Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief VW inzake effecten van de Wet Waterkering

Datum nieuwsfeit: 21-06-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

brief sts vw inzake de effecten van de wet waterkering
Gemaakt: 29-6-2000 tijd: 1:24


3

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 21 juni 2000

Op 15 januari 1996 is de Wet op de waterkering in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet is de wettelijke grondslag verschaft voor het realiseren en in stand houden van de veiligheid tegen overstromingsgevaar ten gevolge van een situatie die optreedt bij hoge stormvloed respectievelijk hoog opperwater van de grote rivieren of het IJsselmeer, dan wel een combinatie daarvan. De wet bevat regels omtrent de mate van beveiliging die moet zijn gewaarborgd, alsook procedurele voorzieningen om de uitvoering van versterkingswerken, ter realisering van die beveiliging, mogelijk te maken.

Artikel 34 van de Wet op de waterkering brengt mee dat binnen vier jaar na de inwerkingtreding van de wet aan de Staten Generaal «een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk» wordt gezonden. Hierbij bied ik u het evaluatie-verslag aan. Deze wetsevaluatie valt uiteen in twee delen:

de evaluatie van de bestuurlijk-beleidsmatige aspecten van de wet (definities, technisch georiënteerde activiteiten en financiering);

de bestuurlijk-juridische evaluatie van de plan- en besluitvormingsprocedures in de wet (het juridische deel).

Over het eerste deel van de evaluatie, dat door de Rijkswaterstaat is opgesteld, heeft overleg plaatsgevonden met vertegenwoordigers de Unie van waterschappen en het IPO. Het rapport «Versterking van rivierdijken» vormt het tweede deel van de evaluatie. Dit laatstgenoemde rapport is opgesteld door medewerkers van de Universiteit van Utrecht, onder begeleiding van een commissie met vertegenwoordigers van de Unie van waterschappen, het IPO, de VNG, het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke

Ordening en Milieubeheer (VROM) en medewerkers van mijn ministerie, met inbegrip van de Rijkswaterstaat.

In het verslag van de Rijkswaterstaat wordt het doel van de wet in een breder kader geplaatst en de werking van de wet nader beschouwd. Bij de werking van de wet worden onderscheiden de definities en technisch georiënteerde activiteiten, de financieringsstructuur en de besluitvormingsprocedures. Ik zal hieronder ingaan op de in het verslag genoemde punten.

Het doel van de wet in breder perspectief

Het verslag constateert dat de huidige Wet op de waterkering geen systematiek voor de evaluatie van het na te streven veiligheidsniveau kent. Dit betekent dat besluitvorming over een aanpassing van het veiligheidsniveau bij de huidige regelgeving feitelijk altijd een reactief karakter zal hebben, ingegeven door de op dat moment levende maatschappelijke gevoelens bijvoorbeeld na een (bijna) ramp dan wel bij het langdurig uitblijven van een ramp.

Ik onderschrijf deze constatering, maar realiseer mij ook dat het denken over de gewenste veiligheid een langdurig proces is. Ik verwacht binnen afzienbare tijd een stapje in dit proces te kunnen zetten aan de hand van een rapport van de Technische Adviescommissie voor de Waterkeringen over overstromingsrisico's, dat ik binnenkort hoop te ontvangen.

In het verslag staat verder dat de Wet op de waterkering geen kader biedt voor het realiseren van Ruimte voor de Rivier. De wet is feitelijk meer een wet inzake dijken en duinen («Wet op de waterkeringen»), dan een wet inzake de veiligheid van een gebied tegen overstromingen. De verklaring hiervoor is gelegen in het feit dat tot voor kort veiligheid synoniem was met dijken/dijkversterkingen. De huidige opvatting is dat hoogwaterbescherming en veiligheid meer is dan waterkeren alleen. Ruimte voor de Rivier vereist derhalve aanpassing van bestaande, dan wel aparte wet en regelgeving.

Het ligt inderdaad niet voor de hand, zoals het verslag constateert, om de Wet op de waterkering hiervoor aan te passen. Ik verwacht dat nog in de maand juni de Tweede Kamer nadere voorstellen kunnen worden gestuurd over de noodzakelijke wettelijke grondslag voor het realiseren van Ruimte voor de Rivier. Als aanpassing van de waterkering als onderdeel van Ruimte voor de Rivier aan de orde is, blijft voor dit onderdeel de Wet op de waterkering van toepassing.

Definities en technisch georiënteerde activiteiten

Onder verwijzing naar dit verslag concludeer ik dat de in de wet gegeven definities en de beschreven technische activiteiten over het algemeen een geschikte verzameling vormen om de doelstelling van de wet, namelijk het blijvend waarborgen van de veiligheid tegen overstroming door adequate waterkeringen, te realiseren. Toch overweeg ik om met de volgende aanpassingsvoorstellen te komen:

(art 1) het aanwijzen van het Markermeer als buitenwater (ik heb de Tweede Kamer hierover reeds geïnformeerd, de voorbereidingen om de wet op dit punt aan te passen heb ik in gang gezet);

(art 2) het actualiseren van de kaart van de dijkringgebieden en het overzicht van de veiligheidsnormen (onder andere toevoegen IJburg);

(art 6) het overdragen van het toezicht van gedeputeerde staten aan een andere provincie voor dijkringgebieden die zich over meer dan één provincie uitstrekken;

(art 9) het voorschrijven van de bij de toetsing te hanteren systematiek;

(art 10) het actualiseren van de referentiesystematiek voor de ligging van de kustlijn.

De financieringssystematiek

Hoewel de rivierdijkversterkingen, mede dankzij de bijdragen via de provincies, goed verlopen, biedt de huidige financieringsstructuur onvoldoende mogelijkheden om verschillende (onvoorziene) ontwikkelingen op het gebied van de bescherming tegen buitenwater op te kunnen vangen. Daarbij gaat het om ontwikkelingen in kennis, techniek en beleid met als consequentie bijvoorbeeld de aanpassing van de steenzettingen van de zee- en meerdijken, de aanleg van de Maaskaden, het realiseren van Ruimte voor de Rivier, aanwijzing van het Markermeer als buitenwater, mogelijk tegenvallende resultaten toetsing waterkeringen, en eventuele overgang naar een nieuwe veiligheidsfilosofie gebaseerd op de kans van overstroming

Momenteel ben ik in overleg met provincies en waterschappen om de financieringsstructuur aan te passen. Zodra dit overleg bevredigend is afgerond zal ik u ter zake informeren en met voorstellen komen om de betreffende wetsartikelen aan te passen.

De besluitvormingsprocedures

Voor wat betreft de besluitvormingsprocedures inzake dijkversterkingen concludeert het verslag dat de wet tot nu toe goed functioneert. Ik onderschrijf dit. Om hiervan ook in de toekomst verzekerd te zijn, zal ik voorstellen om de gestroomlijnde besluitvormingsprocedure, die uitsluitend van toepassing is op de tweede tranche dijkverbeteringsprojecten in het kader van het Deltaplan Grote Rivieren, op alle toekomstige aanleg en verbetering van primaire waterkeringen van toepassing te laten zijn.

Reacties van de Unie van waterschappen en het IPO

Een afschrift van deze brief stuur ik met de vraag om reactie toe aan de Unie van waterschappen en het IPO. Zodra ik de beide reacties heb ontvangen, doe ik u deze ter informatie toekomen.

Ik vertrouw u hiermede voldoende te hebben geïnformeerd.

Hoogachtend,

DE STAATSSECRETARIS VAN VERKEER EN WATERSTAAT,

drs J.M. de Vries

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie