Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Economische Zaken over stand van zaken luchtvaartcluster

Datum nieuwsfeit: 19-06-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief EZ inz stand van zaken luchtvaartcluster
Gemaakt: 21-6-2000 tijd: 15:53


2


25820 Nederlandse luchtvaartcluster

Nr. 9 Brief van de minister van Economische Zaken

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 juni 2000

Op 19 april 1999 heb ik u schriftelijk geïnformeerd over de voortgang van het beleid rondom de luchtvaartcluster (Kamerstukken II 1998/99,
25 820, nr. 4) in aansluiting op het 'Regeringsstandpunt met betrekking tot de herstructurering en stimulering van de Nederlandse luchtvaartcluster' d.d. 15-01-1998 (Kamerstukken II 1997/98, 25 820, nr. 1). Die rapportage heb ik op 2 juli 1999 met u besproken. Op 15 maart jl. heeft u mij verzocht een brief te sturen over de Nederlandse vliegtuigindustrie.

In deze brief informeer ik u over de huidige stand van zaken rondom de luchtvaartcluster. Ik kan niet anders dan concluderen dat het twee jaar geleden ingezette beleid zijn vruchten afwerpt.

De luchtvaartcluster bestaat uit vliegtuiggebruikers, maakindustrie, onderhoudsbedrijven en kennisinfrastructuur, waarbij de kennis van de vliegtuigbouw het verbindende element in deze cluster vormt. De industriële activiteiten in de luchtvaartcluster kennen een relatief hoog kennisniveau. Het beleid aangegeven in het Regeringsstandpunt Luchtvaartcluster beoogt door het stimuleren van innovatieve activiteiten en bevorderen van samenwerking, te bewerkstelligen dat in Nederland economische activiteiten met een zo hoog mogelijke toegevoegde waarde plaatsvinden.

De maakindustrie in de luchtvaartcluster maakt goede kans om op basis van bedrijfseconomische criteria op de Europese (en zelfs mondiale) markt te slagen indien het aansluiting kan vinden bij internationale vliegtuigontwikkelingsprogramma's. Middels innovatieve technologieën voor nieuw te ontwikkelen vliegtuigen kunnen de ondernemingen die aansluiting verkrijgen. Daarvoor is wel samenwerking met en ondersteuning door de kennisinfrastructuur onontbeerlijk. Specifiek voor ondernemingen in de luchtvaartcluster geldt dat de Onderzoek & Ontwikkeling fase kostbaar is en lang duurt, terwijl de terugverdientijden op de uiteindelijke productie ten opzichte van andere industriële sectoren extreem lang zijn (15 tot 20 jaar). Steun hierbij vanuit de overheid, binnen de internationale regels, ligt om die redenen voor de hand temeer daar dit elders ook geschiedt.

In 1997 zijn, zoals aangegeven in het Regeringsstandpunt Luchtvaartcluster, twee internationale
vliegtuigontwikkelingsprogramma's als meest veelbelovende kansen voor de Nederlandse maakindustrie geïdentificeerd, namelijk het Airbus-programma en een programma gericht op een potentiële opvolger van de F-16, de Joint Strike Fighter (JSF). Richting beide programma's is goede voortgang geboekt en is sprake van concrete successen op het industriële vlak.

Ik zal kort ingaan op de recente ontwikkelingen in zowel het civiele als het militaire deel van de luchtvaartcluster. Verder zal ik nader ingaan op de samenwerking binnen de kennisinfrastructuur, de wijzigingen bij het NIVR en een doorkijkje geven naar de nabije toekomst.

Civiele vliegtuigontwikkeling

In het Airbus-programma hebben de maakindustrie en de kennisinstituten een perspectiefvolle positie bereikt.


- Glare

In december 1999 is door Airbus het in Nederland ontwikkelde en gepatenteerde materiaal Glare voor de bovenste helft van de romp van de A3XX geselecteerd. In nauwe samenwerking tussen de industrie en de kennisinfrastructuur (Stork/Fokker Aerostructures, TU Delft/faculteit Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek, Nationaal Lucht- en Ruimtevaart laboratorium (NLR)) en in afstemming met Airbus-partner DASA wordt een onderzoeksprogramma uitgevoerd om Airbus vertrouwen te geven in het nieuwe materiaal en de gewichtsbesparingen en grotere veiligheid die dankzij Glare kunnen worden bereikt. Binnen Airbus wordt nu gekeken naar de mogelijkheden van bredere toepassing van Glare in de A3XX. Ook buiten Airbus bestaat steeds meer belangstelling voor Glare. In goed overleg tussen alle betrokkenen wordt bekeken wat de beste strategie is om zoveel mogelijk economische activiteiten rondom Glare, ook buiten de luchtvaart, in Nederland te laten neerslaan.


- Airbus

Op 14 april jl. heeft de Nederlandse industrie, vertegenwoordigd door Stork, een framework agreement met Airbus getekend waarin zij aangeven voor een werkpakket van ca. 2,5% risicodragend te willen meedoen in de ontwikkeling en productie van de A3XX. Het mogelijke Glare-pakket maakt hiervan geen deel uit omdat dit onderwerp is van separate onderhandelingen. Thans vindt met de afzonderlijke partners onderhandeling plaats over de zogenoemde 'supplemental framework agreements'. In deze documenten zullen de geambieerde werkpakketten worden aangegeven, waarvoor een 'preferred supplier' status van toepassing zal zijn.

Ook voor andere vliegtuigen, niet alleen van Airbus, is het Nederlandse ondernemingen reeds gelukt deelname te verkrijgen in de ontwikkeling en daarop volgende productie van vliegtuigonderdelen. In de bijlage zijn voorbeelden hiervan te vinden.


- Besluit subsidie civiele vliegtuigontwikkeling
Ter ondersteuning van de luchtvaartcluster in de Onderzoek & Ontwikkeling fase is op


18 mei 2000 het Besluit subsidies civiele vliegtuigontwikkeling (CVO) in het Staatsblad gepubliceerd (Staatsblad 2000, 206). In mijn brief van 20 juli
1999 (Kamerstukken II 1998/99, 25 829, nr. 6) heb ik u reeds eerder geïnformeerd over dit voorgenomen Besluit. In lijn met de Awb en de Kaderwet EZ-subsidies zijn in enkele zeer dringende gevallen de mogelijkheden benut voor subsidiëring vooruitlopend op de inwerkingtreding van het Besluit. Zie hiervoor ook mijn brief van 7 april jl. (Kamerstukken II 1999/2000, 25 820, nr. 8).

In totaal is reeds NLG 80 miljoen ingezet voor het uitvoeren van een basisonderzoek programma en het subsidiëren van diverse onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten. In totaal betreft het meer dan 35 projecten. Een overzicht van deze projecten is te vinden in de bijlage. Mede door deze projecten is bewerkstelligd dat ondernemingen en instituten uit de luchtvaartcluster zich een perspectiefvolle positie bij Airbus, maar ook bij andere internationale vliegtuigontwikkelingsprogramma's hebben verworven. Duidelijk is dat er internationaal belangstelling bestaat voor de technologieën die de Nederlandse luchtvaartcluster aan het ontwikkelen is en reeds te bieden heeft. De Nederlandse ondernemingen kunnen die technologieën concurrerend aanbieden maar dit vereist een continu proces van innovatie.


- Cijfers omzet en werkgelegenheid

Cijfers omtrent de luchtvaartgerelateerde omzet en werkgelegenheid in de luchtvaartcluster bevestigen de positieve ontwikkeling. De cijfers betreffen alleen de directe omzet van de maakindustrie met eigen ontwikkelingscapaciteit, niet de omzet bij de toeleveranciers. De luchtvaartgerelateerde omzet van de maakindustrie is gestegen van NLG
918 miljoen in 1996 naar NLG 1.285 miljoen in 1998 terwijl de werkgelegenheid steeg van 3.188 vte's in 1996 naar 3.983 vte's in
1998.

Bij de kennisinfrastructuur en ingenieursbureaus steeg de direct hieraan gerelateerde omzet van NLG 121 miljoen in 1996 naar NLG 148 miljoen in 1998 terwijl de werkgelegenheid steeg van 783 vte's in 1996 naar 893 vte's in 1998.

Militaire vliegtuigontwikkeling

In mijn brief van 13 september 1999 (Kamerstukken II 1998/99, 25 820, nr. 7) heb ik u geïnformeerd over de stand van zaken rondom de Subsidieregeling Demonstratie- en Technologieontwikkelingsprojecten JSF. Daarbij heb ik u ook geïnformeerd over de verhoging van het budget voor de subsidieregeling van NLG 150 miljoen naar

NLG 180 miljoen.

Deze regeling biedt Nederlandse bedrijven en kennisinstituten de mogelijkheid zich te kwalificeren voor eventuele deelname in de ontwikkelingsfase (EMD-fase) en productiefase van de JSF. Dit heeft er toe geleid dat, na een aanvankelijke zekere terughoudendheid van Amerikaanse zijde, Nederlandse ondernemingen en instituten een zodanige positie hebben opgebouwd dat ze naar verwachting in de offertes van beide primes zullen worden meegenomen. Momenteel wordt nog langs verschillende sporen onderzoek gedaan naar de vervanging van de F-16. Deelname aan de EMD is een van de mogelijkheden. Politieke besluitvorming daarover is niet eerder dan in het tweede kwartaal van 2001 te verwachten. Recent is in JSF-kader een overeenkomst tussen Stork en Lockheed ondertekend.

Tevens kan worden geconstateerd dat ook dankzij deze regeling duurzame samenwerkingsverbanden tussen bedrijven onderling en tussen bedrijven en instituten tot stand komen. De nu reeds lopende projecten hebben al tot Amerikaanse opdrachten buiten JSF geleid. De kennisinstituten ontvangen rechtstreeks opdrachten van Amerikaanse bedrijven. Aan Amerikaanse zijde is gesteld dat men zonder het

JSF-kwalificatieprogramma er niet of minder snel aan gedacht zou hebben om Nederlandse bedrijven bij die programma's te betrekken.

In het kader van de JSF-regeling zijn 40 voorstellen reeds gehonoreerd en bevinden 6 voorstellen zich in de fase van formele goedkeuring. De 46 voorstellen vragen een budgetbeslag van ruim NLG 187,7 miljoen waarvan NLG
169,3 miljoen reeds formeel is toegezegd. In de bijlage wordt een overzicht van de aard van deze 46 projectvoorstellen gegeven. Voor de in totaal 46 voorstellen is voorlopig geraamd, onder een groot aantal aannames zoals genoemd in mijn brief van 13 september 1999, dat de mogelijk in de toekomst in de productiefase van de JSF te behalen omzet tussen de ca. NLG 6 miljard en ca. NLG 10 miljard ligt.


- Ophoging JSF-budget

Thans liggen voor de JSF-regeling, aanvullend op de genoemde 46 projectvoorstellen, nog tien projectvoorstellen voor die zeker industriële potentie hebben. Evenals voor een deel van de zich nog in de fase van formele goedkeuring bevindende projectvoorstellen is voor die tien voorstellen niet meer voldoende budget aanwezig om ze te honoreren. Ik heb dan ook besloten het budget voor de JSF-subsidieregeling voor een laatste maal te verhogen en wel met NLG 20 miljoen naar NLG 200 miljoen om nog een aantal interessante voorstellen uit de nog voorliggende projectvoorstellen te kunnen honoreren. Daarmee kom ik uit op de NLG 200 miljoen die oorspronkelijk in het Regeringsstandpunt Luchtvaartcluster werd genoemd.

Ik ben voornemens om over twee weken deze ophoging van het budget voor de

JSF-subsidieregeling in de Staatscourant te publiceren.

Ik acht het gerechtvaardigd additioneel NLG 20 miljoen budgetruimte beschikbaar te stellen omdat de uit de te honoreren projectvoorstellen voortvloeiende eventueel in de productiefase haalbare omzet, onder de eerder genoemde aannames, geraamd wordt op tenminste ca. NLG 1,5 miljard.

De extra NLG 20 miljoen komt ten laste van begrotingsartikel 0208: 'Bevordering van de Vliegtuigindustrie en Ruimtevaart'.


- Samenhang militaire en civiele vliegtuigontwikkeling
In het kader van de JSF-regeling ontwikkelde technologie is vaak op de langere termijn ook interessant voor de civiele vliegtuigontwikkeling, voor zover het niet technologie betreft die alleen een specifiek militaire toepassing kent. De JSF-projecten onderhouden en versterken de algemene basiskennis en kunde in Nederland op het gebied van vliegtuigbouw.

Voor de langere termijn biedt alleen het participeren in meerdere internationale vliegtuigontwikkelingsprogramma's, militair dan wel civiel, voldoende schaaleffect voor Nederlandse ondernemingen om concurrerend te kunnen aanbieden.

Kennisinfrastructuur

Op zowel civiel als militair gebied is de samenwerking tussen ondernemingen en de kennisinfrastructuur binnen de luchtvaartcluster van groot belang. Het blijkt nog steeds zo te zijn dat kennis - en daarmee de kennisinfrastructuur
- de bindende factor in de luchtvaartcluster vormt. Dat deze samenwerking goed tot stand komt, blijkt uit het grote aantal projecten dat gezamenlijk door ondernemingen en instituten wordt uitgevoerd. Het voortzetten van het basis research programma van het NIVR bevordert dat de kennisinfrastructuur op gerichte, voor de maakindustrie in de luchtvaartcluster van belang zijnde, onderwerpen onderzoek verricht. Dit betreft onder andere onderzoek ten behoeve van Glare.

Regelmatig vindt overleg plaats tussen de maakindustrie en de kennisinfrastructuur over mogelijkheden voor participatie in het 5e Kader Programma van de Europese Unie.

Op het gebied van scholing lukt het de faculteit Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek van de TU Delft om een groeiend aantal studenten te trekken. De afstudeerders van deze faculteit vinden gemakkelijk een baan en zijn ook in het buitenland zeer gewild. De goede reputatie van de faculteit blijkt ook uit de bijzondere band die met Boeing is opgebouwd.

Mede op basis van een compensatieverplichting van Boeing uit hoofde van de aanschaf van de Apache-helicopter heeft Boeing 100 stageplaatsen (in principe voor de duur van 3 maanden) beschikbaar gesteld voor de faculteit Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek. Dit verzekert beide partijen nu en in de komende jaren van een vruchtbare samenwerking.

NIVR

In mijn brief van 19 april 1999 heb ik u reeds geïnformeerd over wijzigingen bij de Stichting Nederlandse Instituut voor vliegtuigontwikkeling en Ruimtevaart (NIVR) in aansluiting op de veranderingen in de luchtvaartcluster.

Inmiddels zijn op 28 september 1999 de statuten van het NIVR aangepast en is op diezelfde datum een bestuur 'nieuwe stijl' benoemd. Daarbij is rekening gehouden met de resultaten van een eerder door een extern bureau uitgevoerde studie. Tevens is de relatie tussen de Staat en het NIVR verzakelijkt middels een aangepast stelsel van overeenkomsten.

Per 1 april 2000 is de heer B. Droste, voormalig bevelhebber van de Nederlandse Luchtstrijdkrachten, aangetreden als voorzitter van het NIVR. Onder zijn leiding zal de interne reorganisatie van het NIVR worden afgerond.

Onder leiding van de nieuwe voorzitter zal ook op korte termijn een Raad van Advies bij het NIVR worden ingesteld. Ik verwacht in de tweede helft van dit jaar adviezen aangaande ontwikkelingen rondom de luchtvaartcluster en aangaande de ruimtevaart.

In 1999 heeft het NIVR reeds de uitvoering van de JSF-regeling op zich genomen. Het NIVR zal ook de uitvoering van het Besluit subsidies civiele vliegtuigontwikkeling ter hand nemen.

Doorkijk naar de nabije toekomst

Civiele vliegtuigontwikkeling

Gezien de huidige planning van Airbus Industries wordt in de zomer van 2000 een besluit verwacht over de 'Authority to Offer' voor de A3XX. Indien een onconditioneel positief besluit wordt genomen betekent dit dat de ontwikkelingsactiviteiten voor de A3XX geïntensiveerd moeten worden om de start van de productie van onderdelen vanaf 2002 mogelijk te maken. Het eerste vliegtuig zal in dat scenario op z'n vroegst in oktober 2005 van de band rollen. In dat geval zal het ook nodig zijn om de voor de civiele luchtvaartcluster gereserveerde middelen naar voren te halen in mijn begroting. De verwachte uitkering vanuit de Fokker-boedel aan het NIVR zou mogelijkheden kunnen bieden om middelen naar voren te halen en toch in latere jaren conform het regeringsstandpunt Luchtvaartcluster een structureel bedrag ten behoeve van civiele vliegtuigontwikkeling op mijn begroting te handhaven.

Momenteel praat Airbus Industries met verschillende klanten om de interesse voor een zo groot vliegtuig als de A3XX nogmaals in kaart te brengen. Dit leidt tot gevarieerde berichtgeving in de pers over de marktkansen van de A3XX waarbij ook concurrent Boeing zich duidelijk laat horen. Momenteel is nog onduidelijk wat het door Airbus Industries te nemen besluit zal inhouden. Tegelijk voeren de Airbus partners intensief overleg over de locatie van de samenbouw van de A3XX (Hamburg of Toulouse) en de daaraan verbonden werkverdeling en lijkt het dat zij daarin nu echt voortgang boeken.

Gezien de onzekerheden oriënteren Nederlandse bedrijven en instituten zich breder op kansrijke internationale vliegtuigontwikkelingsprogramma's, vooralsnog met name bij Airbus. Airbus Industries beraadt zich momenteel bijvoorbeeld op een opvolger van de A300. Over de ontwikkeling van dit vliegtuig wordt ook rond de zomer een besluit verwacht en ook dit vliegtuig biedt kansen voor de Nederlandse luchtvaartcluster.

In het najaar zullen op basis van de door Airbus te nemen besluiten ook de kansen voor de Nederlandse luchtvaartcluster op aansluiting bij andere vliegtuigontwikkelings-programma's worden bezien. Rond die tijd verwacht ik ook een advies van de Raad van Advies van het NIVR over ontwikkelingen rondom de luchtvaartcluster.


- Militaire vliegtuigontwikkeling

Naast de door de overheid ondersteunde activiteiten van bedrijven en instituten om zich te kwalificeren voor de ontwikkelingsfase (EMD-fase) en productie van de JSF vinden er ook op een ander vlak de nodige activiteiten door de overheid plaats die te maken hebben met de F-16 opvolging.

Op 15 maart 2000 zond de Staatssecretaris van Defensie aan de Voorzitters van de Vaste Kamercommissies voor Defensie en Economische Zaken een basisdocument inzake het project vervanging F-16 (Kamerstukken II 1999/2000,
26 488, nr. 3). De stand van zaken met betrekking tot de evaluatie van de mogelijke vervangers van de F-16, waaronder de JSF, is daarin weergegeven. Zoals de staatssecretaris in zijn begeleidende brief bij het basisdocument aangeeft, wordt beoogd eind 2000 de Kamercommissies zo volledig mogelijk te informeren over de voortgang van het vervangingsproject. De besluiten die vervolgens worden genomen, zullen van invloed zijn op de mogelijkheden van de industrie om daadwerkelijk te kunnen participeren in het JSF-programma.
Medio 2000 moeten de beide potentiële hoofdaannemers (Boeing en Lockheed-Martin) hun offerte indienen voor de JSF. Daarna zullen beide concepten uitgebreid beproefd worden. De selectie van de hoofdaannemer is voorzien voor medio 2001.

Minister van Economische Zaken

A. Jorritsma-Lebbink

Bijlage

Bijlage civiele vliegtuigontwikkeling

Lijst van reeds in civiele vliegtuigontwikkeling betrokken bedrijven en instituten.

Instituten:

Nationaal Lucht- en Ruimtevaart laboratorium (NLR)

Technische Universiteit Delft, faculteit Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek

Bedrijven:

Fokker Aerostructures, Fokker Elmo, Fokker Special Products, Ten Cate, Driessen, Urenco Aerospace, Schreiner Components, Eldim, Special Products Aerospace & Vehicle Systems (SP-AVS), BF Goodrich en toeleveranciers.

In totaal betreft het projecten voor een bedrag van NLG 80 miljoen gefinancierd ten laste van de zogenoemde '320 mln.' middelen ten behoeve van het luchtvaartcluster. Van die NLG 80 miljoen is een kleine NLG 18 miljoen ingezet voor basisonderzoek door de instituten.

Gefinancierde projecten:

structurele vliegtuigcomponenten ongeveer NLG 14 miljoen naast basisonderzoek.

preconcurrentiële activiteiten:


- Drukschotten voor Airbus A340-500 en 600.


- Access panels voor de A340-500/600.


- Richtingsroeren voor Gulfstream GIV en GV.

industrieel onderzoek:


- gefreesde zwaarbelaste dunne constructies


- Flapontwikkeling

basisonderzoek:


- constructieve ontwerpmethoden (belastingen op helicopterconstructies, vliegtuig-onderstellen, enz.)

ontwikkeling van materialen ongeveer NLG 20 miljoen naast basisonderzoek.

preconcurrentiële activiteiten:


- J-nose: vaste vleugelvoorrand van thermoplasten voor Airbus A340-500/600.

- Euro-ENAER composite general aviation project Eaglet.
industrieel onderzoek:


- thermoplasten technologie


- materiaal technologie programma Glare


- Lijmtechnologie

basisonderzoek:


- materialen (titanium-aluminium, staalsoorten, vezel-metaal laminaten)
mechanische, elektrische of elektronische systemen ongeveer NLG 18 miljoen naast basisonderzoek.

preconcurrentiële activiteiten:


- Kabelboomsystemen Hawker Horizon 4000.


- Electronic Junction Boxes Canadair CRJ-700.


- Load Compressor APU t.b.v. Boeing 767-400 ER en Airbus A330/340.
industrieel onderzoek:


- vliegtuiginterieurtrappen in meerdeksvliegtuigen

- trolley-lift concept voor meerdeksvliegtuigen

- Flight Control and Display Model (FCDM)


- System Control


- IJsdetectiesystemen


- speciale vliegtuigbekabeling voor motoren

basisonderzoek:


- vliegtuigsystemen, avionica (onderhoud, systeemmanagement concepten, enz.)
software

Nog geen noemenswaardige activiteiten op dit terrein.

motorcomponenten ongeveer NLG 7 miljoen naast basisonderzoek.

preconcurrentiële activiteiten:


- Trent motoren programma van Rolls-Royce.

basisonderzoek:


- motorcomponenten (diverse)

trainings- en simulatiesystemen

Nog geen noemenswaardige activiteiten op dit terrein.

verbetering van ontwikkelings-, ontwerp- of productietechnologieën ongeveer

NLG 3 miljoen naast basisonderzoek.

industrieel onderzoek:


- fabricagetechnologie voor vezel-metaal laminaten

- kabelboomsystemen Wire Design and Manufacturing System (WDMS)
basisonderzoek:


- productieprocessen (composietmaterialen, diverse)
Verder verrichten de instituten ook basisonderzoek op het gebied van aerodynamica en vliegmechanica.

Bijlage militaire vliegtuigontwikkeling

De budgettoedeling aan 46 reeds gehonoreerde dan wel zich in de formele goedkeuringsprocedure bevindende projectvoorstellen, die een totaal budgettair beslag vragen van ongeveer NLG 187,7 miljoen, is als volgt.

structurele vliegtuigcomponenten en lichtgewicht constructies: 10 projecten,

NLG 56,4 miljoen.

mechanische, elektrische en elektronische systemen: 20 projecten, NLG 55,7 miljoen.

software: 1 project, NLG 20,4 miljoen.

motorcomponenten: 8 projecten, NLG 39,5 miljoen.

training en simulatie: 1 project, NLG 2 miljoen.

overige, zoals ontwikkelings-, ontwerp- en/of productietechnologie: 6 projecten, NLG 13,7 miljoen.

Hierbij zijn zo goed als mogelijk projecten in bepaalde terreinen ondergebracht. Gelet op de in Nederland beschikbare capaciteiten heeft een redelijke verdeling plaatsgevonden over de terreinen. Bij de 46 projecten zijn 15 grotere en kleinere bedrijven en 6 instituten direct betrokken, al dan niet in verschillende combinaties met elkaar. Daarnaast zijn verschillende bedrijven en instituten als toeleveranciers betrokken.

Aannames bij omzetraming JSF-projecten

Het uiteindelijk verwerven van ontwikkelings- en productiewerk is afhankelijk van vele factoren. De aannames waarop de omzetraming is gebaseerd zijn de volgende.

In de eerste plaats moet een bedrijf en/of instituut er in slagen zich te kwalificeren als (één van) de beste(n) in zijn categorie.

Voorts is het van belang of men zich als bedrijf/insituut gekwalificeerd heeft bij de Amerikaanse hoofdaannemer, of zijn toeleverancier, die uiteindelijk door de Amerikaanse overheid als 'winnaar' wordt aangewezen. Dat betreft Boeing en Lockheed-Martin, met hun respectievelijke toeleveranciers. Heeft men zich niet verbonden met de 'winnaar', dan kan men uit de boot vallen tenzij de gedemonstreerde capaciteiten zodanig interessant zijn dat men alsnog in het programma van de andere, winnende Amerikaanse producent kan deelnemen. Dit acquisitiebeleid volgens het «winner takes it all» principe wordt momenteel in de Verenigde Staten geëvalueerd. De resultaten van die evaluatie zijn nog niet bekend. Om die reden ben ik in de onderhavige raming uitgegaan van het vigerende «winner takes it all» principe. Voor de Nederlandse toeleveranciers van motorencomponenten speelt dit in mindere mate een rol omdat de Amerikaanse overheid twee motorenleveranciers (Pratt & Whitney en General Electric) voorhanden wil hebben.

Vanzelfsprekend speelt de toekomstige Nederlandse beslissing om al dan niet deel te nemen in de EMD-fase van het JSF-programma en uiteindelijk de JSF ook aan te schaffen een grote rol bij het realiseren van de Nederlandse industriële mogelijkheden.

Tenslotte is het niet zeker dat, als een Nederlands bedrijf en/of instituut zich kwalificeert op basis van een bepaalde component of bepaald (sub)systeem, men dan ook in de

EMD- en productiefase diezelfde component of datzelfde (sub)systeem 'krijgt'. Soms gaat het er namelijk om te bewijzen dat men een bepaalde technologie beheerst; de uiteindelijk te ontwikkelen en te produceren component kan een andere zijn.

Overigens is het wel zo dat het Amerikaanse overheidsstandpunt, inhoudende dat men niet per definitie 'single source' leveringen door buitenlandse partijen afwijst, nog altijd overeind staat; hetgeen positief is.

Als men rekening houdt met bovengenoemde uitgangspunten, waarbij voor het gemak aangenomen is dat de te 'demonstreren' component ook de uiteindelijke te ontwikkelen en te produceren component wordt en voor de 'veiligheid' toch een zekere mate van

'dual sourcing' wordt aangenomen (hetgeen natuurlijk een negatief effect op de omvang van het mogelijke Nederlandse werkpakket heeft) evenals een wegvallen van een deel van de mogelijke productie omdat men een verbinding is aangegaan met de niet winnende Amerikaanse partij, kom ik tot de eerder genoemde voorlopige ramingen. Te weten, op basis van de 40 goedgekeurde projecten en de 6 projecten die zich in de fase van formele goedkeuring bevinden, ca. NLG 6 miljard tot NLG 10 miljard omzet in de toekomstige productiefase.

Los van deze productie-omzet mag er, bij deelname van Nederland aan de EMD-fase, van uit worden gegaan dat een aanzienlijke hoeveelheid ontwikkelingswerk door de Amerikanen bij de Nederlandse bedrijven en instituten zal worden geplaatst.

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie