Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief GSI over voorbereiding overleg grotestedenbeleid

Datum nieuwsfeit: 13-06-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

brief min gsi inz voorbereiding ao grotestedenbeleid
Gemaakt: 16-6-2000 tijd: 10:55

Tweede Kamer der Staten Generaal

21062 Grotestedenbeleid

Nr. 90 Brief van de minister voor Grote- Steden en Integratiebeleid

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 13 juni 2000

Bij brief van 19 april jl. heeft de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties mij verzocht om een actuele notitie ter voorbereiding van het overleg met uw Kamer op 22 juni aanstaande. De commissie verzocht tevens om een analyse van de verschillen tussen de voortgangsrapportage inzake het Grotestedenbeleid die ik u op 17 maart jl. heb toegezonden en de rapportage van het CPB terzake alsmede om een reactie op het Jaarboek GSB.

Met deze brief meen ik aan de verzoeken tegemoet te komen. In het eerste deel ga ik in op enkele actuele ontwikkelingen inzake de voortgang van het Grotestedenbeleid. In het tweede deel komt ik terug op de CPB rapportage en in het derde deel sluit ik af met een reactie op het Jaarboek GSB.


1. Actuele ontwikkelingen in de voortgang van het Grotestedenbeleid Het spreekt voor zich dat de uitvoering van het Grotestedenbeleid ook de afgelopen twee maanden onverminderd is voortgezet. Ik ga ervan uit dat de brief die ik u daarover in maart heb toegezonden, uitgangspunt blijft voor de bespreking tijdens het AO en ik zal me daarom hier beperken tot dié onderdelen waarop zich nadien bijzondere ontwikkelingen hebben voorgedaan. Tegen die achtergrond ga ik achtereenvolgens in op de voorwaarden die bij het afsluiten van de convenanten zijn gesteld, op het Kenniscentrum GSB, op het onderwerp ICT, en op de middellange en lange termijnagenda voor het GSB.

1.1. De convenanten
In een aantal convenanten is een of meer voorwaarden opgenomen, omdat bij de toetsing van de plannen bleek dat niet in alle opzichten aan de toetsingscriteria was voldaan. Het opnemen van een voorwaarde verplichtte de steden in de betreffende gevallen tot nadere uitwerking vóór 1 mei 2000. Voor de steden Leiden en Utrecht is, vanwege de aard van de nadere uitwerking, op deze datum een uitzondering gemaakt. Inmiddels is van alle betrokken steden een nadere uitwerking ontvangen. Het is de bedoeling dat in de Ministerraad van 30 juni a.s. besluitvorming plaats vindt over de vraag of de steden ook kwalitatief in voldoende mate invulling hebben gegeven aan de hen opgelegde voorwaarden. Deze hebben met name betrekking op het definiëren van meetbare doelstellingen; een van de pijlers van het Grotestedenbeleid. Thans vindt de ambtelijke voorbereiding daarvan plaats. Tijdens het Algemeen overleg zal ik u mondeling het meest actuele beeld kunnen schetsen.
Enschede
De tragische ontwikkelingen in Enschede leiden ertoe dat de bijzondere inspanningen die de stad daardoor moet leveren, worden betrokken in de daartoe in voorbereiding genomen gecoördineerde aanpak die is gericht op een convenant van Rijk, provincie en de gemeente Enschede. Voor dit moment volsta ik met een verwijzing naar de kabinetsbrief terzake van 29 mei jl. (ES2000/72096).

1.2. Kenniscentrum GSB
In de periode rond de tekening van de convenanten met de 25 steden in december 1999, is op voordracht van de steden dr. A.D. Wolff- Albers als kwartiermaker voor het Kenniscentrum GSB benoemd. Samen met een stuurgroep, waarin zowel de steden als departementen vertegenwoordigd zijn, werd zij belast met de nadere inhoudelijke invulling van het Kenniscentrum GSB en het treffen van voorbereidingen ten behoeve van de oprichting van een stichting Kenniscentrum GSB. In een eindrapport heeft zij begin mei advies aan mij uitgebracht over de op- en inrichting van een Kenniscentrum Grotestedenbeleid (GSB). In de opzet van de kwartiermaker moet het Kenniscentrum GSB vooral gezien moet worden als een integrerend kenniscentrum, dat zich toelegt op grootstedelijke problematiek. Daarbij zal gebruik gemaakt worden van de expertise van andere - meer sectorale of gemeentelijke - kenniscentra. De activiteiten van de verschillende kenniscentra zullen op elkaar afgestemd dienen te worden. Samenwerking met bestaande relevante centra is daarmee een principieel uitgangspunt. Ook wordt voorzien in een breed en fundamenteel herijkingsmoment na drie jaar voor het Kenniscentrum GSB en de integrerende kenniscentra binnen de pijlers. Qua doelgroep onderscheidt het Kenniscentrum GSB zich van diverse sectorale kenniscentra; het Kenniscentrum is - alhoewel de kennis openstaat voor gemeenten met op onderdelen vergelijkbare problematiek - er in eerste instantie ter ondersteuning van het Grotestedenbeleid zoals dat in de G25 en de partiële GSB-steden vorm moet krijgen.
Het Kenniscentrum GSB wil bruggen slaan tussen kennis, beleid en praktijk voor zowel inhoud als proces van het Grotestedenbeleid. Het kenniscentrum bevordert daarbij met name een evenwichtige en interdisciplinaire aanpak door de drie pijlers (fysiek, economisch en sociaal) heen. Bij de taken van het Kenniscentrum GSB gaat het om vier met elkaar samenhangende hoofdfuncties: netwerkvorming, informatieverzameling en -ontsluiting, kennisbemiddeling en kennisontwikkeling. De structuur van het netwerk dient een lichte te zijn, met maximale gebruikmaking van moderne informatietechnologie. Het "virtuele interactieve kenniscentrum" is een beeld dat de beoogde partners aanspreekt.

Ten aanzien van de functie kennisontwikkeling is door de kwartiermaker naar een balans gezocht tussen gewenste oriëntatie op de praktische taken van een kenniscentrum enerzijds en de te maken verdiepingsslagen in het Grotestedenbeleid met het oog op de toekomst anderzijds. Het Kenniscentrum beperkt zich qua kennisontwikkelling tot voorstudies, pre-adviezen en beleidsrelevant kortlopend onderzoek. Daarmee moet het Kenniscentrum adequaat op vragen vanuit beleid en praktijk kunnen inspelen. Het Kenniscentrum doet in principe zelf geen onderzoek, maar maakt daarvoor gebruik van externe deskundigen. In het advies van de kwartiermaker vergen de verdiepingsslagen in het Grotestedenbeleid die met het oog op de toekomst gemaakt zullen moeten worden, tegelijkertijd verdiepend en op langere termijn gericht strategisch onderzoek. Daarom wordt door de kwartiermaker geadviseerd, tegelijk met de start van het Kenniscentrum, maar apart van de basisvoorziening voor het Kenniscentrum, de weg te bereiden voor het organiseren van een strategisch meerjarenonderzoeksprogramma voor het Grotestedenbeleid, dat vanaf ongeveer 2003 zou kunnen gaan lopen. De noodzaak en inhoud van zo'n programma zou in de komende tijd door de Programmaraad van het Kenniscentrum nader verkend moeten worden.

Belangrijke aspecten bij de keuze van de plaats van het Kenniscentrum GSB zijn onafhankelijkheid (zowel naar de partners, als naar de kennisinstituten), een breed georiënteerde 'voedende omgeving' met de nodige faciliteiten waarop het Kenniscentrum als kleine organisatie mee kan liften en goede bereikbaarheid. Bij de opzet van de jaarlijkse begroting wordt uitgegaan van een benodigd budget van ongeveer f. 2,5 mln. voor het Kenniscentrum. De helft daarvan zou door het Rijk gedragen moeten worden terwijl de andere helft door de G25 is bij te dragen . De beoogde start van het Kenniscentrum is september 2000. In een gezamenlijk overleg met een vertegenwoordiging van zowel de G21, als de G4 spreek ik binnenkort in besluitvormende zin over het advies van het de kwartiermaker. Over de resultaten daarvan zal ik u tijdens het Algemeen overleg informeren.


1.3. ICT
Onder verwijzing naar hetgeen daarover reeds is beschreven in de eerder genoemde voortgangsrapportage, kan ik u meedelen dat de commissie Cerfontaine inmiddels van start is gegaan. De commissie voert een verkenning uit naar de effecten van de ontwikkelingen in de informatie- en communicatietechnologie op de stad en de stedelijke ontwikkeling en zal daarover nog dit jaar verslag doen. Naast deze verkenning van de lange termijn effecten is er in het Grotestedenbeleid ook uitdrukkelijk aandacht besteed aan ICT. In het project 'Digitaal Trapveld' wordt vanuit de verschillende invalshoeken van mijn portefeuille (grotestedenbeleid, integratiebeleid etnische minderheden en informatiebeleid) gewerkt aan een impuls in de aandachtswijken van de G25 en de 5 partiële GSB-steden. Digitale trapvelden zijn locaties waar de wijkbewoners kennis kunnen maken met ICT en de technologie onder andere kunnen benutten ter verbetering van hun arbeidsmarktperspectieven. Ook is het de bedoeling dat middels de inzet van ICT een bijdrage geleverd wordt aan de sociale samenhang in de wijk. Eerder heb ik over dit project met uw Kamer van gedachten gewisseld tijdens onder andere het Algemeen overleg over de uitvoering van het actieprogramma Elektronische Overheid op 22 februari jl. Sinds die tijd heeft het project definitief vorm gekregen, onder andere middels de publicatie van de 'Bijdrageregeling Digitaal Trapveld' (staatscourant 25 april 2000, nr. 80) waarin de doelstellingen en criteria zijn verwoord. Voorop staat dat de specifieke invulling van de trapvelden gebeurt in de steden, zodat goed aangesloten kan worden bij de specifieke mogelijkheden en reeds lopende succesvolle initiatieven in de wijken. De gemeenten zullen in samenwerking met de bestaande organisaties in de wijken, bewonersgroepen en het lokale bedrijfsleven verdere invulling geven aan de hoofddoelstellingen van het project. De financiering van de trapvelden geschiedt op een fifty-fifty basis, per trapveld zal een stad (gemeente en derden) minstens 500.000,- gulden investeren voor een looptijd van drie jaar. De basisbijdrage vanuit het Rijk bedraagt vervolgens ook eenmalig 500.000,- gulden per stad (voor de G4 geldt overigens een dubbele bijdrage, zodat daar twee trapvelden per stad kunnen worden ingericht). Om de kwaliteit en innovativiteit van de lokale planvorming extra te stimuleren is voor circa acht steden ook nog een stimuleringsbijdrage van maximaal 250.000,- gulden beschikbaar (de totale rijksinvestering bedraagt 20 mln. gulden). Op 6 april is er een succesvolle en drukbezochte startconferentie geweest, waar delegaties uit de 30 steden informatie hebben verzameld en hebben gewerkt aan de lokale planvorming. De streefdatum voor indiening van de aanvragen uit de steden is 1 juli 2000, de uiterste indieningsdatum is gezet op 1 september 2000. Het verheugt mij u te kunnen mededelen dat een twaalftal grote bedrijven zich heeft verenigd in een 'coalitie voor het digitaal trapveld'. Deze bedrijven hebben de 30 betrokken steden software, hardware en IT-diensten aangeboden tegen gereduceerd tarief of zelfs gratis. De bedoeling is dat de dienstverlenende bedrijven uit de coalitie zich opstellen als 'supporter' van een aantal trapvelden in de steden. Het is aan de steden om te besluiten om al dan niet gebruik te maken van het aanbod van de bedrijven. Momenteel wordt er in de steden hard gewerkt aan de lokale plannen voor het digitaal trapveld. Ter stimulering van dit proces rijdt een cyberbus langs de steden. Tijdens het bezoek van deze bus wordt er door de meeste steden een mini-conferentie georganiseerd ten behoeve van het eigen trapveld. Tevens vindt er momenteel een inventarisatie van bestaande media-educatie plaats, die ingezet zou kunnen worden in de trapvelden. Met dit overzicht worden de steden gefaciliteerd en kan worden voorkomen dat er zaken dubbel worden gedaan. In het kader van de kennisuitwisseling rond dit project is het verder de bedoeling dat er een virtuele gemeenschap gaat ontstaan en dat er bijeenkomsten zullen worden georganiseerd waar best-practices uitgewisseld kunnen worden. Tot slot zal er in 2001 waarschijnlijk een prijsvraag uit worden geschreven voor het beste product dat door een trapveld is gemaakt. Meer informatie over het digitaal trapveld is te lezen via www.minbzk.nl

1.4. Agenda GSB middellange en lange termijn
Zonder afbreuk te willen doen aan de lopende activiteiten op de overige onderwerpen van de GSB-agenda, meld ik u enkele mijns inziens relevante feiten: · Verkeer, vervoer en bereikbaarheid: met de minister van Verkeer en Waterstaat ben ik in overleg over de betekenis van het nationaal verkeers- en vervoersplan (NVVP) voor de steden en de stedelijke en regionale ontwikkeling. Tegen die achtergrond voer ik tevens overleg met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met het oog op de evaluatie van de kaderwetgebieden en de relatie die dat ook weer heeft met het NVVP. · In het kader van de versterking van de regiefunctie binnen de sociale pijler voert het Sociaal en Cultureel Planbureau momenteel een onderzoek uit dat moet leiden tot inzicht in de bestuurlijke knelpunten rond de regie op het jeugdbeleid. Het onderzoek dient mede ter uitvoering van de motie de Cloe, waarin de regering gevraagd wordt voor de zomer een 'Experimenteerwet Jeugd in de stad' in te dienen. De onderzoeksopzet is conform de voorgestelde opzet die ik u in mijn brief van maart jl. reeds geschetst heb. · Verdere uitwerking GSB systematiek: het onderzoek naar de wijze waarop harmonisering of bundeling van de financiële verantwoordingen van de op de GSB van toepassing zijnde publiekrechtelijke regelgeving gerealiseerd kan worden, is in gang gezet. Het leidt geen twijfel dat het hier een majeure operatie betreft. Met het oog op de langere termijn overweeg ik de GSB-systematiek als zodanig onderwerp te laten zijn van een adviesaanvraag aan de adviesraden. Ik heb daarbij een toekomstgerichte analyse voor ogen, waarin onder meer de punten zijn opgenomen die ik in de maartbrief al heb aangegeven.

2. De rapportage van het CPB
In de brief van 17 maart jl. ben ik ingegaan op de bevindingen van het Centraal Plan Bureau (CPB) en de beleidsmatige conclusies van het kabinet terzake. Gevraagd naar een analyse van de verschillen in genoemde brief en de rapportage terzake van het CPB, hecht ik er aan te benadrukken dat de ex ante evaluatie van het CPB naar zijn aard en methodiek verschillend is van de toetsing die het Rijk heeft uitgevoerd op de stedelijke meerjarige ontwikkelingsprogramma's. Het niet onderkennen van dat verschil zou eenvoudig kunnen leiden tot de suggestie dat er sprake is van afwijkende oordelen over hetzelfde feitenmateriaal. Naar mijn overtuiging is dat echter niet aan de orde. Het CPB is daar ook duidelijk over: "Het is de eerste keer dat de steden is gevraagd een integraal programma op te stellen. Uit de programma's blijkt een grote ambitie om problemen en kansen in de steden aan te pakken. De voorgestelde beleidsplannen worden per stad op een overzichtelijke manier voor diverse beleidsterreinen in beeld gebracht, waardoor beleidsmakers worden uitgenodigd om over de eigen schotten heen te kijken", aldus het CPB. En daar gaat het wat mij betreft precies om. Het Grotestedenbeleid vormt absoluut een trendbreuk: het gaat niet meer om projecten maar om meerjarige resultaatsafspraken tussen Rijk en steden, waarbij ook nog eens de gemeenteraden de eerst aangewezenen zijn om lokaal zowel de aard en kwaliteit, als de voortgang op het nakomen van de gemaakte afspraken te bewaken. Dát is de context waarin de departementen de stedelijke plannen hebben getoetst en dat is ook de context waarin het CPB zijn ex ante rapportage heeft uitgevoerd.
Bij de rijkstoetsing is per afzonderlijke stad bezien of het ontwikkelingsprogramma voldeed tegen de achtergrond van het Doorstartconvenant, het GSB-kader en de beleidskaders van de regelingen die onderdeel uitmaken van het Extra Comptabele Overzicht. In procedurele zin is de Tweede Kamer bij brief van 29 december 1999 geïnformeerd over de uitkomst van het toetsingsproces en de bestuurlijke besluitvorming. De voortgangsbrief van 17 maart geeft geaggregeerd een inhoudelijke indruk van de 25 stedelijke plannen, zoals die in het toetsingsproces naar voren zijn gekomen. In grote lijnen geeft de voortgangsbrief de 'state of the art' weer van het stedelijk beleid: wat kan de komende jaren van de steden worden verwacht op basis van de ingediende plannen. Daarnaast geeft de brief in agenderende zin aan wat de inzet van het Grotestedenbeleid voor het Rijk zal zijn.

Het rapport van het CPB doet verslag van een globale analyse van het in de ontwikkelingsprogramma's voorgestelde beleid. Zoals het CPB aangeeft is daarbij gebruik gemaakt van eerdere studies en zogenaamde expert meetings. Een complicerende factor was dat de definitieve ontwikkelingsprogramma's pas in november 1999 beschikbaar kwamen en sterk afweken van eerder gebruikte concept-programma's. Het resultaat van de analyse is een globale beoordeling van de werking van veel voorkomende typen van beleid. Het CPB stelt dat daarmee uiteraard geen recht kan worden gedaan aan specifieke lokale situaties of aan bijzondere invullingen op stedelijk niveau.

Aangrijpingspunt voor de analyse van het CPB is de beschrijving van veel voorkomende typen van beleid in de ontwikkelingsprogramma's. Daarmee maakt het CPB als externe deskundige geen strikt onderscheid tussen de rijkskaders en randvoorwaarden van het beleid en de invullingen die de steden daaraan geven. Niet alleen het perspectief van de analyse van het CPB verschilt daarom van de rijkstoetsing, door de afstand die het CPB kan nemen kan de analyse worden gezien als een procesevaluatie van het gehele Grotestedenbeleid. In die zin geeft het CPB ook waardevolle aanbevelingen voor de verdere ontwikkeling van het Grotestedenbeleid. Die aanbevelingen zijn door het kabinet opgepakt in de voortgangsbrief van 17 maart jl. Ook de steden hebben de conclusies van het CPB in termen van een leer- en verbeterproces opgepakt. Ik wijs u in dat verband op de brief van de heer Welschen namens de G21, die ik als bijlage heb bijgevoegd1).


3. Jaarboek GSB
Bij brief van 15 mei 2000 heeft U het Jaarboek 1999 ontvangen. De gepresenteerde informatie beslaat veelal de periode 1994 tot 1 januari 1999. Daarmee geeft het Jaarboek een beeld van de ontwikkelingen in de vorige GSB-periode en een beeld van de stand van zaken in de steden aan het begin van de huidige convenantsperiode. Nu het Jaarboek voor de vijfde maal verschijnt, is het ook mogelijk de ontwikkelingen trendmatig te bezien.
Vanuit de kwetsbare wijken bezien blijft het Grotestedenbeleid zeker noodzakelijk maar is op onderdelen de trend omgebogen. De werkloosheid in de achterstandswijken daalt voor het overgrote deel sneller dan de werkloosheid in de gehele stad. Hetzelfde geldt voor het niveau van het basisonderwijs in de achterstandswijken en - hoewel dat helaas niet geldt voor de geweldsdelicten - is het aantal slachtoffers van verschillende andere delicten (met name autodelicten en fietsendiefstallen) in de achterstandswijken afgenomen.

Deze trendombuiging is nog niet terug te vinden bij de leefbaarheid. De verbetering van de leefbaarheid - met name in de kwetsbare wijken - en de veiligheid was een speerpunt in de vorige periode van het Grotestedenbeleid en is dat nog steeds. Het is zorgelijk dat de leefbaarheid tot aan 1999 nog niet is verbeterd. De opgave die hier voor de steden ligt heeft zijn vertaling gevonden in de meerjarige ontwikkelingsprogramma's. Het CPB noemt in dit verband als positief punt de grotere aandacht voor verbetering van het woonklimaat en de veiligheid in de steden.

Ook op andere aspecten geeft het Jaarboek naast positieve ontwikkelingen, waarschuwingen. Het Jaarboek signaleert dat een aantal wijken zich in de gevarenzone bevindt en dat nieuwe concentratiewijken zich aandienen. Vooral in de concentratiewijken, ligt etnisering van de groepen met de minste kansen en perspectieven op de loer. Opmerkelijk in dat verband is de nog steeds toenemende instroom van zich vanuit het buitenland in ons land vestigende migranten: bijna 70% van hen vestigt zich in de G25, vaak in wijken waar het aandeel nieuwkomers al hoog is. Ondanks de positieve ontwikkeling van het niveau van het basisonderwijs voor het totaal van de aandachtswijken, constateert ISEO dat naar mate het aandeel minderheden hoger ligt, de wijk een lagere Cito-score kent. Dat benadrukt de noodzaak van een krachtsinspanning op het gebied van taal. Voorts is ook de gewenste toename van de slaagpercentages in het voortgezet onderwijs in de grote steden nog niet gerealiseerd; dit is gedurende de afgelopen jaren min of meer stabiel gebleven.

In de grote steden ligt de werkloosheid onder etnische minderheden nog steeds boven de werkloosheid onder autochtonen. Voor het eerst noteert het Jaarboek echter wel een trendomkeer: de werkloosheid onder allochtonen is ten opzichte van de vorige waarnemingen met 3 procentpunt gedaald. Hoewel deze daling fors kan worden genoemd, neemt het aandeel van allochtonen in de werkloosheid zelfs toe. Deze ontwikkeling wordt verklaard door de vertraging van de teruggang in de werkloosheid onder allochtonen ten opzichte van de werkloosheid onder autochtonen. In dat verband is vermeldenswaard dat momenteel de nota intensivering arbeidsmarktbeleid etnische minderheden wordt opgesteld, waarin extra inspanningen zijn opgenomen om de arbeidsmarktpositie van etnische minderheden te verbeteren. Deze nota zal binnenkort aan uw Kamer worden aangeboden. Daarnaast wijs ik u op het convenant dat onlangs is gesloten met het midden- en kleinbedrijf (MKB) over extra instroom van etnische minderheden in vacatures binnen het MKB. Dit convenant zal voorlopig in een zevental regio's, waaronder de vier grote steden, worden uitgevoerd.

Het Jaarboek benadrukt de urgentie van de inspanningen van het Rijk en de steden. Er is op onderdelen een kentering ten aanzien van de aandachtswijken en de doelgroepen, maar veiligheid en leefbaarheid vereisen extra inspanningen. Het gaat er daarbij om op gemeentelijk niveau oplossingen te vinden, door middel van integraal beleid waarbij de burger de spil vormt waar de inspanningen om draaien.

Ten slotte wijs ik u - in vervolg op de algemene politieke beschouwingen in de Tweede Kamer - nog op de aanvullende middelen die in het kader van de inburgering van zogenaamde oudkomers zijn toegekend aan de 25 grote steden en 17 andere gemeenten met 7% of meer etnische minderheden in hun populatie. Met deze extra middelen zijn gemeenten in staat om taallessen aan te bieden aan de doelgroepen van het oudkomersbeleid, namelijk werklozen en opvoeders. De aanpak van de inburgering van oudkomers is voor wat betreft de 25 grote steden opgenomen in de Meerjarenontwikkelingsprogramma's en voor wat betreft de 17 andere gemeenten in aparte plannen, die door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties moeten worden goedgekeurd. Overigens heeft uw Kamer voor het jaar 2000 nog eens een bedrag van 28 miljoen gulden ter beschikking gesteld voor taallessen aan oudkomers. Voor de besteding van de extra middelen maken de 42 betrokken gemeenten momenteel aanvullende plannen.

DE MINISTER VOOR GROTE STEDEN- EN INTEGRATIEBELEID,

R.H.L.M. van Boxtel


1) Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie