Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag overleg 'drugsbeleid, het pad naar de achterdeur'

Datum nieuwsfeit: 04-07-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Verslag algemeen overleg drugsbeleid-het pad naar de achterdeur
Gemaakt: 6-7-2000 tijd: 10:24


1


24077 Drugbeleid

Nr. 82 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 4 juli 2000

De vaste commissie voor Justitie<1> en de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport<2> hebben op 31 mei 2000 overleg gevoerd met minister Korthals van Justitie over de brief d.d. 7 april
2000 t.g.v. de notitie "Het pad naar de achterdeur" (24077, nr. 75).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Apostolou (PvdA) zegt dat hij hoge verwachtingen had, maar dat de voorliggende notitie daar geenszins aan voldoet. De minister heeft bijna een jaar nodig gehad om vijf bezwaren te formuleren tegen verandering van het huidige beleid. Hij heeft weinig durf en creativiteit getoond en zelfs geen begin van een oplossing geboden voor de problemen waarmee de gemeentebestuurders worden geconfronteerd. Het is teleurstellend dat de minister geen enkele poging heeft gedaan om ruimte te zoeken voor regelingen die de huidige inconsistenties in het beleid (wel mogen verkopen van cannabisproducten, maar niet mogen inkopen; het wel mogen gebruiken, maar niet mogen produceren) weg te werken. In de notitie wordt alleen gezocht naar argumenten tegen een achterdeurregeling. Van de vijf argumenten zijn er vier bovendien zeer zwak; ze kunnen evengoed worden gebruikt ten gunste van een achterdeurregeling. Het enige argument waarin de heer Apostolou de minister kan volgen, is dat met betrekking tot de gebondenheid van Nederland aan internationale verdragen.

De minister is bang dat door een regeling van het softdrugsbeleid het succes van het Nederlandse drugsbeleid volledig wordt en een legalisering voor de hand ligt. De heer Apostolou vindt echter dat een geslaagde regulering het volgende inhoudt: het terugdringen van de criminaliteit, bevordering van de gezondheid en intensivering van de voorlichting. Er is volgens hem alles voor te zeggen om deze doelstellingen na te streven.

De minister zegt vervolgens dat een regeling de criminaliteit niet volledig bestrijdt. De heer Apostolou meent echter dat ook het deels terugdringen van de criminaliteit beschouwd moet worden als winst. De meeste nederwiet wordt illegaal geteeld en er dient nadrukkelijk naar te worden gestreefd deze productie uit de criminele sfeer te halen. Waarom wil de minister de productie niet reguleren onder strenge voorwaarden om aldus het illegale circuit uit te schakelen? Verwacht mag worden dat de hoeveelheid geïmporteerde cannabis zal afnemen als het beschikbaar komt via het gereguleerde circuit, dat dan ook een gevarieerd aanbod zal kunnen verzorgen.

De heer Apostolou wijst er vervolgens op dat de internationale verdragen inderdaad een probleem opleveren, maar voegt hieraan toe dat ze ook het huidige Nederlandse beleid niet toelaten. De minister heeft dus op dit punt voor de helft gelijk.

Het is overigens interessant dat in de notitie het coffeeshopbeleid met verve wordt verdedigd maar dat niet de conclusie wordt getrokken dat verkoop ook inkoop moet inhouden. Het is onbegrijpelijk dat aan de ene kant het verbod op leveranties aan coffeeshops dient te worden gehandhaafd en dat aan de andere kant wordt gepleit voor handhaving van de coffeeshops. Wat moet een coffeeshop zonder cannabisproducten? Hoe gaat de minister dit aan zijn Europese collega's uitleggen?

De heer Apostolou vraagt vervolgens met welke intenties de minister de internationale discussie ingaat. Het lijkt hem dat in ieder geval moet worden gepleit voor verandering van de internationale afspraken opdat er een consistent beleid wordt gevoerd vanaf productie tot en met consumptie van cannabis. Is de minister bereid in het najaar een werknotitie en ontwerpresolutie in de algemene vergadering van de VN te presenteren?

De gemeentes, waarvan er inmiddels zo'n 60 pleiten voor een regeling van het pad naar de achterdeur, mogen niet in de steek worden gelaten. Voorkomen moet worden dat er wat betreft het cannabisbeleid een kloof ontstaat tussen rijk en gemeentes. De heer Apostolou vraagt de minister, in overleg met de gemeentes praktische oplossingen te zoeken voor de problemen van overlast en criminaliteit. Hij pleit in dit verband voor het -- onder stringente voorwaarden --niet vervolgen van de "bonafide" leverancier aan de achterdeur. Dat houdt een uitbreiding van het gedoogsysteem in. Wil de minister de ruimte van het opportuniteitsbeginsel benutten en de gemeentes instrumenten verschaffen op grond waarvan de coffeeshops op fatsoenlijke wijze kunnen worden bevoorraad en vervolgens illegale teelt consequent kan worden vervolgd?

Ten slotte merkt de heer Apostolou op zich mét de minister zorgen te maken over de toename van het gebruik van cannabis door jongeren. Ook met het oog daarop is een consistent beleid van groot belang.

De heer Nicolaï (VVD) stelt vast dat het Nederlandse softdrugsbeleid een bijzonder beleid is: in internationaal opzicht gaat het te ver en in nationaal opzicht gaat het volgens sommigen niet ver genoeg. Hij voegt hieraan toe nog steeds achter het Nederlandse beleid te staan, maar vindt niet dat er nu verdergaande stappen moeten worden gezet. Het is immers van groot belang dat Nederland andere landen kan meekrijgen in zijn beleid. Wat dat betreft kan hij zich vinden in de notitie van de minister. Voor het overige is hij er minder tevreden over. In de eerste plaats kan de notitie niet worden gezien als een goed vervolg op de Drugsnota van 1995. Er wordt immers slechts één aspect behandeld en het is jammer dat de notitie niet in de context van het alomvattende drugsbeleid wordt geplaatst. Een softer softdrugsbeleid impliceert immers een harder harddrugsbeleid. In dit verband vraagt de heer Nicolaï naar het plan van aanpak met betrekking tot de doorlevering en grootschalige export van cocaïne.

In de notitie wordt ook niet ingegaan op zaken die echt niet mogen. Een gedoogbeleid is alleen aanvaardbaar als de dingen die echt niet mogen hard worden aangepakt. De heer Nicolaï denkt in dit verband aan de synthetische drugs en vraagt om een notitie terzake.

Het is goed dat de illegale huisteelt harder zal worden aangepakt. Heeft de minister enig idee hoeveel van die teelt is bestemd voor de export? Desgevraagd merkt de heer Nicolaï op dat er wat hem betreft geen ruimte is voor legale commerciële teelt. Het is zeer onbevredigend dat er tot nu toe zo weinig prioriteit is gegeven aan de aanpak van de illegale verkoop. Een hardere aanpak strookt ook met de prioriteiten van het beleidsplan van de Nederlandse politie, zeker als het gaat om bestrijding van de overlast. Maken de gemeentes wel genoeg gebruik van de mogelijkheden om de illegale verkoop aan te pakken? Het lijkt hem dat de gemeentes zelf moeten bepalen hoeveel legale verkooppunten er moeten komen.

Het onderzoek naar illegale verkooppunten vindt de heer Nicolaï een blamage. Het is natuurlijk erg knullig dat het onderzoek uitwijst dat er twee illegale verkooppunten in Amsterdam zijn. Een aanvulling lijkt hem noodzakelijk want de Amsterdamse politie mag natuurlijk niet denken de klus geklaard te hebben als er twee illegale verkooppunten zijn opgerold.

De heer Nicolaï vraagt zich vervolgens af of de AHOJ-G criteria niet kunnen worden aangescherpt en denkt in dit verband aan de nabijheid van coffeeshops in de buurt van scholen en de grens.

Er is tot op zekere hoogte sprake van inconsistentie in het achterdeurbeleid dat de lagere overheden opzadelt met een moeilijk oplosbaar probleem. Desalniettemin is de heer Nicolaï geen voorstander van een regulering in de vorm van algemene richtlijnen dan wel experimenten. Nederland mag niet te veel afstand nemen van andere landen, al was het maar om te voorkomen dat het zijn beleid niet meer kan uitleggen aan die landen; daarnaast heeft Nederland zich te houden aan de internationale verdragen en ten slotte mag met het oog op het al bestaande drugstoerisme het imago van Nederland niet verder verslechteren. Ook dient de vraag te worden gesteld of de criminaliteit wel afdoende kan worden bestreden als alleen een regeling wordt getroffen ten aanzien van nederwiet. De heer Nicolaï vraagt zich overigens wel af of het kabinet voldoende werk maakt van de internationale afstemming. Hij spreekt de hoop uit dat het zich actiever en met meer overtuiging zal inzetten in de diverse gremia nu er signalen zijn dat in internationaal verband enige voortgang kan worden geboekt.

De heer Van de Camp (CDA) stelt vast dat internationale verdragen een mogelijke regulering van het pad naar de achterdeur in de weg staan. Dit betreft met name de gemeenschappelijke actie van de EU inzake drugs. De conclusie moet al met al zijn dat de achterdeur niet mag worden geopend. Maar niet alleen internationaal-juridische en internationaal-politieke overwegingen liggen aan die conclusie ten grondslag. 25 jaar gedoogbeleid heeft immers veel ellende veroorzaakt: overlast, gigantische criminele winsten, een belabberd imago in het buitenland en veel drugstoerisme. Daar komt bij dat het gebruik van softdrugs in Nederland niet lager is dan het gemiddelde in Europa en dat de drugsgerelateerde criminaliteit eerder meer dan minder is dan elders. En dan is er ook nog het beeld van een overheid die toestaat wat niet mag. De heer Van de Camp is dan ook van mening dat het gedoogbeleid moet worden teruggedrongen totdat de eindsituatie is bereikt dat coffeeshops niet meer bestaan. De achterdeur moet dus niet verder open en de voordeur moet verder dicht.

De voorstellen voor experimenten met een gereguleerde achterdeur sterken de heer Van de Camp in de overtuiging dat dit een onbegaanbare weg is. Voorstanders vinden dat er een gesloten circuit moet ontstaan van Nederlandse wiet in Nederlandse coffeeshops en dat Nederland zich niets moet aantrekken van onderschreven internationale verdragen. Nederland is echter geen eiland en zal dat ook niet worden. Nederland heeft open grenzen en is door een netwerk van verdragen en internationale afspraken verbonden met de buitenwereld. Maar ook zonder buitenland is een gesloten systeem van productie en handel tot mislukken gedoemd. Nederland kent immers een open en vrije markteconomie en er is absoluut geen ruimte voor een gesloten systeem zoals dat vroeger te vinden was in de communistische wereld van de Sovjet Unie en dat uiteindelijk heeft gefaald. Een gesloten systeem kan overigens niet tot Nederlandse klanten worden beperkt, want het is niet mogelijk gebleken de verkoop aan buitenlanders te verbieden. Het buitenland zal dus ook te maken krijgen met Nederlandse maatregelen ter regulering van het pad naar de achterdeur en het drugstoerisme zal verder toenemen.

De problemen met het pad naar de achterdeur maken duidelijk dat het Nederlandse drugsbeleid niet houdbaar is. Terwijl getracht wordt te komen tot een regulering, dient de eerstvolgende verruiming van het drugsbeleid zich alweer aan. Jongeren onder de achttien blijken veelvuldig softdrugs te gebruiken en het antwoord op die ontwikkeling is een verlaging van de gedooggrens naar 16 jaar. Een gevolg daarvan is natuurlijk een verdere verlaging.

De heer Van de Camp merkt op dat niet de achterdeurproblematiek oorzaak is van de overlast, maar het feit dat Nederland op eigen houtje probeert te opereren. Het gedoogbeleid is de oorzaak van alle problemen en niet het geïsoleerde probleem van de achterdeur. Nederland zal zich meer moeten conformeren aan de hoofdstroom van het Europese beleid en mag niet langer het laagste putje te zijn. Daarom dringt hij er bij de minister op aan in Europees verband de samenwerking te intensiveren. Kan de bewindsman aangeven hoe hij de dialoog met de andere Europese landen vorm wil geven? En kan hij zeggen welke positie Nederland inneemt in de discussie binnen het Committee on Narcotic Drugs van de VN?

De heer Van de Camp heeft sterk de indruk dat de marktenscheiding tussen soft- en harddrugs en niet de vermindering van het aantal coffeeshops de oorzaak is van de toename van het aantal illegale drugspanden. In die panden worden immers hard- en softdrugs verkocht. De minister is van plan de aanpak van illegale drugspanden te intensiveren, maar wat houdt dat in de praktijk van alledag in? Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet en artikel 174a van de Gemeentewet brengt in de praktijk veel operationele problemen met zich mee. De evaluatie op dit punt dient te worden versneld opdat gemeentes slagvaardiger kunnen optreden.

Desgevraagd verklaart hij dat er dient te worden gestreefd naar een nulsituatie en dat er tot die tijd absoluut geen harddrugs mogen worden verkocht in coffeeshops. De heer Van de Camp benadrukt tegenstander te zijn van een nadere regulering van het pad naar de achterdeur, omdat dat leidt tot een verruiming van het gedoogbeleid. In het kader van het opportuniteitsbeginsel dient daarentegen de bestrijding van de praktijken van wiettelers te worden geïntensiveerd.

Ten slotte vraagt de heer Van de Camp aandacht voor de situatie in Venlo die volstrekt uit de hand dreigt te lopen. Hij doet een klemmend beroep op de minister om voor Venlo een aparte taskforce te formeren. De bevolking aldaar is ten einde raad nu de Turkse maffia vele panden opkoopt en Duitse drugstoeristen de sfeer verzieken.

De heer Dittrich (D66) spreekt zijn teleurstelling uit over de notitie, die beter "beren op het pad naar de achterdeur" had kunnen heten. De minister wijst voorstellen om te gaan experimenteren met weinig overtuigende argumenten van de hand. Het resultaat van de notitie is dat er weinig verandert. Het softdrugsbeleid van deze minister is meer een kwestie van pappen en nathouden.

De minister schrijft dat lokale experimenten niet anders kunnen worden gezien dan als voorlopers van een wettelijke regeling die het telen van cannabis mogelijk maakt. De heer Dittrich waagt dit te betwijfelen. Het huidige gedoogbeleid kan ook worden beschouwd als een experiment dat al 25 jaar gaande is en het is niet te verwachten dat hieruit een wettelijke regeling zal voortvloeien. Lokale experimenten kunnen klein beginnen en kunnen, als ze succesvol zijn, uitgebreid worden. Na verloop van tijd zouden ze kunnen worden geëvalueerd. Hij sluit zeker niet uit dat het experiment op den duur uitmondt in een richtlijn.

De minister schrijft terecht dat internationale verdragen oproepen tot de bestrijding van de productie van softdrugs. Maar die verdragen tasten het opportuniteitsbeginsel niet aan. Bovendien staat in het EU-memorandum van 1996 dat de lidstaten zich verbinden om de meest passende maatregelen te nemen ter bestrijding van de illegale teelt. De heer Dittrich verstaat daaronder dat streng wordt opgetreden tegen grootschalige huisteelt en dat gekeken wordt naar de mogelijkheden van een gesloten systeem.

Volgens de minister bieden de beoogde experimenten geen oplossing voor de import van cannabis. Op zich heeft hij gelijk, maar dat mag natuurlijk niet worden verweten aan gemeentes die een experiment willen beginnen. Het is immers de minister zelf die ervoor moet zorgen dat er geen grote hoeveelheden hasj worden geïmporteerd. De heer Dittrich pleit voor aanscherping van de handhaving terzake. De nederwiet kan immers als een goed alternatief dienen voor buitenlandse hasj. Kan de minister wat betreft de import van hasj inzicht geven in de huidige handhaving? Daarbij hoeft natuurlijk niet alleen te worden gedacht aan strafrechtelijke handhaving, maar ook aan bestuurlijke handhaving.

De minister hanteert verder als argument dat in de experimenten de export van nederwiet niet aan de orde komt. Dat is onjuist, want in het Tilburgse voorstel is sprake van afgepaste hoeveelheden, terwijl de meeropbrengst wordt vernietigd. Als bepaalde telers wordt toegestaan om onder strikte voorwaarden te leveren aan betrouwbare coffeeshops, moeten de overige telers worden aangepakt, hetgeen betekent dat de export vermindert.

Dat een experiment de rechtsongelijkheid bevordert, is een gelegenheidsargument bij uitstek. Ter gelegenheid van de strafrechtelijke opvang van verslaafden heeft de minister zelf gezegd dat een experiment per definitie de rechtsongelijkheid bevordert omdat in de ene gemeente wordt toegestaan wat in een andere gemeente niet mag.

Het argument dat Nederland niet te ver voor de Europese muziek mag uitlopen, is ook een gelegenheidsargument. De heer Dittrich verwijst in dit verband naar de openstelling van het huwelijk voor homoseksuelen waarbij de regering met graagte een voortrekkersrol speelde.

Ten slotte roept de heer Dittrich mede naar aanleiding van brieven van de Gelderse politie en de VNG de minister van Justitie op het pad naar de achterdeur verder te verkennen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks) heeft de indruk dat de notitie moet worden beschouwd als een gelegenheidsnotitie die de minister de gelegenheid geeft om de politieke besluitvorming uit te stellen. Er is immers nog steeds de "dreiging" van een meerderheid voor het reguleren van de aanvoer van hasj. Het is echter nog maar de vraag of de minister met deze notitie terreinwinst heeft geboekt.

De notitie creëert een onnodige sombere sfeer. De minister heeft de kans niet benut om uit te dragen hoe trots Nederland eigenlijk mag zijn op zijn softdrugsbeleid. Er is in ieder geval een scheiding van de markten tot stand gebracht. Het is gelukt om gebruikers van softdrugs te beveiligen tegen de harddrugs, hetgeen een aanzienlijke vermindering van het gebruik van harddrugs tot gevolg heeft gehad. Het softdrugsbeleid heeft dus gunstige gevolgen gehad voor de volksgezondheid, maar dat gegeven staat helaas niet expliciet in de notitie. Andere verworvenheden van het softdrugsbeleid zijn het civiliseren van het gebruik en het terugdringen van de illegaliteit.

Mevrouw Halsema begrijpt niet hoe in de notitie kan worden gesteld dat Nederland rekening heeft te houden met krachtige kritiek uit het buitenland. Zij wijst erop dat het Nederlandse beleid zoveel weerklank krijgt in het buitenland, dat er daar geleidelijk aan sprake is van een inhaalmanoeuvre. In een aantal Duitse deelstaten vinden experimenten plaats terwijl in enkele kantons in Zwitserland voornemens bestaan die verder gaan dan wat door sommigen in Nederland wordt beoogd. In Frankrijk wordt het gebruik van cannabis sterk gerelativeerd.

Mevrouw Halsema zegt voorstander te zijn van het creëren van experimenteermogelijkheden, eventueel neergeslagen in een richtlijn van het OM. Helaas volstaat de minister met de herhaling van de alreeds bekende tegenargumenten en gaat hij voorbij aan de argumenten pro. Bij het laatste kan worden gedacht aan een vermindering van de greep van de georganiseerde misdaad op coffeeshops en daarmee aan de mogelijkheid voor coffeeshophouders om zich uit het illegale circuit te tillen.

Opvallend genoeg heeft de minister het onderzoek, dat de heer Schutte in opdracht van het ministerie heeft verricht, niet vermeld in de notitie. De conclusie van dat onderzoek was dat een wettelijke regeling strijdig is met internationale verdragen waaraan Nederland zich gebonden heeft. Mevrouw Halsema wijst er echter op dat het niet gaat om een wettelijke regeling maar om een uitbreiding van het gedoogbeleid, hetgeen niet strijdig is met internationale verdragen en Europese regelingen.

Een ander argument van de minister is dat de handhavingsinspanningen onevenredig groot zijn, maar tegelijkertijd stelt hij vast dat de criminaliteit vermindert.

Mevrouw Halsema merkt ten slotte op een groot voorstander te zijn van het verlagen van de leeftijdsgrens. Nu wordt de meest kwetsbare groep van zestien tot achttien jaar naar het illegale circuit gedrongen. Het argument van de minister dat de hasjscene op die manier aantrekkelijk wordt voor nieuwe groepen jongeren valt nergens op te baseren. Het gebruik van softdrugs is immers niet toegenomen over de gehele linie.

Ook de heer De Wit (SP) vindt de notitie teleurstellend nu de minister geen ruimte wil scheppen voor experimenten als bepleit door de gemeente Tilburg. In tegenstelling tot de minister stemmen de cijfers de heer De Wit niet tevreden. Het aantal (illegale) verkooppunten naast de coffeeshops is immers sterk gestegen. Verder kunnen criminelen via de coffeeshops miljoenen verdienen. Veel reacties wijzen erop dat de uitvoerders van het beleid niet goed met de notitie uit de voeten kunnen, omdat er geen aanknopingspunten in zitten voor een beter beleid. Experimenten zouden daarvoor een opening kunnen bieden. De heer De Wit meent dan ook dat verkoop en productie van wiet dient te worden gereguleerd in de vorm van een experiment of richtlijnen. Het voorstel van de gemeente Tilburg biedt wat dit betreft goede aanknopingspunten. Hoe oordeelt de minister hierover? Nu sprake is van gedogen van een bepaalde situatie op basis van het opportuniteitsbeginsel kan er geen sprake zijn van strijdigheid met internationale verdragen. Het moet mogelijk zijn dat EU-landen praktische maatregelen nemen ter bestrijding van de illegale teelt. Regulering van de teelt kan een bijdrage leveren aan de bestrijding van illegale productie. Het mogelijk maken van experimenten komt ook tegemoet aan de andere door de minister genoemde bezwaren. De heer De Wit hoort graag het oordeel van de minister over de suggestie van de Stichting drugsbeleid om de import van hasj tegen te gaan en zoveel mogelijk in Nederland geteelde hasj te gebruiken.

De heer Van der Staaij (SGP) deelt mee mede namens de fracties van het GPV en de RPF te spreken. Hij stemt in met de conclusie van de minister dat uitbreiding van het gedoogbeleid onwenselijk en onmogelijk is. Bovendien wordt de zwakte van het huidige gedoogbeleid treffend blootgelegd. De drugsproblematiek is een complex en ernstig maatschappelijk probleem waarop ook het Nederlandse model geen adequaat antwoord heeft weten te geven. Er is geen enkele reden om tevreden zijn over het huidige gedoogbeleid; de enkele positieve resultaten hebben eerder van doen met verslavingszorg en voorlichting over de schadelijke effecten van drugsgebruik dan met het gedoogbeleid ten aanzien van de coffeeshops. Uit onderzoek blijkt immers dat het aantal coffeeshops is afgenomen, maar dat daarentegen het aantal overige verkooppunten van cannabis -- waaronder illegale verkooppunten
-- significant is gestegen en dat de gemiddelde leeftijd waarop jongeren beginnen met het gebruik van cannabis daalt. Hoe denkt de minister de verkoop van cannabis op huisadressen terug te dringen? De heer Van der Staaij wijst er overigens nog op dat volgens het Intraval-rapport in een plaats als Hulst coffeeshops aanwezig zouden zijn, terwijl deze gemeente de nuloptie heeft aanvaard.
Hoe oordeelt de minister over de stijging van het drugsgebruik onder jongeren? Welke concrete stappen worden genomen om het gebruik te ontmoedigen?

De heer Van der Staaij merkt vervolgens op dat het hem tegen de borst stuit dat op pragmatische gronden de hand wordt gelicht met wettelijke regelingen als de Opiumwet en dat aan de opsporing van illegale activiteiten geen prioriteit wordt gegeven. Het huidige beleid is halfslachtig en hypocriet: enerzijds gedogen en anderzijds de strafbaarstelling handhaven. De spanning tussen gedoogde verkoop en verboden aanvoer is inherent aan het beleid. Het kabinet moet een principiële keuze maken en ook de voordeur aanpakken.

De ruimte die internationale verdragen bieden voor toepassing van het opportuniteitsbeginsel is niet bedoeld om een quasi-legale bedrijfstak tot ontplooiing te brengen. Het is zeer wel mogelijk dat het huidige beleid in strijd is met internationale verplichtingen. Hoe oordeelt de minister hierover?

De heer Van der Staaij kan al met al niet instemmen met het huidige gedoogbeleid, maar als er dan toch sprake is van zo'n beleid dient in ieder geval de schadelijkheid van het gebruik van softdrugs duidelijk te worden gemaakt -- het kwaad moet kwaad blijven worden genoemd -- en moet worden opgetreden tegen zaken die het kabinet niet wil gedogen. In het algemeen wordt al te relativerend gedaan over de schadelijkheid van softdrugs. De door anderen bepleite experimenten kunnen er licht toe leiden dat gebruikers van softdrugs zwaardere middelen gaan gebruiken. Het gebruik van softdrugs staat niet op zichzelf en heeft heel vaak een relatie met gebruik van alcohol en/of XTC-pillen. Kan de bewindsman ook in dit licht bezien nader ingaan op de al dan niet positieve gevolgen van de scheiding van soft- en harddrugs?

Verder vraagt de heer Van der Staaij naar de controle op voorraden en affichering. Samenvattend merkt hij op dat naar zijn mening het pad naar de achterdeur moet worden opgebroken, dat het huidige gedoogbeleid niet mag worden verruimd ten behoeve van legale teelt, dat de experimenten meer problemen oproepen dan ze oplossen en dat het kabinet zich moet beraden over zijn voordeurbeleid. Hoe oordeelt de minister over een aanscherping van het gedoogbeleid?

Het antwoord van de minister

De minister stelt vast dat door de commissieleden verschillend wordt geoordeeld over de notitie. Het is hem opgevallen dat de internationale dimensie betrekkelijk weinig aandacht heeft gekregen. Verder wijst hij erop dat in het regeerakkoord staat dat met het drugsbeleid pas op de plaats zal worden gemaakt. Dat enkele leden teleurgesteld zijn over de inhoud van de notitie heeft hem niet verrast. Hijzelf zou niet eigener beweging met deze notitie zijn gekomen op dit moment. Het was de bedoeling om haar vlak voor het zomerreces uit te brengen.

Ingaande op de in de notitie vermelde bezwaren tegen lokale experimenten zegt de bewindsman dat experimenten de criminaliteit niet of nauwelijks terug zullen dringen. Het is een misverstand te denken dat de illegale handel verdwijnt door kansen te bieden aan bonafide ondernemers. Hiervoor zijn de commerciële belangen van illegale producenten en handelaars te groot. Waarom zouden zij zich schikken in experimenten waarbij coffeeshops worden bevoorraad als zij juist dankzij het illegale karakter van hun handel enorme winsten kunnen behalen? Het toestaan van handel en verkoop ten behoeve van coffeeshops zal ongetwijfeld het illegale marktaandeel enigszins verkleinen, maar dit moet niet worden overschat. In binnen- en buitenland zal een omvangrijke illegale vraag naar Nederlandse cannabis blijven bestaan. In Nederland zullen jongeren, die uit coffeeshops worden geweerd, aangewezen blijven op illegale verkooppunten. In het recente verleden -- bijvoorbeeld tijdens het IRT-onderzoek -- is gebleken dat gedogen de criminaliteit eerder stimuleert dan tegengaat. In de schaduw van het Nederlandse gedoogbeleid konden Nederlandse hasjhandelaren in de jaren tachtig uitgroeien tot mondiaal opererende misdaadondernemingen. Van bestuurlijke experimenten gaat voor iedereen het verkeerde signaal uit dat de overheid de verbodsnormen uit de Opiumwet en de internationale verdragen niet serieus neemt. Het is een dubbelzinnige boodschap die een schemerzone creëert waarin het voor illegale ondernemers goed toeven is. Een verdergaand gedoogbeleid leidt ertoe dat Nederland een eiland wordt in de internationale gemeenschap en allerlei criminele activiteiten aantrekt.

De minister merkt vervolgens op weinig heil te zien in een gesloten systeem van productie en handel van hasj, gecombineerd met het tegengaan van de import en export. Dat zal waarschijnlijk niet het beoogde resultaat hebben. Bovendien vergt het een enorme handhavingsinspanning. Een gesloten circuit werkt immers alleen als de illegale teelt en handel voor 100% kan worden uitgebannen. Zolang dat niet kan worden gegarandeerd, zal een dergelijk gesloten circuit niet de beoogde resultaten hebben. De minister voegt hieraan toe dat Nederland op z'n minst ten opzichte van het buitenland de inspanningsverplichting heeft om de export van nederwiet zoveel mogelijk te voorkomen. Geschat wordt dat ongeveer 10% van de import wordt onderschept, hetgeen uiteraard veel te weinig is. Veel hasj komt tegenwoordig via Portugal en Spanje binnen en niet meer rechtstreeks via de havens.

De bewindsman benadrukt dat een internationale aanpak gewenst is en dat ook wat dat betreft een vergaand gedoogbeleid niet voor de hand ligt. Het werkt contraproductief als Nederland in het internationale overleg te kennen geeft dat zijn beleid het beste is. Wel zal hij de scheiding van markten blijven verdedigen; geconstateerd kan worden dat steeds meer landen voor een dergelijke scheiding voelen. Een internationale vergelijking van het drugsbeleid in de diverse EU-landen kan wellicht leiden tot een meer objectieve benadering van dit vraagstuk. Nog steeds is het causale verband niet duidelijk tussen het sluiten van coffeeshops en het ontstaan van illegale verkooppunten. Het WODC zal hiernaar onderzoek verrichten. Het beleid ten aanzien van de coffeeshops draagt een decentraal karakter en is dus afhankelijk van lokale besluitvorming. Dat geldt ook voor toepassing van de AHOJ-G criteria. Het algemene beeld is dat gemeentes zich goed houden aan die criteria.

Illegale verkooppunten moeten zoveel mogelijk worden bestreden, al was het maar omdat de scheiding van markten daar minder diffuus is. De regering heeft 15 mln. uitgetrokken voor extra opsporingsactiviteiten en 3 mln. ten behoeve van het leidinggevende segment van het OM.

Het stelsel van strafvordering geeft het OM de mogelijkheid om in individuele zaken af te zien van strafvervolging. In de meeste EU-landen kent men dit opportuniteitsbeginsel niet. Dat beginsel geldt ook als het gaat om het vervolgen van strafbare feiten waartoe Nederland zich bij internationale verdragen heeft verplicht. Toepassing van het beginsel mag echter nooit in strijd komen met loyale uitvoering van die verdragen. Naarmate de verdragspartijen de inbreuken, waartegen moet worden opgetreden, als ernstig kwalificeren, komt de loyaliteitsvraag meer in het gedrang en wordt de mogelijkheid om het opportuniteitsbeginsel toe te passen beperkt dan wel uitgesloten. Tegen deze achtergrond ziet de minister geen ruimte om de teelt van nederwiet onder de toepassing van het opportuniteitsbeginsel te brengen.

De bewindsman benadrukt dat onderzoek door het WODC of onderzoek dat door het WODC wordt uitbesteed aan derden volstrekt onafhankelijk wordt uitgevoerd. Dat geldt dus ook voor het Intraval-onderzoek. Alle vermeende onjuistheden in dat onderzoek zijn gecontroleerd en vastgesteld moet worden dat er ten onrechte kritiek op is uitgeoefend. Er is geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid van de gerapporteerde gegevens. Het onderzoeksrapport verschaft het meest complete beeld van de aantallen verkooppunten van cannabis in Nederland. Wel had in de conclusie nadrukkelijker aangegeven moeten worden dat de schatting een welbewuste onderschatting is

In Nederland is sprake van een stringent XTC-beleid, maar in het buitenland worden nog steeds te veel in Nederland vervaardigde XTC en amfetaminen opgespoord.

De minister onderkent dat er grote problemen in Venlo zijn, die echter niet zullen worden opgelost als experimenten worden toegestaan. Hij zegt toe hierover in contact te zullen treden met de gemeente, maar meent niet dat direct een taskforce moet worden ingesteld.

In het algemeen wordt het Nederlandse drugsbeleid in het buitenland nog steeds als een vreemde eend in de bijt gezien. Het Verenigd Koninkrijk is bezig met het formuleren van een repressief standpunt in zijn streven naar een drugsfree society. Maar ook dat beleid wordt niet overgenomen door de EU. Het beginsel van minimumstraffen spreekt de minister in het geheel niet aan. Om het wederzijdse begrip te vergroten, zal de minister binnen de EU een beleidsevaluatie op gang brengen ten aanzien van de strafrechtelijke aanpak van het gebruik van soft- en harddrugs. Deze evaluatie moet worden uitgevoerd door het Europees waarnemingscentrum in Lissabon, gecombineerd met een actieve deelname van de lidstaten. Hij wil de resultaten van deze evaluatie in de JBZ-raad aan de orde stellen. Verder wil hij eind 2001 een conferentie organiseren voor de grote steden in Europa over de vraag hoe met het drugsprobleem dient te worden omgegaan. Nederland zal in het kader van de VN sonderen of het verbodsbeleid ten aanzien van cannabis nog steeds door de meeste landen wordt gedragen.

Ten slotte zegt de minister toe om, als dat mogelijk is, de evaluatie van de werking van artikel 174a van de Gemeentewet naar voren te halen.

Nadere gedachtewisseling

De heer Apostolou (PvdA) stelt vast dat er overeenstemming is over de volgende punten: het Nederlandse beleid is inconsistent; het kent echter bepaalde verworvenheden die het verdienen te worden uitgedragen in het buitenland; er moet iets gedaan worden aan de huidige situatie. Het stelt hem teleur dat de minister op het laatste punt onvoldoende toezeggingen heeft gedaan en de gemeentes niet meer ruimte biedt voor bevoorrading van de coffeeshops. Hij waardeert overigens het voornemen van de minister om op EU- en VN-niveau bepaalde initiatieven te nemen. Nederland mag in dat verband best de goede kanten van zijn drugsbeleid laten zien en moet zich niet in de verdediging laten dringen.

De heer Nicolaï (VVD) vindt de minister nogal terughoudend als het gaat om het erkennen van de problemen en de inconsistenties in het beleid. Dat er 18 mln. extra is uitgetrokken ten behoeve van de bestrijding van de illegale verkoop en handel is overigens een goede zaak.

Het lijkt de heer Nicolaï gewenst dat de minister in internationaal kader het belang van scheiding tussen soft- en harddrugs blijft benadrukken. Hij vindt alle voorstellen met betrekking tot richtlijnen, experimenten en dergelijke nogal naïef en zelfs riskant voor het Nederlandse drugsbeleid omdat Nederland nu eenmaal niet een eiland is in de internationale wereld. Aan het adres van degenen die vinden dat Nederland een gidsland moet zijn, merkt hij ten slotte nog op dat een goede gids altijd in de buurt van de groep blijft.

De heer Van de Camp (CDA) merkt nog op dat het CDA van mening blijft dat uiteindelijk alle coffeeshops moeten worden gesloten. Hij vindt de achterdeurdiscussie een verkeerd signaal als het gaat om preventie en ontmoediging. Waarom is de notitie overigens niet ondertekend door mevrouw Borst? Kan de minister de garantie geven dat er op dit moment geen wiettelers in Nederland zijn die op basis van het opportuniteitsbeginsel bepaalde garanties hebben gekregen?

De heer Dittrich (D66) heeft niet helder voor ogen hoe de minister de georganiseerde drugscriminaliteit wil bestrijden, nu hij zo weinig inhoudelijk reageert op het voorstel van 60 gemeentes om te komen tot een gesloten systeem; een ketenbenadering kan immers wel degelijk een bijdrage leveren aan de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Hij is al met al ontevreden over het antwoord van de minister.

De heer Dittrich vindt verder dat een toegespitste toepassing van het opportuniteitsbeginsel zeer wel kan bijdragen aan bestrijding van (grootschalige) teelt die niet in het gesloten systeem past. Op die manier worden de doelstellingen van internationale verdragen niet ondergraven, maar op de meest passende manier uitgewerkt.

Ten slotte merkt de heer Dittrich op dat de minister zich niet mag verschuilen achter de door hem aangekondigde conferentie van Europese grote steden in die zin dat hij tot die tijd geen nadere stappen zet omdat er anders te weinig vertegenwoordigers uit het buitenland de conferentie zullen bijwonen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks) beschouwt het
internationaal-strafrechtelijk verbod op soft- en harddrugs als een historische blunder. Dat verbod heeft dramatische effecten in de sfeer van de volksgezondheid en bovendien vindt zij dat victimless crimes niet in het strafrecht thuishoren. Internationale afspraken dienen inderdaad te worden nageleefd, maar dat mag het nadenken over verdere legalisering en betere regulering niet in de weg staan. Zij gaat ervan uit dat de minister een repressief beleid als in Zweden wordt gevoerd niet zal ondersteunen in de internationale discussie.
De minister heeft wat betreft de experimenten slechts de argumenten uit de notitie herhaald en is niet ingegaan op bijvoorbeeld het argument dat experimenten handelaren uit de sfeer van de illegaliteit kunnen halen.

Wat betreft het opportuniteitsbeginsel vraagt mevrouw Halsema zich af of de VN-verdragen vervolgingsverplichtingen creëren. Als dat niet het geval is, zijn experimenten mogelijk. Ten slotte vraagt zij nog naar het oordeel van de minister over het toestaan van teelt van medicinale marihuana.

De heer De Wit (SP) vindt het antwoord van de minister over toepassing van het opportuniteitsbeginsel ontoereikend. Hoe oordeelt hij over toepassing van dit beginsel in het kader van de achterdeurproblematiek? Niet alleen Venlo, maar ook andere gemeentes vragen om een duidelijk rijksbeleid.

De heer Van der Staaij (SGP) vindt de argumenten van de minister tegen een verruiming van het gedoogbeleid helder. Is opening van het pad naar de achterdeur in strijd met het regeerakkoord dat bepaalt dat de hoofdlijnen van het huidige beleid worden gehandhaafd? Het antwoord van de minister heeft overigens nogmaals duidelijk gemaakt dat er sprake is van een halfslachtig beleid. De heer Van der Staaij ziet daarom graag een notitie over het pad naar de voordeur tegemoet. Nu andere landen een stringenter beleid gaan voeren, is de vraag gerechtvaardigd of Nederland die weg ook niet zou moeten opgaan. Is dat voor de minister een bespreekbare optie? Ten slotte vraagt hij wat er precies verandert na dit overleg als het gaat om preventie en handhaving.

De minister beaamt dat het huidige beleid niet altijd even consistent is en dat overleggen als dit ertoe moeten leiden dat een moment wordt bepaald waarop de ene of de andere weg wordt ingeslagen. Daartoe is een internationale afstemming echter onontbeerlijk.

Het moment is nog niet aangebroken om samen met gelijkgestemde landen na te gaan of het aanbeveling verdient om verdragen te wijzigen of op te zeggen. Nederland zal natuurlijk alle aspecten van zijn beleid in de internationale discussie aan de orde stellen, zal luisteren naar de standpunten van andere landen en zal ten slotte een vergelijking maken.

De praktijk wijst uit dat de meeste coffeeshops er goed in slagen om hun voorraad op peil te houden. De morele standaarden voor het beleid, gericht op terugdringing van de criminaliteit, liggen vast in de door het vorige kabinet vastgestelde Drugsnota. De thans voorliggende notitie is uiteraard namens het gehele kabinet ingediend.

Een nog niet gepubliceerd onderzoek van het Trimbosinstituut laat zien dat het gebruik van cannabis onder scholieren in het voortgezet onderwijs in vergelijking met 1996 is gestabiliseerd. Uiteraard wordt het preventie- en voorlichtingsbeleid met volle kracht voortgezet. De minister voelt met het oog op een consistent beleid weinig voor een verlaging van de leeftijdsgrens van achttien naar zestien jaar. Hoe eerder men begint met drugsgebruik, hoe groter de kans dat men verslaafd raakt.

VN-verdragen dwingen tot het voeren van een sanctiebeleid, maken onderscheid tussen ernstige en minder ernstige overtredingen en zien productie en teelt als serious crimes waarop naar het oordeel van de minister het opportuniteitsbeginsel niet kan worden toegepast.

Als een meerderheid van de Kamer ook een notitie wil over het pad naar de voordeur moet zij dat maar in een motie neerleggen. Het lijkt de minister echter dat die energie beter aan andere zaken kan worden besteed.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

Van Heemst

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Essers

De griffier van de vaste commissie voor Justitie,

Pe


1 Samenstelling:

Leden: Swildens-Rozendaal (PvdA), Van de Camp (CDA), Biesheuvel (CDA), Scheltema-de Nie (D66), Zijlstra (PvdA), Kalsbeek (PvdA), Apostolou (PvdA), Middel (PvdA), Van Heemst (PvdA), voorzitter, Rouvoet (RPF/GPV), Rabbae (GroenLinks), Van Oven (PvdA),Kamp (VVD), Dittrich (D66), ondervoorzitter, O.P.G. Vos (VVD), Van Wijmen (CDA), De Wit (SP), Weekers (VVD), Wijn (CDA), Van der Staaij (SGP), Ross-van Dorp (CDA), Patijn (VVD), Niederer (VVD), Nicolaï (VVD), Halsema (GroenLinks)

Plv. leden: Wagenaar (PvdA), Balkenende (CDA), Verhagen (CDA), Van Vliet (D66), Duijkers (PvdA), Arib (PvdA), Kuijper (PvdA), Albayrak (PvdA), Barth (PvdA), Schutte (RPF/GPV), Karimi (GroenLinks), Santi (PvdA),Passtoors (VVD), Hoekema (D66), Van den Doel (VVD), Rietkerk (CDA), Marijnissen (SP), De Vries (VVD), Eurlings (CDA), Van Walsem (D66), Buijs (CDA), Rijpstra (VVD), Van Baalen (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks)


2 Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Swildens-Rozendaal (PvdA), ondervoorzitter, Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Rouvoet (RPF/GPV), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Oudkerk (PvdA), Rijpstra (VVD), Lambrechts (D66), Essers (VVD), voorzitter, Dankers (CDA), Van Vliet (D66), Van Blerck-Woerdman (VVD), Passtoors (VVD), Eisses-Timmerman (CDA), Arib (PvdA), Spoelman (PvdA), Hermann (GroenLinks), Kant (SP), Gortzak (PvdA) Buijs (CDA), E. Meijer (VVD), Van der Hoek (PvdA), Blok (VVD), Atsma (CDA)

Plv. leden: Van 't Riet (D66), Rehwinkel (PvdA), Eurlings (CDA), Apostolou (PvdA), Schutte (RPF/GPV), Van Gent (GroenLinks), Noorman-den Uyl (PvdA), Weekers (VVD), Ravestein (D66), Örgü (VVD), Van de Camp (CDA), Schimmel (D66), Terpstra (VVD), Udo (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Duijkers (PvdA), Smits (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Marijnissen (SP), Belinfante (PvdA), Ross-van Dorp (CDA), O.P.G. Vos (VVD), Hamer (PvdA), Cherribi (VVD), Th.A.M. Meijer (CDA)

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie