Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoorden op vragen financiele verantwoording VROM 1999

Datum nieuwsfeit: 27-06-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief VROM antwoorden op vragen, gesteld tijdens ao fina verantwoording vrom 1999

Gemaakt: 28-6-2000 tijd: 19:59


27127 Financiele verantwoordingen over het jaar 1999 nr. 89 Brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 27 juni 2000

Op 8 juni 2000 heeft er overleg plaatsgevonden met mij, de staatssecretaris en de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over het Jaarverslag 1999 en de Financiële verantwoording 1999.

Tijdens dit overleg zijn enkele vragen niet beantwoord. Bijgaand treft u de nog openstaande vragen inclusief de antwoorden aan. De vragen zijn opgesteld op basis van het verslag van het Algemeen Overleg, vastgesteld op 13 juni 2000 (27 127, nr. 66).

Voorts is nog een bijlage toegevoegd, waarbij wordt ingegaan op het verzoek van de Kamer om de stroomlijning van de werkprocessen in de uitvoeringsorganisatie DGVH (huursubsidie) aan te duiden en in de tijd te plaatsen.

Ik neem aan u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

De Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.P. Pronk
Antwoorden op mondelinge vragen die op 8 juni 2000, tijdens het Algemeen Overleg over het jaarverslag en de financiële verantwoording 1999, zijn gesteld en niet zijn beantwoord. De vragen zijn opgesteld op basis van het verslag van het Algemeen Overleg, vastgesteld op 13 juni 2000 (27 127, nr. 66).
Vraag 1 (de heer Feenstra, PvdA)
De winst van het jaarverslag is dat wij nauwkeuriger kunnen nagaan of de gelden die ergens voor worden uitgetrokken, daarvoor worden bestemd. Dat betreft milieugelden binnen de VROM-begroting en de milieugelden die worden overgeheveld naar andere begrotingen. Die inzichtelijkheid geldt ook voor de begrotingen van gemeenten en provincies. Mijn vraag is of bij de milieugelden die niet via de overheden lopen, maar via stichtingen, verenigingen en doelgroepen dezelfde kwaliteitsbewaking kan worden gegarandeerd. (pagina 3)
Antwoord:
In het algemeen kan gesteld worden dat de milieugelden die aan stichtingen, verenigingen en doelgroepen worden toegekend op basis van de Subsidieregeling Maatschappelijke Organisaties en Milieu worden verstrekt. Deze regeling kent geen exploitatie-subsidies maar activiteiten- en resultaatgerichte programmasubsidies. Bij toekenning van de subsidies wordt vooraf de bestemming van de gelden beoordeeld. Na afloop zijn de genoemde organisaties verplicht een verslag en accountantsverklaring te overleggen. Door deze opzet van de regeling wordt de kwaliteitsbewaking van de uitgaven gegarandeerd.
Vraag 2 (mevrouw Augusteijn-Esser, D'66)
Tot 2011 is er in totaal bijna 3 miljard beschikbaar voor klimaatbeleid. Dat zit niet allemaal bij het ministerie van VROM. Er zit ook veel bij andere ministeries. Maar er is mijns inziens geen zicht op de resultaten van de uitgaven. Dat kan ook nauwelijks, want alras blijkt dat over 1998 en 1999 slechts 6 miljoen is uitgegeven van de 151 miljoen waarvoor verplichtingen zijn aangegaan. Dan kun je niet zoveel resultaat verwachten. Wat gebeurt er met het restant van het geld? Ik neem aan dat het beschikbaar blijft voor het beleid. (pagina 5)
Antwoord:
Ja, het geld is en blijft beschikbaar. Uit de verstrekte informatie blijkt echter dat verplichtingenritmes en kasritmes aanzienlijk kunnen verschillen. Er zijn binnen het CO2-reductieplan verplichtingen aangegaan waarbij de kasbetalingen zich uitstrekken tot 2010. Het feit dat kasbetalingen nog niet zijn verricht, betekent niet dat bedragen niet beschikbaar blijven. Sterk gespreide kasritmes betekenen ook dat de beoogde CO2-reducties gefaseerd tot stand zullen komen, maar dat hangt samen met het karakter van sommige projecten (bijvoorbeeld een project waarbij restwarmte wordt geleverd aan geplande nieuwbouwlokaties die over een periode van 10 jaar wordt gerealiseerd). Vraag 3 (de heer Van Wijmen, CDA)
Wij beschikken niet over een volledig overzicht van het aantal geluidbelaste woningen. Dat komt, omdat een aantal geluidshinderregelingen onder het ministerie van V&W vallen, zodat er twee informatiestromen zijn. Ik verwijs voor het gemak naar bladzijde 62 van het rapport Beleidsprioriteiten (van de Algemene Rekenkamer (AR)). Die informatiestromen moet je samenvoegen om inzicht te krijgen. Mijn vraag is of de minister bereid is de coördinatie met zijn collega van V&W voorrang te geven, zodat die informatie zo gauw mogelijk beschikbaar komt. (pagina 5)
Antwoord:
Het bestaan van twee informatiestromen over de geluidbelaste woningen in Nederland hangt samen met de verschillende bevoegdheden van de departementen. VROM heeft informatie over de woningen in Nederland die in aanmerking komen voor saneringsmaatregelen die op grond van de huidige regelgeving door VROM moeten worden gefinancierd. De informatie van V&W betreft de woningen, die voor geluidsmaatregelen in aanmerking komen in verband met de aanleg of uitbreiding van infrastructuur. Koppeling van deze twee informatiestromen ligt niet voor de hand omdat dit door het detailniveau van de registraties en de mogelijke mutaties arbeidsintensief is en de beleidsmatige meerwaarde zeer gering is. Bovendien beschikt het RIVM in het kader van het landelijk beeld verstoring over een totaal overzicht van de geluidsbelasting in Nederland.
Vraag 4 (de heer Van Wijmen, CDA)
Ik wijs in dit verband ook nog even op de conclusie van de AR op bladzijde 39 van het rechtmatigheidsonderzoek 1999 "dat de voortvarendheid waarmede de uit 1998 overblijvende punten zijn opgepakt te wensen overlaat". Heeft dit onderdeel inmiddels al een beetje vaart gekregen? (pagina 5 en 6)
Antwoord:
Inmiddels is besloten om de knelpunten die eind 1999 zijn geconstateerd bij de uitvoering van het controlebeleid op te lossen door het Uitvoeringsbesluit Sanering Verkeerslawaai aan te passen. Dit betreft onder andere het aanpassen/actualiseren van de normbedragen, het gebruik van deze bedragen als harde toetsnorm voor de werkelijke kosten van de uitvoering, het beter inzichtelijk maken van de aanbestedingen en de wijze van informatie verstrekking door de budgethouders. Deze regelgeving wordt thans aangepast en zal naar verwachting in juli van kracht worden.
Vraag 5 (de heer Van Wijmen, CDA)
Wat de volkshuisvesting betreft, is door het directoraat-generaal een beleid ontwikkeld op het stuk van misbruik en oneigenlijk (M&O) gebruik van subsidies. Een rapport van de AR van juni 1999 is gewijd aan het voorkomen en bestrijding van M&O gebruik. Daarin worden eisen geformuleerd aan het beleid, zoals een overzicht van gevoelige punten en van gegevens omtrent het financiële belang van subsidieregelingen. De Rekenkamer laat weten dat aan die eisen nog niet is voldaan en dat door het directoraat-generaal in de tweede helft van 1999 niet voldoende aandacht is besteed aan die aspecten van M&O gebruik. Wij willen graag weten of in deze lacune inmiddels is voorzien. (pagina 6)
Antwoord:
De Rekenkamer constateerde dat in 1999 sprake was van tekortkomingen op een onderdeel van het M&O beleid van het DGVH. Dit betrof het in de tweede helft van 1999 onvoldoende aandacht besteden aan de coördinatie van M&O aspecten, mede daar de werkgroep M&O, die zich mede met deze aangelegenheden binnen het DGVH bezig zou houden niet meer bijeen is geweest. Gevraagd is naar de maatregelen om hierin verbeteringen aan te brengen. Zoals in het rapport van de Rekenkamer (TK, 1999-20000, 27127, nr. 26, blz. 29/30) is aangegeven, is inmiddels besloten de afzonderlijke werkgroep M&O binnen het DGVH te laten voortbestaan. Daarbij zijn duidelijke afspraken gemaakt over processen, taken en verantwoordelijkheden. Ook zijn in de eerste vergadering van de werkgroep (eind maart 2000) afspraken gemaakt over het actualiseren en vaststellen van de het overzicht M&O gevoelige punten per regeling. Hiermee is tegemoet gekomen aan de door de Rekenkamer geconstateerde tekortkomingen op dit terrein.
Vraag 6 (mevrouw Van Gent, Groen Links)
Ik heb diverse keren vragen gesteld over de terugvordering van te veel ontvangen huursubsidie. Dat is een weerbarstig terrein. Corporaties gaan er heel verschillend mee om. Sommige corporaties willen dat bedrag in één keer terug hebben, ander hebben een terugbetalingsregeling die de mensen kunnen opbrengen. Wil de staatssecretaris daar nóg serieuzer naar kijken omdat er toch knelpunten zijn? (pagina 7)
Antwoord:
Gevraagd is om voor corporaties een meer uniform (soepel) incassobeleid voor te schrijven. Momenteel wordt teveel betaalde huursubsidie uitsluitend door verhuurders teruggevorderd indien gedurende het tijdvak wordt geconstateerd dat het subsidiebedrag te hoog is vastgesteld. Dit mede omdat dan ook een aanpassing van de bijdrage voor de rest van het tijdvak aan de orde is. Het terug te vorderen bedrag zou anders nog verder oplopen. In de overige gevallen wordt teveel uitgekeerde huursubsidie door het Rijk teruggevorderd. Hierbij wil ik ook verwijzen naar de wet individuele schuldsanering die in schrijnende gevallen zorg draagt voor een uniforme afhandeling. Na de implementatie van EOS zullen terugvorderingen overigens niet of nauwelijks meer aan de orde zijn, omdat de controle van gegevens achteraf, met de mogelijkheid van correcties, zal zijn vervangen door verificatie vooraf.
Vraag 7 (mevrouw Van Gent, Groen Links)
Anderhalf jaar geleden hebben wij een uitgebreid debat gevoerd over de maximale huurverhoging met betrekking tot huursubsidie. Er zijn veel geluiden dat de particuliere huurders daarover duikelen. Wellicht kan de staatssecretaris daarin inzicht verschaffen? Deze week heeft de Woonbond een onderzoek gepresenteerd waaruit blijkt dat particuliere verhuurders veel huur vragen en de verhouding tussen prijs en kwaliteit niet altijd even goed is. Het lijkt mij dat hier toch enige actie geboden is. (pagina 7)
Antwoord:
Geconstateerd werd dat ondanks het daartoe strekkende convenant bij met name particuliere verhuurders de maximale huurgrens regelmatig wordt overschreden. Ook zou zijn gebleken uit een onlangs verschenen rapport van de Woonbond dat huurders bij particuliere verhuurders relatief hoge huren betalen. Gevraagd is welk beleid ten aanzien van deze problematiek zou worden gevoerd.
In overleg met de organisaties van huurders en verhuurders in het najaar van 1999 zijn de resultaten van de eerste huurronde waarover in het betreffende convenant afspraken zijn gemaakt besproken. Hierin heb ik aangegeven niet tevreden te zijn over de naleving door met name de kleinere particuliere verhuurders van het convenant. In uw Kamer heb ik begin dit jaar in het kader van het huurprijsbeleid toegezegd een (in beginsel eenmalige) extra indexering van de maximale huurgrens huursubsidie voor het tijdvak 2000-2001 door te voeren. Doordat de verhoging van deze grens voor dit tijdvak gelijk is aan de maximale huurstijging per woning (3,8%), wordt per saldo voorkomen dat huursubsidie-ontvangers de maximale huurgrens overschrijden. Wat betreft het op 6 juni j.l. gepresenteerde rapport van de Woonbond over het huurprijsbeleid bij grote commerciële verhuurders (vooral institutionele beleggers) en het overleg daarover in het kader van de wet op het overleg huurders-verhuurder, heb ik bij het in ontvangst nemen van dat rapport aangegeven dat ik vind dat verhuurders zich aan de bepalingen van die wet dienen te houden. Als dat onvoldoende het geval zou blijken, zal ik bezien op welke wijze de wet kan worden aangescherpt en welke sancties aan het niet naleven van de wet kunnen worden verbonden. De evaluatie die ik in 2001 aan uw kamer zal aanbieden zal hiervoor de basis vormen. Ik heb de Woonbond en de IVBN aangeraden de komende weken onderling de conclusies van het rapport goed door te spreken. Ook zal de aangescherpte motiveringsplicht bij een boveninflatoire huurverhoging een bijdrage leveren.

Vraag 8 (de heer Van Middelkoop, RPF/GPV)
Ik ben in een interview ooit gevraagd naar mijn opvattingen over de toekomst van het milieuprogramma, waarnaar VROM kennelijk een onderzoek was gestart. Hoe staat het daar nu mee? Wordt dat programma voor de komende jaren gehandhaafd of verdwijnen delen daarvan, bijvoorbeeld het evaluerende karakter, in de jaarverslagen? Ik zou mij kunnen voorstellen dat het programmatische deel in het milieuprogramma blijft voortbestaan en dat een ander deel ervan in de jaarverslagen terechtkomt. (pagina 9)
Antwoord:
Het onderzoek is inmiddels afgerond. Gebleken is dat er een duidelijke behoefte is aan een integraal overzicht van de uitvoering van het milieubeleid. Ook bleek dat met name bij de doelgroepen van het milieubeleid waardering bestaat voor de inrichting van het Milieuprogramma tot nu toe. Voor 2000 blijft de opzet van het Milieuprogramma, met zowel een evaluerend als programmatisch deel, gehandhaafd. In dit verband is het relevant op twee discussies te wijzen. De eerste discussie is de discussie over de nieuwe begrotingssystematiek VBTB. De tweede is de discussie over de herziening van het planstelsel milieu. De discussienota over de toekomst van de Wet milieubeheer en overige milieuregelgeving zal in het najaar aan de Tweede Kamer worden voorgelegd.
Deze discussies zullen duidelijkheid scheppen over wensen en mogelijkheden ten aanzien van de positie en inrichting van het Milieuprogramma in de toekomst. Het idee om het evaluerende deel op te nemen in de jaarverslagen (3e dinsdag in mei) en het Milieuprogramma geheel in te richten als uitvoeringsprogramma is daarbij een mogelijkheid.

Vraag 9 (de heer Van Middelkoop, RPF/GPV)
Ik wil de minister een vraag stellen over de ruimtelijk ordening, met name over het bundelingsbeleid. Dat wordt in het antwoord op vraag 3 (schriftelijke vragenronde) als redelijk succesvol beschreven. Dat neemt natuurlijk niet weg dat er nog altijd heel wat woningen en bedrijven worden neergezet in gebieden die ook in de visie van de minister daarvoor niet bedoeld zijn. Ik hoor daar graag een oordeel over. Schiet het instrumentarium tekort of is de handhaving onvoldoende? (pagina 9)
Antwoord:
Bundeling van woningen en bedrijven is een belangrijk onderdeel van het vigerende RO-beleid, vastgelegd in de recent geactualiseerde Vierde nota Extra. Die bundeling is noodzakelijk om verschillende redenen: vergroting van het stedelijk draagvlak (bijvoorbeeld voor voorzieningen), beheersing van de mobiliteit (bundeling schept meer kansen voor openbaar vervoer) en tegengaan van aantasting van het landelijk gebied. Dat beleid is in de afgelopen jaren inderdaad redelijk succesvol geweest: het overgrote deel van nieuwe woninggebieden en bedrijfsterreinen is gekoppeld aan bestaand stedelijk gebied tot stand gekomen. Dat neemt niet weg dat er inderdaad ook ontwikkelingen zijn aan te wijzen waarbij geen sprake is van bundeling. Voornoemde is niet een kwestie van onvoldoende handhaving van de ruimtelijke regelgeving, maar van een instrumentarium (de Wet op de Ruimtelijke Ordening) dat onvoldoende garanties schept voor een effectieve doorwerking van rijksbeleid in plannen van lagere overheden. De motieven achter het bundelingsbeleid gelden nog steeds en zullen sterker worden naarmate de druk op het huidige onbebouwde gebied toeneemt. Reden voor mij om in de Vijfde nota hier ook nadrukkelijk aandacht aan te besteden, zij het op een iets andere manier dan tot nu toe, namelijk via de uitwerking van het contourenbeleid. Daarnaast, en dat is de Kamer bekend, ben ik bezig met de voorbereiding van een fundamentele herziening van de WRO. Eén van de veranderingen die ik in dat verband wil doorvoeren is versterking van de doorwerking van rijksbeleid in plannen van de andere overheden.
Vraag 10 (de heer Van Middelkoop, RPF/GPV)
Het Noordzeebeleid zal in de 5e nota ruimtelijke ordening aan de orde komen. Er zijn echter al een groot aantal beleidsvoorbereidende en inventariserende projecten gestart. Is de stand van zaken van die projecten zodanig dat er voldoende beleidsconclusies kunnen worden getrokken voor die 5e nota? Hoe wil de minister voorkomen dat wij straks met een zee aan Noordzeestukken zitten, zonder dat het beleidsvacuüm voor de exclusieve economische zone is opgelost? Dit vloeit ook voort uit een aardige motie van collega Stellingwerf die ooit is ingediend en aangenomen. (pagina 9)
Antwoord:
In de motie Stellingwerf wordt de regering verzocht om in de Vijfde Nota beleid te formuleren met betrekking tot de inrichting van de Exclusieve Economische Zone. Om te voorkomen dat er een "zee van Noordzee stukken" gaat ontstaan vindt regelmatig Interdepartementaal Directeuren Overleg Noordzee (IDON) plaats. Hier komen resultaten van Noordzee projecten, die in meerdere departementen worden voorbereid ( bijv. Ecosysteemdoelen, uitvoering Beheersvisie 2010), aan de orde, zoals aanvragen voor nieuwe vergunningen voor activiteiten op de Noordzee en voorstellen voor wijzigingen en aanvulling van het instrumentarium. In het kader van de voorbereiding van de 5e Nota worden thans ambtelijke en bestuurlijke gesprekken gevoerd over ruimtelijke aspecten van het Noordzee beleid, mede in het licht van de uitvoering van de genoemde motie.
Vraag 11 (de heer Van Middelkoop, RPF/GPV)
Als het gaat om bodemsanering zit er veel zand in de molen. Zo lees ik in de stukken over een lange doorlooptijd van projecten, een lange voorbereidingstijd en een gebrek aan flexibiliteit in de regelgeving. Dat zou ons zorgen moeten baren, al was het maar omdat wij in een aantal gevallen ons geen vertraging kunnen veroorloven, bijvoorbeeld als mensen op de vervuilde grond wonen of recreëren. Ik herinner de minister aan de discussie over de gasfabriekterreinen. Het ging toen om zeer vervuilde terreinen, waar mensen, zonder dat ze dat wisten, op woonden. Wil de minister alles in het werk stellen om de voortgang van dit beleidsonderdeel te stimuleren? (pagina 9)
Antwoord:
In het algemeen overleg van 20 januari heb ik reeds aangegeven dat er een beleidsomslag in de bodemsanering voorbereid is (BEVER) om de stagnatie aan te pakken. Dit betreft 3 hoofdlijnen van beleid, nl. de stap van multifunctioneel naar functiegericht saneren, het meer betrekken van andere partijen als kostendragers bij de bodemsanering en het aanhaken bij andere activiteiten, zoals stedelijke inrichting, bouwen, wonen, aanleg of revitalisering van bedrijventerreinen, natuurontwikkeling, landinrichting, etc. Doel van de beleidsombuiging is een versnelling van de aanpak van ernstige (en urgente) bodemverontreiniging, zodat deze, conform de doelstellingen van het NMP-3, in 2023 gesaneerd is of beheerst wordt. Ik heb dit ook in mijn brief aan de Kamer van 28 februari aangegeven. In hetzelfde overleg is de aanpak van bodemsanering op voormalige gasfabrieksterreinen aan de orde geweest, naar aanleiding van een rapport van de Algemene Rekenkamer over dit onderwerp. In het debat en mijn brief van 28 februari heb ik aangegeven bereid te zijn jaarlijks over de voortgang van de sanering van genoemde terreinen aan de Kamer te willen rapporteren. Tevens heb ik de stand van zaken met betrekking tot de aanpak aangegeven. Ik heb op 20 december 1999 samen met mijn collega van EZ , IPO en VNG een intentieverklaring voor de aanpak van voormalige gasfabrieksterreinen ondertekend. Deze intentieverklaring moet er toe leiden dat provincies een programma voor de aanpak ontwikkelen (rekening houdend met milieuhygiënische urgentie) in samenwerking met derden met als doel om alle voormalige gasfabrieksterreinen op zo kort mogelijke termijn, maar in ieder geval voor 2023, te saneren. In mijn brief van 28 februari heb ik verder aangegeven dat de bevoegde gezagen van de Wet bodembescherming (Wbb) in het kader van hun taak geacht worden de bewoners op de hoogte te brengen van de verontreiniging, zodat er geen bewoners horen te zijn die niet met de verontreinigingssituatie bekend zijn.
Vraag 12 (de heer Poppe, SP)
Naast de toetsing van beleidsresultaten op basis van het jaarverslag moeten ook toezeggingen die in de loop van het jaar zijn gedaan, gemeten kunnen worden. Zo'n jaarverslag kan daarvoor een goed moment zijn. Ik denk aan zaken die mijn fractie heeft aangepakt, zoals vragen over de regeling inzake asbest.
1. Kunnen wij vernemen hoe het daarmee zit en op welke wijze de inspectie een en ander controleert?
2. Heeft de minister de ontwikkeling op de markt van afvalinzamelaars al in kaart gebracht, ooit toegezegd in een AO?
3. Hoe zit het met de aanpak van het mengen zware scheepsbrandstof met zware afvalstoffen? Die kwestie loopt al een jaar of vijf.
4. Hoe zit het met de export van gevaarlijk afval, met name de controle of in het buitenland wel de door Nederland vereiste best mogelijke verwerkingskwaliteit wordt gehaald? Is daar onderzoek naar gedaan? Wat zijn de resultaten?
5. Wil de minister dit soort tussentijds toezeggingen voortaan in het jaarverslag aan de orde stellen? (pagina 10)
Antwoord:
Ad 1:
De Regeling Astbestwegen tot Wms.
Ten behoeve van de handhaving van de regeling Astbestwegen Wms in 2000 is op korte termijn een plan van aanpak beschikbaar. Voorts verwijs ik u naar mijn toezeggingen tijdens het AO op 15 juni j.l..
Het Asbestverwijderingsbesluit 2001 (ter vervanging van het huidige asbestverwijderingsbesluit). De Ministerraad heeft in juni 2000 ingestemd met een ontwerp-wijziging van het asbestverwijderingsbesluit betreffende de vrijstelling van het slopen van tuinbouwkassen met asbest bevattende kit. Het ontwerp Asbestverwijderingsbesluit 2001 is 20 juni in de RMC behandeld, zal naar verwachting begin augustus als voorpublicatie in de Staatscourant worden opgenomen en in werking treden medio 2001. De Inspectie Milieuhygiëne heeft in samenwerking met de Arbeidsinspectie een handhavingsprojekt uitgevoerd, dat gericht was op de naleving van de voorschriften met betrekking tot asbestverwijdering uit schepen. Dit jaar worden diverse andere handhavingsprojekten met betrekking tot asbestverwijdering uitgevoerd.

Asbestinventarisatiebesluit
Voor de toezeggingen met betrekking tot het Asbestinventarisatiebesluit verwijs ik u naar het AO dat op 15 juni j.l. over onder meer dit onderwerp is gehouden.
Ad 2:
De rapportage "de afvalmarkt: structuur en ontwikkelingen" is toegezonden aan de voorzitter van de vaste commissie voor VROM bij brief van 10 april 2000.
Ad 3:
Zoals eerder aangegeven in de voortgangsrapportages over de Handhaving milieuwetgeving, is een traject gestart om te komen tot uitbreiding van het Besluit Organische halogeengehalte in brandstoffen met normen voor PAK's en zware metalen. In dat kader is opdracht gegeven door VROM voor het opstellen van een genormaliseerde meetmethode voor PAK's in brandstoffen. Deze meetmethode is begin 2000 beschikbaar gekomen. Thans worden hiermee metingen uitgevoerd naar het gehalte PAK's en zware metalen in reguliere brandstoffen om een representatief beeld te krijgen. Op basis van dit beeld zal in de 2e helft van 2000 een voorstel voor een productnorm worden opgesteld.
Daarnaast is onlangs een interdepartementaal bunkeroverleg (V&W, VROM, EZ en het Gemeentelijk Havenbedrijf Rotterdam) gehouden om na te gaan of naar aanleiding van de affaires met de zeeschepen samenwerking op het gebied van de scheepsbrandstoffen en zeeschepen structureel opgepakt moet worden. Geconcludeerd is dat gelet op lopende trajecten voor nieuwe regelgeving en op de reeds aanwezige regelgeving het niet noodzakelijk is voorstellen te doen voor verdergaande wijziging van regelgeving.

Aanvullend kan worden gemeld, dat in het bunker monitor platform, een initiatief van het Gemeentelijk Havenbedrijf Rotterdam om de zelfregulering in de bunkerbranche te bevorderen inmiddels een doorbraak is bereikt. Er zijn verregaande voorstellen geaccepteerd door de branche over vrijwillige adequate monsterneming en een verbeterde werkwijze teneinde kwalitatieve en kwantitatieve fraude te beperken.

Ad 4:
Daar waar sprake is van nuttige toepassing kunnen, gezien de Europese verordening overbrenging afvalstoffen, door Nederland geen eisen aan de verwerkingskwaliteit in het buitenland worden gesteld.
Ad 5:
Ieder jaar bij de begroting is een bijlage opgenomen met daarin het overzicht van door de Staten-Generaal aanvaarde moties en door bewindslieden gedane toezeggingen. In dit overzicht wordt van iedere motie of toezegging, waarvan de uitvoering in het voorgaande jaar (nog) niet was afgerond, de stand van zaken per 1 juni van het lopende begrotingsjaar weergegeven. Deze bijlage bij de begroting is verplicht waardoor opname in de jaarverantwoording een doublure zou zijn. Overigens wordt in het traject "Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording" voorgesteld om niet langer bijlagen op te nemen en om deze informatie in de toekomst met behulp van Internet beschikbaar te stellen. Vraag 13 (de heer Poppe, SP)
De prestatiegegevens om te kunnen vaststellen of de doelen inzake het CO2-beleid gehaald worden, zijn er nog niet. Het is sowieso de vraag in hoeverre betrouwbare prestatiegegevens op macroniveau geleverd kunnen worden, zoals ook de Rekenkamer al constateerde. Op projectniveau respectievelijk op maatregelniveau kan er naar onze mening veel eenvoudiger worden afgerekend. De minister heeft op een vraag van mijn fractie geantwoord dat per 2002 op het niveau van puntbronnen meetgegevens beschikbaar zijn. Kan het niet wat sneller? De minister is dan misschien bijna weer weg. Kan hij aangeven of hiermee ook alle maatregelen uit het actieplan op effectiviteit daadwerkelijk getoetst kunnen worden? (pagina 10)
Antwoord:
Aan het genereren van gegevens die moeten aantonen dat klimaatbeleid resultaten oplevert, wordt hard gewerkt. De komende periode zal het rapporteren hierover stap voor stap worden verbeterd. In het Milieuprogramma 2001, dat bij de presentatie van de komende begroting verschijnt, zal een eerste stap worden gezet met een integrale klimaatbijlage. Verder zal in een aparte notitie, gebruikmakend van de informatie uit de komende Milieubalans, een sectoraal beeld worden geschetst van de feitelijke ontwikkeling van de emissies gerelateerd aan de emissie-ontwikkeling binnen bepaalde projecties tot 2010 (zoals het GC-scenario). Daarbij zal een associatie worden gemaakt tussen de beleidsontwikkeling en de prestaties die binnen de verschillende sectoren worden geleverd. Deze notitie zal de Tweede Kamer nog in de maand september van dit jaar bereiken. Tot slot is er in de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid deel 1 een project aangekondigd dat zich richt op de verbetering van de kwaliteit van de emissiemonitoring. Die kwaliteitsverbetering is nodig in verband met internationale afspraken daarover binnen het Klimaatverdrag. Overigens is de grootste verbeteringsslag te maken bij de overige broeikasgassen. De activiteiten binnen dit project zijn dit jaar gestart en hiervan worden de eerste resultaten verwacht in 2002. Dit neemt echter niet weg dat er ook nu al emissiegegevens zijn en dat de relatie tussen emissie-ontwikkeling en beleid kan worden gelegd.
Vraag 14 (de heer Poppe, SP)
De prestatiegegevens inzake de huursubsidie zijn een stuk omvangrijker en naar mening kwalitatief ook beter. Uit de gegevens blijkt overigens klip en klaar dat de huurquote van huursubsidieontvangers nog steeds veel hoger is dan die van de kopers, gemiddeld 21,8% tegen 17,5%. Zie Volkshuisvesting in cijfers van 1990, pagina 133. Dus die gelijke behandeling van kopers en huurders, een doelstelling van deze staatssecretaris en ook van zijn voorgangers, is wel zeer relatief te noemen. Kunnen wij volgend jaar zien dat die ongelijkheid tussen huurquote huurders en eigenaar/bewoners dichter bij elkaar komt, niet in de zin dat de woonquote voor de kopers wordt opgetrokken, maar andersom? (pagina 10)
Antwoord:
Ook is er vanuit uw Kamer op gewezen dat de netto huurquotes zijn uitgekomen op gemiddeld 21,8%. De netto koopquotes liggen lager (17,5%, verwezen is naar volkshuisvesting in cijfers). Geïnformeerd werd welk beleid zal worden gevoerd ten aanzien van de huurders om deze ongelijkheid in de toekomst weg te nemen. In het Regeerakkoord is de doelstelling neergelegd dat de gemiddelde huurstijging in de komende jaren op het niveau van de inflatie zal liggen. Hierop zullen de verhuurders stevig worden aangesproken, waarbij wordt gestreefd naar het vastleggen van deze doelstelling in concrete afspraken met de organisaties van verhuurders. Daarnaast is voor het huurprijsbeleid voor het jaar 2000 besloten tot verlaging van de maximale huurstijging per woning van 6,5% naar 3,8%. Mede in het perspectief van de macro-economische omstandigheden, de financiële ontwikkelingen bij verhuurders, en de opgaven in de volkshuisvesting, zal voor de komende jaren opnieuw worden bepaald welke bandbreedte in het huurprijsbeleid redelijk is. Wat betreft de laagste inkomens heb ik begin dit jaar toegezegd in beginsel eenmalig voor het tijdvak 2000-2001 de kwaliteitskortingsgrens, de betaalbaarheidsgrenzen en de maximale huurgrens in de Huursubsidiewet te indexeren met de maximale huurstijging per woning. De normhuren zijn daarentegen wederom met de voor huurders gunstige parameter (de gemiddelde huurstijging) verhoogd. Deze maatregelen betekenen een verbetering voor alle huursubsidie-ontvangers. Tenslotte merk ik op dat met de invoering van de Huursubsidiewet per 1 juli 1997 voor de laagste inkomens, en vooral voor de specifieke aandachtsgroepen van beleid, reeds een structurele verlaging van de huurquotes heeft plaatsgevonden. Zoals aangegeven in de ontwerpnota Wonen blijft de huursubsidie een kerninstrument van het woonbeleid.
Vraag 15 (de heer Poppe, SP)
Is de staatssecretaris bereid, volgend jaar cijfers uit te brengen over de huisvesting van bijzonder doelgroepen, zoals grote gezinnen en gehandicapten met huursubsidie? (pagina 10)
Antwoord:
Zie mijn antwoord op vraag 16.

Vraag 16 (de heer Poppe, SP)
Is de staatssecretaris bereid om in het kader van de evaluatie van de nieuwe huursubsidiewet een analyse te maken van de afgewezen huursubsidieaanvragen? Uit het antwoord op vraag 58 (schriftelijke vragen) blijkt dat dit meer dan 50.000 huishoudens per jaar betreft. Dat is veel. Die analyse zal ongetwijfeld veel informatie over knelpunten in de wet op kunnen leveren. (pagina 10)
Antwoord:
Gevraagd is naar mogelijke verdere verfijningen van de aangeleverde kengetallen huursubsidie in het bijzonder gehandicapten en nihil beschikkingen. Hierbij wil ik wel opgemerkt hebben dat er op dit terrein al veel is bereikt en dat de vragen van de Cie. Van Zijl voor het merendeel zijn verwerkt. Wel dient er altijd een afweging gemaakt te worden tussen het doel waarvoor deze informatie verzameld wordt en de middelen die daarvoor moeten worden aangewend. Voor wat betreft aanvullende informatie over gehandicapten wil ik toezeggen in de toekomst de aantallen gehandicapten, voor wie het uitmaakt in de bijdrage, in de verantwoording op te nemen. Over de gevraagde aanvullende informatie over de oorzaken van de ca. 50.000 afwijzingen zal worden bezien of het zinvol kan zijn hierover te rapporteren. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat ook verhuurders en gemeenten aanvragers adviseren over het al dan niet indienen van een aanvraag. Over dergelijke negatieve adviezen zijn geen kwantitatieve gegevens beschikbaar. Tot slot kan worden opgemerkt dat na de implementatie van het EOS-traject, te weten de modernisering van de uitvoeringsorganisatie, er nog meer mogelijkheden zullen zijn om direct (beleids)informatie op te vragen.
Vraag 17 (de heer Poppe, SP)
Is de staatssecretaris bereid, de beslissingstermijn van 13 weken voor de Vangnetregeling voortaan als een harde prestatie-eis mee te geven aan de gemeente en hierop te toetsen? Anders is de wettelijke termijn niet meer dan een dode letter. (pagina 10)
Antwoord:
Er is op gewezen, dat gemeenten in het kader van de Vangnetregeling niet altijd binnen 13 weken een beslissing nemen. In artikel 26c, derde lid, is inderdaad bepaald dat een gemeente binnen 13 weken een beslissing op een aanvraag moet nemen. Is de zaak ingewikkeld dan kunnen Burgemeester en Wethouders de termijn met ten hoogste 6 weken verlengen mits dit binnen 13 weken met redenen omkleed aan de aanvrager wordt kenbaar gemaakt. Indien de gemeente zich niet aan de wettelijke termijn houdt, geeft de Algemene wet bestuursrecht aan dat sprake is van een fictieve weigering waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Derhalve is er geen reden aanwezig in aanvulling hierop een prestatie-eis aan de gemeenten op te leggen. Overigens zal ik in mijn overleg met de VNG de mogelijke overschrijdingen van de beslissingstermijn ter sprake brengen.
Vraag 18 (de heer Poppe, SP)
Mijn laatste vraag is waarom deze staatssecretaris nog steeds met twee maten meet bij de nacontrole door wel te vorderen bij mensen bij wie het inkomen hoger blijkt te zijn dan opgegeven bij de aanvraag van huursubsidie, maar niet automatisch na te betalen als het inkomen lager blijkt te zijn dan bij de aanvraag. Is hij tenminste bereid om de desbetreffende huurder te informeren over het vermoeden dat hij recht heeft op nabetaling, zodat hij zelf actie kan ondernemen? (pagina 10)
Antwoord:
Het is het ministerie niet altijd bekend dat sprake is van een lager inkomen. Beschikt wordt op basis van de door de aanvrager geleverde gegevens. Eerst bij nacontrole blijkt dat een opgegeven inkomen niet juist is. In het geval van een hoger inkomen wordt een vordering ingesteld omdat uitgegaan wordt van een onjuiste opgave. De aanvrager kan zich hiertegen in bezwaar en beroep verweren. Bij een lager inkomen wordt ervan uit gegaan dat de gegevens van de aanvrager juister zijn dan die van de Belastingdienst. In het kader van Eos is sprake van een omgekeerde werkwijze. Daarbij wordt in eerste instantie uitgegaan van de brongegevens. Dit houdt in dat de (vervolg)aanvrager op het huursubsidiebericht een inkomen wordt bekendgemaakt, dat is verkregen van de Belastingdienst. Hiertegen kan hij bezwaar maken waarna nadere controle volgt. Eerst dan wordt de beschikking geslagen.
's-Gravenhage, juni 2000

De Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

J.P. Pronk
Bijlage - VROM

Op verzoek van de Vaste Commissie van VROM tijdens het Algemeen Overleg op 8 juni 2000 over het jaarverslag en de financiële verantwoording 1999 volgt hieronder nadere informatie m.b.t. de werkprocessen in de uitvoeringsorganisatie DGVH (huursubsidie).

Uitvoeringsorganisatie DGVH (huursubsidie)
In het overleg heb ik aangegeven, dat middels het project EOS, intensief wordt gewerkt aan de modernisering van de uitvoeringsorganisatie. De noodzaak van de modernisering van de uitvoeringsorganisatie vloeit voort uit de ingrijpende herziening van de regelgeving, de wens tot verbetering van de uitvoering hiervan tezamen met een grotere klantgerichtheid en de invulling die aan de bezuinigingstaakstelling uit het Regeerakkoord dient te worden gegeven. Naast deze opgave komt het in werking treden van nieuwe regelingen, zoals de BEW, de Woonzorgstimuleringsregeling, de loodregeling en de voor SZW uitgevoerde banenpool. Deze nieuwe regelingen betekenen op zich een extra belasting. Om deze en andere regelingen in de toekomst adequaat te kunnen uitvoeren is een flexibele, gestroomlijnde en bij voorkeur kleinere uitvoeringsorganisatie vereist, waarin de beschikbare ICT-mogelijkheden ten volle benut kunnen worden. Door de verwezenlijking van het EOS-programma krijgt de beoogde "gestroomlijnde" uitvoeringsorganisatie vorm. Ik informeerde u hier over in mijn brief van 14 januari 2000. Het EOS-programma beoogt de uitvoering van de Huursubsidiewet klantvriendelijker, effectiever en efficiënter te maken. Daartoe wordt in de periode tot 2002 een nieuwe uitvoeringsorganisatie ontworpen en ingevoerd. Mede als resultante van dit programma kan conform de bezuinigingstaakstelling in het Regeerakkoord de uitvoeringsorganisatie aanzienlijk worden afgeslankt, waardoor een forse besparing kan worden gerealiseerd. Uiteraard brengt dit ook spanningen voor de organisatie met zich mee. Het gevolg van de samenloop van de verschillende ontwikkelingen en taakstelling is, dat de uitvoeringsorganisatie onder druk staat om enerzijds al deze veranderingen door te voeren, terwijl anderzijds de adequate voortgang van het dagelijkse werk gewaarborgd dient te blijven. Bij de uitvoering van voornoemde activiteiten dient de krapte op de arbeidsmarkt als een complicerende factor te worden genoemd.
Deze situatie is onderkend en er zijn maatregelen getroffen om de uitvoeringsorganisatie zo veel mogelijk te ontlasten. Naast het al aangegeven veranderingstraject, dat binnen afzienbare tijd zijn vruchten af zal gaan werpen, wordt momenteel gewerkt aan het tijdelijk uitbesteden van een gedeelte van de helpdesk-functie (totaal 500.000 telefoontjes per jaar) aan een extern call-centre. Aanvullende maatregelen worden voorbereid, voor het geval de al genomen maatregelen onvoldoende effecten blijken te genereren.

Naar de toekomst (2002) toe zal door verandering en vermindering van de werkzaamheden de druk uiteindelijk afnemen, waardoor een evenwichtige uitvoeringsorganisatie zal ontstaan. De werkvoorraden die zijn gevormd door de extra inspanningen, zijn integraal meegenomen bij het uitzetten van de veranderingstrajecten. Met de vormgeving van de nieuwe uitvoeringsorganisatie zal uiteindelijk een meer bedrijfsmatige aansturing mogelijk worden gemaakt. De formele reorganisatie is inmiddels afgerond en de noodzakelijke aanpassing voor het totstandkomen van de uiteindelijk beoogde uitvoeringsorganisatie zijn in volle gang.

Resumerend kan worden aangegeven dat het EOS-programma volgens de planning verloopt, zodat de bezuinigingstaakstelling uit het Regeerakkoord in de komende jaren kan worden gerealiseerd. De uitvoeringsorganisatie banenpool is voltooid. De uitvoering van de BEW-regeling wordt per 1/1/2001 geïmplementeerd met daaraan voorafgaand een uitgebreide voorlichtingscampagne. De Woonzorgstimuleringsregeling treedt per 1 oktober 2000 in werking. Voor zover de inrichting van de uitvoeringsorganisatie ten behoeve van dit alles nog niet gereed is, ligt de voorbereiding daarvan nog wel op schema. Een mogelijke verslechtering van de huidige uitvoeringspraktijk wordt op verschillende wijzen bewaakt en gemonitored en zo nodig tegengegaan. Eventuele aanvullende maatregelen daartoe kunnen zo nodig direct worden genomen. Wat de huidige werkachterstanden betreft: gedurende het komende huursubsidietijdvak wordt volop aan het wegwerken van de achterstanden gewerkt. Dit betekent dat deze uiterlijk 1 juli 2001 tot het niveau van aanvaardbare werkvoorraden zijn teruggebracht. Overigens wordt hierbij opgemerkt dat bij de uitvoering nog steeds is en wordt voldaan aan alle wettelijke termijnen.

De bestaande regelingen worden momenteel nog steeds op adequate wijze uitgevoerd, maar door de cumulatie van de hiervoor genoemde ontwikkelingen en de complicerende factoren is er wel een zware druk op de uitvoeringsorganisatie komen te liggen. Geconstateerd moet worden dat de grenzen aan de spankracht van de organisatie zijn bereikt. De mogelijkheden voor de organisatie om op korte termijn naast de adequate uitvoering van genoemde regelingen, nieuwe ontwikkelingen te absorberen zijn vrijwel nihil.

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie