Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief OCW inzake MDW-project voortijdig schoolverlaten

Datum nieuwsfeit: 22-06-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief OCW inzake mdw-project voortijdig schoolverlate n

Gemaakt: 26-6-2000 tijd: 14:21


2


24036 Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit
nr. 164 Brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Zoetermeer, 22 juni 2000

Op 24 juni 1999 heeft het kabinet u een MDW-project aangekondigd over de problematiek van het voortijdig schoolverlaten (TK 1998-1999,
24036, nr. 131). Hierbij ontvangt u het eindresultaat van dit project, het rapport «Alle wegen leiden uiteindelijk tot een startkwalificatie»
*). Door middel van deze brief stelt het kabinet u tevens op de hoogte van zijn reactie op dit rapport. In grote lijnen komt deze reactie erop neer dat het rapport een inzichtelijke analyse van dit complexe vraagstuk biedt, en suggesties bevat die het reeds door het kabinet in gang gezette beleid kunnen versterken. Deze suggesties sluiten goed op dit beleid aan.

In deze kabinetsreactie komen achtereenvolgens aan de orde:


1. de achtergrond en opdracht van het MDW-project Voortijdig Schoolverlaten;


2. de waardering van het kabinet op het rapport;

3. de vertrekpunten en algemene aanbevelingen;

4. de reactie op de concrete aanbevelingen.
Deze kabinetsreactie heeft een globaal karakter. Het implementatieplan wat bij deze kabinetsreactie hoort zal u in september 2000 worden toegestuurd.

Dit document heeft betrekking op het voortijdig schoolverlaten in de BVE-sector. Ik zou het zeer op prijs stellen als u de behandeling ervan wilt samen doen vallen met de behandeling van de beleidsnota «Koers BVE», die u gelijktijdig met de Onderwijsbegroting voor 2001 zal worden toegestuurd.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

L.M.L.H.A Hermans

Kabinetsreactie op het MDW-rapport «Alle wegen leiden uiteindelijk naar een startkwalificatie»

Hoort bij de brief van de Minister van OCenW aan de Tweede Kamer,

BVE/B/00/24928, 22 juni 2000


1. Achtergrond en opdracht van het MDW-project Voortijdig Schoolverlaten

Voortijdig schoolverlaten staat al een groot aantal jaren prominent op de politieke agenda. Ook dit kabinet geeft aan de aanpak van dit vraagstuk hoge prioriteit. Het belang van een adequate aanpak is groot. Immers, het is evident dat in de samenleving van nu en van morgen een leven lang leren voor iedereen van groot belang is, en dat jongeren daarom een goede basis mee moeten krijgen. Daarom heeft ook dit kabinet, door middel van het Plan van Aanpak Voortijdig Schoolverlaten, extra impulsen gegeven aan de aanpak van dit vraagstuk.

De praktijk heeft inmiddels ook geleerd dat voortijdig schoolverlaten een complexe en veelomvattende problematiek is, die noopt tot een brede strategie op meerdere fronten. Het blijft dan ook noodzakelijk om een open oog te houden voor andere, aanvullende, en zo nodig onorthodoxe mogelijkheden om dit vraagstuk aan te pakken. Om die reden is besloten het voortijdig schoolverlaten onderwerp te laten zijn van een project in het kader van marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit.

Bij de aanpak van dit MDW-project is -omwille van de hanteerbaarheid- gekozen voor een toespitsing op het voortijdig schoolverlaten in en om de BVE-sector. Concreet betekent dit dat het vooral gaat om jongeren die zonder startkwalificatie het (secundair) beroepsonderwijs dreigen te verlaten, en om jongeren waarbij dat reeds gebeurd is.

De opdracht voor dit MDW-project luidde:

Beter zicht krijgen op de 'push' en 'pull' factoren die leiden tot voortijdig schoolverlaten, waardoor een geactualiseerd beeld wordt verkregen van de oorzaken en de achtergronden van het voortijdig schoolverlaten in en rond de BVE-sector.

Het ontwikkelen van oplossingsrichtingen voor de problematiek van het voortijdig schoolverlaten in en rond het BVE. Daarbij moet worden bezien of en in hoeverre er instrumenten kunnen worden ontwikkeld die een aanvulling zijn op en versterking zijn van het reeds ontwikkelde instrumentarium. Daarbij gaat het primair om het ontwikkelen van mogelijke incentives waardoor de voortijdig schoolverlater op school blijft dan wel, eenmaal van school af, toch nog een startkwalificatie behaalt.

Het in kaart brengen van initiatieven in andere landen om de problematiek van het voortijdig schoolverlaten aan te pakken.


2. Waardering van het rapport

Het kabinet heeft grote waardering voor het MDW-rapport 'Alle wegen leiden uiteindelijk naar een startkwalificatie'. Het rapport bevat een inzichtelijke analyse van het gecompliceerde geheel van factoren die van invloed zijn op het voortijdig schoolverlaten, en biedt daarnaast vergelijkingsmateriaal over de wijze waarop dit vraagstuk in andere landen wordt aangepakt. Ervaringen in het buitenland leren in elk geval dat het van belang is te werken aan begeleiding en ondersteuning, het bedrijfsleven bij de aanpak van de problematiek te betrekken, en de gemeente een belangrijke rol te geven.

Het rapport bevat een aantal waardevolle aanbevelingen, die aanvullend zijn op hetgeen reeds aan maatregelen ingezet is om het vraagstuk van onvoldoende gekwalificeerde jongeren aan te pakken. De voorstellen dragen bij aan een grotere dynamiek in de aanpak van dit vraagstuk. Bij de uitwerking van de voorgestelde maatregelen kan ook goed worden aangesloten bij reeds lopende trajecten, zoals het beleid dat gericht is op leven lang leren, de employability-agenda, en het beleid dat in de Agenda BVE in het vooruitzicht is gesteld.

De centrale boodschap van het rapport komt goed tot uitdrukking in de titel «Alle wegen leiden uiteindelijk naar een startkwalificatie». In deze titel zit in de eerste plaats besloten dat er een grote variëteit bestaat in de wijze waarop jongeren beroepsgerichte competenties verwerven. In het rapport wordt de breedte aan mogelijkheden aangegeven: aan de ene kant door suggesties om de kwaliteit van het onderwijs op school te versterken. Aan de andere kant door een werktraject te introduceren. Daarmee wordt geïllustreerd dat beroepsonderwijs hoe dan ook een combinatie van werken en leren is, waarbij sprake is van twee uitersten: leren op school en leren op de werkplek. Tussen deze twee uitersten is een grote variëteit aan combinaties van werken en leren mogelijk, afgestemd op de 'maat' van de deelnemer.

De term 'uiteindelijk' kan verschillend worden opgevat. In de eerste plaats als een nuancering van het streven dat een startkwalificatie per se in de initiële levensfase zou moeten worden behaald. Het kabinet begrijpt hieruit dat het streven niet exclusief moet zijn gericht op het

behalen van een startkwalificatie vóór arbeidsintrede, maar ook op scholing die nodig is om een baan te kunnen aanvaarden teneinde aansluitend via werkend leren tot een startkwalificatie te komen. Aldus ondersteunen arbeid en de scholing elkaar en kan iemand in een werkomgeving mogelijk een startkwalificatie behalen en aldus weerbaarder en breder inzetbaar op de arbeidsmarkt worden. Daarnaast kan 'uiteindelijk' worden opgevat als een besef dat het streefniveau van startkwalificatie voor een aantal mensen redelijkerwijs niet haalbaar zal zijn, en dat deze ambitie in die gevallen wellicht eerder contra-productief werkt. Het kabinet deelt deze opvattingen. Dit najaar zal een kwantitatieve rapportage verschijnen over voortijdig schoolverlaten die een goed beeld geeft van de huidige stand van zaken, en die het mogelijk maakt het hierboven geschetste streven naar 'een startkwalificatie voor iedereen' nader te kwantificeren.

Waardering is er ook voor het gekozen perspectief van de deelnemer. Deelnemers in het beroepsonderwijs kenmerken zich immers door een grote diversiteit. Daarom kan niet worden gesproken van dé deelnemer en evenmin van dé weg naar een startkwalificatie. Het perspectief van de deelnemer is ook in een ander opzicht van belang: immers ondanks alle structuurverbeteringen ligt er ook een belangrijke verantwoordelijkheid bij de jongere zelf om zich goed toe te rusten voor de arbeidsmarkt en de samenleving. Gezien de leeftijd van de categorie jongeren die het onderwerp zijn van deze MDW-studie mag dat ook worden verwacht. De structuren en maatregelen moeten daarom ook gericht zijn op het versterken van die eigen verantwoordelijkheid.

In het rapport wordt verder onderkend dat buiten de school ook andere instanties van belang zijn voor de aanpak om jongeren voldoende toe te rusten voor de arbeidsmarkt en voor de samenleving. Zeker als het gaat om het beroepsonderwijs zijn ook werkgevers daarin een belangrijke partij. Daarom wordt terecht gepleit voor een brede strategie, waarbij alle mogelijkheden worden benut en alle relevante instanties optimaal worden betrokken die op een of andere wijze bijdragen aan de aanpak van het voortijdig schoolverlaten. Daarbij wordt de gemeente, nog sterker dan nu het geval is, in een regisserende en integrerende rol geplaatst.

De voorstellen in het rapport zijn in het algemeen te kenschetsen als maatregelen om meer marktwerking (in de zin van financiële incentives) toe te laten, en meer regievoering te plegen, bij de aanpak van het vraagstuk. Het kabinet concludeert daaruit dat de oplossingen niet direct hoeven te worden gezocht in de sfeer van deregulering of wetgevingskwaliteit. Uiteraard zullen bij de uitwerking van de verschillende voorstellen wel aanpassingen van de regelgeving aan de orde kunnen komen.

Naast deze waardering plaatst het kabinet ook enkele kanttekeningen. De voorstellen in het rapport kennen diverse aangrijpingspunten. In het rapport wordt echter niet systematisch aangegeven welke maatregelen in onderlinge samenhang en in samenhang met bestaand beleid ten minste noodzakelijk zijn, welke keuzes er zijn en wat de te verwachten effectiviteit is.

Tenslotte kan worden vastgesteld dat het rapport geen uitspraken doet over de financiële implicaties van de voorstellen. Het kabinet gaat er van uit dat de uitwerking van de maatregelen binnen de bestaande budgettaire kaders plaats kan vinden.


2. Vertrekpunten en algemene aanbevelingen
In het MDW-rapport wordt onderstreept dat een adequate aanpak van het vraagstuk van voortijdig schoolverlaten een brede strategie vergt. De nadruk ligt daarbij op het adagium 'beter voorkomen dan genezen'. Deze strategie zou volgens het rapport moeten worden gebaseerd op de volgende vertrekpunten.

Het streven moet erop gericht zijn dat iedereen in Nederland tenminste over het competentieniveau van de startkwalificatie als bedoeld in de Wet Educatie en Beroepsonderwijs zou moeten kunnen beschikken.

Voor een samenhangende VSV-strategie is het van belang dat de verschillende initiatieven niet onafhankelijk van elkaar worden bezien.

Om optimaal de mogelijkheden, die het beroepsonderwijs te bieden heeft, te kunnen benutten is het van belang dat daarvoor een goede basis wordt gelegd.

De focus van het beleid moet gericht zijn op het behalen van een startkwalificatie en moet zich niet beperken tot de locatie waar, of de wijze waarop die startkwalificatie behaald zou moeten worden.

Het kabinet onderschrijft deze vertrekpunten volledig. Eveneens deelt het kabinet de beleidsverbeteringen van meer algemene aard die in het rapport worden beschreven:

Het beter benutten van de mogelijkheden van de voorschoolse periode. Hieraan wordt in het kader van de nota «Aan de slag met onderwijskansen» de komende jaren een flinke impuls gegeven.

Het verbeteren van het schoolklimaat. In dat verband verwijst het kabinet naar de motie Kortram over dit onderwerp, die bij gelegenheid van het kamerdebat over voortijdig schoolverlaten ingediend is. Op basis daarvan wordt door de Onderwijsinspectie een onderzoek uitgevoerd.

Aansluitende ontwikkelingslijnen. Daaraan wordt gewerkt in het kader van de verbeterde aansluiting tussen voortgezet onderwijs (met name vmbo) en bve.

Informatie en communicatie over opleidingsmogelijkheden. In het kader van het plan van Aanpak Voortijdig Schoolverlaten zal een gerichte voorlichtingsstrategie worden ontwikkeld. Daarnaast ziet de Inspectie toe op de kwaliteit van de studie- en beroepskeuzevoorlichting, die een wettelijke taak is van de BVE-instellingen.

Gebruik van ICT-mogelijkheden. Voor de aanpak van dit vraagstuk zullen ook de mogelijkheden van Kennisnet intensief worden benut.

Dit zijn in het algemeen verbeteringen die het voortijdig schoolverlaten kunnen voorkomen. Preventie is van groot belang, ook al omdat bekend is dat het rendement van onderwijsinspanningen in de vroegere levensfase, inclusief de voorschoolse periode, groter is dan wanneer die investering later wordt gepleegd.


4. Reactie op de concrete aanbevelingen

Het rapport bevat in totaal 10 concrete aanbevelingen. Deze hebben achtereenvolgens betrekking op de verantwoordelijkheidsstructuur, op flexibilisering van het onderwijsaanbod, en op financiële prikkels. Hieronder worden deze aanbevelingen verwoord zoals ze in het rapport staan. Per aanbeveling geeft het kabinet zijn reactie.


4. 1 Effectuering van de verantwoordelijkheidsstructuur
Aanbeveling 1. De eindverantwoordelijkheid voor het opvangen en begeleiden van jongeren die nog niet in het bezit zijn van een startkwalificatie moet bij de gemeente worden neergelegd, alsmede de daarbij benodigde instrumenten, prikkels en middelen.

Reactie:

Het kabinet is het eens met het rapport als het gaat om de eindverantwoordelijkheid voor het opvangen en begeleiden van jongeren die nog niet in het bezit zijn van een startkwalificatie. Die ligt bij de gemeente. Het kabinet stelt zich ten doel een effectieve regiefunctie van de gemeenten zoveel mogelijk te faciliteren en te bespoedigen. Daartoe zal zij binnenkort met een nader voorstel voor een juiste mix van prikkels en instrumenten komen, teneinde gemeenten in de gelegenheid te stellen aan deze regiefunctie concreet invulling te geven.

In het Plan van Aanpak Voortijdig Schoolverlaten heeft het kabinet de regierol reeds duidelijk bij de gemeenten neergelegd. Die regierol wordt in het wetsvoorstel inzake de regionale meld- en coördinatiefunctie (de RMC-wet), dat binnenkort aan de Tweede Kamer wordt aangeboden, ook wettelijk verankerd.

Alhoewel de aanpak van het voortijdig schoolverlaten reeds langer via tijdelijke regelingen en besluiten wordt gefaciliteerd, is de huidige beleidsaanpak van recente datum. Zo zijn de meerjarige GSB-convenanten, waarin de afspraken met de steden over het voortijdig schoolverlaten zijn opgenomen (in het kader van de 'bijdrageregeling sociale integratie en veiligheid') in december 1999 ondertekend. Gemeenten moeten vervolgens wel de tijd en de ruimte krijgen om hun eindverantwoordelijkheid vorm te geven. In het najaar 2000 zal het kabinet rapporteren over de stand van zaken met betrekking tot de aanpak van het voortijdig schoolverlaten. Input daarvoor vormen het toegezegde diepte-onderzoek alsmede de effect-rapportage
1999-2000. Deze onderzoeken zullen ook kwalitatieve gegevens opleveren. Daarbij zullen ook de (on)mogelijkheden van gemeenten om de regierol te vervullen worden betrokken.

Ook in een eerder stadium kan de dialoog tussen rijk en steden over de invulling van de gemeentelijke regierol op dit gebied gevoerd worden, onder andere in relatie tot het SCP-onderzoek «Jeugd in de stad». Dit onderzoek is gestart naar aanleiding van twee moties uit de Tweede Kamer (Van Heemst en De Cloe) waarin werd gevraagd om wettelijke experimenteermogelijkheden voor de Grote Steden om de vorderingen op het terrein van de sociale infrastructuur van een impuls te voorzien. Dit SCP-onderzoek naar bestuurlijke aspecten van het jeugdbeleid gaat over de gehanteerde besturingsparadigma's door de steden en de knelpunten die zij daarbij ondervinden. In juli zijn de onderzoeksresultaten op basis van de bestudering van de meerjarige ontwikkelingsprogramma's beschikbaar, daarna volgt de empirische toetsing. Eind september is het onderzoek gereed. Daarna zal de kabinetsreactie volgen, waarin ook de hierboven weergegeven aanbeveling wordt betrokken. Het kabinet zal in overleg met gemeenten bezien of er een programma ontwikkeld moet worden ter ondersteuning van de gemeentelijke regiefunctie.

Het kabinet stelt zich voor bij de evaluatie van de RMC-wet, die in het concept-wetsvoorstel die in 2001 is voorzien, die eindverantwoordelijkheid onderwerp van evaluatie te maken ook in de zin die de werkgroep aangeeft, nl. te bezien vanuit de benodigde instrumenten.

Aanbeveling 2. Deze jongeren moeten worden begeleid door één persoon of instantie, onafhankelijk van de situatie waarin hij of zij zich bevindt.

Het kabinet kan zich vinden in de aanbeveling dat de voortijdig schoolverlater door één persoon of instantie wordt begeleid en geadviseerd. Niet alleen vanuit het oogpunt van de jongere, maar ook vanuit het oogpunt van efficiency en effectiviteit is dat van belang. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de quick scan van de pilot trajectbegeleiders (regeling pilot trajectbegeleiding risico-deelnemers) die onlangs uitgevoerd is. Er blijkt een positieve werking uit te gaan van een trajectbegeleider, als intermediair tussen een risico-jongere en het mogelijke scholings-, arbeids- en hulpverleningsaanbod. Daarbij is vooral van belang dat de verschillende vormen van trajectbegeleiding die ontstaan ook onderling weer goed worden gecoördineerd.

Alhoewel deze pilot eenmalig was, blijkt intussen dat gemeenten de extra middelen voor de vsv-aanpak gebruiken om de aanstelling van de trajectbegeleiders te continueren. De werkzaamheden van de trajectbegeleiders zijn veelal gekoppeld aan de rmc-functie. Op basis van de eigen 'good practice' is het evenwel aan de gemeenten om in overleg met alle relevante actoren te bezien of trajectbegeleiding het meest geëigende instrument is om voortijdig schoolverlaten in die specifieke gemeente terug te dringen en waar de trajectbegeleiding moet worden gesitueerd. Het kabinet heeft in het Plan van Aanpak Voortijdig Schoolverlaten zoveel mogelijk ruimte willen bieden aan gemeenten om maatwerk te leveren in hun specifieke situatie. Naar verwachting wordt daarmee voldoende ondersteuning gegeven aan deze aanbeveling. Het kabinet zal monitoren of dit ook werkelijk zo is. Indien dit onvoldoende blijkt zal worden bezien op welke wijze daarin verandering kan worden gebracht.


4.2 Flexibilisering van het onderwijsaanbod
Aanbeveling 3. jongeren moeten de mogelijkheid krijgen om een volledig praktijkgerichte leerweg te kiezen om tot hun startkwalificatie te komen.
Reactie: Het kabinet hecht er een groot belang aan dat een ieder die in staat is een startkwalificatie te behalen deze ook serieus tracht te behalen. Daartoe is het wel nodig dat ook alle mogelijkheden worden geboden om die startkwalificatie op de voor de betreffende persoon meest geëigende manier te behalen. Het rapport schetst de contouren van een 'werktraject'. In dit werktraject wordt de startkwalificatie volledig in en/of vanuit een baan behaald. Daarmee wordt een alternatief geboden voor diegenen voor wie ook de BBL in de huidige vorm nog teveel een schoolse omgeving biedt. Het ijkpunt is de kwalificatiestructuur beroepsonderwijs en het niveau van eindtermen waarop de startkwalificatie is gebaseerd. Het werktraject is vooral interessant voor die jongeren en werknemers zonder startkwalificatie, die redelijkerwijs niet meer in een regulier traject in te passen zijn. In dit arrangement is de werkgever, samen met de (jongere) werknemer verantwoordelijk voor het proces van competentieverwerving gericht op het behalen van een (start)kwalificatie. De functie van het werktraject kan goed uit de verf komen als wordt aangesloten bij de aanpak van de trajectbegeleiding, die bij aanbeveling 2 beschreven is. Bij een jongere die voortijdig uit het schoolsysteem is gevallen, speelt de trajectbeleider een belangrijke rol in het leiden naar de juiste mogelijkheden om alsnog een startkwalificatie te behalen. Op lokaal niveau dienen afspraken gemaakt te worden tussen werkgevers en gemeente over de opvang en begeleiding van de jongeren die voor het werktraject kiezen. Bij de uitwerking van het werktraject zullen nog wel praktische vragen moeten worden beantwoord, zoals met betrekking tot de inhoudelijke betekenis van de kwalificatie, de financiering, de gevolgen voor de bestaande kwalificatiestructuur, de selectiecriteria en kwantitatieve doelstellingen. Het principe dat aan het werktraject ten grondslag ligt sluit verder nauw aan bij het gedachtengoed van erkenning van elders verworven competenties (EVC), waar het certificeren van praktijkervaring een centrale rol speelt. Het is van groot belang dat snelle voortgang wordt gemaakt met EVC in de kwalificatiestructuur van het beroepsonderwijs. Aan het onderdeel versterking van de kwalificatiestructuur van de employability-agenda zal daarom ook EVC worden toegevoegd. Hierover worden in het voorjaarsoverleg definitieve afspraken gemaakt met de sociale partners. Een belangrijke rol hierbij spelen het COLO en de afzonderlijke landelijke organen voor het beroepsonderwijs. Met de betrokken partijen zal ondertekende een plan uitwerken om EVC in de kwalificatiestructuur in de vlechten. Daarnaast zal een landelijk kenniscentrum worden opgezet dat de toepassing van de EVC-systematiek zal stimuleren. Het werktraject wordt vooralsnog vooral gezien als een mogelijkheid om voortijdig schoolverlaters die redelijkerwijs niet meer terug naar school kunnen een goed alternatief te bieden om alsnog een (start)kwalificatie te behalen. Aangesloten zal worden bij de afspraak in de employability-agenda (agendapunt 10) om modaliteiten te ontwikkelen voor trajecten voor jongeren die vroegtijdig uitstromen naar de arbeidsmarkt. Verder attendeert het kabinet er op dat ook in de nieuwe doelstelling 3 van het Europees Sociaal Fonds de scholing van werkenden zonder startkwalificatie zal worden gestimuleerd. Uit het bovenstaande blijkt dat een betrokkenheid van werkgevers een belangrijke voorwaarde is voor het realiseren van het werktraject, en voor een adequate aanpak van het vraagstuk van onvoldoend gekwalificeerde jongeren. Het kabinet beseft dat dit ook geldt voor de rijksoverheid in haar hoedanigheid als werkgever. In dat verband valt te melden dat in de krijgsmacht goede ervaringen zijn opgedaan met een vergelijkbare figuur als het werktraject. Dit is ook relevant bij het streven van Defensie om Beroepsmilitairen Bepaalde Tijd (BBT-ers) na afloop van hun contract met tenminste een startkwalificatie terug te leiden naar de arbeidsmarkt. Aanbeveling 4. Jongeren moeten meer mogelijkheden krijgen om leercontracten af te sluiten. Met name met werkgevers, teneinde via een praktijkgerichte leerweg een startkwalificatie te behalen. Leercontracten dienen voor alle partijen verplichtende elementen te bevatten. Reactie: Een goed middel om op individueel niveau afspraken te maken tussen (primair) het bedrijf en diegene die zonder startkwalificatie wordt aangenomen, is het leercontract zoals dat in het rapport wordt toegelicht. Het kabinet zou er overigens de voorkeur aan geven zo'n contract een 'kwalificatiecontract' te noemen. Daarmee wordt beter tot uitdrukking gebracht dat het in essentie gaat om het realiseren van een (start)kwalificatie, en niet zozeer om de weg waarlangs dat geschiedt. Uitgangspunt zou moeten zijn dat nieuwe werknemers zonder startkwalificatie een opleiding in het kader van de BBL of via het werktraject krijgen aangeboden. Partijen in zo'n contract zijn in elk geval de werknemer en de werkgever. De trajectbegeleider kan bij de totstandkoming van het contract een belangrijke rol vervullen. Het 'kwalificatiecontract' kan een goede vorm bieden voor de afspraken die tussen werkgever en werknemer worden gemaakt over het 'werktraject'. Verder kan het contract de basis vormen voor de bij aanbeveling 7 gesuggereerde bonus/malus regeling. Bij de uitwerking van dit voorstel zal nog wel nader verduidelijkt moeten worden hoe zo'n contract zich verhoudt tot de bpv-overeenkomst, wat de positie van de deelnemer respectievelijk werknemer is, hoe de externe toets geregeld wordt, en wat de rol zou kunnen zijn van het landelijk orgaan beroepsonderwijs. Het belang om voor iedereen te streven naar het niveau van de startkwalificatie wordt door alle betrokkenen (zowel overheden als sociale partners) onderschreven. Bij het benaderen van werkenden zonder startkwalificatie spelen ook sociale partners een belangrijke rol. Het kabinet zou met sociale partners afspraken willen maken over de mogelijkheid van het introduceren van leercontracten. Dit zal worden opgepakt in het kader van de employability agenda. Aanbeveling
5. Indien men niet in staat is op een onderwijsinstelling onderwijs te volgen wegens bijvoorbeeld fysieke en/of gedragsredenen moet het mogelijk zijn de startkwalificatie buiten school te behalen, bijvoorbeeld in een penitentiaire- of zorginstelling. Reactie Het kabinet hecht er groot belang aan dat ook jongeren in justitiële- of zorginrichtingen - die vaak niet in de (fysieke) gelegenheid zijn om deel te nemen aan het reguliere onderwijsproces - voldoende mogelijkheden krijgen om een startkwalificatie te behalen. De inspanningen die OC&W, Justitie en VWS momenteel plegen om kwalificerend onderwijs in alle justitiële- en zorginstellingen tot stand te brengen, zullen worden voortgezet. Onverlet deze activiteiten ziet het kabinet de noodzaak om samenwerkingsverbanden tussen justitiële jeugdinrichtingen en ROC's, die erop gericht zijn om jongeren werkervaring te laten opdoen en kwalificaties te laten behalen, verder uit te breiden. Daarnaast onderstreept het kabinet de aanbeveling van de werkgroep om mogelijkheden op het terrein van de ICT en afstandsonderwijs verder te onderzoeken. Aanbeveling 6. Er moet (meer) op worden toegezien dat scholen voldoen aan hun plicht om in principe voor iedereen toegankelijk te zijn. Met name waar het gaat om het weigeren van jongeren die uit een problematische situatie komen (bijv. justitiële bemoeienis) is dat van belang.

Reactie

Het kabinet onderstreept dat de toegankelijkheid van het onderwijs voor iedereen - ook voor jongeren die met justitie in aanraking zijn gekomen - van groot belang is. Scholen hebben in dat opzicht een inspanningsverplichting. Voor jongeren die met justitie in aanraking zijn geweest moeten scholen indien nodig ondersteuning van anderen (bijvoorbeeld jeugdreclassering) zoeken. De onderwijsinspectie moet er toezien dat de wetgeving omtrent de toelating daadwerkelijk wordt gehandhaafd. Ook voor deze aanbeveling is het van belang dat de regierol van gemeenten een wettelijke verankering krijgt met de RMC-wet. De evaluatie van de RMC-wet zal duidelijk moeten maken of gemeenten voldoende instrumenten in handen hebben om de eindverantwoordelijkheid in te kunnen vullen.


4.3 Financiële prikkels

Aanbeveling 7. Teneinde zowel de jongere meer gebruik te laten maken van de eigen verantwoordelijkheid, als de instanties om hem of haar heen te stimuleren een zo groot mogelijke bijdrage te leveren aan het halen van een startkwalificatie, zal een systeem moeten worden ontworpen waarin (financiële) prikkels bijdragen aan de inzet van jongeren, werkgevers, scholen of mogelijk andere instanties.

Reactie

In het rapport is deze aanbeveling op verschillende manieren uitgewerkt. In de eerste plaats in verschillende varianten van een bonus/malusregeling, gekoppeld aan het kwalificatiecontract (zie aanbeveling 4). Dit komt er op neer dat aan het niet nakomen of verbreken van het contract financiële sancties worden verbonden. Het kabinet betrekt dit idee bij de verdere uitwerking van het voorstel voor de kwalificatiecontracten.

Daarnaast wordt in het rapport voorgesteld om positieve incentives toe te dienen op basis van vergelijking van 'good practice'. Het idee daarbij is een top 5 van gemeenten die het beste invulling geven aan hun eindverantwoordelijkheid op het gebied van voortijdige schoolverlaters. Een vergelijkbare top 5 kan worden samengesteld voor instellingen die er qua schoolklimaat uitspringen, aldus het rapport. Het kabinet vindt dit interessante suggesties die een nadere studie waard zijn. Daarbij zal goed moeten worden gekeken naar de uitvoerbaarheid en naar de criteria op basis waarvan een dergelijke ranglijst kan worden opgesteld.

Aanbeveling 8. Naar het model van de Zilvervlootrekening dient een generieke studie- en diplomeringsverzekering te worden opgezet die een bonus oplevert bij het hebben behaald van minimaal de startkwalificatie.

Reactie

Het kabinet acht het op voorhand niet plausibel dan wel bewezen dat de maatregel effect zou kunnen sorteren. Daarnaast kan ten principale de vraag worden gesteld of op deze wijze een bonus moet worden verleend aan het behalen van een startkwalificatie. Vooralsnog heeft deze aanbeveling voor het kabinet niet de hoogste prioriteit.

Aanbeveling 9. In vervolg op de gewijzigde bekostigingsstructuur van de BVE-sector zal moeten worden bezien in hoeverre de nu gekozen outputbenadering de juiste is teneinde een prikkel te geven aan onderwijsinstellingen om zoveel mogelijk jongeren naar een zo hoog mogelijk kwalificatieniveau te geleiden. De bekostiging van het BVE-onderwijs dienst zo te worden vormgegeven dat de incentive voor de onderwijsinstellingen maximaal is en leidt tot een goede mix van zekerheid (basisbekostiging) en flexibiliteit (leerlinggericht) zonder risico van selectie aan de poort.

Reactie

De consequenties van de invoering van het nieuwe bekostigingsstelsel zullen nauwgezet worden gevolgd. Daarnaast zullen de effecten van het nieuwe bekostigingsstelsel ultimo 2004 worden geëvalueerd. Daarbij zal worden bezien in hoeverre de nu gekozen outputfinanciering de juiste prikkel is aan onderwijsinstellingen om zoveel mogelijk jongeren naar een zo hoog mogelijk kwalificatieniveau te geleiden. De incentive voor de onderwijsinstelling dient optimaal te zijn in het licht van een goede mix van zekerheid (basisbekostiging) en flexibiliteit (leerling-gericht) zonder risico van selectie aan de poort (zie ook reactie op aanbeveling 6).

Voorafgaand aan deze evaluatie zal in 2002 een effectstudie van meer kwalitatieve aard plaatsvinden, waarin nagegaan wordt op welke wijze en in welke mate de huidige bekostigingssystematiek de onderwijsinstellingen aanzet het primaire proces te versterken in de richting van meer maatwerk, doelmatige leertrajecten, grotere deelnemersgerichtheid en feitelijke kwalificering.

Aanbeveling 10. Jongeren die zich in een werk- of uitkeringssituatie bevinden en niet in het bezit zijn van een startkwalificatie kunnen aanspraak maken op zogenaamde scholingsvouchers, waarmee zij bij diverse instanties, werkgevers of opleidingsinstituten opleiding kunnen 'inkopen'.

Reactie

Het inzetten van scholingvouchers kan een positief effect hebben op de bereidheid om te leren. Dit instrument kent vele verschijningsvormen, doch is tot op heden nog maar in beperkte mate toegepast. De vouchersystematiek biedt ook de mogelijkheid om een bonus/malus
-regeling toe te passen. Onderzocht moet worden welke vorm de beste prikkel geeft om scholing weer op te pakken. In het kader van een Europees project «Individual Learning Account» wordt ook voor de Nederlandse situatie bezien wat de mogelijkheden zijn om het concept van 'Individuele Leerrekening', een variant op het voucher-concept, in te voeren. Dit zal leiden tot een rapport met concrete aanbevelingen. Op basis daarvan zouden door middel van pilots concrete ervaringen met dit concept kunnen worden opgedaan. Dit zal worden opgepakt in het kader van de employability-agenda.


*) Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie
Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie