Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Vragen en antwoorden bij begroting Buitenlandse Zaken (V)

Datum nieuwsfeit: 15-06-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

lijst vr-antw begroting buza (V) 2000

Gemaakt: 15-6-2000 tijd: 16:52


2


27 162 Wijziging van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2000 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)

Nr.3 Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden

Vastgesteld 14 juni 2000

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken 1), belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, brengt verslag uit in de vorm van een lijst van vragen. De vragen en de daarop door de regering gegeven antwoorden zijn hieronder afgedrukt. Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie,

De Boer

De griffier van de commissie,

Hommes


27 162 Eerste wijziging van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Buitenlandse zaken (V) voor het jaar 2000 (wijziging samenhangende met Voorjaarsnota)
nr.

In welke artikelen zijn de moties 26000 800 V nr. 67 en 68 verwerkt?

De motie Hessing c.s. (nr. 67) heeft (nog) niet geleid tot wijziging van de begroting. De in de motie genoemde onderwerpen komen alle aan bod in de nota 'Economie en Ontwikkeling'. Pas nadat deze nota met de Kamer is besproken zullen eventuele budgettaire consequenties in de begroting worden verwerkt.

De motie Remak c.s. (nr. 68), waarin de regering wordt verzocht om grotere prioriteit te geven aan het thema basisonderwijs in zowel het ontwikkelingsbeleid, de beleidsdialoog met de partnerlanden als verhoging van de verplichtingen, heeft nog geen gevolgen voor de begroting van dit jaar. De zorgvuldige en intensieve beleidsdialoog met de partnerlanden kost tijd en zal naar verwacht eerst voor de begroting van volgend jaar resulteren in een verhoging van de verplichtingen.

Moet uit de verlaging van de totale uitgaven met NLG 173 miljoen en de verhoging van het ODA-budget binnen de BuZa-begroting (als gevolg van BNP-groei, eindejaarsmarge 1999 én verschuivingen tussen de ministeries) met NLG 315 miljoen worden afgeleid dat de totale non-ODA uitgaven dalen met een omvang van NLG 488 miljoen? Zo neen, kan deze berekening gecorrigeerd en in beide gevallen toegelicht worden?

Zijn er uitgaven aan te wijzen die bij deze begrotingswijziging worden overgeheveld van de categorie non-ODA naar de categorie ODA? Zo ja, welke? (blz. 1).

In deze begrotingswijziging is sprake van mutaties op het ODA-budget plus een aantal technische mutaties non-ODA op de begroting van Buitenlandse Zaken. De besluitvorming rond de verdeling van de beschikbare non-ODA middelen is nog niet afgerond. Derhalve zijn de bijbehorende non-ODA mutaties in deze begrotingswijziging niet opgenomen. Deze wijzigingen zullen bij vermoedelijke uitkomsten/ontwerpbegroting 2001 aan de Kamer worden voorgelegd.

Er is geen sprake van een daling van non-ODA uitgaven met NLG 488 miljoen. Het budget van non-ODA neemt, analoog aan ODA, toe vanwege de groei van het BNP en de eindejaarsmarge 1999. De totale eindejaarsmarge 1999 non-ODA bedraagt NLG 156,4 miljoen. Hiervan wordt in 2000 NLG 25,5 miljoen toegevoegd aan non-ODA; de rest wordt toegevoegd aan de jaren 2001 en 2002. Er zijn geen uitgaven die bij deze begrotingstoewijzing worden overgeheveld van non-ODA naar ODA.

De verlaging van de BZ-begroting is vrijwel geheel te verklaren door de forse verlaging van het Vierde Eigen Middel (NLG 516,0 miljoen). Deze valt buiten de HGIS en de verlaging heeft derhalve geen invloed op de beschikbare ruimte binnen de HGIS (ODA en non-ODA). Als de verlaging van het Vierde Eigen Middel buiten beschouwing wordt gelaten groeit de begroting van Buitenlandse Zaken bij deze begrotingswijziging met NLG 342,9 miljoen. Dit betreft een verhoging van een aantal ODA-programma's met NLG 315,0 miljoen (gefinancierd uit de groei van het ODA-budget en de meevaller bij Financiën/IDA) en diverse overboekingen en technische mutaties non-ODA van totaal NLG
27,9 miljoen.

Waarom wordt de zeer majeure wijziging bij de inkomsten (art.17.03 NIO; +NLG 121 miljoen) hier niet nader toegelicht? (blz. 1).

Bij de artikelsgewijze toelichting is de mutatie op ontvangstenartikel
17.03 toegelicht. Deze mutatie is niet opgenomen in de samenvatting op blz. 1 omdat de mutatie een technisch karakter heeft. Het betreft overloop over de jaargrens van de aanzuivering van de rekening courant van de NIO bij de Staat. De rekening courant moet volgens voorschrift van Financiën eind december door het Ministerie van Buitenlandse Zaken worden aangezuiverd, waarvoor Buitenlandse Zaken begin januari weer volledig wordt gecompenseerd. Deze laatste ontvangst, van NLG 121 mln, wordt vervolgens in de eerste suppletore begroting verwerkt.
Moet uit de overheveling van NLG 9,6 miljoen uit de «Voorlopige Reservering wederopbouw Zuidoost Europa ten behoeve van «bouwkundige gevolgen Balkan Stabiliteitspact ... etc.» worden afgeleid dat een onderbesteding verwacht wordt bij de uitgaven voor «wederopbouw Zuidoost Europa» en/of dat het hier om een eigenlijke overheveling gaat in politieke zin (art. 07.02 en 15.01)? (blz. 2)

De overheveling heeft betrekking op het faciliteren van de uitvoering van het Balkan Stabiliteitspact en duidt niet op verwachte onderbesteding en/of een overheveling in politieke zin. De overheveling van NLG 9,6 mln heeft overigens voor slechts NLG 3,5 mln betrekking op de bouwkundige aanpassingen op posten als gevolg van personele uitbreiding in het kader van het Balkan Stabiliteitspact (uit 15.01.04 voorlopige reservering Kosovo/wederopbouw Zuidoost Europa) en voor NLG 6,1 mln op de bouwkundige gevolgen van de personele uitbreiding in het kader van het nieuwe landenbeleid (uit
15.01.02 schuldverlichting). De passage over het nieuwe landenbeleid is in de laatste zin van de toelichting op blz. 2 helaas weggevallen.
Worden alle bijdragen aan het Wereld Water Forum door de minister voor Ontwikkelingssamenwerking toegerekend aan de milieudoelstelling van
0,1% BNP (art. 12.01)? (blz. 2)

De bijdragen aan het Wereld Water Forum die ten laste komen van het Ontwikkelingssamenwerkingsbudget worden inderdaad toegerekend aan de milieudoelstelling van 0,1% BNP.

Wat is de relatie tussen het Wereld Water Forum en het begrotingsartikel sociale ontwikkeling? Waaraan zal de NLG 21,7 miljoen uit de overloop van 1999 worden uitgegeven en verwacht de minister voor begroting 2000 de kwantitatieve doelstelling van 20% te gaan behalen (art 13.08)? (blz. 2)

In de sociale sectoren wordt een belangrijk deel uitgegeven in de sector drinkwater en santitatie, omdat deze sector samen met basisgezondheidszorg en basisonderwijs de sociale basisvoorzieningen vormen, tot welke Nederland de toegang in ontwikkelingslanden wil vergroten in het kader van de armoedebestrijding.

De «Water for People» (drinkwater en sanitatie) component van de Wereld Water Visie, die tijdens het Wereld Water Forum is gepresenteerd, geeft aan hoe iedereen toegang kan krijgen tot voldoende schoon water en hygienische sanitaire voorzieningen. Uit de begroting sociale ontwikkeling zijn de activiteiten voor ontwikkeling van «Water for People» gefinancierd. Tevens zijn uit deze begroting activiteiten gefinancierd m.b.t. het mainstreamen van een genderspecifieke benadering in alle facetten van de Wereld Water Visie en de daarbij behorende actieplannen.

De NLG 21,7 miljoen uit de overloop van 1999 zal worden uitgegeven aan sociaal beleid (gezondheid en drinkwater en sanitatie), gender en kinderen. Het betreft verschillende activiteiten wereldwijd. Het voornemen in 2000 de kwantitatieve doelstelling van 20% investering in sociale basisvoorzieningen te halen blijft overeind en er is geen reden aan te nemen dat dit niet zal worden gehaald.

Waarom is voor het nieuwe artikel wederopbouw Zuidoost Europa NLG
355,6 miljoen overgeheveld en niet de oorspronkelijk structureel toegezegde NLG 500 miljoen (art.15.10)? (blz. 2)
Van de toegezegde NLG 500 mln was NLG 402 mln ODA. Daarvan is tien procent (NLG 40,2 mln) al bij Nota van Wijziging overgeheveld naar het Medefinancieringsprogramma en wordt NLG 6,2 mln bij eerste suppletore begroting overgeheveld naar de personele en materiële artikelen. De resterende NLG 355,6 mln ODA-middelen worden naar het nieuwe artikel Wederopbouw Zuidoost Europa overgeheveld.

Is het juist dat de post macro-economische steun en schuldenbeleid de facto - na aftrek van de bijdrage voor wederopbouw Zuidoost Europa - met NLG 453 miljoen groeit en waarom wordt in de begrotingsstaat een vermindering van NLG 70 miljoen aangegeven (art.15.01)? (blz. 2)

Het saldo van de mutaties op artikel 15.01 macroeconomische steun en schuldverlichting bedraagt een vermindering met NLG 70,7 miljoen ten opzichte van de vastgestelde begroting voor 2000 (na Nota van Wijziging en amendementen). Na aftrek van de overheveling van de bijdrage voor de wederopbouw van Zuidoost Europa ad NLG 355,6 mln en NLG 6,2 mln voor personele en materiële versterking resteert een groei van het budget voor macro-economische steun en schuldverlichting van NLG 291,1 mln ten opzichte van de vastgestelde begroting voor 2000. Deze verhoging wordt ondermeer doorgevoerd met het oog op extra hulpverlening aan Indonesië.

Waarom wordt jaarlijks extra ruimte van NLG 5 miljoen gecreëerd voor het Wereldbank Partnership Programma? Waarom is er voor gekozen om het Wereldbank Partnership Programma te gebruiken voor milieuprojecten? Wat is de meerwaarde van dit programma? Waardoor is de nabetaling voor het Wereldbank Partnership Programma uit 1999 ontstaan? (Blz.. 2, 15)

De jaarlijkse beschikbare financiële ruimte van het Partnership Programma wordt via de overeengekomen procedure geheel met activiteiten ingevuld. De extra gecreëerde ruimte van NLG 5 mln wordt apart gezet en is bedoeld voor activiteiten met een urgent karakter waarvoor de Bank in de loop van het jaar, dus buiten de normale selectieprocedure om, financiering vraagt.

Het Partnership Programma vormt het financiële en beheersmatige kader voor de Nederlandse bijdragen aan bepaalde regionale en wereldwijde activiteiten die door de Bank zelf of onder verantwoordelijkheid van de Bank worden uitgevoerd. Veel milieuprojecten zijn niet landspecifiek en voor die gevallen is de Wereldbank en dus het Partnership Programma een geschikt kanaal.

De meerwaarde van dit programma ligt in het beheer, zowel financieel als inhoudelijk. Als gevolg van de financiële randvoorwaarden worden zowel de Bank als het departement gedwongen tot het stellen van prioriteiten met betrekking tot de keuze van te financieren activiteiten. Hierdoor ontstaat een kritische dialoog met de bank en grote betrokkenheid van beide kanten, hetgeen de kwaliteit van de activiteiten vergroot. Het programma is overzichtelijk en flexibel. Het meerjarige voortrollende karakter biedt de Bank duidelijkheid en zekerheid m.b.t. Nederlandse steun.

De nabetaling is ontstaan als gevolg van het feit dat in 1999 niet het gehele overeengekomen bedrag voor het Partnership Programma aan de Bank is overgemaakt. Deze betaling heeft dus geen betrekking op een of meerdere specifieke activiteiten.

Waardoor werd de vertraging in de uitvoering van programma's voor onderwijs en cultuur in ontwikkelingslanden veroorzaakt met als gevolg onderbesteding in 1999? (blz. 3)

De vertraging van de uitgaven in 1999 heeft betrekking op de programma's voor onderwijs. Mede door het proces van invoering van de sectorale benadering en externe omstandigheden is in een aantal '17+4' landen vertraging opgetreden in bestaande programma's en in het financieren van nieuwe activiteiten (met name Bolivia, Burkina Faso en Ethiopië). Ook in andere landen was sprake van onderbesteding (o.a. Kenia en Namibië). Via het mechanisme van de eindejaarsmarge konden posten deze middelen doorschuiven. In de uitgaven voor het programma Institutionele Versterking Onderwijs zijn de uitgaven in twee landen, nl. in Zuid Afrika en Zimbabwe achtergebleven als gevolg van een vertraging bij de uitvoering van de activiteiten.

Is het programma voor kleine plaatselijke activiteiten onder art 13.05 een onderdeel van het medefinancieringsprogramma? Zo ja, valt de verhoging ervan binnen de beschikbare 10% ODA voor het medefinancieringsprogramma of is het additioneel? (blz. 3).

Het programma voor kleine plaatselijke activiteiten is geen onderdeel van het medefinancieringsprogramma, maar wordt uitgevoerd via het NCDO. De verhoging van het budget staat derhalve los van de beschikbare 10% ODA voor het medefinancieringsprogramma.

Kan alsnog ook aangegeven worden in hoeverre het non-ODA-deel van de HGIS als gevolg van de BNP-groei is aangepast cq dient te worden aangepast en hoe deze extra gelden zullen worden ingezet? Kan daarbij tevens worden aangegeven in hoeverre de motie Koenders cs (nr. 26 800 V, nr. 38) voor de oprichting van een Vredesfonds kan worden uitgevoerd? (blz. 4).

Als gevolg van de BNP-groei wordt het non-ODA deel van de HGIS in 2000 met NLG 69,6 mln verhoogd. De besluitvorming omtrent de inzet van de non-ODA middelen zal binnenkort worden afgerond. Het instellen van een Vredesfonds, conform de motie Koenders, is onderdeel van deze besluitvorming.

Is het juist dat de extra hulp aan Indonesië niet ten koste gaat van de reservering Wederopbouw Zuidoost Europa? (blz. 4)

De extra hulp aan Indonesië gaat inderdaad niet ten koste van de reservering Wederopbouw Zuidoost Europa.

Aangezien weinig goed onderbouwde en volledige ORET-aanvragen worden ingediend, zou het dan niet nuttig zijn om aanvragers in een eerdere fase te begeleiden? (blz. 4)

Het probleem ligt over het algemeen niet zozeer bij de aanvrager, als wel bij de relatie tussen aanvrager en afnemer. Een groot deel van de bij ORET/Miliev ingediende aanvragen is afkomstig van Nederlandse bedrijven die al ervaring hebben met de regeling en die dus zeer goed op de hoogte zijn van de gegevens die bij het indienen van een aanvraag benodigd zijn. Aan nieuwkomers wordt zeer intensieve begeleiding gegeven.

Aan aanvragers wordt echter informatie gevraagd over de financiële en organisatorische capaciteit van hun afnemers en over het project waarvan de transactie onderdeel uitmaakt. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om gegevens over de financiële draagkracht van de afnemer om het commerciële deel van de transactie te kunnen financieren en over de capaciteit om na de leverantie van apparatuur duurzaam te kunnen voorzien in beheer en onderhoud. Deze informatie is nodig voor de toetsing aan de criteria van de OESO-Consensus en aan de normen van ontwikkelingssamenwerking. De meeste Nederlandse bedrijven blijken niet (eenvoudig) deze informatie te kunnen leveren. In de meeste gevallen kan de betreffende informatie worden achterhaald via of met steun van de Ambassade in samenwerking met de lokale overheid, aangevuld met eigen (lokale consultants) onderzoek. In sommige gevallen kan dergelijk onderzoek ondersteund worden door het PESP van Economische Zaken, maar in de regel ligt het niet op de weg van de Nederlandse overheid om subsidie te verstrekken teneinde een subsidieaanvraag te substantiëren.

Is er zicht op het versnellen van de ondertekening van schenkingsovereenkomsten? (blz. 4)

Nee. Het al dan niet accepteren van een schenkingsovereenkomst houdt direct verband met het al dan niet gunnen van een opdracht aan een Nederlands bedrijf. Dit is een zaak van het ontwikkelingsland, dat daarvoor eigen procedures volgt. Het is mogelijk om deze landen tot snelheid te bewegen door de geldigheidstermijn van een schenkingsaanbieding te bekorten. In de praktijk blijkt dit echter averechts te werken, omdat het ontwikkelingsland -terecht- vasthoudt aan de eigen (aanbestedings-)regels en de Nederlandse aanbieding zich aldus uit de lokale goedkeuringsprocedure werkt.

Wanneer zullen de leden van de Adviesraad Internationale Vraagstukken officieel worden benoemd? (blz. 7)

Over de benoeming van de leden van de AIV en de permanente commissies wordt geregeld contact onderhouden met de voorzitter van de AIV, prof. drs. R.F.M. Lubbers. Het ligt in de bedoeling nog voor de zomer de benoeming af te wikkelen.

Waarop zijn de hogere verwachte uitgaven voor staatsbezoeken gebaseerd? (blz. 8)

Op het vlak van bezoeken is 2000 een druk jaar, met - naast het normale scala aan activiteiten - vier uitgebreide staatsbezoeken waarvan drie in de eerste helft van het jaar. Hierdoor vallen de uitgaven hoger uit. Daarnaast worden meer uitgaande reizen voorzien van de Kroonprins en van MP.

Is een tussentijdse aanpassing van het artikel 07.05 Adviesraad mogelijk indien omstandigheden daar om vragen? (blz. 9)

Zoals ook voor andere begrotingsartikelen geldt is tussentijdse aanpassing mogelijk indien dat noodzakelijk zou zijn. De jaarlijkse vaststelling van dit begrotingsartikel hangt samen met de werkbelasting van de AIV en is afhankelijk van het aantal adviesaanvragen per jaar. Voorop staat dat de AIV in staat wordt gesteld zijn werkzaamheden adequaat te kunnen verrichten (cf. Kaderwet adviescolleges).

Wat is de achterliggende oorzaak van de incidentele overheveling van NLG 246 000 van artikel 09.01 naar artikel 07.01 voor de personele versterking van de PV EU? (blz. 10)

Vanwege de veranderingen in de tweede pijlerstructuur van de EU wordt de PV EU versterkt op GBVB/EVDB-terrein. Onderdeel hiervan is de overheveling van 2 formatieplaatsen van de PV WEU naar de PV EU medio
2001, die reeds worden gefinancierd uit de reguliere personele begroting. In de tussenliggende periode is voor deze 2 plaatsen tijdelijke financiering gevonden via een overheveling van het POBB naar de personele begroting.

Waardoor wordt de vertraging van de milieuprogramma's met als gevolg NLG 15 miljoen eindejaarsmarge veroorzaakt? (blz. 11)

De ontwikkeling van het nieuwe bilaterale beleid in 1999 - met voor de uitvoering van het milieuprogramma belangrijke elementen als de sectorkeuze en het bepalen van de samenstelling van de landen op de milieulijst - heeft gemiddeld over het gehele milieuprogramma tot een gemiddeld geringe vertraging bij de uitvoering van milieuactiviteiten in 1999 geleid. Daarbij dient te worden bedacht dat de uitvoering van dit programma betrekking heeft op meer dan 750 activiteiten die deels decentraal door de Posten en deels centraal vanuit Den Haag worden aangestuurd met een totaal gerealiseerd volume in 1999 van ruim NGL
308 mln.

Kan de mutatie in de uitgaven bij art. 15.01 met NLG 70,7 miljoen (nader) worden toegelicht? (blz. 13)

Zie het antwoord op vraag 8.

Indien het aantreden van een nieuwe regering in Suriname aanleiding zou zijn voor het herstel van de ontwikkelingsrelatie en weer tot besteding van de resterende middelen uit het Raamverdrag zou worden overgegaan, op welke wijze zal dit dan gefinancierd worden? (art.15.06) (blz. 13)

Indien herstel optreedt in de ontwikkelingsrelatie met Suriname mag een gebrek aan middelen op het betreffende artikel hervatting uiteraard niet in de weg staan. In dat geval zal door herschikking van middelen, afhankelijk van waar op dat moment sprake is van eventuele mee- en tegenvallers, ruimte worden gevonden binnen de begroting.

Wordt er met de extra hulpverlening aan Indonesië schuldverlichting bedoeld? Hoe groot deel van de NLG 291,1 miljoen bestaat uit schuldverlichting en/of reguliere hulp? (blz. 13)

De verhoging met NLG 291,1 miljoen heeft voor het merendeel betrekking op Indonesië. Dit betreft NLG 51 miljoen aan schuldverlichting voortvloeiend uit de bijeenkomst van de Club van Parijs van april jongstleden. NLG 154,3 mln heeft betrekking op reguliere hulp.

Waarom vallen de uitgaven op het art. 15.01.02 (schuldverlichting) lager uit dan de verplichtingen? Betekent dit dat er minder schuldverlichting is verleend dan aanvankelijk de bedoeling was? Zo ja, waar komt dit door? Zo nee, hoe is het verschil dan te verklaren? (blz. 13)

Het verplichtingenritme en het uitgavenritme schommelen voor artikel
15.01 in de loop der jaren iets ten opzichte van elkaar. De ontwerpbegroting 2000 geeft daar inzicht in. De geraamde verplichtingen voor 2000 zijn hoger dan de geraamde uitgaven voor
2000, omdat een deel van de nu reeds aangegane verplichtingen pas in latere jaren tot kasuitgaven leidt (met name schuldverlichting Club van Parijs), terwijl in het verleden minder verplichtingen zijn aangegaan die in 2000 tot kasuitgaven leiden.

Waarom is de mutatie inzake de opheffing van art. 15.01.04 Voorlopige reservering Kosovo / wederopbouw Zuidoost-Europa niet zichtbaar gemaakt? (blz. 13)

De vervanging van artikelonderdeel 15.01.04 door 15.10 is in de toelichting op de mutatie op blz. 13 toegelicht. Ook in de tabel 'onderverdeling per artikelonderdeel' is te zien dat het verplichtingen- en uitgavenbudget voor dit artikelonderdeel op 0 zijn komen te staan.

Waarom wordt door Justitie één bedrag gedeclareerd voor uitgenodigde vluchtelingen en overige asielzoekers die een A-status aanvragen? Wordt daarmee de bijdrage van OS aan de eerste groep vluchtelingen ook forfaitair? (blz.14, 15)

De opvang van uitgenodigde vluchtelingen was tot 1 januari 2000 de verantwoordelijkheid van het Ministerie van VWS. VWS declareerde jaarlijks een bedrag van NLG 24,7 miljoen bij Buitenlandse Zaken ter dekking van een deel van deze kosten, welke voldoen aan de ODA-criteria. Deze forfaitaire bijdrage in de kosten werd voorheen verantwoord op artikel 16.06 van de begroting van Buitenlandse Zaken.

De verantwoordelijkheid voor de opvang van uitgenodigde vluchtelingen is per 1 januari 2000 echter overgegaan naar het Ministerie van Justitie en derhalve zal Justitie met ingang van 2000 dan ook de bijdrage van NLG 24,7 miljoen bij Buitenlandse Zaken declareren. Justitie declareerde bij Buitenlandse Zaken al een bedrag voor de kosten van de opvang van asielzoekers die de A-status aanvragen. Deze bijdrage wordt verantwoord op artikel 16.08 van de begroting van Buitenlandse Zaken. Omdat nu beide declaraties voor gelijksoortige kosten door hetzelfde ministerie worden ingediend, is ervoor gekozen deze beide te verantwoorden op hetzelfde artikel, te weten artikel
16.08. De hoogte van de te declareren bedragen is hierbij niet aangepast, noch is er sprake van een wijziging van de declaratiegrondslag.

Waardoor worden de vertragingen in de diverse programma's met betrekking tot onderwijs veroorzaakt? (blz.15)

Zie het antwoord op vraag 10.

Is er voldoende capaciteit om de gelden voor Kosovo in het kader van institutionele versterking, goed bestuur en democratisering te kanaliseren naar vruchtbare projecten? (blz.17)

Nederland werkt bij de besteding van fondsen op het gebied van institutionele versterking, goed bestuur en democratisering goed samen met zowel UNMIK als NGO's. In algemene zin vormt het huidige tekort aan internationaal personeel bij UNMIK een punt van zorg.

Wat is de oorzaak van de vertraging van het PSOM programma? Is dit voor u aanleiding om in de toekomst het budget neerwaarts bij te stellen? (blz.. 17)

De oorzaak ligt met name bij de lange behandeltermijn van de PSOM-Memoranda of Understanding bij de lokale overheid. Het PSOM kan in een bepaald land niet starten voordat er tussen Nederland en de lokale overheid een dergelijk MoU is overeengekomen. In de praktijk blijkt dat de lokale overheid veel meer tijd nodig heeft om het MoU inhoudelijk te bestuderen alvorens het tot ondertekening overgaat dan op voorhand was verondersteld.

Dit is geen reden om het budget neerwaarts bij te stellen. Wel kan het aanleiding zijn om de aandacht te verleggen naar landen die gretiger reageren op de onder PSOM geboden mogelijkheden.

Wat zijn de redenen voor de vertraging in het IntEnt-programma in
1999? (blz.21)

Bij het instellen van het programma zijn aannames gedaan over de bereidheid van allochtone ondernemers in Nederland om te investeren in het land van herkomst. Deze waren tevoren niet voldoende onderzocht en blijken in de praktijk te hoog uit te vallen. Daarbij heeft het samenstellen van het bestuur voor vertraging gezorgd, doordat in de overleggen daaromtrent met de organisaties van allochtonen in Nederland verschillen van inzicht over de richting van het programma naar boven kwamen.

Samenstelling:

Leden:

Plv. leden:

Blaauw (VVD)

Weisglas (VVD)

Van den Berg (SGP)

Ter Veer (D66)

Van Middelkoop (GPV)

Valk (PvdA)

Apostolou (PvdA)

Hillen (CDA)

Verhagen (CDA),

ondervoorzitter

M.B. Vos (GroenLinks)

Marijnissen (SP)

Hessing (VVD)

Hoekema (D66)

Dijksma (PvdA)

Van Ardenne-van der

Hoeven (CDA)

Van den Doel (VVD)

Koenders (PvdA)

De Boer (PvdA), voorzitter

Timmermans (PvdA)

Van Ross-van Dorp (CDA)

Remak (VVD)

Van der Knaap (CDA)

Karimi (GroenLinks)

Bussemaker (PvdA)

Wilders (VVD)

Dijkstal (VVD)

Van Baalen (VVD)

De Graaf (D66)

Van 't Riet (D66)

Rouvoet (RPF)

Zijlstra (PvdA)

Belinfante (PvdA)

Visser-van Doorn (CDA)

Eurlings (CDA)

Harrewijn (GroenLinks)

Van Bommel (SP)

Cherribi (VVD)

Scheltema-de Nie (D66)

Gortzak (PvdA)

De Haan (CDA)

Snijder -Hazelhoff (VVD)

Albayrak (PvdA)

Van Oven (PvdA)

Feenstra (PvdA)

Leers (CDA)

Patijn (VVD)

Van den Akker (CDA)

Rosenmöller (GroenLinks)

Duivesteijn (PvdA)

Balemans (VVD)

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie