Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief met informatie over transparantierichtlijn

Datum nieuwsfeit: 19-06-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

br min ez inz informatie transparantierichtlijn
Gemaakt: 14-9-2000 tijd: 11:17

6

22112 Ontwerprichtlijnen Europese Commissie

Nr. 165 Brief van de minister van Economische Zaken

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 juni 2000

In antwoord op de brief van 12-4-2000 van de vaste commissie van Economische Zaken (zie bijlage) zend ik u de reactie van het kabinet op het wijzigingsvoorstel van de Europese Commissie met betrekking tot richtlijn 80/723/EEG inzake de doorzichtigheid in de financiële betrekkingen tussen lidstaten en openbare bedrijven.

Het kabinet heeft het volgende standpunt ter kennis van de Europese Commissie gebracht:

QUOTE

1 Inleiding


Verschillende sectoren die in het verleden door het bestaan van nationale, regionale of lokale monopolies werden gekenmerkt, zijn inmiddels geheel of gedeeltelijk voor mededinging opengesteld. Richtlijn 80/723/EEG streefde er aanvankelijk naar het beschikbaar stellen van openbare middelen aan Staatsbedrijven inzichtelijk te maken. Inmiddels is het ter beschikking stellen van overheidsgeld aan Staatsbedrijven niet langer meer vanzelfsprekend. De relatie tussen overheid en ondernemingen is kortom veranderd. De voorgestelde wijzigingen van richtlijn 80/723/EEG dienen om ook in deze nieuwe situatie de naleving van de mededingingsregels van het Verdrag te verzekeren en de controle daarop te vereenvoudigen. Hiertoe stelt de Commissie voor dat openbare bedrijven en ondernemingen waaraan de lidstaten bijzondere of uitsluitende rechten verlenen gescheiden boekhoudingen gaan voeren. Van het toekomstige regime zijn in art. 4, eerste lid, uitgezonderd onder meer openbare bedrijven waarvan de totale netto-omzet minder dan 40 miljoen euro heeft bedragen gedurende de twee boekjaren waarin de beschikbaarstelling of besteding van middelen heeft plaatsgevonden. Nederland verwelkomt deze uitzondering omdat zo wordt voorkomen dat de uit de richtlijn voortvloeiende verplichting tot het voeren van een gescheiden boekhouding onnodig administratieve lasten voor de betrokken groep van organisaties oproept.

2 Nederlands standpunt


Nederland is er voorstander van om de reikwijdte van de huidige transparantierichtlijn te verbreden. De voorgestelde verplichting van het voeren van een gescheiden boekhouding vormt een goed middel voor de Commissie om toe te zien op de naleving van de mededingingsregels. Niettemin roept het wijzigingsvoorstel een aantal vragen en opmerkingen op. Nederland wil graag van de gelegenheid gebruik maken deze aan de Commissie door te geven.

In het wijzigingsvoorstel worden begrippen gehanteerd die uiteraard in hun communautaire context moeten worden gezien. Dit is ook het geval voor centrale begrippen als «overheid» en «onderneming». Dergelijke begrippen hebben in een communautaire context een betekenis die niet zonder meer toepasselijk is in de Nederlandse context en op Nederlandse publiek/private arrangementen. Ter illustratie kan worden gewezen op bijvoorbeeld private organisaties, al dan niet geprivatiseerd, die naast hun marktactiviteiten gedeeltelijk óók door de toedeling van bijzondere rechten zijn belast met de tenuitvoerlegging van publieke taken. De vraag is of deze organisaties moeten worden gezien als «overheid», als «openbaar bedrijf», dan wel als «onderneming» die in de zin van art. 4, tweede lid, sub c van de toepassing van richtlijn is uitgezonderd. Er kan aldus enige verwarring ontstaan over de wijze waarop de richtlijn op onderdelen nageleefd moet worden.

De bepaling van artikel 4, tweede lid, sub c verdient overigens nadere aandacht. In deze bepaling wordt een uitzondering op de verplichting om een dubbele boekhouding te voeren geïntroduceerd voor «ondernemingen die voor een redelijke periode en na een open, doorzichtige en niet-discriminatoire procedure (...) bijzondere of uitsluitende rechten hebben gekregen.» Hieronder vallen naar het Nederlandse oordeel (ook) ondernemingen die door middel van een overheidsaanbesteding, een concessie of een veiling een bijzonder of uitsluitend recht hebben verkregen. Nederland is er voorstander van dat deze uitzondering wordt gehandhaafd.

De uitzonderingsbepaling van artikel 4, tweede lid, sub c, lijkt overigens niet geheel volledig. In het licht van overweging 10 van de considerans en van art. 2, eerste lid, sub d zou de uitzondering ook betrekking moeten hebben op ondernemingen die met betrekking tot de (bedoelde) dienst van algemeen economisch belang in enigerlei vorm compensatie ontvangen.

Het richtlijnvoorstel gaat uit van algemene toepasselijkheid van het nieuwe transparantieregime. Nederland wil echter de aandacht vestigen op sectoren waarop de toepassing van de richtlijn niet zonder meer onomstreden lijkt. Nederland wijst bijvoorbeeld op het Protocol betreffende het publieke omroepstelsel bij het Verdrag van Amsterdam waarin is vastgelegd dat de lidstaten bevoegd zijn om de publieke opdracht van de publieke omroeporganisaties, hun organisatie en financieringswijze vast te stellen. Nederland is van mening dat de Commissie moet verduidelijken of en hoe zij de richtlijn in deze sector nuttig denkt toe te passen. Eenzelfde vraag kan worden gesteld ten aanzien van in Nederland wettelijk verplicht gestelde bedrijfs- of pensioenfondsen. Nederland is van oordeel dat deze bedrijfs- of beroepspensioenfondsen niet door de transparantierichtlijn geraakt worden. Gewezen kan verder nog worden op het feit dat in EU-kader een specifiek voorstel voor een richtlijn wordt voorbereid voor het ontwikkelen van toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen.

Op dit moment is nog onduidelijk welke concrete gevolgen voor nationale regelgeving de gewijzigde richtlijn met zich zal brengen. Naast een aparte generieke implementatiewet is niet uitgesloten dat sectorale wetten moeten worden aangepast. Om die reden is de implementatietermijn, die in het voorstel van de Commissie op 31 december 2000 is gesteld, veel te kort. Nederland wenst dat de implementatietermijn op 18 maanden na de inwerkingtreding wordt gesteld.

3 Artikelsgewijze opmerkingen


Opmerkingen t.a.v. de overwegingen

Uit het samenstel van de overwegingen 2 tot en met 5 van de considerans wordt de verhouding tussen de art. 86, tweede lid, en 87, eerste lid, juncto art. 88, derde lid, niet duidelijk. Verduidelijking is nodig mede in het licht van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 27-2-1997, zaak T-106/95.

Overweging 2

In deze overweging wordt gesproken over «misbruik van machtspositie». Nederland neemt dat de werkingssfeer van de richtlijn zich uitstrekt tot het gehele terrein van de mededinging.

Overweging 5

Er wordt gesteld dat het noodzakelijk is dat «de lidstaten en de Commissie over gedetailleerde gegevens betreffende de interne organisatie» kunnen beschikken en «vooral over afzonderlijke, betrouwbare rekeningen betreffende de verschillende activiteiten van eenzelfde onderneming, zoals deze zouden worden opgesteld indien de betrokken activiteiten door verschillende ondernemingen werden uitgeoefend; dat dergelijke gegevens niet altijd beschikbaar of niet altijd gedetailleerd of betrouwbaar zijn.» Onduidelijk is of de beoogde informatie alleen betrekking heeft op de «financiële» of ook de «organisatorische structuur» van een onderneming. Nederland denkt dat het inzichtelijk maken van de financiële structuur alleen voldoende is.

Overweging 9

Niet helder is wat met de omschrijving «bepaalde categorie diensten» wordt bedoeld. In deze overweging wordt bovendien gesproken over 40 mio EUR. Onduidelijk is of hiermee wordt bedoeld «40 mio EUR per boekjaar». Nederland wenst toevoeging van de zinsnede «per boekjaar» indien dit inderdaad wordt bedoeld.

Artikelsgewijze opmerkingen

Artikel 1, eerste lid onder c

Deze bepaling was nog niet opgenomen in het vorige voorstel tot wijziging van de huidige transparantierichtlijn. Op welke wijze dient de daadwerkelijke besteding van openbare middelen te worden aangegeven; is het voldoende dat wordt aangegeven of de opbrengsten naar de reserves gaan of dat wordt geïnvesteerd.

Artikel 1, tweede lid

Geconstateerd wordt dat de term «financiële en
organisatorische betrekkingen» is gewijzigd in de «financiële en organisatorische structuur». Nederland geeft de voorkeur aan de term «financiële en
organisatorische betrekkingen», omdat dit een minder vergaand begrip is.

Artikel 1, tweede lid onder c


- Geconstateerd wordt dat «het gebruik dat daadwerkelijk wordt gemaakt van de openbare middelenstromen tussen deze verschillende activiteiten» is gewijzigd ten opzichte het voorstel van medio oktober 1998 in «welk gebruik dat van de netto-opbrengsten van de verschillende activiteiten wordt gemaakt.»

Ten eerste is het niet uit te sluiten dat op andere wijze dan via de netto-opbrengsten van verschillende activiteiten gebruik wordt gemaakt van de eventueel aanwezige openbare-middelenstroom. In die zin is de voorgestelde wijziging een beperking die niet wenselijk is. Het is van belang ook het daadwerkelijk gebruik van de openbare-middelenstroom inzichtelijk te maken. Nederland stelt om die reden voor om naast de genoemde bepaling een bepaling op te nemen die betrekking heeft op het daadwerkelijk gebruik van de openbare-middelenstroom.

Ten tweede is door de voorgestelde wijziging sprake van verbreding van de reikwijdte van artikel 1, lid 2, aangezien niet alleen het gebruik van de openbare-middelenstroom, maar ook het daadwerkelijk gebruik van geldstromen (in dit geval beperkt tot netto-opbrengsten) tussen de verschillende activiteiten doorzichtig dient te zijn. Dit lijkt ons een wenselijke aanvulling.


- Opgemerkt wordt dat de term «netto-opbrengsten» in Nederland niet gangbaar is. Om misverstanden te vermijden, stelt Nederland ook voor om de in Nederland meer gebruikelijke term «netto-resultaat» te hanteren. Onduidelijk is op welke wijze de bestemming van het netto-resultaat gespecificeerd dient te worden.

Artikel 2

Artikel 2, eerste lid onder b

Niet helder is wat moet worden verstaan onder »dominerende invloed uit hoofde van de desbetreffende voorschriften». Zie ook artikel 2 lid 2.

Artikel 2, eerste lid onder d

In artikel 86 lid 1 EG worden twee categorieën van bedrijven genoemd: openbare bedrijven en ondernemingen met bijzonder of exclusief recht. In artikel 86 lid 2 wordt de derde categorie genoemd: ondernemingen belast met beheer van een dienst van algemeen economisch belang. In artikel 2, lid 1, onderdeel d van het voorstel tot wijziging van de richtlijn wordt de eerste categorie "openbare bedrijven" niet genoemd. De vraag rijst of het voeren van een gescheiden boekhouding niet geldt voor «openbare bedrijven» die niet over bijzondere of exclusieve rechten beschikken.

Voorgesteld wordt de zinsnede in artikel 2, eerste lid, onder d «met het beheer .......overheidssteun ontvangt» als volgt aan te passen; «met het beheer van een dienst van algemeen economisch belang is belast en enigerlei overheidssteun ontvangt welke rechtstreeks voortvloeit uit het beheer van deze dienst.»

Artikel 2, eerste lid onder f

In dit artikel wordt gesproken over bijzondere rechten als "het aantal van deze ondernemingen tot twee of meer wordt beperkt". Uit de begripsbepaling is niet duidelijk hoeveel ondernemingen er mogen zijn, wil er nog sprake zijn van een bijzonder recht. Dit maakt de bepaling moeilijk hanteerbaar.

Artikel 3 bis lid 2

Nederland gaat ervan uit dat de transparantierichtlijn niet van toepassing is op ondernemingen met bijzondere en exclusieve rechten werkzaam in de post- en telecommunicatiesector, gezien de reeds bestaande specifieke communautaire bepalingen.

Artikel 4, eerste lid, onder a

In deze bepaling wordt alleen gesproken over «openbare bedrijven voor het verlenen van diensten». De vraag is waarom deze uitzondering niet geldt voor het leveren van producten? Zie ook artikel 4, tweede lid onder a.

Artikel 4, eerste lid onder d

In deze bepaling wordt gesproken over een totale netto-omzet die minder dan

40 mio EUR heeft bedragen gedurende 2 boekjaren. Onduidelijk is of bedoeld wordt «een omzet die genomen over 2 boekjaren in totaal minder dan 40 mio EUR bedraagt» dan wel dat hiermee wordt bedoeld dat «het totaal van de omzet in 2 jaar gemiddeld genomen minder dan 40 EUR dient te bedragen» (dus bijvoorbeeld 30 EUR in boekjaar 1 en 50 EUR in boekjaar 2), of dat «ieder boekjaar sprake dient te zijn van een omzet van minder dan 40 EUR.

Artikel 4, tweede lid onder a

Zie opmerking bij artikel 4, eerste lid.

Bij openbare bedrijven wordt de term «niet aanmerkelijk beïnvloeden» gehanteerd. Bij ondernemingen wordt gesproken over "op merkbare wijze ongunstig beïnvloeden». Nederland vraag zich af of hiervoor een motivering bestaat

Artikel 4, tweede lid, onder b

De vraag is of het gaat om 40 mio EUR per boekjaar?

Artikel 4, tweede lid, onder c

De vraag is wat wordt verstaan onder een «redelijke periode»?

Nederland stelt voor artikel 4 tweede lid onder c te wijzigen in: «op ondernemingen die voor een redelijke periode en na een open, doorzichtige en niet-discriminatoire procedure bijzondere of uitsluitende rechten als bedoeld in artikel 86, lid 1, van het Verdrag hebben verkregen of waaraan [voor een redelijke periode en na een open, doorzichtige en niet-discriminatoire procedure] overheidssteun wordt verleend welke rechtstreeks voortvloeit uit het beheer van een dienst van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 86, lid 2, van het Verdrag».

In het huidige artikel 6 van richtlijn 80/723 wordt bepaald dat de Commissie vertrouwelijk omgaat met de opgevraagde (financiële) gegevens. Nederland wil in dit verband wijzen op het belang van geheimhouding door de Commissie. Dit geldt nog sterker nu ook ondernemingen met bijzondere en uitsluitende rechten en bepaalde ondernemingen die belast zijn met het beheer van een dienst van algemeen economisch belang, onder de reikwijdte van de richtlijn worden gebracht.

UNQUOTE

Het door u gevraagde standpunt van het IPO (interprovinciaal overleg), dat via het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op de hoogte wordt gehouden, is (nog) niet bekend.

Minister van Economische Zaken

A. Jorritsma-Lebbink

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie