten te kunnen intrekken.

De afgelopen maanden zijn mij een aantal malen nieuwe feiten bekend geworden. Ik acht het vanuit mijn rol als toezichthouder noodzakelijk om mij te verzekeren dat ik een volledig beeld heb van de activiteiten en positie van de Kamer ZL. Daarom zal ik een onafhankelijke accountant opdracht verlenen om een feitenonderzoek te doen naar de personele, bestuurlijke, juridische en financiële banden van de Kamer ZL met andere rechtspersonen. Op grond van de resultaten van dat onderzoek zal ik mij een definitief oordeel vormen. Ik zal uw Kamer daarover te zijner tijd informeren.

(w.g.) drs. G. Ybema

Staatssecretaris van Economische Zaken

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie