Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

CDA-notitie: Van intergratie naar participatie

Datum nieuwsfeit: 20-06-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
CDA


CDA-notitie: Van intergratie naar participatie

Den Haag, 20 juni 2000

Voorwoord

Het minderhedenbeleid staat ter discussie. Een discussie die niet op zichzelf staat, maar nauw verbonden wordt met de vraag naar de Nederlandse cultuur en de hoofdstroom van waarden en normen in de samenleving .
De Tweede kamerfractie van het CDA heeft in maart 2000 een fractiespecial gewijd aan de vraag hoe het integratiebeleid de komende jaren sterk verbeterd kan worden. Op basis van het verkiezingsprogramma van het CDA samenleven doe je niet alleen, heeft de fractie een lijn uitgezet met coördinaten voor de komende debatten, met name de op handen zijnde evaluatie van de WIN (wet inburgering nieuwkomers) en de tussenbalans van de regeringsnota kansen krijgen kansen pakken, die in het najaar van 2000 zal plaatsvinden. De notitie Een doorstart: via integratie naar participatie maakt aan de hand van een aantal concrete punten duidelijk waar de CDA-fractie bij integratie accent zal leggen. Veel gaat goed. Teveel nog niet. Dat kan en moet anders. Omdat per jaar naar schatting 15.000 nieuwkomers van meer dan 75 verschillende nationaliteiten hun inburgering beginnen en daarmee een nieuw bestaan in de Nederlandse samenleving. Maar ook omdat oud en nieuw in ons land, met elkaar de verantwoordelijkheid moeten dragen voor de verdere uitbouw van een samenleving die zijn fundament vindt in respect, verantwoordelijkheid en naastenliefde.
Deze notitie is tot stand gekomen op basis van een discussie in en is vastgesteld door de fractie. De voorbereiding en uitwerking was in handen van Joop Wijn ( woordvoerder asielbeleid) en ondergetekende als woordvoerder integratiebeleid van de fractie.

Gerda Verburg,
Woordvoerder integratiebeleid
CDA-Tweede Kamerfractie

Inleiding

Twintig jaar minderheden- en integratiebeleid1 heeft onvoldoende resultaten opgeleverd. De werkloosheid onder allochtonen bedraagt 16 %. Dit is vier keer zoveel als onder autochtonen. Het dropoutpercentage bij middelbare scholieren is ca. 15%, en dit is drie tot vier keer zoveel als onder autochtonen.

Deze cijfers kunnen ook vanuit de andere kant worden benadrukt (84 % heeft werk, 85 % maakt een schoolopleiding af), en onderzoek wijst voorts uit dat het in de loop van de jaren beter gaat met integratie van allochtonen. Niettemin is er sprake van te veel hardnekkige problemen die ertoe nopen dat het integratiebeleid anders moet worden ingevuld.

In dit werkdocument van de CDA-fractie, worden daarvoor eerst enkele algemene uitgangspunten besproken. Vervolgens wordt op een aantal terreinen enkele concrete beleidssuggesties gedaan.

Inmiddels is het besef aanwezig dat de aanwezigheid van allochtonen blijvend is. Het aandeel in de bevolking zal toenemen, in 2015 is in de grote steden 50 % van de bevolking allochtoon. Dat leidt tot de conclusie dat langs elkaar heen leven niet langer mogelijk is. Ook hier geldt: samenleven doe je niet alleen. Er mag geen sociaal-economische onderklasse ontstaan, waarvan de niet-Nederlandse afkomst de overwegende oorzaak is. De prijs van onvoldoende integratie is te hoog, zowel voor de migrant zelf van wie talent en potentieel niet wordt benut, als voor de stabiliteit en de cohesie in de samenleving als geheel.



1 Het gaat in deze notitie om de op integratie van legaal (en dus niet illegaal) in Nederland verblijvenden.


Het CDA streeft een betrokken samenleving na, waarin respect, naastenliefde en verantwoordelijkheid centraal staan. Daarom is een nieuw uitgangspunt nodig: via integratie naar participatie. Inburgering en integratie van minderheden zijn gericht op sociale en maatschappelijke zelfredzaamheid. Participatie is het vormgeven aan, en verantwoordelijkheid dragen voor de Nederlandse samenleving.

Integratie is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de individuele (allochtone) burger zelf. Nieuwkomers zijn zelf verantwoordelijk voor hun inburgering, zelfredzaamheid, participatie en emancipatie. De essentie van migreren naar een ander land met een andere cultuur is: het leren van de taal, het respecteren van de rechtsstaat met de daarbij behorende waarden en normen, alsmede het verwerven van zelfredzaamheid en sociaal-economische onafhankelijkheid. Inburgering is zowel een recht als een plicht. Aan elke Nederlandse inwoner, zowel autochtoon als allochtoon, mag worden gevraagd zich te houden aan wetten en regels, te gedragen als een verantwoordelijk burger en te ontplooien tot een burger die een bijdrage levert aan de samenleving. Dit appèl is tot nu toe te vrijblijvend gedaan.

Ondanks vele (financiële) pogingen door de overheid om een effectief integratiebeleid te voeren, was het beleid te vrijblijvend. De oorzaak daarvan is moeilijk te duiden. Voor de toekomst geldt dat beleid op feiten moet worden gebaseerd. Het beleid moet integraal worden opgezet, en mag niet leiden tot versnippering. Integratie is een zaak van wederkerigheid. Ook is, dat geldt voor de gehele samenleving, een betere verinnerlijking van Nederlandse geschiedenis, cultuur en waarden en normen noodzakelijk.

De overheid is verantwoordelijk voor de handhaving van wetten en regels en zorgt voor de randvoorwaarden die mensen in staat stellen om zich tot verantwoordelijke en participerende burgers te ontwikkelen. Ook de overheid zelf is hier te vrijblijvend mee omgegaan. Als aan burgers faciliteiten worden geboden, zoals bijvoorbeeld taallessen, dan mag de overheid daar ook resultaten van verwachten. Als onderwijs wordt geboden aan kinderen, dan staat daar handhaving van de leerplicht tegenover. Als een uitkering wordt verstrekt, dan staat daar handhaving van de regelgeving , zoals de sollicitatieplicht of het volgen van een cursus, tegenover.

Een burger kan nooit volledig afhankelijk zijn van een grote, vaak anonieme overheid , en redt het tegelijkertijd niet volledig in zijn eentje. Tussen overheid en individu staat het maatschappelijk middenveld, de zelforganisaties. De term verzuiling is hierbij niet op zijn plaats. Deze term is verbonden is met connotaties van de zg. verticale verzuiling tussen confessionele christelijke en sociaal-democratische stromingen. Het gaat in dit verband nadrukkelijk om de sociale en maatschappelijke functie van zelforganisaties van allochtonen. Op basis van het principe van soevereiniteit in eigen kring, kunnen zelforganisaties een belangrijke rol vervullen inzake integratie, participatie en het bevorderen van sociale samenhang. Deze verantwoordelijkheid komt momenteel onvoldoende tot zijn recht. Overheden moeten zelforganisaties aanspreken op deze rol. Zij treden hierover in gesprek met deze organisaties en vragen middenveldorganisaties om dit ook onderling te doen.

cultuur

Nieuwkomers leven in Nederland. Het Nederlandse waarden- en normenstelsel geldt als uitgangspunt voor het integratiebeleid. Nederland heeft een dominante Christelijke en humanistische cultuur, die ook dominant zal blijven. Tegelijkertijd is deze, net als elke andere cultuur, aan verandering onderhevig. Een voorbeeld hiervan is de verandering in de positie van de vrouw gedurende de afgelopen vijftig jaar. Dat laat onverlet: het uitgangspunt voor beleid wordt gevormd door de Nederlandse cultuur, de Nederlandse waarden en normen.

Waarden en normen kennen diverse niveaus. Evenals het Sociaal Cultureel Planbureau onderscheiden wij er drie: de A, B en C-cultuur. Hoewel dit model niet als sjabloon moet worden gebruikt en aan dynamiek en onderlinge verschuiving onderhevig is, geeft de indeling van waarden en normen aan in welke mate zij kunnen worden gerelativeerd, onderhandelbaar en handhaafbaar zijn. Het model is een duiding. Een indicatief voorbeeld van de hierna te bespreken gelaagdheid betreft het dragen van hoofddoekjes, respectievelijk bij bijvoorbeeld de politie, op school of door cassières in een supermarkt.

De A-cultuur is maatgevend is voor iedereen in de Nederlandse samenleving. Deze komt tot uitdrukking in de grondwet en alle hierop gebaseerde wet en regelgeving. De A-cultuur heeft de macht en het gezag van de democratische legitimatie en is niet onderhandelbaar. Op grond van deze wetten wordt bijvoorbeeld eer- of bloedwraak, of vrouwenbesnijdenis in Nederland niet geaccepteerd. Ook de scheiding tussen Kerk en staat is niet voor onderhandeling vatbaar.

Wetten zijn mede tot stand gekomen om burgers te beschermen tegen te grote invloed van de overheid. Grondrechten als de vrijheid van meningsuiting, van godsdienst, van onderwijs en van bijvoorbeeld vereniging zijn daarom in de wet opgenomen. Enerzijds legitimeert de A-cultuur de overheid voor gezagsuitoefening, anderzijds wordt de overheid erdoor beperkt. Deze beperking geldt ook in het integratiebeleid. De overheid zal het ontstaan van zogenaamde zwarte wijken moeten tegengaan, maar kan tegelijkertijd niemand dwingen om ergens te gaan wonen. Evenmin kan de overheid de oprichting van islamitische scholen verbieden, op basis van artikel 23 van de grondwet.

De B-cultuur wordt gevormd door ongeschreven regels en omgangsvormen, die geen formele democratische legitimatie hebben, maar die wel het samenleven van burgers onderling beïnvloeden. De B-cultuur kent een zekere mate van vrijheid. De grenzen worden bepaald door maatschappelijke discussie, wederzijds respect en consensus in de samenleving. Totdat er een democratische legitimatie is voor bepaalde regels, is de politiek dan niet meer dan een gesprekspartner in het maatschappelijk debat. De maakbaarheid van de samenleving is beperkt. Zoals reeds is gememoreerd, is er verschuiving mogelijk tussen de drie culturele niveaus. Een voorbeeld van een recente verschuiving van B- naar A-cultuur is de sinds kort voor nieuwkomers verplicht gestelde inburgering.

De C-cultuur omvat de individuele levensstijl, de vormgeving van het eigen leven, de privésfeer. Op dit gebied waren de regels in een burgerlijk en sterk door sociale controle bepaald land als Nederland traditioneel streng en gebonden aan leeftijd, klasse, sekse en beroep. Die uniformiteit heeft plaats gemaakt voor een grote mate van vrijheid op veel terreinen van het leven: relatievorming, seksualiteit, vrijetijdsbesteding, huishouding, kleding enzovoort. De wetten en regels van de A-cultuur kunnen echter wel de grenzen van de C-cultuur bepalen. De integriteit van het lichaam (huiselijk geweld) geldt onverminderd ook in de privé sfeer.

Binnen alle genoemde randvoorwaarden van integratie, participatie, de dominante cultuur, de Nederlandse waarden, normen en wetten, komt de eigen identiteit tot zijn recht en kan verrijkend zijn voor de samenleving.

Zelforganisaties,?B>

Nederland kent vrijheid van organisatie. Met betrekking tot integratie is van belang de notie van emancipatie vanuit eigen kring, gestimuleerd door zelforganisaties, die, vanuit het beginsel van soevereiniteit in eigen kring, midden in de samenleving willen staan.

Zelforganisaties hebben een belangrijke verantwoordelijkheid als het gaat om meningsvorming, draagvlakontwikkeling en kadervorming van minderheidsgroeperingen.

Vrouwen- en jongerenorganisaties spelen hierbij een bijzondere rol.

Overheidssteun moet met name toekomen aan zelforganisaties die zich richten op bevordering en versterking van de integratie, participatie en het nemen van verantwoordelijkheid in de samenleving. (vb. buurtvader-projecten, huiswerkbegeleiding en buurtmoeder-projecten).

Het isoleren van de eigen gemeenschap is niet acceptabel. Dit is een criterium voor subsidieverlening.

Opvoeding,/B>

Succesvolle ontwikkeling en integratie van jongeren is afhankelijk van invloeden/stimulansen vanuit de thuis- en familiesituatie - dit geldt voor zowel allochtone als autochtone jongeren.

Ouders zijn verantwoordelijk voor opvoeding en onderwijs van/voor hun kinderen. Qua taalbeheersing mogen aan ouders dezelfde eisen worden gesteld als aan hun kinderen. Hierop worden zij aangesproken (ook via zelforganisaties) en kunnen zij opvoedingsondersteuning en taalonderwijs krijgen. Voorts wordt gericht geïnvesteerd in opvoedingsbegeleiding (gezinscoach). Het niet waarmaken van de ouderlijke verantwoordelijkheid leidt tot boete of korting op de uitkering.

Onderwijs

Vrijheid van onderwijs staat vast. Er worden geen concessies gedaan ten aanzien van de kwaliteit en de te behalen eindtermen van het onderwijs.

In het onderwijs wordt Nederlands gesproken. OALT blijft mogelijk, maar moet ten dienste staan van het reguliere onderwijs. OALT wordt gegeven buiten schooltijd, door docenten die actief en passief de Nederlandse taal beheersen.

Aan succesvolle voorschoolse projecten die stimuleren dat kinderen spelenderwijs met taal omgaan, moet meer aandacht worden besteed. Taalachterstand wordt hierdoor gereduceerd. Kinderen die op 2,5 jarige leeftijd kennis maken met de Nederlandse taal, ronden de basisschool meer succesvol af.

Onderwijs moet met name aandacht krijgen omdat vroegtijdige investering in kinderen maximaal rendement oplevert en omdat de jonge generatie van nu, bepalend is voor de samenleving van straks. Daarom moet voor- en vroegschoolse opvang voldoende worden aangeboden en ondermeer vanuit de consultatiebureaus worden gestimuleerd (kosten: inkomensafhankelijk).

Ingezet moet worden op beproefde taallesmethoden (afgestemd op de voorschoolse opvang), niveautoetsen, leerlingvolgsystemen, toezicht en handhaving door de onderwijsinspectie. In combinatie daarmee wordt een partiële leerplicht voor 4-jarigen ingevoerd.

In het (basis-)onderwijs moet meer aandacht worden besteed aan wat er in de klas gebeurt en scholen moeten goed presteren. Daarvoor is nodig: voldoende personeel en meer gerichte (bij)scholing van personeel.

Schoolverzuim en spijbelen ( jongeren van 12 -16 jaar) moet met kracht worden tegengegaan. Ouders hebben daarin een eigen, onvervreemdbare verantwoordelijkheid en moeten daarop worden aangesproken. Het zich onttrekken aan de leerplicht leidt tot korten op de uitkering van de ouders of het opleggen van een boete.

Met school-thuiscontracten wordt dit ingevuld (ouders houden rekening met bedtijd kinderen, school geeft resultaatgarantie). Zelforganisaties hebben hierin een rol ( zelfstudieclubs, huiswerkbegeleiding etc.).

Uitgangspunt voor het vervolgonderwijs is: geen leerling van school af zonder startkwalificatie. Dit wordt in leerlingvolgsystemen ingebouwd. Niet-naleving leidt tot inhouding/terugbetaling van WTS/studiefinanciering.

Leerkrachten die op scholen met veel allochtone leerlingen werken, zijn verplicht aan extra nascholing te doen en worden hiervoor evenredig beloond.

De brede school (de school als buurthuis: samenhang met consultatiebureaus en maatschappelijk werk e.d.) moet gestimuleerd worden om de sociale cohesie te bevorderen.

Inburgering

Het actief en passief beheersen van de Nederlandse taal is een voorwaarde waaraan een ieder in de Nederlandse samenleving moet voldoen. Omdat taal één van de belangrijkste vervoermiddelen in het maatschappelijk verkeer is, wordt niveau 2 als minimumeis aan taalbeheersing gesteld en als streefniveau niveau 3.,/LI>

Inburgeringsprogrammas worden een resultaatverplichting waarbij wordt getoetst op het wel of niet behalen van de kwalificaties. De overheid schiet de kosten hiervan voor. Bij een goed en tijdig resultaat worden deze kwijtgescholden.

Voor gezinshereniging en gezinsvorming begint de inburgering in het land van herkomst . Dit geldt met name voor de landen van herkomst, die nu onder het minderhedenbeleid vallen. ( het voorkomen van achterstand begint in het land van herkomst).

Religie

Vrijheid van godsdienst is een grondrecht. In Nederland wordt de scheiding tussen kerk en staat gerespecteerd. Hier ligt een rol voor de religieuze gemeenschap als het gaat om het bijdragen aan integratie, participatie, sociale samenhang en het zoeken naar en bevorderen van de dialoog tussen religies. Deze verantwoordelijkheid wordt momenteel onvoldoende ingevuld. Overheden gaan hierover in gesprek met religieuze gemeenschappen en vragen middenveldorganisaties dat ook te doen.

Een Nederlandse opleiding (bijvoorbeeld imamopleiding) voor geestelijke bedienaren moet mogelijk zijn. Om te kunnen bijdragen aan integratie en participatie, is bekendheid met de Nederlandse samenleving en het spreken van de Nederlandse taal een voorwaarde.

In de WIN worden strengere eisen gesteld aan de inburgering van geestelijke bedienaren die tijdelijk in Nederland verblijven.

Arbeidsmarkt

Zowel op de werkvloer als binnen het management wordt koud watervrees voor allochtonen bestreden. Sociale partners hebben hier een nadrukkelijke verantwoordelijkheid. De overheid heeft hier een voorwaardenscheppende taak, alsmede een voorbeeldfunctie als werkgever. Quota-regelingen werken in de praktijk contraproductief. (in verband met het verplichtende karakter, administratieve lasten en discussies over beschikbaarheid van kwalitatief arbeidsaanbod.),/LI>

Momenteel zijn 19.000 allochtone werklozen direct bemiddelbaar. 11.000 kunnen met een gerichte training en bemiddeling binnen een jaar snel aan de slag. 125.000 allochtone werklozen zijn moeilijk bemiddelbaar. Zij krijgen een verplichte taalcursus en een vakopleiding aangeboden tot aan de sollicitatie-plichtige leeftijd ( 57,5 jaar). Vanuit de uitkerende instantie wordt aan elke werkloze een case-manager toegewezen die één op één voor bemiddeling en plaatsing zorg draagt. Bij aantoonbaar gebrek aan inspanning van de werkzoekende wordt het sanctieregime toegepast.

Diploma-vergelijking en erkenning van verworven competenties ten behoeve van toegelaten vluchtelingen wordt sterk bevorderd.

(De ontwikkeling van) intercultureel personeelsmanagement wordt gericht gestimuleerd.

Ouderen

Beleid voor ouderen is gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en het bestrijden van sociaal isolement, eenzaamheid en verarming. Hierbij is aandacht en respect nodig voor identiteitsgebonden elementen.

Remigratie van oudere allochtonen wordt bevorderd.

Huisvesting

Er wordt ingezet op experimenten met de bouw van generatie-woningen. Hierdoor wordt de mogelijkheid gecreëerd om grootouders in huis op te nemen. Dit komt ook aan de wens van allochtonen tegemoet, gezien de familiebanden en tradities uit het land van herkomst. Bovendien speelt dit in op het probleem dat veel allochtone gezinnen klein gehuisvest zijn. Hierdoor kunnen voor kinderen slaap- en huiswerkproblemen ontstaan.

Bij de bouw van vinex-locaties wordt rekening gehouden met voldoende goedkope (huur- en koop-) woningen, waardoor de doorstroom uit achterstandwijken wordt bevorderd en segregatie tegengegaan. Hierover worden heldere prestatie-afspraken gemaakt tussen gemeenten en woningbouwcorporaties.

Het eigenwoningbezit onder allochtonen is relatief laag, terwijl er een overschot aan huurwoningen bestaat. Het aanbod van koopwoningen moet derhalve worden gestimuleerd. Zo ontstaat er meer binding met de wijk en worden zelfredzaamheid, medeverantwoordelijkheid en maatschappelijke participatie bevorderd (wijkraad etc.).

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie