Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag verdrag rusttijd in handel en op kantoren

Datum nieuwsfeit: 09-06-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

verslag verdrag rusttijd in handel en op kantoren
Gemaakt: 16-6-2000 tijd: 10:11


5


26988 (R1645) Goedkeuring van de opzegging van het op 26 juni 1957 te Genève totstandgekomen Verdrag betreffende de wekelijkse rusttijd in de handel en op kantoren (Verdrag nr. 106, aangenomen door de Internationale Arbeidsconferentie in haar 40ste zitting); Trb. 1964,
61)
Nr. 5 VERSLAG Vastgesteld 9 juni 2000 De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid *), belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen genoegzaam zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid. De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het voornemen tot opzegging van het Verdrag betreffende de wekelijkse rusttijden. Zij steunen de achterliggende gedachte dat het Verdrag nr. 106 ten opzichte van de Arbeidstijdenwet verouderd is. Over het voornemen hebben deze leden de volgende vragen. Deze leden vragen zich af, gezien het feit dat nog niet de helft van de lidstaten van de Europese Unie (EU) partij is bij het verdrag en er door opzegging een mogelijke negatieve signaalwerking vanuit gaat, welke landen het verdrag wel hebben ondertekend en welke niet. De leden van de PvdA-fractie achten de redenering ten aanzien van Aruba onduidelijk, gezien het feit dat de Arubaanse nationale regelingen niet in strijd zijn met het verdrag en er klaarblijkelijk geen reden is om het op te zeggen. Zou de negatieve signaalwerking waar de Raad van State naar verwijst juist niet hier kunnen gelden? De leden van de CDA-fractie hebben met verbazing kennisgenomen van het voornemen van de regering om Verdrag nr. 106 van de Internationale Arbeidsconferentie op te zeggen. Zij zien deze noodzaak van opzegging niet om verschillende redenen. Daarop zullen zij in het vervolg van hun inbreng in dit verslag uitgebreid terugkomen. Allereerst willen deze leden enkele meer procedurele opmerkingen maken en vragen stellen. De leden van de CDA-fractie hebben met verbazing kennis genomen van het feit dat dit verdrag over het hoofd gezien is bij het opstellen en de behandeling van de nieuwe Arbeidstijdenwet. Worden wetsvoorstellen niet standaard getoetst aan verdragen die door Nederland onderschreven zijn? De opzegtermijn liep van 4 maart 1999 t/m 3 maart 2000. Het voornemen tot opzegging werd op 26 januari 2000 ontvangen. Daarmee kan de Tweede Kamer zich dus pas na de opzegtermijn uitspreken over de wenselijkheid daarvan. Worden deze termijnen ook niet bijgehouden? Het lijkt deze leden dat de procedures voor deze zaken beter in de gaten dienen te worden gehouden. Ook zijn zij van mening dat deze procedure geen schoonheidsprijs verdient en zij hopen dat dit niet herhaald zal worden in de toekomst. Bevordering van internationale arbeidsnormen, die een minimumbescherming bieden aan werknemers, is een zaak die naar de mening van de leden van CDA-fractie niet te licht genomen mag worden. Verdragen en het bevorderen van bekrachtiging door zoveel mogelijk landen daarvan vormen daarbij een belangrijk instrument. Opzegging van een verdrag heeft altijd een signaalwerking, ook al is er een toelichtende verklaring als bijlage bijgevoegd. De Raad van State geeft aan dat opzegging niet vanuit een zuiver nationaal belang beoordeeld kan worden. Zij vragen aan de regering of hier nog eens nader op ingegaan kan worden. Is overigens overleg geweest met de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) over dit verdrag en de strijdigheid met Nederlandse wetgeving? Zijn er geen mogelijkheden om bijvoorbeeld samen met andere Europese landen de inhoud van dit verdrag aan de orde te stellen? Ook de regering van de Nederlandse Antillen geeft aan dat zij zoveel mogelijk de IAO-verdragen wil steunen middels binding daaraan. Daarom wenst zij dat de opzegging niet voor de Nederlandse Antillen geldt. Is het de wenselijke situatie dat de verschillende dele van het Koninkrijk een verschillende positie ten aanzien van internationale verdragen innemen? In het verdrag wordt uitgegaan van de arbeidstijd per week. Dat heeft een tweeledige achtergrond: de bescherming van de gezondheid van werknemers en de bescherming van de rustdag en de godsdienstuitoefening op die dag. In de nieuwe Arbeidstijdenwet zijn de mogelijkheden voor arbeid op zondag, de rustdag, uitgebreid. Naar de mening van de leden van de CDA-fractie is bescherming van werknemers tegen arbeid op zondag van groot belang, niet alleen omdat het hen de mogelijkheid biedt tot godsdienstuitoefening maar ook vanwege het sociale aspect. Juist een gezamenlijke vrije dag schept mogelijkheden voor bijvoorbeeld het verenigingsleven, het onderhouden van sociale contacten en familiebezoek. Een dag zonder niet-noodzakelijke economische activiteiten is voor de samenleving als geheel een dag van bezinning. Dit verdrag heeft betrekking op de sectoren van «de handel en de kantoren». Wat zijn precies de bezwaren om voor deze sectoren het verdrag niet te volgen? In de Arbeidstijdenwet staat een verbod op zondagsarbeid. Slechts in bepaalde gevallen kan hiervan afgeweken worden, als de aard van de arbeid erom vraagt of het uit de bedrijfsomstandigheden voortvloeit. Daarbij gelden nog verschillende instemmingsregels. Kan aangegeven worden waarom voor deze sectoren de Arbeidstijdenwet niet aangepast kan worden aan het verdrag? Waarom is dat niet wenselijk? De leden van de SP-fractie hebben kennis genomen van het wetsvoorstel en zijn niet gelukkig met het opzeggen van verdrag nr. 106. Zij vragen zich af of Arbeidstijdenwet, die onbedoeld strijdig met het internationale verdrag is aangenomen, wel de opzegging van een internationaal verdrag ter bescherming van werknemers rechtvaardigt. De leden vragen zich af of het verdrag hierdoor niet aan betekenis verliest. Het feit dat nog niet de helft van de EU-lidstaten partij is, stelt deze leden niet afdoende gerust. Zij vragen de regering daarom waarom niet wordt geprobeerd het verdrag aan te passen of te streven naar een nieuw verdrag. De leden van de fracties van RPF en GPV hebben kennisgenomen van het voornemen van de regering om het verdrag betreffende de rusttijd in de handel en op kantoren op te zeggen. Genoemde leden constateren dat een belangrijk argument voor de opzegging van het verdrag is gelegen in de grotere verscheidenheid in arbeidspatronen en werktijden, waardoor naar de mening van de regering Verdrag nr. 106 minder doeltreffend is dan de Arbeidstijdenwet. Hoewel de leden niet ontkennen dat de arbeidspatronen aan verandering onderhevig zijn, betreuren ze dat het hierdoor minder vanzelfsprekend is geworden om op de zondag geen werk te verrichten. Deelt de regering de mening van deze leden dat het verdrag vergeleken met de Arbeidstijdenwet meer recht doet aan het uitgangspunt dat op zondag geen werk wordt verricht en meer garanties kunnen worden geboden voor een collectieve vrije dag? De leden van de fracties van RPF en GPV zijn evenals de regering van mening dat ernaar gestreefd moet worden dat wetgeving in overeenstemming is met geratificeerde verdragen. Het voorstel om het inhoudelijke verschil van de Arbeidstijdenwet met onderhavig verdrag te elimineren is weliswaar één manier om dat te bereiken, een andere is om de Arbeidstijdenwet aan het verdrag aan te passen. Waarom is daar niet voor gekozen? Genoemde leden zijn er namelijk niet van overtuigd dat de positie van werknemers die hechten aan een wekelijkse rustdag door opzegging van het verdrag gelijk zal blijven. Weliswaar lezen de leden van de fracties van RPF en GPV in de toelichtende nota dat de positie van de werknemer die om principiële redenen niet wil werken op zondag of op een andere specifieke dag, niet is verslechterd. Maar is dat wel zo? Onder het verdrag bestaat voor de werkgever immers de verplichting om aan alle werknemers zover mogelijk gelijktijdig de rusttijd te bieden. Deze verplichting bestaat echter niet onder de Arbeidstijdenwet, waardoor het dus minder vanzelfsprekend is dat een werknemer geen arbeid hoeft te verrichten op zondag. Is de regering het, wat dit laatste betreft, met de genoemde leden eens? De aan het woord zijnde leden merken op dat de vrijstellingsbepalingen van de wekelijkse rusttijd in het verdrag vergeleken met de Arbeidstijdenwet minder algemeen zijn geformuleerd. Naar de overtuiging van genoemde leden is de vrijstellingsbepaling in artikel 8 van het verdrag een beperktere inbreuk op de norm van het niet werken op zondag dan de in de Arbeidstijdenwet opgenomen vrijstelling, die door het begrip bedrijfsomstandigheden wordt bepaald. Als de regering van mening is dat de positie van de werknemer die niet wil werken op zondag niet verslechtert na opzegging van het verdrag, is de regering dan bereid de uitzonderingsbepalingen van de Arbeidstijdenwet met betrekking tot het werken op zondag te specificeren tot de bepalingen die in artikel
8 van het verdrag zijn opgenomen? De leden van de fracties van RPF en GPV begrijpen uit de toelichtende nota dat met name artikel 6 van het verdrag, sinds de inwerkingtreding van de Arbeidstijdenwet, niet meer naar de letter wordt nageleefd. Kan de regering inzicht geven in welke mate hiervan sprake is? Betekent opzegging van het verdrag dat er voortaan ook in allerlei kantoren, zoals makelaars, banken en dergelijk, op zondag werk verricht kan worden? En wordt hiermee ook de weg geopend voor postbezorging op zondag? In de memorie van toelichting lezen deze leden dat gekozen is voor een goedkeuring achteraf, omdat de uiterste datum van opzegging 3 maart jl.was. Genoemde leden vragen waarom het voornemen tot opzegging pas in januari dit jaar bij de Eerste en Tweede Kamer is neergelegd, waardoor er feitelijk geen andere mogelijk bestaat dan het vragen van goedkeuring achteraf. Hoe strookt dit met het voornemen van de regering, zoals verwoord in de brief aan de Kamer ( kamerstuk 23900XV nr. 44) om twee jaar voordat het verdrag kan worden opgezegd de Kamer hierover te informeren en haar voornemen hieromtrent kenbaar te maken? De leden van de SGP-fractie hebben met kritische belangstelling kennisgenomen van de opzegging van het op 26 juni 1957 te Genève totstandgekomen Verdrag betreffende de wekelijkse rusttijd in de handel en op kantoren. De aan het woord zijnde leden hebben een aantal procedurele en inhoudelijke bezwaren en vinden dat de opzegging van het Verdrag ongedaan moet worden gemaakt. De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering op 26 januari 2000 een brief naar de Staten-Generaal hebben gestuurd waarin de opzegging van het onderhavige verdrag is geregeld. Tot 26 februari konden de leden van de Staten-Generaal de regering verzoeken om uitdrukkelijke goedkeuring. Al tien jaar lang is bekend dat eventuele opzegging van dit Verdrag voor 4 maart 2000 moest plaatsvinden. Waarom heeft de regering tot het uiterste van de termijn gewacht om stilzwijgende goedkeuring van de opzegging van de beide Kamers? Waarom heeft de regering gekozen voor een stilzwijgende procedure? De leden van de SGP-fractie hebben ook sterke twijfels of de regering eigenmachtig had mogen overgaan tot opzegging van het Verdrag. Artikel 14 juncto artikel 10, eerste lid van de Rijkswet, geeft aan dat tot opzegging van het verdrag zonder goedkeuring van de Staten-Generaal kan worden overgegaan «in buitengewone gevallen van dringende aard». Kan de regering aannemelijk maken dat het hier een dergelijke situatie betrof? De aan het woord zijn de leden vragen ook op welke datum de regering het concept van de toelichtende nota aan de sociale partners heeft voorgelegd. De leden van de SGP-fractie vragen de regering ervoor zorg te dragen dat de gestelde vragen zo snel mogelijk worden behandeld, zodat, mocht de Staten-Generaal hun goedkeuring onthouden, ruim voor de datum van 2 maart 2001 de opzegging kan worden ingetrokken De leden van de SGP-fractie merken op dat de reden van de opzegging van het verdrag een hele bijzondere is. Nederland heeft in strijd met het verdrag in 1996 een bepaling opgenomen in de Arbeidstijdenwet. Deze strijdigheid is destijds aan de aandacht van zowel de regering als van de Kamers ontsnapt. Waarom is door de regering toen wel gekeken naar de Europese richtlijn nr. 93/104/EG en niet naar het onderhavige verdrag? De leden stellen zich op het standpunt dat nu dit niet het geval is geweest de tekst van artikel
5.3, tweede lid, Arbeidstijdenwet ter discussie moet staan, nu een essentieel gegeven - strijdigheid met verdragsbepaling - niet aan de orde is geweest in de parlementaire behandeling. Wat zijn de gevolgen van aanpassing van de Arbeidstijdenwet naar de letter van dit verdrag? Zijn er nog andere bepalingen die strijdig zijn met dit verdrag? De achterliggende reden voor de leden van de SGP-fractie om het verdrag niet te willen opzeggen, is het feit dat zij zich zorgen maken over de aantasting van de positie van de zondag, die onder andere door de Winkeltijdenwet verder onder druk komt te staan. Deze leden van de SGP-fractie bestijden de stelling van de regering dat door de invoering van de Arbeidstijdenwet de positie van de werknemer, die om principiële redenen niet op zondag wil werken, niet verslechterd is. Zij stellen dat niet voor niets het initiatiefwetsvoorstel 27 075 van het lid Bakker inzake gewetensbezwaren zondagsarbeid is ingediend en dat ook een onderzoek van de RMU aantoont dat op dit punt problemen bestaan. Ontkent de regering dit maatschappelijke probleem? Daarnaast wordt ook in de politiek steeds meer onderkend dat de Arbeidstijdenwet te weinig mogelijkheden biedt voor werknemers om hun recht op de wekelijkse rusttijd te krijgen. Verder vragen de leden van de SGP-fractie de regering nader in te gaan op de achtergrond van het verdrag. Waarom is Nederland toen partij geworden? Hoeveel landen hebben inmiddels het verdrag opgezegd? Hoeveel landen hebben zich op dit moment nog verbonden aan het Verdrag? Is de regering het met deze leden eens dat ondertekening van een verdrag ook een signaalfunctie is naar andere landen? Welke belangen zouden naar het oordeel van de regering kunnen worden gediend met het voortbestaan van dit verdrag? De voorzitter van de commissie, Terpstra De griffier voor dit verslag, Nava Samenstelling:

Leden:

Plv. leden:
Terpstra (VVD), voorzitter Biesheuvel (CDA) Schimmel (D66) Van Zijl (PvdA) Bijleveld-Schouten (CDA) Kalsbeek-Jasperse (PvdA) Noorman-den Uyl (PvdA), ondervoorzitter Kamp (VVD) Essers (VVD) Van Dijke (RPF) Bakker (D66) Visser-van Doorn (CDA) De Wit (SP) Verburg (CDA) Smits (PvdA) Spoelman (PvdA) Van der Staaij (SGP) Orgü (VVD) Harrewijn (GroenLinks) Van Gent (GroenLinks) Bussemaker (PvdA) Balkenende (CDA) Wilders (VVD) Santi (PvdA)

Snijder-Hazelhoff (VVD)
E. Meijer (VVD) Van Ardenne-van der Hoeven (CDA) Giskes (D66) Van der Hoek (PvdA) Dankers (CDA) Hamer (PvdA) Kortram (PvdA) Blok (VVD) Van Blerck-Woerdman (VVD) Van Middelkoop (GPV) Van Vliet (D66) Stroeken (CDA) Marijnissen (SP) Eisses-Timmerman (CDA) Schoenmakers (PvdA) Middel (PvdA) Van Walsem (D66) Weekers (VVD) Vendrik (GroenLinks) Rosenmöller (GroenLinks) Wagenaar (PvdA) Mosterd (CDA) De Vries (VVD) Oudkerk (PvdA)

Klein Molekamp (VVD)

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie