Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief VROM inzake betondschade aan begane grondvloeren

Datum nieuwsfeit: 03-07-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief VROM inzake betondschade aan begane grondvloeren

Aan de Voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

's-Gravenhage, 3 juli 2000

Eind 1998 is er naar aanleiding van kamervragen door het ministerie van VROM een onderzoek gestart naar de landelijke omvang van betonschade aan begane grondvloeren van Kwaaitaal- of Manta elementen in woningen. De betonschade is ontstaan door onjuist gebruik van calciumchloride. Een te grote hoeveelheid van die toeslagstof heeft de wapening aangetast waardoor de constructieve veiligheid van de vloer nadelig wordt beïnvloed. Het gaat daarbij om woningen gebouwd in de periode 1965-1981. Doel van het onderzoek was:
1. Verkrijgen van landelijke kwantitatieve gegevens over de omvang van de betonschade-problematiek bij woningen;
2. In beeld brengen van de hiermee samenhangende herstelkosten. Het onderzoek is begeleid door vertegenwoordigers van de Stichting Betonschadevloeren Nederland (SBN), Vereniging Eigen Huis, Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), Betonvereniging en Belastingdienst.
In de eerste fase van het onderzoek is door het bureau Companen te Arnhem geïnventariseerd bij hoeveel woningen in Nederland deze elementen als begane grondvloer zijn gebruikt. Op basis van haar onderzoek schat Companen dat de elementen in 100.000 - 110.000 woningen zijn toegepast. De uitkomsten van de eerste fase van het onderzoek zijn op 31 augustus 1999 aan uw commissie toegestuurd.

De 2e fase van het onderzoek is opgedragen aan de Stichting Civieltechnisch Centrum Uitvoering Research en Regelgeving (CUR) te Gouda. Deze 2e fase van het onderzoek had tot doel: a. vaststellen criteria voor schade, inspectieprotocol en herstelmethoden; b. uitvoering van inspectie bij 200 woningen en berekenen van de herstelkosten. Voor de uitvoering van het onderzoek heeft de CUR een onderzoekscommissie ingesteld onder voorzitterschap van prof. ir. W.R. Sitter. In de onderzoekscommissie zaten deskundigen vanuit wetenschap, branche-organisaties, betonreparatiebedrijven en gemeenten. De werkzaamheden zijn vanuit de CUR gecoördineerd door prof. ir. J. Stuip. Bijgevoegd treft u de uitkomsten van het onderzoek aan. Als eerste stap heeft de onderzoekscommissie vastgesteld in welke situaties een vloer wordt geacht schade te hebben. Onder schade wordt verstaan schade waarbij de vloer wordt geacht, nu of gedurende de resterende periode van de economische levensduur constructief niet meer veilig te zijn. Het verkrijgen van inzicht in “de te verwachten ontwikkelingen tot schade” vormde de tweede stap in het onderzoeksproject. In relatie tot de afname van de veiligheid in de tijd, zijn verschillende relevante aspecten nader uitgewerkt en de verkregen inzichten zijn vastgelegd. Vervolgens zijn aan de hand van een inspectieprotocol en een opnameformulier 200 woningen geïnspecteerd. Deze woningen zijn a-select geselecteerd uit het bestand woningen dat in de eerste fase was opgebouwd. De inspectieresultaten zijn ook gehanteerd bij het selecteren van geschikte herstelmethoden en preventieve maatregelen.

Vervolgens zijn de totale kosten voor herstel berekend. De kostenraming voor constructief herstel komt uit op circa 675 miljoen gulden. De onderzoekscommissie hanteert bij deze uitkomst een marge van 26%. In het rapport wordt e.e.a. nader toegelicht. Op pagina 42 van het rapport van de onderzoekscommissie wordt ingegaan op de gemiddelde herstelkosten per woning. Afhankelijk van de omvang van de schade varieert dit volgens de commissie van ƒ 13.000,- tot ƒ 23.000,-.

Uit de eerste fase van het onderzoek is naar voren gekomen dat ca. 50% van de woningen met Kwaaitaal- of Manta-elementen in handen zijn van eigenaar-bewoners. De overige woningen zijn het bezit van corporaties (45%) en particuliere verhuurders (5%).

Vanuit verschillende organisaties zijn verzoeken gekomen voor een bijdrage-regeling ten behoeve van gedupeerden. In mijn brief van 26 november 1998 aan uw commissie heb ik reeds aangegeven dat, daar er geen sprake is van onjuist handelen van de kant van de rijksoverheid, er geen aanleiding is om te komen tot een financiële bijdrage door de rijksoverheid. In reactie op verschillende vragen kan ik u melden dat het gemeenten is toegestaan om middelen uit het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing in te zetten voor de betonschadeproblematiek.

Op 20 juni 2000 heb ik een gesprek gevoerd met vertegenwoordigers van de Stichting Betonschadevloeren Nederland (SBN). In dit gesprek heeft de SBN gemeld dat de betonschadeproblematiek zich, naast bij vloeren van de merken Kwaaitaal en Manta, mogelijk ook voor doet bij een derde merk. In overleg met de SBN zal dit nader worden onderzocht. Daarnaast is door de SBN in dit gesprek aangedrongen op het formuleren van een onafhankelijke aanbeveling ten aanzien van de herstelmethodieken voor betonschade. Hiertoe zal op korte termijn opdracht worden gegeven.

Vervolg

Het onderzoeksrapport van de CUR zal toegestuurd worden aan de colleges van Burgemeester & Wethouders. Bij het rapport zal een handleiding worden gevoegd. Deze handleiding is op verzoek van het ministerie van VROM ontwikkeld door de SEV. In deze handleiding worden suggesties gedaan voor de wijze van informeren van de inwoners van de gemeente over de betonschadeproblematiek. Ook een tweetal bijlagen van het CUR-rapport kunnen een belangrijke rol spelen bij het informeren van burgers. Het gaat daarbij om de bijlagen “Inspectie individuele woning” en “Herstelmethoden en preventieve maatregelen”. Tevens is er een overzicht opgesteld van de meest gestelde vragen over de betonschadeproblematiek en de daarbij behorende antwoorden. Ook deze informatie wordt aan de gemeenten toegezonden. De betreffende informatie zal tevens worden opgenomen op de VROM-site op Internet.

Dit rapport zal tevens worden toegezonden aan de Waarderingskamer en de staatssecretaris van Financiën. Zoals beschreven in bijlage 9 bij de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 15 december 1999 inzake de evaluatie Wet waardering onroerende zaken, kan in een aantal gevallen betonschade, ook als die achteraf wordt geconstateerd, aanleiding zijn de WOZ-waarde aan te passen (Kamerstukken, 1999-2000, 26.954, nr. 1). Ik ga er vanuit dat het CUR-rapport gemeenten behulpzaam kan zijn bij de WOZ-waardebepalingen van woningen met schade aan de begane grondvloeren. Opgemerkt wordt dat een lagere WOZ-waarde leidt tot lagere WOZ-gerelateerde heffingen, zoals de OZB en de waterschapsheffing, maar ook voor de inkomstenbelasting tot een lagere huurwaarde voor eigenwoningbezitters. De VNG zal binnenkort haar leden informeren over de gevolgen van betonschade op de WOZ-waarde en haar leden adviseren wanneer de WOZ-waarde kan worden aangepast. Tot slot ga ik er vanuit dat het rapport van de CUR een belangrijke rol zal vervullen bij de kennisoverdracht binnen de betonbranche.

Hoogachtend,
De staatssecretaris van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

J.W. Remkes
Bijlage is niet elektronisch beschikbaar

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie