Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief Justitie capaciteit justitiele jeugdinrichtingen

Datum nieuwsfeit: 13-06-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief Justitie inzake capaciteit justitiele jeugdinrichit ngen en tbs

Gemaakt: 26-6-2000 tijd: 10:29


5

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 13 juni 2000

Tijdens het overleg van 7 juni jl. over de financiële verantwoording
1999, alsmede in een brief van 8 juni jl. van de griffier aan mij zijn door mw. Kalsbeek en mw. Duijkers (beiden PvdA) vragen gesteld over de capaciteit van de justitiële jeugdinrichtingen en de TBS-inrichtingen. Onder meer werd gerefereerd aan een bij de behandeling van de justitiebegroting 2000 ingediende motie (TK 1999-2000, 26.800 VI. Nr.
13) waarvan de strekking was: «de Kamer verzoekt de regering tijdig voor de voorjaarsnota aan te geven hoe het tekort aan plaatsen in TBS-inrichtingen en jeugdinrichtingen zal worden weggenomen, op welke termijn dit zal gebeuren, wat de kosten daarvan zijn en bij voorjaarsnota daarvoor de benodigde financiële voorzieningen te treffen». Conform mijn toezegging treft u hierbij mijn reactie aan. De brief bevat daarnaast een verduidelijking van mijn uitspraken over de nieuwe capaciteitsprognoses en de uitvoering van het Masterplan. Tevens treft u een schets aan van de context van de justitiële jeugdinrichtingen ten opzichte van andere
(jeugdhulpverlenings)-voorzieningen. Over de concrete vraag uit uw brief van 8 juni, wat de gevolgen zijn als de genoemde zes maatregelen niet (tijdig) in werking treden, zal ik u afzonderlijk informeren. Capaciteitsprognoses In de brief van 4 mei jl. (TK 1999-2000, 24 587, nr. 28) heb ik - zo ook in mijn brief van 30 september 1999 (kenmerk
791100/99/PJS) - aangegeven dat ik mij bij het treffen van maatregelen zal richten op ultimo 2001. Dit werd vooral ingegeven door de onzekerheidsmarges in de prognoses, die groter worden naarmate het verder weg liggende jaren betreft, waardoor het risicovoller wordt daaraan consequenties te verbinden. Tijdens het VAO op 24 mei jl. heb ik gezegd dat nieuwe capaciteitsprognoses eind dit jaar beschikbaar komen. Ter verduidelijking van deze uitspraak wil ik daar graag aan toevoegen dat dit betekent dat eind dit jaar binnen het departement die nieuwe WODC-prognoses beschikbaar komen. In deze cijfers moeten dan nog de effecten van beleidsmaatregelen worden verdisconteerd. De uitkomsten hiervan worden vervolgens geconfronteerd met de aktuele cijfers met betrekking tot de capaciteit. In overleg met het Ministerie van Financien hebben de dan beschikbare prognoses een functie in de voorbereiding van de begroting 2002. Dat betekent dat die prognoses eerst in het voorjaar van 2001 naar Uw kamer zullen kunnen worden gezonden, zoals ik U ook eerder heb doen weten in mijn brief van 30 september 1999. Op basis hiervan zal een definitieve planning en berekening van de capacitaire en financiële consequenties tot stand kunnen komen voor de jaren 2002 en 2003. Uitvoering Masterplan In eerdergenoemde brief van 8 juni j.l. worden kanttekeningen geplaatst bij een tijdige en volledige uitvoering van de maatregelen uit de brief van 4 mei jl. Met u ben ik van mening dat het Masterplan een aantal onzekerheden bevat. Naast de reeds genoemde onzekerheden in de prognoses zal moeten worden bezien of de beleidsmaatregelen gericht op substitutie tijdig en volledig het beoogde effect zullen opleveren. Met name daarom wordt slechts op beperkte schaal gevangeniscapaciteit definitief afgestoten. Uiteraard zullen de ontwikkelingen nauwlettend worden gevolgd en zullen aanvullende maatregelen moeten worden getroffen indien zich onvoorziene omstandigheden voor zullen doen.

Enkele van de in de brief van 4 mei genoemde maatregelen ten aanzien van de capaciteitsuitbreiding van de justitiële jeugd- en TBS-inrichtingen kunnen nu al worden voorbereid. Dit laat onverlet dat ook ten aanzien van de justitiële jeugdinrichtingen onzekerheden bestaan, die van invloed kunnen zijn op de capaciteitsbehoefte in met name 2001. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan het volledig en tijdig in werking kunnen laten treden van de Beginselenwet Justitiële Jeugdinrichtingen. Uiteraard zullen ook deze ontwikkelingen nauwlettend worden gevolgd.

Gelet op de omvang en de urgentie van de capaciteitsproblematiek van de justitiële jeugd- en TBS-inrichtingen en teneinde te kunnen voldoen aan de ombuigingstaakstelling heb ik tijdens het VAO met uw Kamer van
24 mei jl. aangegeven dat ik - vooruitlopend op de bespreking met uw Kamer van de brief van 4 mei over de capaciteit - zal starten met de integrale uitvoering van het Masterplan, uiteraard met inachtneming van vigerende regelgeving op grond van de relevante wetten en verdragen.

Maatregelen terugdringen capaciteitstekort TBS

In mijn brief van 4 mei 2000 heb ik aangegeven dat door het treffen van maatregelen het geraamde capaciteitstekort in de TBS-sector voor de jaren 2000 en 2001 van respectievelijk 50 en 105 plaatsen kan worden opgelost. Alsdan wordt in de TBS-sector voor die jaren geen capaciteitstekort meer verwacht. Eén van de voor 2001 aangekondigde maatregelen heeft betrekking op de vervroeging van de uitvoering van lopende uitbreidingsprogramma's. Meer concreet gaat het om een versnelling in de uitvoering van de uit hoofde van het regeerakkoord voor 2002 voorgenomen uitbreiding met 55 plaatsen. In de brief van 4 mei staat nog aangegeven dat bij de opstelling van de begroting 2001 nog nader zal worden bezien op welke wijze het resterende tekort alsnog kan worden gecompenseerd. Inmiddels is bij Voorjaarsnota 2000 ter financiering van de aan deze versnelling verbonden kosten voor de jaren 2000 en 2001 respectievelijk 6 miljoen en 17,5 miljoen gulden aan de Justitiebegroting toegevoegd. Deze toevoeging zal in het kader van de begroting 2001 nader worden toegelicht.

Maatregelen terugdringen capaciteitstekort justitiële jeugdinrichtingen

In mijn brief van 4 mei jl. heb ik aangegeven welke maatregelen getroffen zullen worden teneinde de capaciteitstekorten bij de justitiële jeugdinrichtingen te verminderen. Zoals ik in die brief meldde, zijn

alle beschikbare middelen inmiddels belegd. Voor verdere uitbreiding zijn thans geen middelen meer beschikbaar. Het is daarenboven niet mogelijk om op hele korte termijn verdere uitbreidingen te realiseren als gevolg van de benodigde bouwtijden en krapte op de arbeidsmarkt. Indien capaciteitsuitbreidingen wel realiseerbaar zouden zijn op zeer korte termijn, dan zou daarmee indicatief voor 2000 een bedrag gemoeid zijn van circa f 15 miljoen en voor 2001 f 30 miljoen.

Voor de korte termijn (2000 en 2001) betekent een en ander dat er bij ongewijzigd beleid tekorten zullen blijven.

Deswege heb ik de Dienst Justitiële Inrichtingen inmiddels verzocht een Task-Force in te stellen teneinde te bezien of er nog voorstellen te ontwikkelen zijn voor aanvullende noodmaatregelen om het thans nog voorziene tekort voor 2000 en 2001 het hoofd te bieden. Ik zal uw Kamer hierover na de zomer nader informeren.

Tijdens het overleg bleek mij dat er enige onduidelijkheden bestaan ten aanzien van de positie van de justitiële jeugdinrichtingen, mede in relatie tot andere voorzieningen voor jeugdigen. Ik hecht eraan hierop in deze brief in te gaan.
Justitiële jeugdinrichtingen Binnen de sector justitiële jeugdinrichtingen bestaan opvanginrichtingen en behandelinrichtingen. Opvanginrichtingen zijn bedoeld voor de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis en van jeugddetentie. Daarnaast bevinden zich in de opvanginrichtingen PIJ-passanten (jongeren die de maatregel Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen opgelegd hebben gekregen, maar waarvoor nog geen plaats is in een behandelinrichting, alsmede jongeren die op grond van een ondertoezichtstelling door de gezinsvoogdij-instelling met een daartoe strekkende machtiging van de kinderrechter voor een crisisplaatsing tijdelijk in een opvanginrichting worden geplaatst. Alle opvanginrichtingen zijn gesloten. De verdeling over de diverse opnametitels was in 1998 als volgt: Strafrechtelijk: 89%, waarvan: Voorlopige hechtenis 62% Jeugddetentie 15% Pij-passanten 12% Civielrechtelijk: Crisisplaatsingen 11% De capaciteit is niet gecontingenteerd in die zin, dat van tevoren bepaald is welk deel beschikbaar is voor strafrechtelijke plaatsingen en welk deel voor civielrechtelijke plaatsingen. De behandelinrichtingen zijn bedoeld voor de tenuitvoerlegging van de strafrechtelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel) en voor de plaatsing van ondertoezichtgestelde jongeren door gezinsvoogdij-instellingen, die - naar de mening van de gezinsvoogdij-instelling - elders (in provinciale jeugdhulpverleningsvoorzieningen, landelijk werkende residentiele VWS-voorzieningen of AWBZ-voorzieningen) niet te handhaven zijn. Waar het gesloten plaatsingen betreft is hiervoor een daartoe strekkende machtiging van de kinderrechter noodzakelijk. Voor open inrichtingen volstaat een algemene machtiging tot uithuisplaatsing in een residentiele voorziening. De behandelinrichtingen zijn zowel open als gesloten. Het is aan de gezinsvoogdij-instelling om te bepalen in welk type voorziening een jongere geplaatst dient te worden. Verdeling naar opnametitel in 1998 PIJ-maatregel 37% OTS 63% In 1991 was dit nog 11% strafrechtelijk tegenover 89% civielrechtelijk, in 1995 was de verhouding 26% strafrechtelijk tegenover 74% civielrechtelijk. Er vindt derhalve een verschuiving plaats van civielrechtelijke naar meer strafrechtelijke plaatsingen. De uitbreidingen in de afgelopen jaren zijn voornamelijk voortgekomen uit een toename van de vraag voor strafrechtelijke plaatsingen. Enkele oorzaken voor de druk op de capaciteit van de justitiële jeugdinrichtingen

Uithuisplaatsingen van OTS'ers

In de loop der jaren is het aantal jongeren van 12 tot 18 jaar met een ondertoezichtstelling fors gestegen. In relatieve zin nam het percentage daarvan dat in een tehuis werd geplaatst weliswaar af, maar door de forse absolute stijging is ook het aantal jongeren dat in een tehuis werd geplaatst toegenomen.

Onderstaande tabel Pupillenregistratie, Ministerie van Justitie illustreert dit.

Lopende ondertoezichtstellingen per 31 december:

Jaar totaal uithuis w.v. in tehuis w.v. in justitiële inrichting cijfers DJI


1990 6.451 3.261 (56%)


1997 9.905 4.920 (50%) 3.279 525 (16% van de tehuisplaatsingen)

1998 10.332 4.997 (48%) 3.349 520 (15% van de tehuisplaatsingen)

1999 10.906 5.197 (48%) 3.427 574 (17% van de tehuisplaatsingen)
Van de uithuisgeplaatste jongeren is een deel in een justitiële jeugdinrichting geplaatst, een deel in een provinciale of een landelijke jeugdhulpverleningsvoorziening, een deel in een AWBZ-voorziening en een deel in een pleeggezin. De Wet op de jeugdhulpverlening bepaalt dat hulp geboden moet worden in de lichtst mogelijke vorm, zo dicht mogelijk bij huis en zo kortdurend als mogelijk is. Plaatsing in een Justitiële Jeugdinrichting dient als ultimum remedium te worden gezien. Immers in veel gevallen gaat plaatsing in een justitiële jeugdinrichting gepaard met vrijheidsbeneming, hetgeen tot een uiterste beperkt zou moeten worden. Het is aan de gezinsvoogdij-instelling om te bepalen in welk type voorziening een jongere geplaatst dient te worden, hetgeen door de kinderrechter met een machtiging bekrachtigd wordt.

Ontwikkelingen in de problematiek van jeugdigen

Algemeen wordt aangenomen, hetgeen ook uit onderzoek is gebleken, dat de problematiek waarmee ondertoezichtgestelde jongeren kampen in de afgelopen jaren complexer geworden is. Veel jongeren vertonen multi-probleemgedrag, waarbij vaak sprake is van een diversiteit aan gedrags- en persoonlijkheidsstoornissen.

Provinciale voorzieningen of landelijk werkende residentiele voorzieningen voor jeugdhulpverlening zijn niet altijd toegerust voor de behandeling van dergelijk probleemgedrag, zeker indien sprake is van agressief gedrag, meisjesprostitutie, stelselmatig wegloopgedrag, verslavingsproblematiek en zwakbegaafdheid of psychiatrische problematiek. Veel van de jongeren zijn op dat moment ook al in aanraking geweest met politie of justitie. In die gevallen acht de gezinsvoogdij-instelling opname in jeugdhulpverleningsvoorziening niet langer op zijn plaats, maar opname in een gesloten justitële inrichting noodzakelijk. Vooral het beroep op gesloten crisisplaatsingen is hierdoor toegenomen.

Naast de vraag van de toerusting wijs ik ten aanzien van de landelijk werkende residentiële voorzieningen op mijn brief van 17 april 2000 (kenmerk 5024330/00/PJS), waarin ik heb aangegeven dat nog geen helderheid bestaat over de toekomstige functie en positionering van de landelijk werkende residentiele voorzieningen. Dit wordt betrokken bij het beleidskader over het nieuwe stelsel van jeugdzorg in de Wet op de jeugdzorg, dat de Staatssecretaris van VWS en ik u medio juni doen toekomen.

Ontwikkelingen criminaliteit

Hoewel er sprake lijkt van een stabilisering van de jeugdcriminaliteit in algemene zin, neemt het aantal geweldsdelicten en zedendelicten onder minderjarigen toe. In 1991 werden 3.975 minderjarigen van 12 tot
18 jaar door de politie als verdachte gehoord inzake een geweldsdelict cijfers CBS. In 1997 was dit aantal gestegen naar 8.250 minderjarigen van 12 tot 18 jaar.

Dit leidt tot meer toepassing van voorlopige hechtenis en meer en langere vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen. De capaciteits-uitbreidingen van de justitiële jeugdinrichtingen in de afgelopen jaren worden voor een belangrijk deel verklaard door de toename van de vraag voor strafrechtelijke plaatsingen.

De genoemde ontwikkelingen zijn voor een belangrijk deel exogeen bepaald en niet voor directe beïnvloeding door het Ministerie van Justitie vatbaar.

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

De Minister van Justitie

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie