Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

CDA-inbreng in debat over nota onderwijskansen

Datum nieuwsfeit: 19-06-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
CDA


CDA-inbreng: Onderwijskansen

Den Haag, 19 juni 2000

Voorzitter:
Voor ons ligt de nota Aan de slag met onderwijskansen. Na de eerste, teleurstellende nota, is dit er een die een basis biedt voor de politieke discussie die wij met ons allen zo broodnodig moeten voeren. Het hele kabinet met de premier voorop, zo lees ik in Trouw, zou de handen ineen geslagen hebben om er samen iets moois van te maken. Dat is natuurlijk een goede daad, dat waardeert mijn fractie. Toch is het wat moeilijk om die gezamenlijke inzet echt serieus te nemen gezien het feit dat naast het behoorlijk ambitieuze actieplan slechts 10 miljoen voor gemeenten en scholen is gevonden en 40 miljoen voor projecten voor peuters en kleuters. Voor de rest is het maar afwachten wat er komt maar de staatssecretaris kan er van op aan dat er door zowel mijn fractie als alle betrokken scholen en gemeenten met grote verwachting en hoop zal worden uitgezien naar het najaar waarin zij beduidend meer structurele middelen aankondigt. Ik vraag haar ons nu al kenbaar te maken wat zij denkt nodig te hebben om alle acties die zij voorstelt ook daadwerkelijk te laten plaats vinden. Kan zij ons een meerjaren-plan met begroting geven, nog voor de begrotingsbehandeling dit najaar?

Voorzitter,
Dat deze nota een hele verbetering is in vergelijking tot de vorige ligt in het feit dat er een heel aantal acties in is opgesomd die mijn fractie erg aanstaan. Het CDA constateert dat een flink aantal voorstellen die ik namens mijn fractie tijdens de behandeling van de eerste nota op tafel heb gelegd als suggestie, inderdaad door de staatssecretaris zijn overgenomen. Dat doet ons deugd. Het gaat om de signalerende rol van de consultatiebureaus en de nadruk op ouderparticipatie, de investering in programmas op peuterleeftijd en in de eerste jaren van de basisschool, integraal beleid op dit terrein met VWS, ons voorstel om tot een verbeterplan te komen dat door scholen moet worden opgesteld waar de Inspectie tekortkomingen constateert, investering in ICT en het gebruik ervan de algemene eis om de aangekondigde acties te verbreden en aantoonbaar te laten samenhangen. En last but not least heeft zij laten zien hoe zij denkt de motie van het CDA uit te voeren die breed door de Kamer is ondersteund daar waar het gaat om te investeren in opleidingen voor leerkrachten die les geven aan kinderen met achterstanden. Maar al met al blijft de staatssecretaris hardnekkig vasthouden aan haar prioriteit voor de bestuurlijke aanpak en blijft zij kiezen voor een smalle aanpak, namelijk voor de vier grote gemeenten. Hoewel meerdere fracties in het vorige overleg hebben aangedrongen op verbreding van de acties naar het directie schoolniveau en met name naar de leraar, ziet zij dat kennelijk niet als een eerste prioriteit en daar kan de CDA fractie eigenlijk niet mee leven. Want het gaat er toch vooral om dat de verbetering in de klas zelf plaats vindt. Daar wil het CDA het zwaartepunt gelegd zien. Niet in het optuigen van bureaucratie. Netwerken en conferenties zijn goed, maar vooral voor schooldirecteuren. In de nota wordt aandacht geschonken aan de uitwerking van de breed ondersteunde CDA motie over de noodzaak van een post-HBO opleiding die vaardigheden aanleert voor het lesgeven aan achterstandsleerlingen. Toch vragen wij ons af of de uitwerking van de motie voldoende is. In de nota wordt gesproken over initieel en post-initieel. Wat moeten we ons daar bij voorstellen? Welke zwaarte en studietijd hoort hierbij? Gaat het om een cursus of echt een specialisatie-opleiding? Kortom, kan de staatssecretaris dit nog eens verduidelijken.
Het laten doordringen van verbeteringen en vernieuwingen op het niveau van de klas is buitenwoon moeilijk, dat blijkt door de jaren heen. Toch zal het daar moeten gebeuren. Het nascholingsbudget is volstrekt onvoldoende en het CDA zou dan ook voor willen stellen om een deel van het onderwijsinvesteringsfonds beschikbaar te stellen voor onderwijsachterstandsscholen buiten de 4 grote steden die willen investeren in scholing en coaching van hun leerkrachten. Hoe denkt de staatssecretaris hierover? Verder verbaast het mijn fractie dat de OALT leerkracht in het hele verhaal niet voorkomt. Hoe denkt de staatssecretaris hen in te zetten en hoe wordt de motie die door de Kamer is aangenomen over de beheersing van de Nederlandse taal uitgevoerd?

Voorzitter,
De hele toonzetting van de nota ademt vooral de geest van gemeente en rijksoverheid uit. Klopt het dat er van de 10 miljoen gulden die beschikbaar is meer dan 6 miljoen alleen al in de bureaucratie van het Bestuurlijk Overleg en de Task Force voor de 4 grote steden gaat zitten? Voor de scholen blijft dan wel erg weinig over. Waarom zijn de schoolbesturen niet vertegenwoordigd in de Task Force en het Bestuurlijk Overleg? Het concept-convenant dat we ter inzage hebben gekregen is alleen maar geschikt voor gemeenten met een heel behoorlijke omvang. Ik hoop dat er wat handzamers komt voor kleine gemeenten. Die worden toch al vaak geconfronteerd met een grote papier- en beleidslast. Ik wil hier nog eens benadrukken dat de decentralisatie van het onderwijsbeleid ook door kleine gemeenten moet kunnen worden gehanteerd. (ooit motie over ingediend) Zoals ik al opmerkte is daadwerkelijke kwaliteitsverbetering niet vooral en vooreerst een zaak van de overheid. Uiteraard stelt zij wel kwaliteitseisen en is zij voorwaardenscheppend, maar door minder gedetailleerde regelgeving laat zij meer aan de school over en aan de mensen die daar werken. Wanneer we scholen willen die eigen beleid kunnen voeren, hun eigen verbeteringsplannen kunnen maken en zich kunnen profileren ten opzichte van andere scholen zodat er meer variatie in het onderwijs ontstaat, past een pleidooi voor een overheidsbesturing op afstand om scholen de mogelijkheid te bieden zichzelf te ontwikkelen en de pluriformiteit van de samenleving kansen te bieden. De staatssecretaris verruimt in deze nota de rol van de gemeenten aanmerkelijk. Ik lees: Op basis van de resultaten van de onderwijskansenscholen worden voor taalvaardigheid, schoolloopbanen en sociale competenties minimaal te bereiken resultaten op gemeentelijk niveau geformuleerd. Hieraan is een resultaatsverplichting verbonden in het kader van het aan te scherpen Landelijk Beleidskader. Nu ben ik voorstander van het aanscherpen hiervan. In de eerste plaats omdat doelen en middelen duidelijk van elkaar gescheiden moeten worden. Maar het kan natuurlijk niet zo zijn dat deze doelen gesteld worden op het individuele niveau van de leerling, zoals in de nota staat. Dat is immers de taak en verantwoordelijkheid van de school. En wanneer iedere gemeente haar eigen minimumniveaus gaat formuleren op het gebied van taalvaardigheid en sociale competenties is het eind natuurlijk echt zoek. Per gemeente zou een ander niveau gehanteerd kunnen worden. Het is toch zo dat het rijk de kwaliteit van het onderwijs garandeert en niet de gemeente en dit algemeen geldende normen voor alle scholen zijn die door de Inspectie gecontroleerd worden en niet door de gemeenten? Mijn fractie is tegen een tweesporen beleid voor gemeenten en scholen in het GOA en ook waar het gaat om invoering van geconcretiseerde kerndoelen inzake taal en rekenen ziet mijn fractie geen reden om achterstandsscholen eenzijdig te ontheffen van het realiseren van andere kerndoelen. De kerndoelen die we stellen, al dan niet geconcretiseerd, moeten op iedere school gerealiseerd kunnen worden. Dat vraagt om een kerncurriculum met daarnaast vrije ruimte voor een eigen kwaliteitsbeleid en profiel van de school. De gemeente hoort vooral omgevingsvoorwaarden te scheppen in samenspraak mèt de school. Te zorgen voor voorschoolse taalprojecten, voor een goed welzijnsnetwerk rondom ouders en jeugd en aandacht voor vooortijdig schoolverlaten. Of de gemeente dit goed doet, dat moet door het rijk beoordeeld worden. Het rijk staat dus ook niet, zoals de staatssecretaris in de nota beweert, naast de gemeente maar boven de gemeente. Hoe gaat de staatssecretaris haar rol hierin waarmaken? De school wordt ook door het rijk gehouden aan de eisen die we aan het onderwijs stellen en de Inspectie is daar de controleur. Niet de gemeente dus. Ik vraag van de staatssecretaris om in te gaan op deze kritiek op de nota omdat hier de verantwoordelijkheidstoedeling door haar klaarblijkelijk geheel anders gezien wordt dan door het CDA. In mijn ogen horen de gemeente en de scholen partners te zijn en ook zo met elkaar om te gaan, niet als elkaars controleur. Zij moeten elkaar kunnen aanvullen op basis van gelijkwaardigheid. Die gelijkwaardigheid is er soms helemaal niet. Er zijn minstens 20 gemeenten in ons land die wel een Gemeentelijk Onderwijs Achterstandenplan moeten maken maar zelf geen cent GOA-geld ontvangen. Binnen die gemeenten ontvangen de scholen bij elkaar 250 miljoen gulden of meer aan gewichtengelden vanwege de kansarme leerlingen die er zijn. De gemeente heeft in die situatie als partner geen enkel eigen aanbod. Het CDA vindt het noodzakelijk dat bij de verdeling van de GOA-gelden in het kader van het Landelijk Beleidskader 2002-2006 deze gemeenten zelf een substantieel bedrag aan GOA-geld ontvangen.

Voorzitter,
Terugkomend op de verantwoordelijkheidsverdeling wil ik nog nader ingaan op de rol van de Inspectie. Die rol is van cruciaal belang voor het verbeterplan dat opgesteld moet worden. De rapportages uit het integraal en regulier schooltoezicht vormen de basis voor de diagnose van de problemen op scholen. De staatssecretaris stelt zelfs voor dat het verbeterplan door de Inspectie zelf kan worden opgesteld en goedgekeurd door de gemeente. Dat vindt mijn fractie toch echt niet juist. De school hoort een zelflerende en zelfsturende organisatie te zijn en moet dus ook zelf garant staan voor een zelf opgesteld plan. Dat daar hulp van anderen bij komt kijken is goed, maar de Inspectie die rol laten overnemen en de gemeente als laatste controlepost in te stellen gaat echt in tegen ons idee dat de school zelf de verantwoordelijkheid moet dragen. Het probleem is ook dat niet echt duidelijk is wanneer een school een onderwijskansen school is. Welke aspecten neemt de Inspectie als uitgangspunt voor actie? Het is bekend dat het CDA kritiek heeft op het feit dat de Inspectie steeds meer een oordeel velt over de manier van lesgeven op scholen en daar eigen kwaliteitskenmerken over opstelt. Wij willen dan ook niet zover gaan dat aan dit soort kenmerken zoals de manier van lesgeven, bijvoorbeeld al dan niet klassikaal, een verbeterplan wordt opgeknoopt. Het eindresultaat telt voor de Inspectie, niet de manier waarop dat bereikt wordt.
Wanneer het resultaat van de school niet goed is en de school moet geholpen worden dan kan ook in een eigen plan worden aangegeven door welke ondersteunende instanties men geholpen denkt te kunnen worden. Die kunnen heel goed passen bij de eigen sfeer en identiteit van de school. De Inspectie hoort daarin niet een bepalende rol te gaan vervullen. Kan de staatssecretaris nog nader ingaan op haar keuze voor de rol van de Inspectie en de gemeente en niet voor de school?
Voorzitter,
De eerste acties zijn gepland in de 4 grote steden, bedoeld voor scholen voor PO met 70% of meer kansarme leerlingen en dan ook nog voor scholen waarop de Inspectie het nodige heeft aan te merken. Dit perkt het aantal geholpen scholen drastisch in, lijkt me. Kan de staatssecretaris aangeven hoeveel leerlingen er op basis van die criteria daadwerkelijk geholpen gaan worden? En kan zij aangeven of het in het VO gaat om scholen die over het totaal aantal leerlingen 40% kansarme leerlingen tellen of kan daar ook een school die alleen in de VMBO-afdeling 40% kansarme leerlingen heeft geholpen worden? Hiermee kom ik terecht bij de fundamentele vraag of het juist is om aan een rigide 70%s norm voor de basisscholen vast te houden die ook gehanteerd is bij het toedelen van de middelen voor voor- en vroegschoolse educatie Alleen gemeenten waar scholen dergelijke concentraties kansarme kinderen hebben krijgen middelen voor projecten. Nu doen juist nogal wat gemeenten pogingen om ouders te informeren over de voordelen van spreiding. Ook zijn er plattelandsgemeenten met veel kernen waarover de kansarme leerlingen verspreid naar school gaan. Moeten die gemeenten nu die kinderen weer concentreren op scholen om geld te krijgen? Dat lijkt me toch heel vreemd. Kan de staatssecretaris uitleggen hoe dat zit? De Inspectie heeft ons al eerder laten weten dat juist ook scholen met groeiende aantallen kansarme leerlingen slecht presteren. Op die scholen is de omslag naar het omgaan met juist deze leerlingen vaak nog onvoldoende gemaakt. Leraren hebben niet de juiste vaardigheden en methodes zijn niet aangepast aan de behoefte. Waar scholen met 70% of meer kansarme leerlingen de infrastructuur al aardig op orde hebben, ook al omdat zij bijna twee keer zoveel geld krijgen als normaal, hebben scholen die onder die grens zitten het vaak nog moeilijk. Is het, zo wil ik de staatssecretaris vragen, niet logischer om het inspectierapport ervan uitgaande dat de criteria die gehanteerd worden bij het geven van onvoldoendes door ons gedeeld worden is het niet logischer om van het inspectierapport uit te gaan wanneer we willen aangeven welke school op hulp mag rekenen? Op die manier kunnen ook scholen die onder de 70%s norm zitten en wel met grote problemen te kampen hebben van de acties profiteren. Wanneer de staatssecretaris meent te moeten vasthouden aan die 70% zou ik graag willen weten waarom en of zij van plan is deze op termijn los te laten en zo gauw mogelijk te verbreden naar andere scholen. Kan zij dat in het meerjarenplan waar ik om vroeg aangeven?

Voorzitter,
Onderwijsachterstanden bestrijden, dat is het doel van deze acties die voor een groot deel in eerste instantie gericht zijn op kinderen van allochtone afkomst. Toch is het geen zwart-wit discussie. In ons landje is veel private rijkdom maar helaas ook veel publieke armoede en die beperkt zich niet alleen tot het grootstedelijk gebied. Naast sociaal-economische achterstanden moeten we ook de ogen open hebben voor het feit dat er gebieden in Nederland zijn waar men met trots het dialect of de streektaal in ere houdt. Toch kun je geen stewardess bij de KLM worden wanneer je uit Ulft komt en een Achterhoeks accent hebt en is het leren van Nederlands voor deze leerlingen vaak bijna hetzelfde als het leren van een tweede taal. Ik kom uit die Achterhoek en daar hebben Achterhoekers en Turken de handen ineengeslagen en vanuit een werkgroep in een manifest een oproep gedaan aan ouders, scholen, instellingen en de politiek om toch vooral te doen wat ze kunnen om achterstand in taal tegen te gaan. Ze hebben mij ook die opdracht meegegeven en mede namens hen vraag ik de staatssecretaris om een uitwerking van haar plannen ook voor die doelgroep die niet in de grote steden of zelfs helemaal niet in de stad woont. We weten het uit onderzoek, scholen met witte plattelandskinderen scoren soms beduidend lager dan de zwarte scholen in de stad. Ik zou dan ook graag van de staatssecretaris willen weten of de evaluatie van de acties in de 4 grote steden op de zwarte scholen wel iets kan betekenen voor de scholen van de 1.25 leerlingen op het platteland? Het lijkt mij dat daar een heel specifieke aanpak voor nodig is. Gemeentelijke samenwerking en samenwerking tussen scholen en instellingen is daar heel hard nodig, de staatssecretaris heeft daar oog voor, maar ik wil haar ook graag wijzen op de vaak grote afstanden tot voorzieningen en de moeilijke bereikbaarheid ervan. Extra lessen die nu door ROCs aangeboden worden in het kader van integratie zijn vaak niet te bereizen alleen al vanwege het gebrekkige openbaar vervoer. Het lijkt het CDA logisch om die realiteit onder ogen te zien en lesplaatsen dichter bij huis te bevorderen, liefst bij een schoolvoorziening in de buurt.

Voorzitter,
Zonder betrokken ouders krijgen kinderen het heel moeilijk in het onderwijs. Het is echt te betreuren dat scholen aangeven dat de werkdruk zo hoog is dat ze niet in staat zijn om mee te werken aan een experiment met school-ouder contracten terwijl we weten dat hier in het buitenland aardige resultaten mee geboekt zijn en aan ouders een handvat hebben gegeven in de sfeer van opvoedingsondersteuning. Gaat de staatssecretaris zich in het kader van de acties misschien toch inspannen om een experiment doorgevoerd te krijgen, bijvoorbeeld in de 4 grote steden? Het is goed dat met Forum een campagne gestart wordt om allochtone ouders te bereiken. De staatssecretaris weet dat het CDA voorstander is van het verlagen van de gedeeltelijke leerplicht naar vier jaar omdat dit aansluit bij de maatschappelijke ontwikkelingen. Op welk moment is zij bereid ons voorstel te heroverwegen? Tenslotte heb ik begrepen dat ook haar eigen partij voorstander van het verlagen van de leerplicht is en samen met Groen Links dat er al lang voor pleit is er dus sprake van een ruime Kamermeerderheid. Wanneer evalueert zij de campagne van Forum en trekt zij daaruit conclusies?
Voorzitter, tot slot:
Het CDA heeft ondanks de vragen die ik heb gesteld hoge verwachtingen van de ambities die dit kabinet in deze nota aan ons voorlegt. De belangrijkste voorwaarde om de acties ook daadwerkelijk te laten uitvoeren is geld. Er wordt dit jaar maar een heel klein beginnetje gemaakt met 10 miljoen met een heel smal, grootstedelijk bereik. Voor de rest heeft de staatssecretaris op de pof gekocht bij minister Zalm. Zij moet er voor waken dat zij niet bekocht is want dat zal haar door al diegenen bij wie nu verwachtingen gewekt zijn niet in dank worden afgenomen. Zij geeft aan dat er beduidend meer structurele middelen ter beschikking zullen komen vanaf 2001 en daar ga ik dan ook op voorhand van uit.

Kamerlid: Clémence Ross- van Dorp

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie