Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Conjunctuurbericht Juni 2000

Datum nieuwsfeit: 29-06-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
CBS publicaties


Home Centraal Bureau voor de Statistiek
Home Site-map Zoeken English

transp.GIF (89 bytes) Statline CBS-Webmagazine Statistische informatie Producten Diensten Indelingen Bibliotheek Berichtgevers Organisatie Blaise Agenda
transp.GIF (89 bytes)

Conjunctuurbericht Juni 2000
Afsluitdatum gegevens: 27 juni 2000

* Algemeen: beeld iets minder positief

* Investeringsverwachtingen: forse groei

* Rente: stijgende tendens

* Consumptie: terugval groei duurzame goederen
* Productie industrie: breed gedragen stijging
* Producentenprijzen: lager in april door goedkopere aardolie
* Consumentenprijzen: benzineprijs stuwt inflatie in mei op
* Producentenvertrouwen: aanhoudend optimisme
* Werkloosheid: daling stagneert

* INTERNATIONAAL: Consumptie
Conjunctuur: Nederlandse en Amerikaanse consument kooplustig Structuur: aandeel voeding neemt af

Algemeen: beeld iets minder positief
De indicatoren van de Nederlandse conjunctuur geven een iets minder positief beeld te zien dan in voorgaande maanden, toen de geschetste ontwikkelingen zeer gunstig waren. In april groeit het volume van de consumptieve bestedingen minder fors dan in maart. Vooral de uitgaven aan duurzame goederen nemen minder snel toe. De inflatie in mei is hoger dan in de eerste vier maanden van dit jaar, met name door duurdere autobrandstoffen. In tegenstelling tot de consumentenprijzen zijn de producentenprijzen in april gedaald. Dit komt vooral doordat ruwe aardolie in april goedkoper werd. In mei is de olieprijs weer gestegen. De daggeldrente en het rendement op staatsobligaties stijgen. Hoewel het aantal geregistreerde werklozen relatief laag blijft, stagneert de daling de laatste maanden. Niet alle cijfers zijn minder positief. Zo is het productievolume in de industrie in april fors gegroeid. In bijna alle branches in de industrie is de productie groter dan een jaar eerder. Bovendien blijven de ondernemers in de industrie aanhoudend optimistisch.

Investeringsverwachtingen: forse groei
De ondernemers in de industrie verwachten dit jaar 22% meer te investeren dan in 1999. Dit in april gemeten percentage is veel hoger dan de schatting die in de najaarsenquête van oktober vorig jaar werd gegeven. Na twee jaren van gematigde voorspellingen voorzien de ondernemers nu een vrij forse investeringsgroei. Verbeterde groeicijfers van de industriële productie zijn de voornaamste oorzaak hiervan. Vooral in de chemie denken de ondernemers in april veel positiever over de investeringen dan een jaar eerder. De ondernemers in deze bedrijfsklasse schatten nu 25% meer te investeren. In het najaar van 1999 dachten zij nog dat de investeringen zouden afnemen. Ook in de voedings- en genotmiddelenindustrie is de verwachte investeringsgroei 25%. Dit percentage is gelijk aan dat van oktober vorig jaar. De ondernemers in de metaal- en elektrotechnische industrie rekenen op een investeringsgroei van 30%. In de aardolie-industrie zijn de verwachtingen getemperd. De ondernemers voorzien hier een groei van ongeveer 20%. In oktober was dit nog 38%.
Top
Rente: stijgende tendens
In mei stijgen de meeste in het Conjunctuurbericht opgenomen rente-indicatoren. De indicator voor de lange rente, het rendement op staatsobligaties, komt in mei uit op 5,4%. Dit is 0,2%-punt hoger dan in de maand ervoor. In januari 1999 bereikte de lange rente het laagste niveau van de afgelopen twee decennia. Met name sinds april 1999 toont de lange rente een stijgende tendens. Toch is de rente historisch gezien nog steeds laag. Een andere belangrijke rente-indicator voor leningen op de lange-termijn is de hypotheekrente. In april is deze rentevoet 5,7%, even hoog als in maart. Een indicator voor de rente op kortlopende leningen is de daggeldrente. De daggeldrente is meestal lager dan de lange rente, omdat in de laatstgenoemde rentevoet onzekerheden over de toekomst zijn verwerkt. In mei komt de daggeldrente uit op 3,9%, ofwel 0,2%-punt hoger dan in april. De daggeldrente bereikte in september 1999 het laagste niveau van de afgelopen twintig jaar. Het niveau lag toen op 2,4%. Op 8 juni heeft de Europese Centrale Bank (ECB) de depositorente verhoogd met 0,5%-punt.

Top
Consumptie: terugval groei duurzame goederen
Het volume van de consumptieve bestedingen door gezinnen is in april 2,8% groter dan in dezelfde periode van het jaar ervoor. Vergeleken met de voorgaande maanden is dit een bescheiden groeicijfer. Voor de diensten blijft de volumetoename op peil (3,4%). Bij duurzame goederen is de groei (2,0%) beduidend lager dan in het eerste kwartaal. Dit komt vooral door tegenvallende autoverkopen. De bestedingen aan voertuigen liggen in april 3,3% lager dan in dezelfde periode van 1999. Ook de bestedingen aan voedings- en genotmiddelen groeien amper (0,5%). Al enkele jaren is de bestedingstoename in deze categorie gering.

Top
Productie industrie: breed gedragen stijging
Het volume van de productie in de industrie in april is met 1,3% toegenomen ten opzichte van maart. Vergeleken met april 1999 is het productievolume 5,1% groter. In bijna alle branches van de industrie is de productie groter dan een jaar eerder. Een sterke groei wordt waargenomen in de hout-, bouwmaterialen- en meubelindustrie. Ook in de voedings- en genotmiddelenindustrie en de aardolie-, chemische- en rubberindustrie is de toename relatief fors. De volumetoenames betekenen niet automatisch dat de financiële positie van de industriële ondernemingen verbetert. Dit hangt mede af van de prijsontwikkeling van de verbruikte grondstoffen en halffabrikaten en die van de afzetprijzen van de geproduceerde producten.
Top
Producentenprijzen: lager in april door goedkopere aardolie De prijzen van grondstoffen en halffabrikaten die de industrie verbruikt liggen in april 1,5% lager dan in maart. Het is voor het eerst sinds februari vorig jaar dat de verbruiksprijzen dalen vergeleken met de maand ervoor. Door eerdere prijsstijgingen liggen de verbruiksprijzen nog wel 17% hoger dan in april 1999. De prijs van ruwe aardolie is de belangrijkste factor achter de ontwikkeling van de verbruiksprijzen. Sinds februari 1999 is de olieprijs bijna onafgebroken gestegen. In april werd aardolie goedkoper en dit vertaalt zich in een daling van de verbruiksprijzen. Vooralsnog lijkt de afname van de olieprijs in april echter van incidentele aard. In mei lag de prijs van een barrel North-Sea Brent gemiddeld bijna vier dollar hoger dan in april.
De afzetprijzen van Nederlandse industriële producten zijn in april met 0,1% afgenomen vergeleken met maart. De daling wordt vooral veroorzaakt door lagere prijzen in de aardolie-industrie. Door een forse stijging in voorgaande maanden liggen de afzetprijzen in april nog steeds 11% hoger dan in april vorig jaar.
De ontwikkeling van de verhouding tussen de afzet- en de verbruiksprijzen is een indicator voor een verandering van de winstmarge. Als de afzetprijzen sterker stijgen dan de verbruiksprijzen, verbetert de ruilvoet en ontstaat een positief effect op de winstmarge. Dit effect is des te sterker naarmate het verbruik een groter deel van de totale productiekosten vormt. In april zijn de verbruiksprijzen voor de industrie als geheel sneller gedaald dan de afzetprijzen. De ruilvoet is in april dus verbeterd vergeleken met maart. Sinds het begin van 1999 toonde de ruilvoet een dalende tendens. De algemene prijsontwikkeling voor de gehele industrie is goed te zien in de aardolie-industrie en de chemie. Beide bedrijfstakken zijn geconfronteerd met een sterk gestegen aardolieprijs. Dit effect is versterkt door de sinds 1999 toegenomen waarde van de dollar. In de aardolie-industrie is daardoor de verhouding tussen de afzet- en verbruiksprijzen het afgelopen jaar sterk gedaald. Ook in de chemie verslechterde de ruilvoet. De chemie is een energie-intensieve bedrijfstak en een stijging van de olieprijzen werkt dus sterk door in de verbruiksprijzen van deze sector. Zowel in de aardolie-industrie als in de chemie is het aandeel van geïmporteerde grondstoffen in de totale hoeveelheid verbruikte grondstoffen groot. De prijzen in deze bedrijfstakken zijn erg afhankelijk van ontwikkelingen op de wereldmarkt. Dit vertaalt zich in relatief grote fluctuaties van met name de verbruiksprijzen, waardoor het quotiënt eveneens sterk varieert in de loop van de tijd. In de voedings- en genotmiddelen industrie is de ruilvoetontwikkeling veel gelijkmatiger.

Top
Consumentenprijzen: benzineprijs stuwt inflatie in mei op Het consumentenprijsindexcijfer ligt in mei 2,4% hoger dan in mei van het vorig jaar. Afgezien van het incidenteel hoge cijfer in augustus vorig jaar is dit het hoogste inflatiecijfer sinds april 1998. De inflatie wordt vooral aangewakkerd door stijgende brandstofprijzen. Gemiddeld besteedt een consument ongeveer 3% van zijn budget aan brandstof. Autobrandstoffen zijn nu ongeveer 20% duurder dan in april 1999. Dit draagt voor ongeveer 0,6 %-punt bij aan de inflatie. Gemeten volgens de geharmoniseerde prijsindex is de inflatie in de landen van de Europese Unie in april gemiddeld 1,7%. Het vergelijkbare Nederlandse percentage is ongeveer even hoog. Stijgende aardolieprijzen en de lage koers van de euro zorgen binnen de EU15 voor een opwaartse druk op de inflatie. Binnen de EU15 is de inflatie het laagst in het Verenigd Koninkrijk (0,6). Ook Zweden en Frankrijk kennen een relatief lage inflatie. Daarentegen stijgen de prijzen in Spanje (3,0%) en Ierland (5,0%) fors. In Griekenland nemen de prijzen met gemiddeld 2,1% toe. Ter vergelijking: in 1995 was de Griekse inflatie nog bijna 8%. Omdat Griekenland wil voldoen aan de toelatingscriteria van de Europese Monetaire Unie, hebben de monetaire autoriteiten in dat land getracht de inflatie te beteugelen.
Top
Producentenvertrouwen: aanhoudend optimisme
De indicator van het producentenvertrouwen in de industrie komt in mei uit op 6,6. Dit is weliswaar een fractie lager dan in april, maar toen bereikte het vertrouwen van de producenten een recordhoogte. Het licht afgenomen vertrouwen is toe te schrijven aan een minder positief oordeel over de te verwachten bedrijvigheid. Over de voorraden gereed product en de orderpositie zijn de ondernemers ongeveer even optimistisch als in april. Voor de komende maanden verwachten de industriële ondernemers een verdere stijging van de afzetprijzen van hun producten.

Top
Werkloosheid: daling stagneert
De geregistreerde werkloosheid komt voor de maanden maart-mei uit op gemiddeld 195 duizend. Dit is zes duizend lager dan in de periode februari-april. In deze tijd van het jaar is een daling echter gebruikelijk. Door seizoeninvloeden is de werkloosheid in de periode maart-mei meestal lager dan in het begin van het jaar. Na correctie voor dit effect ligt het aantal werklozen tienduizend hoger. Deze op een steekproef gebaseerde stijging is echter te gering en duurt nog te kort om te stellen dat de werkloosheid toeneemt. Wel kan worden geconcludeerd dat de daling van de geregistreerde werkloosheid stagneert. Het aantal geregistreerde werklozen is klein vergeleken bij het niveau aan het begin van de jaren negentig. In 1990 was de geregistreerde werkloosheid bijna twee keer zo groot.
Top
INTERNATIONAAL: Consumptie

* Conjunctuur: Nederlandse en Amerikaanse consument kooplustig De consumptieve bestedingen door gezinnen zijn de laatste twee jaar de motor geweest achter de gunstige economische ontwikkelingen in Nederland. Wel verschoof die rol in de loop van 1999 gedeeltelijk naar de buitenlandse handel. Het volume van de consumptieve bestedingen door gezinnen is al tien aaneengesloten kwartalen ten minste 3% groter dan in het overeenkomstige kwartaal van het jaar ervoor. Dit is een relatief hoog groeicijfer. Vooral duurzame goederen zijn in trek. Aanhoudende hoogconjunctuur heeft de bestedingen aan deze categorie goederen positief beïnvloed. Met name de gunstige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt van de afgelopen jaren hebben een opstuwend effect. De bestedingen aan voedings- en genotmiddelen groeien daarentegen al enkele jaren amper. Weliswaar is de volumegroei in het eerste kwartaal voor het eerst sinds lange tijd groter dan 3%, maar dit kwam mede door de extra koopdag. De afgelopen twee jaar namen de bestedingen in volume aan deze categorie gemiddeld met 0,2% toe. De bevolking neemt jaarlijks toe met ruim een half procent. Dat betekent dat het volume van de uitgaven aan voeding per hoofd van de bevolking is afgenomen.
In de VS is er eveneens sprake van een relatief forse groei van de consumptieve bestedingen. Net als in Nederland zijn vooral duurzame goederen daar gewild. Wel lijken de laatste gegevens te wijzen op een afname van de banengroei en het consumentenvertrouwen. Dit zou remmend kunnen werken op de toename van de consumptieve bestedingen. In Japan zijn de groeicijfers bescheiden. Het achterblijven van de consumptieve bestedingen wordt gezien als een belangrijke oorzaak voor de tegenvallende economische groei in dat land. Vooral in 1997 en 1998 is de groei sterk teruggevallen. De grote onzekerheid als gevolg van de Azië crisis speelt hier mogelijk een rol. In 1999 is er weer sprake van een bescheiden groei, mede gevoed door stimuleringsmaatregelen van de overheid. Evenals in Japan is de ontwikkeling van de gezinsconsumptie in Duitsland bescheiden. Gemiddeld lag de groei de afgelopen vier jaar 2 %-punt lager dan in Nederland. Wel is het verschil vorig jaar teruggelopen. De Duitse economie trok in de loop van 1999 wat aan.

Top

* Structuur: aandeel voeding neemt af
De ontwikkeling van de consumptieve bestedingen is een belangrijk economisch gegeven, omdat de consumptie een groot aandeel heeft in de bestedingen. Een belangrijk deel van de totale hoeveelheid in Nederland geproduceerde goederen en diensten, het bruto binnenlands product, is bestemd voor binnenlandse consumptie. In Nederland is de verhouding tussen de consumptieve bestedingen en het bruto binnenlands product ongeveer 50%. Internationaal gezien is deze verhouding nog relatief klein. In de Verenigde Staten is de verhouding groter dan 65%. Dit komt vooral doordat Nederland een uitvoeroverschot heeft, terwijl de Verenigde Staten een invoeroverschot hebben. Daarnaast moet bij een vergelijking tussen landen altijd rekening worden gehouden met het feit dat de percentages zouden kunnen worden beïnvloed doordat definities van begrippen en classificaties tussen landen kunnen afwijken. De verschillen tussen landen zijn vooral indicatief. Het aandeel van voedings- en genotmiddelen in de consumptieve bestedingen kan als een indicator voor de welvaart van een land worden gezien. Een consument geeft relatief minder uit aan primaire goederen zoals voeding naarmate het inkomen stijgt. De macro-economische cijfers zijn een reflectie van dit gegeven. In relatief arme landen als Mexico en Portugal is het aandeel van voeding in de consumptieve bestedingen groter dan 25%. Deze verhouding ligt in de Verenigde Staten even boven de 10%. In Nederland bestaat ongeveer 14% van de consumptieve bestedingen uit voedings- en genotmiddelen. Het aandeel is vooral sinds het midden van de jaren zestig sterk afgenomen. De laatste jaren is er in Nederland een verschuiving te zien van de bestedingen aan voedings- en genotmiddelen in de supermarkten naar bestedingen in de horeca (buiten de deur eten) Deze bestedingen komen terecht in de categorie diensten. Het belang van diensten is de laatste decennia erg toegenomen. Bijna 60% van de binnenlandse consumptie bestaat nu uit diensten.

Conjunctuurbericht is een uitgave van de divisie Presentatie en Integratie, sector Conjunctuur en Regio, e-mail: (infopcr@cbs.nl). Laatst gewijzigd: 28 juni 2000

© Centraal Bureau voor de Statistiek, Voorburg/Heerlen, 2000 Bronvermelding is verplicht.
Verveelvoudiging voor eigen gebruik of intern gebruik is toegestaan.
Top

Laatst gewijzigd: 29 juni 2000

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie