Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief OCW over dereguleringsbeleid onderwijs

Datum nieuwsfeit: 28-06-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief OCW inzake aandachtspunten voor het deregulerin gsbeleid

Gemaakt: 4-7-2000 tijd: 13:28


3


26480 Autonomie en deregulering in het onderwijs
nr. 4 Brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Zoetermeer, 28 juni 2000

Hierbij bied ik u, mede namens Staatssecretaris drs. K.Y.I.J. Adelmund, het advies van de Onderwijsraad "Aandachtspunten bij dereguleringsbeleid" *) aan met onze beleidsreactie.

Het advies is een tussentijds advies op mijn verzoek, vooruitlopend op de studie «Effecten van deregulering, autonomievergroting en schaalvergroting», die de Onderwijsraad eind 2000 zal publiceren. Het advies sluit ook aan op de wens van de Tweede Kamer geuit in een algemeen overleg vorig jaar (zie hierna).

De staatssecretaris en ik willen dit advies nu reeds benutten bij het verder doorzetten van ons dereguleringsbeleid. Naar aanleiding van de genoemde studie zal begin 2001 een uitgebreidere beleidsreactie worden gegeven.

In onderstaande beleidsreactie wordt eerst de achtergrond van de adviesaanvraag geschetst. Daarna wordt ingegaan op de waarde van dit tussentijdse advies. Tot slot voegen wij daar nog enkele kanttekeningen aan toe.
De achtergrond van de adviesaanvraag In het regeerakkoord is vastgelegd dat het beleid inzake deregulering en autonomievergroting in het onderwijs zal worden voortgezet. Op 12 april 1999 heb ik u een notitie toegezonden waarin wij ons standpunt hierover heb uiteengezet (kamerstukken II 1998/99, 26 480, nr. 1). Daarin is ons streven naar een nieuw evenwicht tussen regulering door de overheid en zelfregulering door de onderwijsinstellingen opgenomen. Vervolgens hebben wij op 29 juni 1999 een brief aan de Tweede Kamer gezonden waarin een inhoudelijke aanzet wordt gegeven voor een korte-termijnaanpak voor een verdere deregulering in de sectoren primair en voortgezet onderwijs. Tijdens een algemeen overleg op 9 december 1999 over autonomie en deregulering in het onderwijs (kamerstukken II 1999/2000, 26 480, nr.3) heeft de Tweede Kamer de wens uitgesproken om, naast de uitgebreide studie van de Onderwijsraad en ook vooruitlopend daarop, zicht te krijgen op de concretere doelstellingen van deregulering op de korte termijn. Daarbij zou een denkkader waarbinnen afwegingen voor keuzes van beleidsinstrumenten op systematische wijze kunnen worden gemaakt, behulpzaam kunnen zijn. Vanuit de Tweede Kamer werd toen ook gewezen op de noodzaak om naast of in plaats van regelgeving, te denken aan andere sturingsfilosofieën. Daarbij werd naar de Onderwijsbeleidsbrief
1999 verwezen, waarin wordt uitgesproken dat, gezien de veranderende omgeving van het onderwijs, een wending naar een ander bestuursparadigma gewenst is. Het is tegen die achtergrond dat de Onderwijsraad is gevraagd om tussentijds een denkkader voor verder dereguleringsbeleid op te stellen. De waarde van het advies De Raad onderscheidt in zijn advies drie categorieën beleidsinstrumenten die de rijksoverheid ter beschikking staan, namelijk wet- en regelgeving, ruil en overtuiging. Daarbij stelt hij dat typerend voor wet- en regelgeving het verticale karakter en de vaak lange totstandkomingsprocedure zijn. Voor ruil is dat de tweezijdigheid en voor overtuiging de normatieve beïnvloeding van actoren via overdracht van informatie. Naast deze instrumenten somt de Raad een aantal aandachtspunten op, die tezamen worden ondergebracht in een analytisch kader. Aan de hand daarvan kan worden bepaald of bij een bepaald vraagstuk een rol is weggelegd voor de rijksoverheid en zo ja, hoe het beleid het beste vorm kan worden gegeven en welk instrument daarbij het meest geschikt is. Het analytisch kader biedt een goed afwegingskader voor dereguleringsbeleid, waarbij duidelijk is dat wet- en regelgeving niet het enige geschikte beleidsinstrument is in de onderwijssector, maar dat er alternatieven zijn die naast of in plaats van regelgeving kunnen worden ingezet. Het advies van de Raad sluit overigens ook aan bij de in 1991 aan de Tweede Kamer aangeboden nota Zicht op wetgeving (kamerstukken II 1990/91, 22 008, nrs.1-2). Die nota handelde over de rechtsstatelijke en bestuurlijke kwaliteit van de wetgeving en bevatte onder andere de aan de wet en de wetgevingsprocedure te stellen kwaliteitseisen en het algemeen wetgevingsbeleid dat ter verbetering van die kwaliteit gevoerd dient te worden. Ook in die nota werd benadrukt dat het denken in alternatieven (alternatieve instrumenten in plaats van de wet) uit een oogpunt van goed wetgevingsbeleid noodzakelijk is. Steeds zal moeten worden gezocht naar het instrument dat zo goed mogelijk aansluit bij processen in de samenleving. Zoals de Onderwijsraad terecht heeft opgemerkt, staan de rijksoverheid meer beleidsinstrumenten ter beschikking dan alleen wet- en regelgeving Enkele kanttekeningen Er zijn ook wel wat kanttekeningen bij het advies te maken. Zo geeft de raad een wat eenzijdige karakterisering van wet- en regelgeving. Wet- en regelgeving is divers van aard; de raad maakt ten onrechte geen onderscheid in typen wetgeving. Waarborgwetgeving heeft bijvoorbeeld een ander karakter wetgeving waarbij bevoegdheden worden toebedeeld, en beleidsinstrumentele wetgeving heeft weer andere kenmerken. De huidige onderwijswetgeving is bij uitstek te beschouwen als bekostigingswetgeving, die naar zijn aard minder verplichtend is dan bijvoorbeeld strafwetgeving. Zelfs waar sanctiemogelijkheden bestaan, worden deze in de praktijk nauwelijks uitgevoerd. Dergelijke verschillen betekenen ook dat de voor- en nadelen van de verschillende typen wet- en regelgeving telkens andere afwegingen vergen, hetgeen bij de keuze van het juiste beleidsinstrument tot verschillende uitkomsten kan leiden. Verder gaat de raad ook niet in op de relatie tussen de verschillende factoren. Een vraag als bij welk doel past nu welk instrument voor welke doelgroep in welke situatie nu het best, wordt niet beantwoord. Een tweede kanttekening is dat dereguleringsbeleid ook om andere bestuurlijke arrangementen vraagt. Door deregulering veranderen bestuurlijke verhoudingen, verschuiven posities en bevoegdheden. De uitkomst van een interactief beleidstraject met verschillende beleidspartners, levert een ander bestuurlijk arrangement op, waarin het hanteren van bepaalde instrumenten een andere waarde kan hebben. Conclusie Het advies van de Onderwijsraad is een waardevol advies, dat kan bijdragen aan de vormgeving van beleid. Inhoudelijk betekent het een erkenning van de notie dat in het onderwijs andere instrumenten dan wet- en regelgeving mogelijk en waardevol kunnen zijn. Het analytisch kader kan helpen bij het maken van keuzes voor bepaalde beleidsinstrumenten. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

L.M.L.H.A. Hermans


*) Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie
Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie