Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Toespraak Wellink (DNB): Nederland op grens oververhitting

Datum nieuwsfeit: 27-06-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

De Nederlandsche Bank NV
Afdeling Externe betrekkingen en voorlichting

Nederland op de grens van oververhitting

Toespraak gehouden door dr. A.H.E.M. Wellink, president van de Nederlandsche Bank, tijdens de Zomerparty van het Nederlands Verbond van Ondernemers in de Bouwnijverheid in Baarn op 27 juni 2000

De Nederlandse economie draait op volle toeren. Volgens recente ramingen handhaaft de economische groei zich dit jaar rond het niveau van 4% bbp. De bouw, die een wat ander conjunctureel patroon vertoont, blijft hier weliswaar iets bij achter, maar ook de bouwproductie zal dit jaar met circa 3% stijgen. Bedrijven kunnen maar net aan de vraag van hun klanten voldoen, in veel sectoren is een gebrek aan goed gekwalificeerd personeel en aan de forse huizenprijsstijgingen lijkt maar geen einde te komen. Zo bezien, is het niet vreemd dat zich van velen een euforische stemming heeft meester gemaakt.

Verschijnselen oververhitting
Maar het kan ook te hard gaan. Nederland vertoont de eerste tekenen van een oververhitte economie. Dat wil zeggen dat de economische ontwikkeling langzamerhand zo uitbundig is dat risico's ontstaan voor ongunstige neveneffecten. Het gaat om risico's voor de loon- en prijsontwikkeling, met potentieel negatieve gevolgen voor de winst en concurrentiepositie van het bedrijfsleven. Voor de bouwsector zijn deze risico's extra pregnant, omdat deze sector erg loongevoelig is. Wel maken revolutionaire ontwikkelingen op het terrein van de informatietechnologie en structureel beter economisch beleid het mogelijk thans trendmatig harder te groeien dan enkele jaren geleden. Naar de mate waarin dit mogelijk is, kan men echter slechts gissen. De grenzen van de groei zijn misschien verlegd, maar niet opgeheven. Het heeft er alle schijn van dat de Nederlandse economische groei die grenzen dicht is genaderd. Vergeleken met de problemen verbonden aan hoge werkloosheid, waar Nederland tot het begin van de jaren '90 mee kampte, is dit een luxeprobleem. Maar ook luxeproblemen kunnen knellen.

Waarin komen de luxeproblemen naar voren? Allereerst is de toenemende krapte op de arbeidsmarkt nijpend. Het aantal openstaande vacatures per duizend banen is het afgelopen jaar gestegen tot 30, het hoogste niveau sinds het begin van de jaren '70. In de bouwsector staan zelfs 37 vacatures per duizend banen open. In de bouw en sommige andere sectoren neemt het aantal moeilijk vervulbare vacatures daarbij toe, terwijl steeds meer ondernemers aangeven dat zij hinder ondervinden van personeelsgebrek bij het uitbreiden van hun productie. Deze ontwikkelingen gaan gepaard met een geregistreerde werkloosheid die inmiddels is afgenomen tot 2,8% van de beroepsbevolking, het laagste cijfer sinds eind 1973.

Ook op vermogensmarkten zijn de ontwikkelingen stormachtig. Dit geldt in het bijzonder voor de Nederlandse huizenmarkt, waar een langdurige hausse heerst. Sinds 1990 zijn de Nederlandse huizenprijzen met 100% gestegen. Deze stijging is hoog in vergelijking met andere Europese landen. Behalve in Ierland zijn de huizenprijzen nergens zo sterk toegenomen als in ons land. De omvangrijke vermogenswinsten uit woningbezit hebben de economische groei in Nederland verhoogd, naar ruwe raming met gemiddeld 0,4 procentpunt per jaar in de periode 1996-1999.

Bij dit alles is de inflatie in ons land in de afgelopen jaren nog relatief gematigd gebleven. De Nederlandse inflatie lag in mei iets boven 2%. Het dempende effect van de Azië-crisis op de invoerprijzen heeft een matigend effect op de inflatie gehad. Thans is de trend echter gekeerd. De doorwerking van een aantrekkende wereldconjunctuur en de stijgende prijs van energie en andere grondstoffen wordt steeds duidelijker merkbaar. Ook overheidsmaatregelen geven een impuls aan de inflatie. Voor volgend jaar wordt een stijging van de inflatie tot 3,5% voorzien. Dit is voor iets meer dan een procentpunt een éénmalig effect, dat hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door de verhoging van het hoge BTW-tarief van 17,5 tot 19% per 1 januari 2001. Belangrijk is dat de sociale partners bij de loononderhandelingen door dit eenmalige effect heenkijken. Dat kan door zich te baseren op een inflatiecijfer dat is geschoond voor de invloed van overheidsbeleid.

Niet alleen in Nederland
Naast Nederland heeft een aantal andere snel groeiende landen in het eurogebied eveneens te kampen met tekenen van oververhitting, al verschillen de verschijnselen van land tot land. In Ierland gaat een economische groei van naar het zich laat aanzien ruim 8% gepaard met een inflatie die inmiddels is gestegen tot 5%. Evenals Nederland, heeft Ierland - het meest uitzonderlijke geval - een overspannen huizenmarkt. De Ierse regering en sociale partners hebben een pact gesloten om verdere proliferatie van de inflatoire tendens te voorkomen. Ook in Portugal, Spanje en Finland gaat een krachtige bbp-groei van gemiddeld zo'n 4% per jaar gepaard met een inflatie die duidelijk boven 2 procent ligt. Ondanks een afnemende werkloosheid is de krapte op de arbeidsmarkt in deze landen echter vooralsnog niet te vergelijken met die in ons land, terwijl ook de stijging van de huizenprijzen veel beperkter is gebleven.

Winsten Nederlandse ondernemingen
Wanneer het zo goed gaat met de Nederlandse economie, zou je verwachten dat de winsten van ondernemingen navenant stijgen. Dat lijkt niet het geval. In 1999 vertoonden de winsten van beursgenoteerde Nederlandse ondernemingen een groei van 13%. Rekening houdend met het feit dat de winsten in 1998 werden gedrukt door de gevolgen van de Azië-crisis, is dat bescheiden. Omdat de omzetgroei in 1999 sneller toenam, daalden de winstmarges zelfs licht, tot circa 6%. Het beeld is nog minder florissant wanneer we kijken naar de winstontwikkeling in sectoren. De gerealiseerde winstgroei komt vrijwel geheel op het conto van de financiële sector, waar de winsten in 1999 met 54% toenamen, tot bijna 10 miljard euro. Daarbij zij bedacht dat de winstgroei in de financiële sector in belangrijke mate stoelt op gunstige beleggingsresultaten. De bouwsector doet het met een winstgroei van 1% in 1999 slechter dan gemiddeld. Omdat dit cijfer alleen betrekking heeft op de beursgenoteerde ondernemingen zou het totale plaatje echter gunstiger kunnen zijn. Kleine, veelal niet beursgenoteerde, ondernemingen presteerden in 1999 namelijk gemiddeld beter dan grote.

Toegenomen concurrentie
Waarom blijft de winstontwikkeling achter bij de verwachtingen? Een deel van het antwoord moet worden gezocht in de toegenomen concurrentie. Het tegenwoordige mededingingsbeleid in Europa en Nederland begint zijn vruchten af te werpen. In ons land speelt de NMa hierbij een prominente rol. Extra concurrentie door deregulering en liberalisatie is misschien hinderlijk voor een individuele ondernemer, maar het is doorgaans gunstig voor de consumenten en voor de welvaart in het algemeen. Zo lagen de Nederlandse telecomprijzen in mei ruim 7% lager dan een jaar eerder.

Karakter CAO's verandert
Een andere verklaringsgrond voor de achterblijvende winstontwikkeling van het Nederlandse bedrijfsleven zijn de hogere lonen, die het gevolg zijn van de al eerder genoemde krapte op de arbeidsmarkt. Recente ontwikkelingen rond CAO's illustreren de opwaartse druk op de lonen door arbeidsmarktkrapte. Tot medio jaren '90 gaven CAO's een goed beeld van de feitelijke ontwikkeling van de arbeidsvoorwaarden. Sindsdien zijn CAO's steeds meer als bodem gaan fungeren voor de feitelijke afspraken tussen werkgevers en werknemers. Door schaarste op deelmarkten hebben steeds meer werkgevers zich gedwongen gezien werknemers meer te bieden dan de CAO-loonstijging. In 1998 nam het gemiddelde uurloon voor een werknemer die onder een CAO valt gemiddeld toe met bijna 6%, terwijl de CAO-stijging maar ongeveer 3% bedroeg. Door periodieken en promoties is het niet ongebruikelijk dat de feitelijke loonstijging hoger uitvalt dan de CAO-loonmutatie, maar het verschil is de laatste jaren toegenomen. Een andere indicatie voor het nieuwe karakter van CAO's als een bodem voor de feitelijke arbeidsvoorwaarden, is dat het percentage werknemers dat een extra uitkering ontvangt in aanvulling op het bruto loon sinds het begin van de jaren '90 is gestegen.

Het is niet zonder meer een ongunstige ontwikkeling dat CAO-loonstijgingen steeds meer het karakter krijgen van een uitgangspunt voor de totale loonstijging in plaats van een plafond, ofschoon hierdoor de mogelijkheid tot beleidsmatige sturing van de loonontwikkeling afneemt. Door de nieuwe trend kan de beloning van werknemers meer marktconform worden. In dit nieuwe stramien past een bescheiden CAO-loonstijging, die ervoor zorgt dat iedereen in de toenemende welvaart deelt. Naast de CAO-loonstijging is vervolgens een rol weggelegd voor variabele beloningscomponenten, waarin de schaarsteverhoudingen en productiviteitsverschillen op de markt tot uitdrukking kunnen komen. Eén en ander mag per saldo niet leiden tot het opdrijven van de lonen: de totale loonstijging moet gematigd blijven. Een hoger aandeel van flexibele beloningselementen is ook goed om te vermijden dat ondernemers vast zitten aan hoge loonkosten wanneer de economische ontwikkeling stagneert. Flexibele beloningselementen kunnen immers mee-ademen met de conjunctuur. Er is echter wel een bijkomend probleem. De ontwikkeling naar een prominentere rol van variabele beloningselementen in de private sector zou problemen kunnen meebrengen voor de loonstructuur bij de overheid. De overheid moet een aantrekkelijke werkgever blijven voor goed gekwalificeerd personeel. Daarom zou ook in de publieke sector gezocht moeten worden naar wegen om meer variabele beloningselementen te introduceren.

Verborgen arbeidspotentieel
Zoals eerder aangegeven, en zoals ook blijkt uit mijn opmerkingen over de CAO's, zijn de spanningen in de Nederlandse economie het duidelijkst voelbaar op de arbeidsmarkt. Door de ontgroening en vergrijzing van de bevolking zullen steeds minder jongeren de arbeidsmarkt betreden en steeds meer ouderen de arbeidsmarkt verlaten. Dit onderstreept het belang van gericht beleid om de spanningen op de arbeidsmarkt te verlichten. Het aantal van ruim 900.000 arbeidsongeschikten, naast de werkloze beroepsbevolking van ruim 200.000, suggereert dat er nog een verborgen arbeidspotentieel is dat kan worden aangeboord. Het relatieve aandeel van de bouw in arbeidsongeschiktheidsregelingen is helaas nog altijd veel groter dan van de meeste andere sectoren. Per 100 werknemers in de bouw ontvangen ongeveer 30 personen een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De opvattingen lopen uiteen in welke mate de 900.000 arbeidsongeschikten nog kunnen bijdragen aan het feitelijke arbeidsaanbod. Volgens onderzoek van de SER in 1997 zou ongeveer een kwart van de 700.000 volledig arbeidsongeschikten inzetbaar zijn in het arbeidsproces. Kwantitatief belangrijker voor het arbeidspotentieel is waarschijnlijk de groep die in de CBS-enquête Beroepsbevolking aangeeft wel te willen werken, maar niet onmiddellijk voor werk beschikbaar is, en daarom niet meetelt in de werkloosheidsstatistieken. In 1999 ging het hierbij om circa 500.000 personen. Gehuwde vrouwen met kinderen zijn in deze groep sterk vertegenwoordigd. Dit punt wordt verder uitgewerkt in het deze maand verschenen Kwartaalbericht van de Bank.
Arbeidsaanbod vergroten
Met het oog op de noodzaak het Nederlandse arbeidsaanbod te vergroten, is de hervorming van het belastingstelsel in 2001 gunstig te noemen. Hierbij valt te denken aan de verlaging van de marginale tarieven, waardoor werken meer zal opleveren dan nu en het arbeidsaanbod op langere termijn zal toenemen. Voorts zal het voor uitkeringsgerechtigden door de introductie van een arbeidskorting aantrekkelijker worden om een betaalde baan te accepteren.
Naast de herziening van het belastingstelsel is meer nodig om het arbeidsaanbod te vergroten. Mede gezien de wens van veel werknemers om in steeds meer op maat gesneden arbeidsvoorwaarden mínder dan een volledige werkweek te werken, zal het moeilijk zijn via arbeidstijdverkorting het feitelijke arbeidsaanbod te vergroten. Twee beleidssporen bieden op relatief korte termijn perspectief. Ten eerste kan de participatie van vrouwen vermoedelijk nog toenemen. Hoewel het percentage werkende vrouwen in ons land in de afgelopen jaren is gestegen, lopen wij internationaal niet voorop. Door het creëren van extra mogelijkheden voor kinderopvang kan arbeidsaanbod van werkende moeders worden bevorderd. Zoals gezegd, duiden enquêteresultaten op de wens van velen van hen om te gaan werken.

Ten tweede kan het arbeidsaanbod van ouderen stijgen. Voorlopig kan nog veel winst worden geboekt door werknemers tussen vijfenvijftig en vijfenzestig jaar aan te moedigen langer door te werken. Het kabinet streeft via dit kanaal naar een toename van het arbeidsaanbod met circa 60.000 personen in de komende vier jaar. Op termijn is wellicht nog meer mogelijk. Laten we vooralsnog geen enkele oplossing taboe verklaren. Ik zou mij kunnen voorstellen dat uiteindelijk ook de rigide pensioenleeftijd van 65 jaar plaats maakt voor een flexibele pensioenleeftijd, met meer ruimte voor individuele keuzes. Kortom, er staan nog veel uitdagingen open.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie