Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief VROM inzake agendamilieuraad

Datum nieuwsfeit: 16-06-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief VROM inzake geannoteerde agenda milieuraad 22 j uni 2000

Gemaakt: 16-6-2000 tijd: 14:3


17


21501-08 Milieuraad

nr. 110 Brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 13 juni 2000

Ter voorbereiding van het A.O. Milieuraad d.d. 15 juni 2000 bied ik u hierbij, mede namens de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, de Geannoteerde Agenda van de Milieuraad van 22 juni 2000 aan. De Vaste Commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft tevens de Voorbereiding van CoP VI onder het Klimaatverdrag voor bespreking geagendeerd (uw convocatie van 5 juni jl.), hiertoe treft u een notitie aan.

Bij brief van 11 mei jl. hebben de Vaste Commissies voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en voor Justitie verzocht om een notitie over het Witboek inzake Milieuaansprakelijkheid, tijdig voorafgaand aan het A.O. van 15 juni. Deze notitie bied ik u hierbij, mede namens de Minister van Justitie, aan.

Ook bij brief van 11 mei jl. hebben de Vaste Commissies voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verzocht om een kabinetsstandpunt over een mededeling betreffende het Voorzorgsbeginsel, naar aanleiding van de brief van de Staats-secretaris van Buitenlandse Zaken van 27 maart 2000. Bij brief van 17 mei 2000 heeft de Staats-secretaris van Buitenlandse Zaken u dit regeringsstandpunt doen toekomen.

de Minister van Volkshuisvesting,

Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.P. PronkNotitie over het Witboek milieuaansprakelijkheid t.b.v. het Algemeen Overleg van 15 juni a.s. over het verslag van de Milieuraad van 30 maart jl. en de agenda van de Milieuraad van 22 en 23 Juni 2000

Stand van zaken met betrekking tot de behandeling van het Witboek Milieuaansprakelijkheid

Tijdens de Milieuraad van 30 maart jl. heeft een oriënterend debat over het Witboek plaatsgevonden. De Lidstaten reageerden over het algemeen positief op het voorstel van de Europese Commissie om tot communautaire actie op het gebied van milieuaansprakelijkheid te komen. De meerderheid van de Lidstaten voelde het meest voor een kaderrichtlijn. De Commissie gaf na het debat aan de ingebrachte standpunten te zullen analyseren en aan te vangen met het uitwerken van een voorstel voor een kaderrichtlijn. Een voorstel zal naar verwachting in de tweede helft van 2001 worden gepresenteerd.

Het Witboek staat niet geagendeerd voor verdere behandeling op de aanstaande Milieuraad. Het komende Franse Voorzitterschap heeft aangegeven te overwegen de behandeling van het Witboek voort te zetten en te streven naar het vaststellen van Raadsconclusies.

Doelstelling en hoofdlijnen van het Witboek milieuaansprakelijkheid

In het Witboek worden verschillende redenen gegeven voor communautaire actie. De Commissie noemt onder meer: een betere tenuitvoerlegging van de beginselen op milieugebied (het vervuiler betaalt beginsel, het preventiebeginsel en het voorzorgsbeginsel) en de bestaande communautaire milieuregelgeving, het waarborgen van een adequaat herstel van het milieu en een betere werking van de interne markt.

De Commissie voert in het Witboek een aantal argumenten aan die een communautair initiatief in termen van subsidiariteit en evenredigheid rechtvaardigen. Hierbij noemt zij onder meer het feit dat de afzonderlijke stelsels in de lidstaten niet volstaan om alle aspecten van milieuschade te behandelen, dat een gemeenschappelijke handhaving middels communautaire actie een integrerend effect heeft en dat een communautair initiatief, waarbij de doelstellingen en te behalen resultaten gemeenschappelijk worden vastgelegd maar de lidstaten hun eigen toepassing en instrumenten kunnen kiezen, een soepel instrument vormt. De impact van een EG-aansprakelijkheidsregeling op het buitenlandse concurrentievermogen van de Europese industrie zal volgens de Commissie naar verwachting beperkt zijn.

De Commissie concludeert na afweging van verschillende opties voor communautaire actie dat een communautaire richtlijn de meest coherente aanpak lijkt. In het Witboek worden de volgende centrale elementen genoemd voor de opstelling van een communautaire kaderrichtlijn met minimumvereisten. De richtlijn zal betrekking hebben op zowel traditionele schade (schade aan personen en goederen) als op milieuschade gekoppeld aan communautaire regelgeving. Bij milieuschade wordt gedacht aan de verontreiniging van locaties (bodem, oppervlaktewater en grondwater)en schade aan natuur en biodiversiteit die onder het Natura 2000-netwerk (gebieden aangewezen in het kader van de Habitat- en Vogelrichtlijn) vallen. De
aansprakelijkheidsregeling wordt gebaseerd op risico-aansprakelijkheid wat inhoudt dat geen schuldig handelen of verzuim vereist is wanneer sprake is van een gevaarlijke activiteit. Schade aan biodiversiteit wordt ook gedekt wanneer de schade wordt veroorzaakt door een niet-gevaarlijke activiteit. In dat geval is schuld-aansprakelijkheid het uitgangspunt. In het geval van milieuschade moet de schadevergoeding daadwerkelijk besteed worden aan herstel van het milieu.

Milieuaansprakelijkheid in Nederland

In 1995 is in ons land aansprakelijkheidswetgeving ingevoerd met het oog op milieuschade. Deze bepalingen (art. 175 e.v. van Boek 6 en een aantal afdelingen in Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek) creëren risico-aansprakelijkheid voor een aantal activiteiten die schade kunnen toebrengen aan het milieu. Het gaat concreet om schade ten gevolge van de opslag, het vervoer of het gebruik van gevaarlijk stoffen, door afvalstortplaatsen en door boorgaten. Tevens is voor gevallen van milieuverontreiniging een verjaringstermijn van 30 jaar in de wet vastgelegd. Deze bepalingen komen overeen met die van een drietal internationale verdragen, namelijk het Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door activiteiten die gevaarlijk zijn voor het milieu (hierna: het Verdrag van Lugano), het Verdrag inzake de aansprakelijkheid voor schade ontstaan tijdens het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, per spoor en binnenschip (hierna: CRTD-verdrag) en het Verdrag inzake vervoer van gevaarlijke stoffen over zee (hierna: HNS-verdrag). Ten aanzien van de aansprakelijkheid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen worden in Nederland limieten gehanteerd. Het vervoer over de weg van gevaarlijke stoffen is verzekeringsplichtig.

Voor een aantal andere activiteiten die milieuschade kunnen veroorzaken gelden bijzondere regels die de uitvoering vormen van internationale verdragen, zoals voor de aansprakelijkheid voor nucleaire schade (Wet aansprakelijkheid kernongevallen), voor schade door olieverontreiniging door zeeschepen (Wet aansprakelijkheid olietankschepen).

Waar deze risico-aansprakelijkheden niet van toepassing zijn op een geval van milieuschade, kan een beroep worden gedaan op de algemene bepaling terzake van onrechtmatige daad (art. 162 van Boek 6 BW). In dat geval zal moeten worden aangetoond dat onrechtmatig is gehandeld en dat de gedraging aan de veroorzaker is toe te rekenen. Daarnaast kent de Wet bodembescherming een specifiek zorgplichtartikel en een artikel ten aanzien van het verhaal van kosten van bodemsanering (artikel 75 Wbb).

De schade die op grond van het Nederlandse recht kan worden gevorderd is naast de traditionele schade - schade aan personen of zaken, andere vermogensschade en ook, onder omstandigheden, immateriële schade - ook de (daadwerkelijk gemaakte, dan wel te maken) kosten van preventie van (verdere) aantasting van het milieu en de kosten van herstel van het milieu.

Nederlandse positie ten aanzien van het Witboek

Tijdens de Milieuraad van 30 maart jl. is door de Minister van VROM aangegeven dat Nederland positief staat tegenover gemeenschapsactie ten aanzien van milieuaansprakelijkheid. De Nederlandse voorkeur ging in de eerste plaats uit naar toetreding van de Gemeenschap bij het Verdrag van Lugano aangezien Nederland dit Verdrag reeds heeft ondertekend en het Verdrag goed aansluit bij de bestaande Nederlandse wet- en regelgeving op dit gebied.

Nu de Commissie een voorstel voor een richtlijn zal uitwerken is Nederland voorstander van een richtlijn met een minimumstandaard waarbij lidstaten zelf strengere regelgeving mogen vaststellen. Nederland staat positief tegenover de doelstelling van de Commissie om middels een communautaire regeling voor milieuaansprakelijkheid tot een (betere) ten uitvoerlegging te komen van belangrijke beginselen als 'het vervuiler betaalt' beginsel, het preventiebeginsel en het voorzorgsbeginsel en bij te dragen aan het herstel van milieuschade. Daarnaast kan Nederland instemmen met de afbakening die Commissie voorstelt voor een aansprakelijkheidsregeling. Een dergelijke regeling is alleen doeltreffend wanneer de vervuiler aanwijsbaar is, de schade concreet en kwantificeerbaar is en er een oorzakelijk verband kan worden vastgesteld. Van een Europees milieuaansprakelijkheidsstelsel zal een preventieve werking uitgaan.

Een nauwe aansluiting bij het stelsel van het Verdrag van Lugano heeft de voorkeur. Het Verdrag van Lugano houdt een
aansprakelijkheidsregeling in die eveneens betrekking heeft op zowel traditionele schade als schade aan het milieu veroorzaakt door gevaarlijke activiteiten. Het stelsel is gebaseerd op risico-aansprakelijkheid met een aantal toegestane verweermiddelen. Ten aanzien van het herstel van schade aan het milieu gaat het Verdrag uit van een vergoeding van de kosten die nodig is voor het herstel of het treffen van maatregelen ter compensatie van de aantasting van het milieu elders. Op hoofdlijnen sluiten de elementen van het Witboek aan op het stelsel van Lugano.

Het Witboek werkt een aantal belangrijke elementen niet nader uit en roept de nodige vragen op. Hieronder wordt een aantal van deze elementen aangestipt. Het betreft onder meer de praktische uitwerking van de uitgangspunten bij schade aan biodiversiteit. Met name wanneer deze onherstelbaar is. De waardering van schade aan biodiversiteit, de berekening ervan en de methodes die worden gebruikt, geven aanleiding tot vragen. De Commissie heeft aangekondigd een systeem van waardebepaling uit te gaan werken. Een nadere standpuntbepaling ten aanzien van schade aan biodiversiteit zal plaats kunnen vinden nadat hierover meer informatie beschikbaar komt.

Daarnaast kiest het Witboek ten aanzien van bodemverontreiniging een lijn die afwijkt van het Nederlands beleid. Het Witboek gaat uit van functiegericht saneren van de bodem. Dit is de lijn die Nederland (sinds kort) heeft gekozen voor bodemverontreiniging die voor 1987 is ontstaan. Voor verontreiniging van na die datum is het Nederlands beleid echter dat alle nieuwe verontreiniging wordt verwijderd en daarmee de oude situatie hersteld, ongeacht de functie van het betreffende terrein, overeenkomstig het beginsel de vervuiler betaalt, het voorzorgsbeginsel en het preventiebeginsel. Dit geldt overigens eveneens voor de ons omringende lidstaten. Dit zou ook het uitgangspunt van de kaderrichtlijn dienen te zijn. Indien men daar niet voor voelt zou de richtlijn tenminste wel de ruimte moeten laten voor strenger beleid in de lidstaten. Tenslotte is het hierbij vooralsnog onduidelijk wat het toepassingsgebied zal zijn met betrekking tot de bescherming van de bodem en het bodemleven.

Vervolgens wordt in het Witboek voorgesteld om bij de toegang tot de rechter in milieuschadezaken de toegang voor belangenorganisaties te verruimen. Hierbij beroept de Commissie zich op het bepaalde in artikel 9 van het Verdrag van Aarhus (VN/ECE Verdrag inzake de toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter in milieu-aangelegenheden van 25 juni 1998). Daarbij wordt een «two-tier approach» voorgesteld (aanpak op twee niveaus). Dit betekent dat de overheid in de eerste plaats de verantwoordelijkheid heeft om op te treden ingeval van (dreigende) milieuschade (first tier). Belangenorganisaties zouden alleen in actie kunnen komen wanneer de overheid geen actie onderneemt of dit niet afdoende doet (second tier). Vergeleken bij de Nederlandse situatie is dit een stap terug. In Nederland kunnen belangenorganisaties direct een rechtsvordering ter bescherming van de door hen te behartigen belangen indienen bij de rechter, bijvoorbeeld een verzoek om een bepaalde bedrijfsactiviteit stil te leggen in verband met dreigende ernstige schade. Ook kan men om een vergoeding vragen van kosten die bijvoorbeeld bij het opruimen van verontreiniging zijn gemaakt. Het is van belang dat een toekomstig communautair stelsel niet in de weg staat aan de bestaande, ruimere mogelijkheden voor rechtsbescherming in de Lidstaten.

Een volgende opmerking betreft de relatie met reeds bestaande verdragen. De Commissie stelt in het Witboek dat in de toekomstige richtlijn nauwkeurig aangegeven dient te worden wat de ruimte is voor toepassing van de richtlijn op gebieden die reeds onder het toepassingsgebied van internationale verdragen op het gebied van aansprakelijkheid (nucleaire activiteiten, olieverontreiniging op zee, vervoer van gevaarlijke stoffen). Nederland acht het van belang dat bepalingen van de toekomstige regeling niet in strijd zullen zijn met, door Nederland ondertekende, internationale verdragen op dit gebied zoals de reeds genoemde Lugano-Conventie, de CRTD en HNS verdragen en het in december 1999 tot stand gekomen Bazel Protocol inzake de aansprakelijkheid voor schade die tijdens de grensoverschrijdende overbrenging en de verwijdering gevaarlijke afvalstoffen ontstaat . De CRTD en HNS verdragen bevatten onder meer een beperkte risico-aansprakelijkheid en hanteren vaak limieten. In de Nederlandse wetgeving wordt ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen eenzelfde benadering gevolgd.

Een laatste belangrijk aspect vormt de financiële zekerheid en de verzekerbaarheid van milieurisico's. Het Witboek stelt een stapsgewijze benadering voor. Daar men eerst ervaring op wil doen met het nieuwe aansprakelijkheidsstelstel zal de communautaire regeling voorlopig geen verplichting tot het stellen van financiële zekerheid bevatten. Zoals de Commissie in het Witboek aangeeft, bestaat er in Nederland al enige ervaring op dit gebied. Sinds 1998 is de milieuschadeverzekering op de markt. Daarnaast wordt gewerkt aan een voorstel voor een algemene maatregel van bestuur over financiële zekerheid op basis van artikel 8.15 van de Wet milieubeheer. Hierin zal worden opgenomen dat het bevoegd gezag de mogelijkheid krijgt om bij een aantal categorieën van inrichtingen het stellen van financiële zekerheid voor te schrijven in de vergunning.

Tenslotte kan de Nederlandse positie als volgt worden samengevat. Nederland staat positief tegenover een communautaire kaderrichtlijn ten aanzien van milieuaansprakelijkheid. Een nauwe aansluiting bij de inhoud van het Verdrag van Lugano vormt voor de Nederlandse inzet het uitgangspunt. De richtlijn zal niet in de weg mogen staan aan ratificatie door de Lidstaten. De richtlijn zal uitdrukkelijk de mogelijkheid dienen te bevatten om verdergaande regels te mogen stellen. Veel elementen behoeven een nadere uitwerking alvorens Nederland een preciezer standpunt in kan nemen. Het betreft hier onder meer: het herstel en de waardering van schade aan biodiversiteit, de lijn die gevolgd zal worden ten aanzien van de sanering van bodemverontreiniging, de mogelijkheden voor rechtsbescherming van derden en de relatie met bestaande verdragen.De klimaatonderhandelingen richting CoP-6


1. Algemeen

Met deze notitie informeer ik u over de voorbereiding van de zesde Conferentie der Partijen bij het VN-Klimaatverdrag (CoP-6) die van 13 tot 24 november a.s. in Den Haag wordt gehouden. Deze notitie heb ik u toegezegd in het algemeen overleg met de vaste commissie voor Volks-huisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op 16 maart jl. Voor de internationale context van het Nederlandse klimaatbeleid verwijs ik tevens naar de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid, deel II (Samenwerking met het buiten-land) die ik op 20 maart 2000 aan de Tweede Kamer heb aangeboden (Kamerstukken, 1999-2000, 26 603, nr. 28)

In vergelijking tot eerdere CoP-bijeenkomsten heeft Nederland bij CoP-6 een bijzon-de-re rol. In de eerste plaats is Nederland gastland van de conferentie. Dit betekent dat in november naar verwach-ting zo'n 10.000 mensen (delegatieleden, vertegenwoor-di-gers van non-gouvernementele organisaties, pers, weten-schappers, etc.) in Den Haag aanwezig zullen zijn. Als gastland moet Nederland voldoen aan het door de VN gedefi-ni-eer-de programma van eisen, zoals vastgelegd in de 'Host Country Agreement' die ik op 28 april jl. in New York getekend heb.

In de tweede plaats is Nederland de voorzitter van de conferentie. Dit houdt in dat ik, namens de Neder-landse regering, de ministeriële vergadering zal voorzitten en zal proberen tot een uitgeba-lan-ceerd pakket aan afspraken te komen om ratificatie van het Kyoto Protocol mogelijk te maken.

Om deze rol op een goede manier invulling te geven, voer ik ter voorbereiding op CoP-6 met diverse landen bilaterale gesprekken over de belangrijkste onderhan-de-lings-onderwerpen. Tevens wordt vooraf-gaand aan CoP-6 en in nauw overleg met de huidige voorzitter (Minister Szyszko van Polen) en het VN-klimaatsecretariaat in Bonn, een drietal high level bijeenkomsten georganiseerd. Tijdens deze bijeen-komsten, waarvoor zo'n 35 landen zijn uitgenodigd, wordt over de belangrijkste onderwerpen overleg gevoerd (28 april jl. in New York, 29 juni in Warschau en 5 oktober in Nederland).

Inhoudelijke inbreng van Nederland als Partij bij het Klimaatverdrag vindt plaats via de Europese Unie, vertegenwoordigd door Frankrijk dat van juli tot en met december 2000 voorzitter is. Staatssecretaris Benschop van Buitenlandse Zaken zal tijdens CoP-6 het vice-voorzitterschap van de Nederlandse delegatie op zich nemen.

Tijdens de tweede week van CoP-6 biedt de conferentie jongeren tussen
12 en 18 jaar de gelegenheid hun belangen onder de aandacht te brengen van delegaties en andere betrokkenen. Alle landen worden uitgenodigd twee jongeren in hun delegatie op te nemen.

Parallel aan de officiële CoP-6-bijeenkomsten worden in Den Haag diverse andere activiteiten geor-ga-niseerd. Zo zal onder andere door de (internationale) natuur- en milieu-organisaties aandacht gegeven worden aan het klimaatprobleem.


2. Inleiding en achtergrond CoP-6

Na het Klimaatverdrag uit 1992 en het Kyoto Protocol uit 1997 vindt de eerst-volgende grote klimaat-conferentie in november van dit jaar plaats in Den Haag. Het betreft de zesde Conferentie van Partijen onder het Klimaatverdrag (CoP-6). De twee conferen-ties sinds Kyoto hebben zich gericht op de imple-mentatie van het Klimaat--verdrag en op het verder uitwerken van het Kyoto Protocol.

In het Kyoto Protocol zijn de industrielanden overeengekomen de emissies van broei-kasgassen in de periode 2008-2012 (de budgetperiode) met tenminste 5% te vermin-deren ten opzichte van het niveau van 1990. Het Protocol treedt in werking nadat minstens 55 landen, met een gezamenlijke CO2-uitstoot van meer dan 55% van de totale uitstoot van industrielanden, het Protocol hebben bekrach-tigd. In januari 2000 hadden 84 Partijen het Protocol getekend en hadden 22 Partijen het geratificeerd.

Tijdens CoP-4 (Argentinië) werd het Buenos Aires Plan of Action vastgesteld. Dit actie-plan wordt sindsdien gebruikt als werkprogram-ma. In het Actieplan is een zorg-vuldig afgewogen pak-ket samen-gesteld, waarin evenveel aandacht wordt besteed aan onder-werpen uit het Klimaatverdrag als uit het Kyoto Protocol. Tijdens CoP-5 in Bonn (november 1999) werd op alle onder-delen van het Actie-plan voor-uitgang ge-boekt.

Over de uitkomsten van CoP-5 heb ik u met mijn brief van 10 december
1999 reeds geïnformeerd (Kamerstukken, 1999-2000, 26 800 XI, nr. 46).
CoP-6 (Den Haag, novem-ber 2000) is gekozen als moment voor de besluit-vor-ming over diverse onder-wer-pen uit het Kli-maat-ver-drag en het Kyoto Protocol, die relevant zijn voor ratificatie en inwerking-treding van het Kyoto Protocol. De verwachting is dat posi-tieve besluitvorming tijdens CoP-6 veel landen zal aanzetten tot ratificatie van het Kyoto Protocol in 2002, tien jaar na het sluiten van het Klimaat-verdrag. De EU en Japan hebben tijdens de G-8 bijeenkomst in Japan (april 2000) aangeven dat vroege ratificatie van het Kyoto Protocol noodzakelijk is om in 2005 te demonstreren dat voor-uitgang wordt geboekt in het klimaatbeleid. In Nederland ligt het wetsvoorstel voor ratificatie momenteel bij de Tweede Kamer (Kamerstukken, 1999-2000, 27 089, nr. 1-3).


3. Onderwerpen tijdens CoP-6

Tijdens CoP-6 zullen de klimaatonderhandelingen leiden tot een pakket van besluiten. Daarbij zullen de onderwerpen uit het Buenos Aires Plan of Action de leidraad vormen. Hieronder worden enkele van de onderwerpen uit dit pakket nader belicht. Daarnaast komt de discussie over toekomstige verplichtingen kort aan de orde.

Onderwerpen uit het Klimaatverdrag

Het verdrag dateert uit 1992 en is inmiddels door 181 Partijen geratificeerd. Aan de uitvoering van verschillende verplichtingen uit het verdrag dient nader invulling te worden gegeven. De verdragsitems die tijdens CoP-6 centraal zullen staan, hebben vooral betrekking op ontwikkelingslanden.

Zo is in het verdrag afgesproken dat ontwikkelingslanden die te lijden hebben onder de negatieve gevolgen van klimaatverandering dan wel van de gevolgen van klimaat-beleid, ondersteund dienen te worden. Ook in het Kyoto Protocol wordt hieraan gere-fe-reerd. De acties die nodig zijn om de negatieve gevolgen te minimaliseren, dienen op een rijtje gezet te worden. Technologie-overdracht en capaci-teits-opbouw spelen daarbij een rol.

Capaciteitsopbouw speelt verder een belangrijke rol in relatie tot het opzetten, uitvoe-ren en monitoren van nationaal klimaatbeleid. In het Kyoto Protocol wordt in dat kader onder meer gesproken over nationale emissie-inventarisaties, emissiereductieplannen, overdracht van relevante technologie en know-how, onderwijs- en trainingsprogram-ma's, opbouw van instituties voor klimaatbeleid en nationale rappor-tages. Ook in relatie tot het CDM speelt capaciteitsopbouw een belangrijke rol. Landen die deel willen nemen aan het CDM, moeten hiervoor voldoende infrastructuur op poten hebben gezet om projecten te toetsen en uit kunnen te voeren. De wijze waarop hieraan invulling dient te worden gegeven, vormt een belangrijk agendapunt voor CoP-6.

Onderwerpen uit het Kyoto Protocol

Partijen zijn verplicht om voor het bereiken van hun reductieverplichtingen gebruik te maken van natio-naal beleid en maatregelen (op het terrein van energie-efficiëntie, CO2 vastlegging (sinks), duur-zame energie, opheffen van marktimperfecties en overige broei-kasgassen). Er is discussie over de vraag in hoeverre deze verplichting tot natio-naal beleid gekwantificeerd dient te worden.

De Kyoto-mechanismen maken het mogelijk om in het buiten-land gere-ali-seer-de emissie-reducties en emissie-eenhe-den te gebrui-ken voor het halen van de natio-nale Kyoto-doelstel-ling. De in het Proto-col genoem-de me-chanismen zijn Joint Imple-men-tation, het Clean Deve-lop-ment Me-chanism en internationale emissie-han-del. De beschrijving van de drie mechanis-men is echter nog niet volledig. In het Protocol is daarom geregeld dat de mechanismen verder uitge-werkt worden in spelre-gels.

In het Kyoto Protocol zijn monitoring- en rapportageverplichtingen opgenomen om te beoordelen of de Annex I-Partijen hun Kyoto-verplichtingen daadwerkelijk nakomen. Zo dient een nationaal systeem opgezet te worden voor de meting van de emissies per bron en de vastlegging van CO2 in sinks (jaar-lijkse emissie-inventarisaties). Naast de inventarisaties moet additionele informatie verschaft worden op basis waarvan de naleving van de verplichtingen onder het Kyoto Protocol beoordeeld kan worden.

De uitwerking van de regels omtrent monitoring en rapportage speelt een centrale rol in het te ontwik-kelen nalevingsregime voor het Kyoto Protocol. Teneinde gevallen van niet-naleving van bepalingen in het Kyoto Protocol te kunnen vaststellen en te bestrij-den worden passende en doel-treffende procedures en mechanismen ontworpen, waar-over naar verwachting op CoP-6 besloten zal worden. Hierbij speelt de vraag een rol welke sancties dienen te volgen op niet-naleving.

Met behulp van sinks (ook wel putten genoemd) worden broeikasgassen uit de atmos-feer verwijderd. Sinks kunnen zowel met bossen te maken hebben, als met vormen van landgebruik. Binnenlandse maat-regelen inzake bossen na 1990 mogen meetellen voor het behalen van de (reductie)doelstelling voor de eerste budgetperiode (2008-2012). Over additionele categorieën sinks (vormen van landgebruik) dient nog verdere inter-nationale besluitvorming plaats te vinden. Ook over de vraag of binnen het CDM projec-ten op het gebied van sinks plaats mogen vinden dient nog besloten te worden.

Toekomstige verplichtingen

Vermeldenswaard zijn verder de toekomstige verplichtingen. Het Kyoto Protocol is te beschouwen als een eerste stap op weg naar de uiteindelijke doelstelling van het Klimaatverdrag. Volgens het Klimaat-verdrag moet de hoeveelheid broeikasgassen in de atmosfeer zodanig worden beperkt, dat een gevaarlijke menselijke invloed op het klimaat wordt voorkomen. Om dat te bereiken moeten ook industrielanden verder-gaan-de doelstellingen op zich nemen en moeten ontwikkelingslanden in de toekomst ook een bijdrage gaan leveren. Ontwikkelingslanden brengen hier tegenin dat de industrie-landen eerst vooruit-gang moeten boeken met hun beleid en dat er daarna pas gepraat kan gaan worden over emissie-beperkin-gen voor ontwikkelingslanden.


4. Informatievoorziening aan Tweede Kamer over CoP-6
Zoals gebruikelijk zal ik de Tweede Kamer voorafgaand aan de zesde Conferentie der Partijen infor-meren over de Nederlandse inzet tijdens de onderhandelingen en na af-loop van de conferentie over de uitkomsten ervan.

Geannoteerde Agenda van de Milieu Raad van 22 juni a.s. te Luxemburg

Richtlijn Grote Stookinstallaties, gemeenschappelijk standpunt,

Richtlijn Nationale Emissieplafonds, oriënterend debat/gemeenschappelijk standpunt,

Klimaatverandering, raadsconclusies,

Samenwerkingskader voor duurzame ontwikkeling en stedelijk milieu, voortgangsrapportage,

Besluit inzake prioritaire stoffen waterbeleid, voortgangsrapportage,

Gemeenschapsstrategie inzake chemische stoffen, voortgangsrapportage,

Ontwerpkaderregeling Milieusteun, voortgangsrapportage en bespreking,

Diversen: a) broomhoudende brandvertragers, voortgangsrapportage,

richtlijn inzake electronisch en electrisch afval,

procedures inzake openbare aanbesteding:


-richtlijn inzake openbare aanbesteding voor goederen, diensten en arbeid,


-richtlijn inzake openbare aanbesteding in de sectoren water, energie en transport,

Commissiepresentaties,

herziening van de richtlijn inzake toegang tot Milieu-informatie, Commissiepresentatie,

kaderrichtlijn geluid, Commissiepresentatie,

participatie door Milieu-NGO's in CEN-normalisatie, interventie door Denemarken,

herziening van de richtlijn voor batterijen, interventie door Denemarken,

informatie van het Voorzitterschap over dossiers die in de codecisieprocedure zijn aanvaard.

Ad 1) Richtlijn Grote Stookinstallaties (COM 98/415)

Het Voorzitterschap hoopt ten aanzien van dit voorstel een Gemeenschappelijk Standpunt te bereiken. Het voorstel is gebaseerd op art. 175 van het Verdrag (gekwalificeerde meerderheid; codecisieprocedure EP). Het EP heeft in april 1999 zijn advies afgegeven.

In het oorspronkelijke Commissievoorstel betrof de richtlijn emissie-eisen voor zwaveldioxide (SO2), stikstofoxide (NOx) en fijn stof van nieuwe stookinstallaties. De voorgestelde wijziging bevatte aangescherpte eisen voor de gas-, olie- en kolengestookte installaties die op of na 1 januari 2000 worden gebouwd, maar liet verder de structuur van de huidige Richtlijn Grote Stookinstallaties intact, inclusief de nationale plafonds/reductiedoelstellingen voor de bestaande installaties (van vóór 1988) en voor de installaties die zijn gebouwd in de periode 1988 tot 2000. Het betrof hier dus een aanpassing van de eisen voor nieuwe installaties aan de ontwikkeling van de stand der techniek. Wel was de werkingssfeer van de Richtlijn uitgebreid tot gasturbines.

Kernbezwaar van zowel het E.P. als ook enkele belangrijke lidstaten was dat deze richtlijn de bestaande installaties ongemoeid liet die voor 80% verantwoordelijk zijn voor de vervuiling. Tijdens de Milieuraad van december jl. heeft het toenmalige Fins Voorzitterschap een compromis gepresenteerd dat strekte tot óf bindende emissie-eisen voor de bestaande installaties opnemen óf de mogelijkheid bieden om via een nationaal plan ten minste hetzelfde resultaat te bereiken. Nederland had toen kunnen instemmen met het opnemen van eisen aan bestaande installaties via een nationale emissiereductie strategie, mits deze streng en meetbaar was. Op deze laatste 2 aspecten, 'streng en meetbaar' bleek tijdens de Raad van december geen overeenstemming mogelijk. Inmiddels beginnen zich mogelijkheden voor een compromis af te tekenen waarbij alle bovengenoemde elementen, emissie-eisen óf strenge en meetbaar nationaal plan in opgenomen zijn. Kern van het compromis is uitzondering van bestaande installaties die nog slechts een beperkte levensduur zullen hebben. Nederland kan steun geven aan pogingen van het Voorzitterschap om een compromis te formuleren inzake de Richtlijn Grote Stookinstallaties samen met de Europese Commissie.

ad 2) Richtlijn Nationale Emissieplafonds/»NEC»(COM 99 125)

De Richtlijn is gebaseerd op art. 175 van het Verdrag. Het EP heeft maart jl. advies in eerste lezing uitgebracht.

Op grond van het debat gevoerd tijdens de Milieuraad van maart hoopt het Voorzitterschap overeenstemming te kunnen bereiken over een Gemeenschappelijk Standpunt voor de richtlijn nationale emissieplafonds die verder gaat dan de plafonds overeengekomen in het kader van het UN/ECE Götenborg Protocol. Pas in een laat stadium, voorafgaand aan of zelfs tijdens de Milieuraad, zal het Voorzitterschap een nieuw voorstel doen voor plafonds voor de individuele lidstaten. Het Europees Parlement heeft in maart jl. advies in eerste lezing uitgebracht over deze richtlijn en heeft ingestemd met de plafonds zoals de Commissie zijn voorgesteld. Een amendement om in de NEC-richtlijn de plafonds van het UN/ECE Göteborg-protocol op te nemen, werd verworpen. In de discussie over de hoogte van de nationale emissieplafonds is dit een belangrijk nieuw element.

Vooruitlopend op deze nieuwe getalsmatige invulling heeft het Voorzitterschap een nieuw voorstel gedaan voor de tekst van het richtlijnvoorstel, waarin elementen uit het advies van het Europees Parlement en uit het debat van de Milieuraad van maart zijn opgenomen. Het betreft met name een betere verankering van de zgn. interim milieudoelstellingen voor 2010 door deze in de artikelen zelf en niet in een bijlage op te nemen. De interim doelstellingen komen voor wat verzuring betreft overeen met 50% reductie ('gap closure') van de overschrijding van 'critical loads' vergeleken met de situatie in 1990 (dit is een bevestiging van de doelstelling uit de Raadsconclusies over de EU-Verzuringsstrategie van 1997), en wat ozon betreft met een vermindering van de overschrijding van de grenswaarde met 2/3 in 2010 ten opzichte van 1990. Tevens is een herzieningsclausule opgenomen die bepaalt dat er in 2004 een grondige evaluatie plaatsvindt op basis waarvan de plafonds zoveel verder naar beneden kunnen worden bijgesteld dat de interim milieudoelstellingen worden gehaald.

Op grond van het debat gevoerd tijdens de Milieuraad van maart hoopt het Voorzitterschap overeenstemming te kunnen bereiken over een richtlijn nationale emissieplafonds die verder gaat dan de plafonds overeengekomen in het kader van het UN/ECE Götenborg Protocol. Pas in een laat stadium, voorafgaand aan of zelfs tijdens de Milieuraad, zal het Voorzitterschap een nieuw voorstel doen voor plafonds voor de individuele lidstaten. Vooruitlopend op deze nieuwe getalsmatige invulling heeft het Voorzitterschap een nieuw voorstel gedaan voor de tekst van het richtlijnvoorstel, waarin elementen uit het advies van het Europees Parlement en uit het debat van de Milieuraad van maart zijn opgenomen. Het betreft met name een betere verankering van de zgn. interim milieu doelstellingen voor 2010 ten aanzien van verzuring, te weten 50% reductie ('gap closure') van de overschrijding van 'critical loads' vergeleken met de situatie in 1990 (dit is een bevestiging van de doelstelling uit de Raadsconclusies over de EU-Verzuringsstrategie van 1997), en ten aanzien van ozon. Daarnaast is de herzieningsclausule uitgewerkt met voortgangsrapportages door de Commissie in 2004, 2008 en 2012. Nederland kan zich op hoofdlijnen vinden in deze tekstuele aanpassingen. Wel hecht Nederland er bijzonder aan dat ook de resultaten ten aanzien van eutrofiëring opgenomen worden onder de interim milieudoelstellingen. Ten aanzien van de hoogte van de plafonds is het Nederlands standpunt ongewijzigd. Voor de goede orde wordt in het navolgende de passages hierover uit de Geannoteerde Agenda voor de Milieuraad van december 1999 herhaald.

«In onderstaande tabel staat de vergelijking van de voorgestelde emissieplafonds (2010) in deze Richtlijn, afgezet tegen de in UN/ECE-kader voor Nederland overeengekomen emissieplafonds 2010, de bestaande NMP-3 doelen en de emissieniveau's in 1990 in 1997 voor de vier betrokken stoffen.

(in kton)

SO2

NOx

VOS

NH3

Emissies 1990


201


542


490


233

Emissies 1997


124


470


340


145

Doelstelling NMP-3 voor 2010


56


120


117


54

Emissieplafond in UN/ECE-protocol voor 2010


50


266


191


128

Voorstel emissieplafond Europese Commissie voor 2010


50


238


156


104

Tijdens het openbaar debat in de Milieuraad van oktober jl. ging de discussie over de vraag of de EU een hogere ambitie kon hebben dan het Göteborg-Protocol. Daarbij gaat het om twee samenhangende ambities. Enerzijds gaat het om de ambities ten aanzien van het bestrijden van de drie genoemde effecten (verzuring, vermesting en ozonvorming) en anderzijds, en daarmee samenhangend, om de ambities ten aanzien van de voorgestelde emissieplafonds voor de vier betrokken stoffen.

Veel lidstaten hebben grote aarzelingen zich op strengere plafonds vast te leggen dan in Göteborg. Een aantal lidstaten is wel bereid na te denken over strengere plafonds. Ook Nederland heeft de ambitie op termijn verder gaan dan Göteborg, mits dit realiseerbaar is, en mits er vergelijkbare inspanningen zijn van andere lidstaten, met name de buurlanden. De doelstelling voor NOx is voor Nederland realiseerbaar, voor VOS is in ieder geval aanvullend beleid nodig. Voor NH3 zijn strengere plafonds voor Nederland beslist niet realiseerbaar.

Belangrijkste streven t.a.v. de effecten is het zoveel mogelijk realiseren van de tussentijdse doelstelling (Raadconclusies inzake de EU-verzuringsstrategie, december 1997). Voor wat betreft de emissieplafonds kiest Nederland voor haalbare internationale resultaatsverplichtingen, dat wil zeggen dat Nederland vooralsnog niet verder kan gaan dan de doelstellingen zoals die in het Göteborg-Protocol voor Nederland zijn vastgelegd. Dit betekent overigens niet dat daarmee ook de nationale ambities (doelstellingen) zouden zijn vastgelegd. Deze ambities (inspanningsverplichtingen), die zullen worden vastgelegd in het NMP-4, zullen mogelijk verder kunnen reiken.»

Gelet op zowel de opstelling van het Europees Parlement, als de dalende beweging van andere landen, met inbegrip van onze buurlanden, zal tijdens de aanstaande Milieuraad worden bezien of, en zo ja in hoeverre, er ook voor Nederland aanleiding is om voor NOx en VOS toe te gaan naar lagere plafonds dan de Göteborg-plafonds. Dit was immers de voorwaarde in het Nederlandse standpunt om tot lagere waarden te komen.

Ad 3. Klimaatverandering

Naar aanleiding van ontwerp-raadsconclusies zal de Raad kort stilstaan bij de voorbereidingen in Gemeenschapskader van de zesde conferentie van partijen bij het klimaatverdrag (COP 6). Nederland is zowel gastland als voorzitter van deze conferentie, die in november 2000 in Den Haag wordt gehouden.

Op de conferentie moeten besluiten worden genomen die voor veel landen van essentiele betekenis worden geacht voor de bekrachtiging en daarmee de spoedige inwerkingtreding van het Kyoto Protocol. Het gaat daarbij om de nadere vormgeving van de flexibele mechanismen (joint implementation, clean development mechanism, emissiehandel), die zijn geschapen als mogelijkheid voor industrielanden om hun emissiereduktie-verplichtingen in derde landen te realiseren, een deugdelijk nalevingsregime, besluitvorming over «sinks». Daarnaast zal de relatie met ontwikkelingslanden en hun plaats in het klimaatverdrag en het Kyoto Protocol een cruciale rol spelen.

De Raad zal een balans kunnen opmaken van de bijeenkomst van de subsidiaire organen van de COP die van 12 - 16 juni in Bonn vergaderen en conclusies formuleren die nadere input vormen voor een informele ministeriele bijeenkomst op 29 juni in Warschau. Nederland blijft streven naar een Europese opstelling gebaseerd op een evenwicht tussen milieu-effectiviteit, kosten-effectiviteit en een rechtvaardige verdeling tussen participerende landen. De specficieke conclusies van de Raad zullen eerst kunnen worden geformuleerd als we kennis genomen hebben van de uitkomsten van de onderhandelingen te Bonn, in de eerste helft van juni.

Ad 4. Samenwerkingskader voor duurzame ontwikkeling en stedelijk milieu (COM 99/13558)

Aan het Besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende een communautair samenwerkingskader ter bevordering van duurzame ontwikkeling in het stedelijk milieu zal het Voorzitterschap een voortgangsrapportage wijden. Het besluit is gebaseerd op art. 175 van het Verdrag. Het EP heeft nog geen advies in eerste lezing uitgebracht.

De verontreiniging van het milieu in de steden, waarin ongeveer 80% van de Europese bevolking leeft, is een fundamenteel probleem met zowel Europese als wereldwijde gevolgen. De problemen in het stedelijk milieu worden gekenmerkt door talrijke dwarsverbindingen zoals de groeiende omvang van de steden , tekort aan groene ruimten, verkeersemissies etc. Om aan deze uitdagingen het hoofd te kunnen bieden heeft de Commissie in het rapport over duurzame stedelijk ontwikkeling en de mededeling «Actiekader voor duurzame stedelijk ontwikkeling in de Europese Unie» een eerste inventarisatie gemaakt van een aantal tekortkomingen in de tenuitvoerlegging van communautaire milieu wetgeving op lokaal niveau.

Om de tenuitvoerlegging op lokaal stedelijk niveau van de communautaire wetgeving op milieugebied te bevorderen wordt met dit voorstel een communautair samenwerkingskader opgesteld. De partners binnen dit samenwerkingskader zijn de Europese Commissie, de lokale overheden alsmede de Europese stedelijke netwerken. Het besluit is gericht op financiële steun op de volgende terreinen:

voorlichting over duurzame stedelijke ontwikkeling en de lokale Agenda
21, met inbegrip van de ontwikkeling en verspreiding van goede praktijken

samenwerking op Europees niveau tussen de bij de duurzame stedelijk ontwikkeling en de lokale Agenda 21 betrokken partners.

begeleidende maatregelen, zoals het analyseren en volgen van werkzaamheden op het gebied van duurzame stedelijke ontwikkeling.

Achterliggende beleidsdoelstellingen richten zich op het beter informeren van plaatselijke overheden en andere stedelijke betrokkenen, creëren van partnerschappen, bevorderen van beleidsintegratie en synergie binnen en tussen bestuursniveaus, bevorderen van innovatieve benaderingen en in kaart brengen van de complete stedelijke problematiek. Tot 2004 is het budget hiervoor 12,4 miljoen Euro.

Nederland is op hoofdlijnen positief over het voorstel. Aandacht voor de verschillen tussen de Europese lidstaten en steden onderling in hun activiteiten en ontwikkeling op het gebied van duurzame stedelijke ontwikkeling zou wel een gewenste aanvulling zijn zowel wat betreft de Lokale agenda 21 als de organisatie in de afzonderlijke steden. Tijdens de informele milieuraad in Oporto, waarover u separaat een verslag heeft ontvangen is dit voorstel tevens aan de orde geweest. Tijdens deze informele milieuraad heb ik met name het belang van een geïntegreerde benadering benadrukt.
Ad 5) Besluit inzake prioritaire stoffen waterbeleid (COM2000/ 47)
De lijst zal als annex worden toegevoegd bij de Kaderrichtlijn Water. Net als de toekomstige Kaderrichtlijn is de juridische basis voor deze beschikking artikel 175, lid 1, van het Verdrag. Het Voorzitterschap zal aan dit onderwerp een Voortgangsbespreking wijden. Het advies van het EP in eerste lezing is nog niet beschikbaar.

Op grond van art. 16 van (het voorstel voor) de Kaderrichtlijn Water heeft de Commissie een voorstel ingediend voor een lijst met prioritaire stoffen. Deze lijst, die gebaseerd moet worden op de risico's voor het aquatisch ecosysteem en de gezondheid van de mens via het aquatisch milieu, vervangt de bestaande lijst in richtlijn
76/464.

Voor de prioritaire stoffen moet een gecombineerde aanpak worden gevolgd. Dit houdt in dat geharmoniseerde Europese waterkwaliteitsdoelstellingen en emissiebeperkende maatregelen voor deze stoffen moeten worden uitgewerkt.

Na bespreking van een eerste selectie met experts heeft de Commissie deze herzien en is zij gekomen met de in het voorstel opgenomen lijst van 32 stoffen en stofgroepen.

De lijst met prioriteitstoffen zal een belangrijke rol spelen bij de toekomstige regulering voor de bescherming van de communautaire wateren.

Nederland verwelkomt het initiatief van de Commissie om bepaalde stoffen die schadelijk zijn voor het aquatisch milieu en de gezondheid van de mens via het aquatisch milieu met prioriteit aan te pakken. Het voorstel is relatief snel tot stand gekomen na goed overleg met experts. Verder geeft het voorstel een duidelijk overzicht van de procedures die gevolgd zijn en de keuzen die gemaakt zijn om tot een lijst te komen. Voor een beperkt aantal stoffen ontbreekt vooralsnog een geharmoniseerde analysemethode.Nederland wil voorstellen deze stoffen voorlopig op een aparte lijst met «aandachtstoffen» te plaatsen. Verder wordt het ontbreken van koper op de lijst als een omissie gezien (ook in Rijnkader wordt koper als algemene probleemstof erkend). Tenslotte wil Nederland pleiten voor een procedure om een stof weer van de lijst te halen, wanneer blijkens monitoringsgegevens deze stof EU-breed geen probleem meer is. De afgevoerde stoffen zouden dan met een lagere frequentie gemeten kunnen worden. Voor enkele stoffen die nu op de lijst staan (o.a. bestrijdingsmiddelen en benzeen), is het niet zinvol en wenselijk te streven naar een nul-emissie.

Ad 6) Gemeenschapsstrategie inzake chemische stoffen

De Commissie zal aan dit onderwerp een voortgangsrapportage wijden. In vervolg op een aantal eerdere Raadsbesprekingen, de Informele Raad in Chester van april 1998, de Raad van december 1998 en de Informele Raad in Weimar van april van 1999, heeft de MilieuRaad van juni 1999 door middel van Raadsconclusies besloten tot een herziening van het EU Chemische Stoffenbeleid. De Commissie heeft bij deze gelegenheid toegezegd om hierover niet later dan eind 2000 een Mededeling te presenteren.

In de Raadsconclusies over dit onderwerp van juni 1999 zijn de uitgangspunten neergelegd voor de herziening. Deze uitgangspunten betreffen onder meer:

het vergroten van de verantwoordelijkheid van producenten, importeurs en industriële gebruikers voor risico-analyses en het beschikbaar stellen van informatie,

meer flexibiliteit met het oog op prioriteitstelling voor risico-analyses,

toepassing van het voorzorgsbeginsel en van substitutie met minder gevaarlijke stoffen,

in bepaalde gevallen mogelijkheden voor risicobeheersing op basis van de schadelijkheidskarakterisering

betere informatievoorziening aan het publiek en

een controlerende functie voor de overheid.

Voorts heeft de Raad bevestigd dat zij de nationale inspanningen voor het lopende bestaande stoffen programma in de interim periode willen handhaven en zonodig intensiveren.

De Commissie onderzoekt op dit moment verschillende opties om aan de herziening van het chemische stoffenbeleid vorm te geven en zal hierover rapporteren aan de Raad. Op het moment van dit schrijven zijn nog geen documenten hierover beschikbaar.

Kernelementen voor Nederland in de herziening blijven het voorzorgsbeginsel, een integrale aanpak, een duidelijke verantwoordelijkheid voor de veiligheid in gebruik en toepassing bij de fabrikant, met uiteraard een controlerende taak voor de overheid, een goede prioriteitstelling bij de selectieve toepassing van risico-analyses; en handhaving van het huidige programma in de interimperiode.
Ad 7) Ontwerpkaderregeling Milieusteun De Commissie is op grond van het EG-Verdrag (art. 87 en 88) bevoegd «beleidsregels»op te stellen, waaraan de staatssteunmaatregelen van de lidstaten worden getoetst. De «Kaderregeling staatssteun voor het milieu» is zo'n beleidsregel. De lidstaten worden in deze procedure slechts geconsulteerd. Het is de bedoeling dat de nieuwe kaderregeling met ingang van 1 januari 2001 in werking treedt. Het Voorzitterschap wil aan dit onderwerp een gedachtenwisseling wijden tijdens de komende Raad. In het nieuwe ontwerp-Milieusteunkader stelt de Commissie vast onder welke voorwaarden steunmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn om de bescherming van het milieu en de duurzame ontwikkeling veilig te stellen. Het kader gaat er van uit dat steunverlening door de lidstaten een correcte prijsstelling en de volledige verwerking van de milieukosten in de kostprijs niet in de weg mag staan. Hoofdpunten: Steunverlening voor investeringen om bedrijven zich te laten aanpassen aan bestaande of nieuwe technische normen van de EU is niet langer toegestaan; Steunverlening tot 30% van de voor steun in aanmerking komende investeringskosten mag als daardoor een hoger beschermingsniveau wordt bereikt dan vereist is volgens de communautaire normen; Alleen extra initiële investeringskosten die noodzakelijk zijn voor het verwezenlijken van de milieudoeleinden komen voor steun in aanmerking; veelal moeten van de totale investeringskosten worden afgetrokken de netto kostenbesparingen (berekend over de gebruiksduur van de investering) en een correctie worden toegepast voor capaciteitsuitbreiding en mogelijke gunstige bijprodukten; Alleen investeringssteun voor het stimuleren van duurzame energie op het gebied van de fotovoltaísche energie, windenergie en energie uit biomassa kunnen tot 40% van de voor steun in aanmerking komende kosten in aanmerking komen; Steun voor sanering van vervuilde industrieterreinen als de vervuiler niet aansprakelijk kan worden gesteld mag slechts tot 30% van de voor steun in aanmerking komende kosten; Exploitatiesteun wordt in beginsel niet toegestaan behalve als het gaat om steun voor het beheer van niet-industrieel afval en steun op energiegebied; Exploitatiesteun in de vorm van belastingvermindering of -vrijstelling en ten behoeve van duurzame energiebronnen is slechts mogelijk in twee gevallen; voor degressieve steun is de duur beperkt tot vijf jaar en voor niet-degressieve steun kan de duur vijf jaar bedragen maar is de intensiteit beperkt tot maximaal 50% van de voor steun in aanmerking komende kosten; Toekenning van verhandelbare emissierechten kan steun inhouden en moet volgens doorzichtige, niet-discriminerende procedures verlopen waarbij dezelfde toekenningsvoorwaarden voor alle ondernemingen gelden; Steun voor een bedrag van meer dan 5 miljoen euro moet apart bij de Commissie gemeld worden, ook al is de maatregel al eerder door de Commissie goedgekeurd; Vóór 31 juli 2001 moeten alle bestaande en door de Commissie goedgekeurde steunmaatregelen van de lidstaten zijn aangepast aan dit nieuwe kader. Wat Nederland betreft worden de milieubelangen niet goed geïntegreerd in de mededingingsbelangen, hoewel dat volgens art. 6 EG-Verdrag wel een opdracht is. Het nieuwe ontwerp Milieusteunkader lijkt de vergroening van het belastingstelsel, de energiebesparing, de toepassing van een stelsel van verhandelbare emissierechten en de nationale aanpak van de (historische) bodemverontreinigingsproblematiek te belemmeren. Nederland zal te berde brengen dat, aangezien de Commissie de duur en intensiteit van de steunverlening wenst te beperken, het lidstaten moeilijk gemaakt wordt te werken aan de vergroening van de belasting op energie en de verwezenlijking van de Kyoto doelstellingen. Inmiddels is het ontwerp ambtelijk besproken (Multilateraal Steunoverleg), hierbij leek de Europese Commissie gevoelig voor de Nederlandse kritiek. Een nieuwe ontwerp tekst wordt dan ook op korte termijn verwacht. Ad 8) Diversen: a) broomhoudende brandvertragers, voortgangsrapportage Na eerdere besprekingen van dit onderwerp tijdens de Milieuraden van december en maart jl. zal de Commissie voortgang melden ten aanzien van dit onderwerp. Drie PBBs (Penta-, Octa-, en Deca Bromo Diphenyl Ether, afgekort resp. PBDPO, OBDPO en DBDPO) zijn als prioritaire stoffen opgenomen in het EU bestaande stoffen programma (de Bestaande Stoffen Verordening 93/793/EG) voor het opstellen van een risicobeoordeling en, als daartoe aanleiding bestaat, het voorbereiden van een strategie voor risicoreducerende maatregelen). Voor PDBPO is de risicobeoordeling nagenoeg afgerond. De conclusie tendeert naar ernstig risico waarvoor maatregelen geïndiceerd zijn. Er is een redelijk vermoeden dat de risico's voor OBDPO en DBDPO veel geringer zullen zijn, het wachten is op de definitieve rapporten. Naar verwachting zal de Commissie niet alleen voortgang melden ten aanzien van de risicobeoordelingen maartevens maatregelen aankondigen. Nederland hecht aan een spoedige uitfasering van risicovolle stoffen. b) richtlijn inzake electronisch en en electrisch afval Naar analogie van de richtlijn autowrakken werkt de Commissie op dit moment aan een voorstel voor electronisch en electrisch afval. Naar verwachting zal het voorstel elementen bevatten als een terugnamesysteem met doelstellingen, hergebruiksdoelstellingen voor producenten en een verbod op het gebruik van bepaalde stoffen (bijvoorbeeld sommige broomhoudende brandvertragers) in produkten. Nederland heeft reeds een nationaal goed uitgewerkt terugnamesysteem voor deze vormen van afval. Indien dit voorstel binnen de Commissie tot besluitvorming heeft geleid zal de Commissie een presentatie geven. c) procedures inzake openbare aanbesteding: - richtlijn inzake openbare aanbesteding voor goederen, diensten en arbeid, - richtlijn inzake openbare aanbesteding in de sectoren water, energie en transport Begin mei heeft de Commissie een tweetal richtlijnvoorstellen inzake openbare aanbesteding aanvaard. Deze voorstellen zijn ook reeds gepresenteerd in de Interne Markt raad van mei jl. In de richtlijnen wordt 'milieu' als criterium aangedragen bij de besluitvorming over aankopen. Naar verwachting kunnen deze richtlijnen een belangrijke bijdrage leveren aan de vergroening van het (overheids-) aankoopbeleid. De Commissie zal een nadere toelichting geven. d) herziening van de richtlijn inzake toegang tot Milieu-informatie

De richtlijn inzake toegang tot milieu-informatie uit 1990 bevat een evaluatie en herzieningsclausule. Alle lidstaten hebben rapporten ingediend die de basis vormen van de evaluatie. Daarnaast heeft de Commissie, namens de Gemeenschap, het Aarhus Verdrag, inzake de toegang tot milieu-informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter in milieu-aangelegenheden ondertekend. Dit Verdrag dient dan ook in Gemeenschapsrecht te worden omgezet. Een en ander vormt dan ook de aanleiding tot de herziening van onderhavige richtlijn. Het herzieningsvoorstel is op moment van dit schrijven nog niet vastgesteld. Indien vaststelling voorafgaand aan de Milieuraad plaats zal hebben dan zal de Commissie hiervan een presentatie geven. Nederland verwelkomt de omzetting van het Aarhus Verdrag in Gemeenschapsrecht.

e) Kaderrichtlijn geluid

Op grond van het enkele jaren geleden verschenen Groenboek Geluid werkt de Commissie op dit moment aan een Kaderrichtlijn Geluid. Over de inhoud van deze kaderrichtlijn is nog niets bekend. Indien de Commissie besluitvorming over dit voorstel voorafgaand aan de Milieuraad heeft afgerond zal een presentatie plaatsvinden.

participatie door Milieu-NGO's in normalisatie

Op verzoek van Denemarken wordt dit punt aan de orde gesteld: recent heeft het Europees Milieubureau (EEB) bekend gemaakt uit de besluitvorming inzake de Europese normalisatie te stappen. Het EEB vind dat het aandeel van milieu-NGO's onevenredig (gering) is in de procedure en in verhouding tot andere partijen.

g) herziening van de richtlijn voor batterijen

Tevens op verzoek van Denemarken zal de herziening van de richtlijn voor batterijen aan de orde worden gesteld. Deze richtlijn, die uit
1991 dateert, vereist van de lidstaten dat ze afvalbeheersplannen opstellen voor batterijen en dat de hoeveelheid zware metalen in batterijen wordt gereduceerd. Daarnaast dienen consumenten op de hoogte te worden gebracht van ongecontroleerde verwijdering en van de wijze waarop batterijen dienen te worden verwijderd.
h) informatie van het Voorzitterschap over dossiers die in de codecisieprocedure zijn aanvaard

In de eerste helft van 2000 zijn de volgende milieudossiers in de codecisieprocedure aanvaard:

I. besluit inzake monitoring CO2 emissies,

II. richtlijn inzake emissie-eisen aan tractoren,

III. richtlijn geluidseisen aan machines buitenshuis,

IV. herziening verordening inzake milieukeur,

V. herziening ozon verordening,

VI. herziening LIFE verordening en

VII. de richtlijn autowrakken.

Ten aanzien van de eerste 3 dossiers zijn de Gemeenschappelijke Standpunten op hoofdlijnen overgenomen. Ten aanzien van de laatste 4 dossiers zijn in de codecisie procedure wezenlijke aanscherpingen opgetreden ten opzichte van het Gemeenschappelijk Standpunt in de onderhandeling tussen het EP en de Raad.

In de Verordening Milieukeur is nu geregeld dat als een nationaal en EU milieukeur worden gevoerd op een produkt, deze naast elkaar mogen staan. In de herziening van de ozon verordening heeft een aanscherping plaatsgevonden ten aanzien van de uitfasering van HCFK's. Het budget voor LIFE is opgehoogd van 614 MEURO naar 640 MEURO. Ten aanzien van de richtlijn Autowrakken gaat de financiële verantwoordelijkheid voor producenten en importeurs voor de inzameling en verwerking van auto's die voor de inwerkingtreding van de richtlijn op de markt zijn gebracht in op 1 januari 2007 (dit was 2006). Maar lidstaten hebben het recht gekregen om de verplichtingen nu reeds te implementeren. Verder vallen historische voertuigen buiten de reikwijdte van de richtlijn. Ook heeft het EP bedongen dat lidstaten maatregelen zullen nemen om er voor zorg te dragen dat het bedrijfsleven inzamelsystemen opzet voor onderdelen die vrijkomen bij reparatie. Op het gebied van zware metalen is door de Commissie toegezegd dat een aantal omstreden gevallen met spoed nader zullen worden bekeken. Dit kan eventueel tot een aanpassing in een bijlage komen.

De Kaderrichtlijn Water wordt op moment van dit schrijven nog besproken in de conciliatie.

Bijlagen niet elektronisch beschikbaar

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie