Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Reactie minister De Vries op claim voormalig KNIL militairen

Datum nieuwsfeit: 09-06-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief BZK inzake knil

Gemaakt: 14-6-2000 tijd: 16:29


2

Aan de Voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

's-Gravenhage, 9 juni 2000

Naar aanleiding van uw verzoek om een afschrift van mijn reactie op de brieven van 11 april 2000 van respectievelijk de heer M.E. Nanlohij uit Leerdam en de heer Z.J. Supusepa uit Culemborg, deel ik u mee dat beide brieven door mij zijn gedeponeerd.

Ik merk op dat beide brieven betrekking hebben op verzoeken van betrokkenen om realisatie van de voorzieningen voor het militair personeel van het KNIL.

Over dat onderwerp zijn aan betrokkenen, mede naar aanleiding van ingediende bezwaar- en beroepschriften, meerdere malen brieven geschreven, laatstelijk op 12 april 2000. Afschriften van een aantal brieven over diverse (vermeende) KNIL-rechten waarop zij menen aanspraak te kunnen maken, doe ik u bijgaand toekomen.

Te uwer informatie deel ik u nog het volgende mee.

In de jaren 1951-1952 is een groep van circa 4000 Ambonezen (Molukse KNIL-militairen en hun gezinnen) naar Nederland overgebracht. Deze militairen werden bij aankomst uit militaire dienst ontslagen. Zij werden ondergebracht in diverse opvangkampen in Nederland. De verzorging van de naar Nederland overgebrachte Molukse ex-KNIL-militairen kwam aanvankelijk geheel voor rijksrekening. Deze situatie duurde voort tot circa mei 1956. De Nederlandse regering besloot toen van het systeem van algehele overheidszorg over te gaan naar een grote mate van zelfzorg (omdat veel Molukkers inmiddels eigen inkomsten hadden verkregen). De regering overwoog daarbij ook, dat voortzetting van de algehele overheidszorg op den duur niet goed zou zijn voor het besef van verantwoordelijkheid voor het eigen bestaan en dat het niet gerechtvaardigd was het verschil in inkomen, dat tussen de Ambonese en Nederlandse werknemers was ontstaan, te laten voortbestaan. Vele Molukkers ontvingen namelijk naast de overheidszorg een normaal loon, zonder dat voldaan werd aan de verplichting daarvan een gedeelte af te staan als bijdrage in de verzorgingskosten. Voortaan zouden de Molukkers uit eigen inkomsten in hun levensonderhoud moeten voorzien. Wie geen inkomsten had, kon krachtens de toenmalige Uitkeringsregeling Ambonezen een uitkering ontvangen. Ook bestond destijds de Rijksgroepregeling Ambonezen (Stb. 1964, nr. 551), een speciale vorm van de Algemene Bijstandswet. Deze regeling is in 1987 ingetrokken.

Het ontslag uit militaire dienst van betrokkenen is na uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 4 maart 1952 en het arrest van de Hoge Raad van 25 november 1960 (NJ 1961, nr. 3) niet meer aan twijfel onderhevig.

Het ontslag uit militaire dienst en de invoering van de zelfzorg heeft bij vele Molukkers gevoelens van teleurstelling en miskenning teweeggebracht. Vele Molukse ex-KNIL-militairen die zich aanvankelijk op het standpunt stelden, dat zij nog KNIL-militairen zijn en als zodanig recht hebben op soldij en sociale voorzieningen, hebben zich tenslotte bij de nieuwe beleidsontwikkeling neergelegd.

De met het ontslag uit militaire dienst samenhangende rechten van de Molukse ex-KNIL-militairen zijn herhaaldelijk onderwerp van besluitvorming geweest, zowel in het kabinet als in de volksvertegenwoordiging. Het meest recent in 1978 toen de Tweede Kamer bij de behandeling van de nota betreffende de problematiek van de Molukse minderheid in Nederland van februari 1978 (Tweede Kamer, zitting 1977-1978, 14.915, nrs. 1 en 2) instemde met het ter zake door de regering ingenomen standpunt. Voor wat betreft het regeringsbeleid ten aanzien van de Molukse ex-KNIL-militairen wordt dan ook consequent verwezen naar de inhoud van vorenbedoelde nota.

Volledigheidshalve merk ik tenslotte nog op dat in 1985 en 1986 een delegatie van het kabinet in overleg is getreden met het Hoofdbestuur van de Badan Persatuan, de grootste Molukse organisatie in Nederland. Dit gebeurde in het kader van de herdenking van het 35-jarig verblijf van de Molukkers in Nederland. Tijdens dat overleg is gesproken over de nog levende gevoelens van miskenning van de Molukse ex-KNIL-militairen. Ook is gesproken over de vraag op welke wijze alsnog de openbare waardering tot uitdrukking zou kunnen worden gebracht van de Nederlandse samenleving voor de inzet en de diensten die de Molukse ex-KNIL-militairen destijds aan Nederland hebben bewezen. Tevens is in dat overleg bezien of en in hoeverre er binnen het gegeven regeringsbeleid - dat mede is vastgesteld in de hiervoren genoemde nota van 1978 - ruimte zou kunnen worden gevonden voor oplossingen van door de Molukkers ervaren knelsituaties in Nederland, zoals onder andere bij huisvestings- en werkgelegenheidsproblemen. Het overleg van de regering met de Badan Persatuan heeft uiteindelijk geleid tot een Gezamenlijke Verklaring waarin de regering diverse regelingen ten behoeve van de Molukse bevolkingsgroep in het vooruitzicht heeft gesteld, zoals de Rietkerk-uitkering van f 2.000,- per jaar, die later ook zijn gerealiseerd.

Een kleine groep Molukkers (en nabestaanden) - gevestigd in onder andere Culemborg en Leerdam - bleven en blijven zich echter verzetten tegen het ontslag uit militaire dienst en de invoering van de zelfzorg. Betrokkenen blijven van mening dat het ontslag uit militaire dienst niet rechtsgeldig is en dat zij nog steeds aanspraak kunnen maken op rechten die voortvloeien uit het KNIL-dienstverband (volledige verzorging door de overheid). Het verzet van betrokkenen komt onder andere tot uiting in het weigeren van het betalen van een huurbijdrage voor hun woningen, het weigeren van het betalen van diverse belastingen en het weigeren kijk- en luistergelden te betalen waartoe iedere Nederlandse burger verplicht is. Voorts claimen betrokkenen terugzending naar de Molukken (een vermeend KNIL-recht) en verzoeken zij de minister van BZK om het opheffen van beslaglegging door deurwaarders bij het niet betalen van huur. Een andere vorm van het verzet van betrokkenen is het steeds weer opnieuw schrijven van vele brieven aan verschillende instanties met verzoeken en claims die zij dan baseren op (vermeende) KNIL-aanspraken. Afwijzing van hun claims biedt betrokkenen vervolgens de mogelijkheid om eerst bezwaar- en daarna beroepschriften te schrijven met het oogmerk om de door hen gewenste rechterlijke uitspraken af te dwingen.

Inmiddels liggen dan ook diverse zaken bij de bestuursrechter.

Hoogachtend,

DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES,

K.G. de Vries

Bijlage is niet elektronisch beschikbaar

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie