Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief OCW: antwoorden inzake Hoofdlijnenbrief 2001-2002

Datum nieuwsfeit: 05-07-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief OCW antwoorden inzake hoofdlijnenbrief

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Zoetermeer, 5 juli 2000

Bij brief van 17 mei 2000 verzocht u mij de lijst van vragen betreffende de Hoofdlijnenbrief 2001-2002 van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen te beantwoorden. De Hoofdlijnenbrief 2001-2002 heb ik u bij brief van 30 maart 2000 toegestuurd Bijgaand treft u de antwoorden aan.

Hoogachtend,

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

(drs. K.Y.I.J. Adelmund)

Lijst van vragen en antwoorden Vastgesteld 27 april 2000

Bij brief van 30 maart 2000 hebben de minister en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen de Tweede Kamer de Hoofdlijnenbrief
2001-2002 toegestuurd betreffende het meerjarenperspectief voor de landelijke onderwijsondersteunende activiteiten voor de komende twee kalenderjaren.
De vaste Commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen heeft naar aanleiding van de bovengenoemde brief de navolgende vragen aan de regering gesteld en daarop de navolgende antwoorden ontvangen.

1. Wat is het totale bedrag dat in 2001 2002 ten behoeve van landelijk ondersteunende activiteiten wordt uitgetrokken? Hoe is dit bedrag in deze jaren onderverdeeld in subsidiestroom, denkstroom en geld dat rechtstreeks naar de scholen gaat?

Voor 2001 is in totaal ruim 122 miljoen gulden beschikbaar; voor 2002 is dat ruim 108 miljoen. Voor de jaren 2001-2002 is bijna 44 miljoen gulden per jaar beschikbaar voor innovatieprojecten. Voor de denktank is dat ruim
20 miljoen gulden. De omleggelden voor 2001 bedragen ruim 3 miljoen gulden. Deze gelden worden door de ondersteuningsinstellingen ingezet voor projecten van het veld. Met ingang van 2002 zijn deze gelden helemaal naar de scholen overgeheveld. De overige gelden worden onder andere besteed aan examens (Cito), veldonderzoek en leerplanontwikkeling (SLO). Het geld dat rechtstreeks naar de scholen gaat bedraagt voor 2001 16,2 miljoen gulden en voor 2002 20,2 miljoen. De verhoging heeft te maken met het overhevelen van de omleggelden van de LPC en het CINOP naar de scholen respectievelijk de ROC's.


2. Welke waarborgen zijn ingebouwd dat de landelijke onderwijsondersteuningsinstellingen een aanbod leveren dat naar aard, kwaliteit en tijdstip van afronding is afgestemd op de grotere gevoeligheid die onderwijsinstellingen moeten ontwikkelen voor signalen uit de samenleving? Werken de overgangsbepalingen voor de subsidiëring in dezen als een prikkel of eerder als een demper voor een toegesneden aanbod?
Voordat de landelijke onderwijsondersteunende instellingen een subsidieaanvraag indienen met aanbodgerichte activiteiten wordt, met name in de gehele innovatiesector, nagegaan door het departement of overleg is gevoerd met beleidsactoren en/of onderwijsinstellingen over de aard en het tijdstip van afronding. Betreffende de kwaliteitsaspecten wordt nagegaan of deze sporen met de geldende standaard c.q. systematiek zoals deze in de periode van de eerste hoofdlijnenbrief tussen instellingen en departement is besproken. In de subsidiebeschikkingen worden overgangsbepalingen opgenomen teneinde de werkzaamheden in enig kalenderjaar tussentijds te kunnen bezien op problemen, kwaliteit en inhoud. In die zin werken deze bepalingen als een prikkel om tijdig het departement te informeren. Zonodig kan dan in overleg bezien worden of en in hoeverre ingrijpen c.q. wijziging bij de uitvoering van activiteiten nodig is.


3. Hoe zal het proportionele toezicht op de kwaliteit van het onderwijs door de inspectie precies gestalte krijgen? Wat is de frequentie van dit toezicht en hoe zal deze frequentie worden afgebouwd wanneer de kwaliteit (steeds) in orde wordt bevonden?

De hoofdlijnen van het toezicht zijn neergelegd in de nota Variëteit en waarborg. Momenteel is het voorstel van wet op het onderwijstoezicht in ontwikkeling. De precieze beantwoording van de gestelde vragen kan bij deze wet en de bijbehorende memorie van toelichting worden gegeven. Vooralsnog wordt er van uitgegaan alle scholen na drie jaar aan een schooltoezicht te hebben onderworpen. Of een frequentie van een keer per drie jaar daarna wordt gehandhaafd en bij welke scholen wordt te zijner tijd beslist.


4. Hoeveel geld gaat de regering besteden aan de ontwikkeling van de brede buurtschool?

Een brede school aanpak betekent: het bestaande werk anders organiseren en bestaande activiteiten van diverse instellingen beter op elkaar laten aansluiten ten behoeve van de ontwikkelingskansen van kinderen. Het gaat dus om activiteiten die al worden gefinancierd. De gemeente heeft hierin een regierol. De gemeentelijke regierol wordt ondersteund via het door de departementen VWS en BZK gefinancierde VNG Project Lokaal jeugdbeleid (1999
2002).
Voor versterking van de communicatie, ondersteuning en onderzoek (onder meer voor een interactieve website) stel ik f 400.000,- ter beschikking, in aanvulling op de middelen die beschikbaar zijn voor de ondersteuning van GOA (f 800.000,-). Door VWS is nog eens een bedrag van f 200.000,- gereserveerd.


5. Momenteel wordt verkend in hoeverre het mogelijk is de besturenorganisaties een verantwoordelijkheid te geven voor de kwaliteit van de sector. In hoeverre is dit reeds besproken en geaccepteerd door de scholen die voor de kwaliteit zorg moeten gaan dragen? Hoe ver gaat de bevoegdheid van de besturenorganisaties om scholen bij te sturen dan wel opdrachten te geven?

De gesprekken met de besturenorganisaties om naar voorbeeld van andere onderwijssectoren een rol te vervullen bij de ontwikkeling en begeleiding van het kwaliteitsbeleid binnen de scholen voor primair onderwijs, zijn nog gaande. Indien dit overleg leidt tot concrete afspraken dan zullen de besturenorganisaties dit via hun eigen kanalen voorleggen en bespreken met de bij hun aangesloten scholen. Genoemde gesprekken worden niet gevoerd in termen van toekenning van bevoegdheden aan de besturenorganisaties op dit terrein ten opzichte van de scholen. De gesprekken staan in het teken van de mogelijkheden om vanuit de besturenorganisaties de verdere implementatie van het kwaliteitsbeleid (inclusief een systeem van kwaliteitszorg en bewaking) binnen de scholen te stimuleren en te ondersteunen. Dit in samenhang en samenwerking met andere ondersteuningsorganisaties in het onderwijs, zoals de LPC's en de schoolbegeleidingsdiensten.


6. Scholen moeten niet alleen rekening houden met de kwaliteitsbeoordeling door de Inspectie, maar ook met de beoordeling van andere belanghebbenden? Wie zijn deze andere belanghebbenden en krijgen zij ook officiële bevoegdheden?

Andere belanghebbenden zijn bijvoorbeeld ouders. De school is wettelijk verplicht ouders via de schoolgids te informeren over het onderwijs en de resultaten. Op dit moment wordt in overleg met ouderorganisaties en besturenorganisaties bezien hoe de positie van ouders via medezeggenschap kan worden versterkt. Andere belanghebbenden zijn voorts de gemeenten in het kader van het onderwijsachterstandenbeleid.


7. Worden scholen bij de inrichting van hun kwaliteitssystemen door het ministerie of door andere instanties geassisteerd? Is per schooltype een standaardkwaliteitssysteem ontwikkeld of moet iedere school afzonderlijk een geheel eigen systeem ontwikkelen? Volgen de scholen bij het inrichten van hun kwaliteitssystemen een internationaal erkende norm (bijvoorbeeld ISO 9001)? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?

Basisscholen krijgen bij de inrichting van hun kwaliteitssystemen ondersteuning van de schoolbegeleidingsdiensten. De SLOA-instellingen ontwikkelen (veelal praktische) modellen, richtlijnen, handreikingen etc. voor kwaliteitszorg en kwaliteitsbeleid. Schoolbegeleidingsdiensten kunnen van deze producten gebruik maken en de scholen in hun regio hiermee ondersteunen. Belangrijk onderdeel van de activiteiten is goede ervaringen en voorbeelden die in scholen aanwezig zijn breder toegankelijk te maken voor andere scholen. Soms helpen de SLOA-instellingen scholen rechtstreeks om een kwalitatief goed kwaliteitszorgsysteem in de scholen in te voeren. Meestal gebeurt dat in het kader van productontwikkeling. Er is geen standaardkwaliteitssysteem per schooltype ontwikkeld, noch volgen scholen, in het algemeen, een internationaal erkende norm. Wel is er sprake van een algemene benadering: systematisch werken, doelen stellen, evalueren en durven veranderen.
Overigens stellen kwaliteitssysteemnormen zoals die van ISO 9001 evenmin eisen aan de wijze waarop een systeem kan worden opgezet. Ook hierbij is iedere organisatie vrij om op eigen wijze kwaliteitssystemen op te zetten en om voor een bepaalde structuur en eigen invulling van de structuur te kiezen.
Verder valt de kwaliteitszorg van scholen onder het toezicht van de Inspectie. In dat kader zal ook de Inspectie erop toezien dat scholen adequate kwaliteitszorgsystemen hanteren.


8. Welke gevolgen kan de beleidsreactie over de kerndoelen van het basisonderwijs hebben voor activiteiten van de SLO en het Cito? Worden eventueel ook andere onderwijsondersteunende instellingen betrokken bij de formulering van kerndoelen en de toetsontwikkeling?
In de beleidsreactie op het advies van de Onderwijsraad ‘Leerstandaarden' die op 12 mei aan de Tweede Kamer is gestuurd, wordt voorgesteld om de kerndoelen basisonderwijs aan te passen zodanig dat zij meer helderheid bieden aan scholen over hetgeen zij leerlingen moeten bijbrengen. Hiervoor is wijziging van het Besluit kerndoelen noodzakelijk waarvan inwerkingtreding op z'n snelst met ingang van 2002 mogelijk is. Bij de totstandkoming van de nieuwe kerndoelen basisonderwijs heeft de SLO een coördinerende rol. Het Cito en vele andere organisaties zullen door de SLO geraadpleegd worden. Met de in de vraag aangehaalde formulering krijgen de onderwijsondersteunende instellingen de mogelijkheid om hun subsidievoorstellen aan te passen aan de meest actuele ontwikkeling in de beleidsvorming.


9. Wat zijn de ervaringen tot nu toe met het project “Ouders en school: een nieuwe aanpak”? In hoeverre maken scholen gebruik van dit project? Kan aangegeven worden hoeveel subsidie hiervoor beschikbaar wordt gesteld?
Het project “School en ouders, een nieuwe aanpak” heeft tot nu toe in het teken gestaan van een oriëntatie op en inventarisatie van voorwaarden en activiteiten die relevant zijn voor een goede interactie tussen ouders en school. Op basis van dit materiaal worden de komende periode instrumenten ontwikkeld die direct gericht zijn op de scholen en leerkrachten. Het gaat daarbij onder meer om een handreiking aan scholen over hoe men in praktische zin een actief beleid kan voeren inzake ouderparticipatie. Daarnaast wordt ook een scholingsmodule ontwikkeld voor leerkrachten in het primair onderwijs waarin communicatievaardigheden (hoe wordt effectief invulling gegeven aan de dialoog met (individuele) ouders?) centraal staan. Deze instrumenten komen dit najaar beschikbaar. Vanaf dat moment kan worden gepeild in hoeverre scholen daarvan gebruik maken. Het budget voor het project bedraagt f 50.000,-.


10. In welke subsidievoorstellen worden de leergebiedoverstijgende thema's ICT, emancipatie en intercultureel onderwijs meegenomen?
ICT, emancipatie en intercultureel onderwijs zijn thema's waarvoor er niet, of niet alleen, afzonderlijke leerstof is, maar die in andere thema's een aspect of hulpmiddel zijn. In de (nog in te dienen) subsidievoorstellen van de onderwijsondersteunende instellingen komen dergelijke verbanden soms tot uitdrukking, in andere gevallen is dit minder expliciet of is er geen mogelijkheid. Voor deze benadering is gekozen om samenhang tussen de thema's te bevorderen en verkokering tegen te gaan.


11. Hoe kan de aansluiting bij de initiatieven van ouderorganisaties worden gerealiseerd? Zijn hiervoor al concrete plannen? Zo ja, welke?
In de oriëntatiefase van het project heeft frequent overleg plaatsgevonden met de landelijke ouderorganisaties. Daarbij is afgesproken dat over de instrumenten die het project oplevert ook in termen van implementatie en verspreiding met de ouderorganisaties gesproken wordt.


12. Kan reeds iets worden medegedeeld over de frequentie en de hoeveelheid "tussentijdse toetsen" en de momenten waarop deze zullen worden afgenomen?
Zoals aangekondigd in de beleidsreactie op het advies van de Onderwijsraad ‘Leerstandaarden' zullen scholen in de toekomst een keuze kunnen maken uit toetsen die via een landelijke toetsenbank beschikbaar komen. Van scholen wordt verwacht dat zij de voortgang van hun leerlingen goed volgen. Het is aan de school om afhankelijk van de voortgang van leerling te beoordelen met welke frequentie en op welk moment een toets moet worden afgenomen.


13. Over vier jaar zal in de G25 een infrastructuur voor de voor- en vroegschoolse educatie tot stand zijn gebracht. Kan binnen kortere tijd de infrastructuur voor een beperkter aantal gemeenten gereed zijn of wordt gestreefd naar een generieke invoering in de G25 en vervolgens naar generieke invoering op uitgebreider schaal? Waarom is de termijn van 4 jaren gesteld?

Inmiddels is de “Regeling voor- en vroegschoolse educatie” van kracht. Deze regeling heeft tot doel het bevorderen van de deelname aan voor- en vroegschoolse programma's door 3 5 jarigen in 69 gemeenten in Nederland, waaronder de G25. De subsidie is vastgelegd voor de periode tot 1 augustus
2002.


14. Worden subsidies bestemd voor de implementatie van voor- en vroegschoolse programma's zoals Kaleidoscoop en Piramide gebruikt voor het ontwikkelen van de brede school? Wat is het plan van aanpak, dat PMPO / NIZW hebben ontwikkeld? Hoeveel subsidie is hiermee gemoeid?
Neen. De subsidie die betrekking heeft op de Regeling voor- en vroegschoolse educatie (zie vraag 13) is bedoeld voor de implementatie van voor- en vroegschoolse programma's. De programma's die ingezet gaan worden op gemeentelijk niveau moeten voldoen aan een vijftal condities voor effectieve implementatie. De programma's Kaleidoscoop en Piramide voldoen hieraan. De gemeenten maken een keuze voor het meest geschikte VVE-programma passend bij de lokale situatie; het Rijk schrijft niet voor welke programma's gemeenten moeten implementeren.
In de VVE-beleidsbrief die binnenkort aangeboden wordt aan de Kamer wordt het plan van aanpak van de makelaar VVE (PMPO/NIZW) uiteengezet. Voor de makelaar VVE is jaarlijks 0,5 miljoen beschikbaar.

15. Welke activiteiten worden ontplooid om de implementatie van NT2 te bevorderen?

In het Plan van aanpak Taalbeleid 1998 2001 wordt een schets gegeven van de implementatie van NT2 in deze periode. De uitvoering is in handen van de programmamanager NT2, die is gesitueerd bij het KPC. De aanpak is vooral gericht op intermediaire organisaties en betreft de volgende gebieden.

- Deskundigheidsbevordering op het gebied van aanschaf leermiddelen.
- Scholing om concreet taalbeleid op school te kunnen formuleren.
- Bevordering van goede afspraken tussen gemeenten en schoolbesturen over de inzet van extra middelen.

- Een adequaat nascholings- en ondersteuningsaanbod voor scholen.

16. Hoe wordt de 1 fte voor de uitwerking van het activiteitenplan onderwijskansen gefinancierd? Uit welk budget wordt dit gefinancierd?
De in de hoofdlijnenbrief genoemde 1 fte moet worden gefinancierd uit de SLOA-middelen en het hiervoor beschikbare budget. Inmiddels is een uitwerkingsnotitie over het onderwijskansenplan in voorbereiding die nog voor de zomer naar u zal worden gezonden. Een en ander zal dan in breder verband met u worden besproken.


17. Wat wordt onder "blinde vlekken" verstaan?
Op grond van de hoofdlijnenbrief 2000 2001 werd een aantal activiteiten in gang gezet gericht op een betere afstemming van scholen en het aanbod rondom de school. Met de formulering “blinde vlekken” wordt de onderwijsondersteunende instellingen de mogelijkheid geboden om subsidievoorstellen in te dienen voor nog niet onderkende aspecten van dit afstemmingsproces.


18. Welke inhoudelijke eisen en procedurevereisten worden door de regering gesteld aan het bedrag voor denktankactiviteiten?

De aan de denktankactiviteiten verbonden inhoudelijke en procedure vereisten zijn in principe gelijk aan de vereisten voor activiteiten die uitgevoerd worden onder de andere subsidietitels van de Wet SLOA, zoals het landelijk innovatiebeleid, het omlegbeleid en het veldbeleid. Bij de inhoudelijke eisen is een accentverschil van toepassing. Hier ligt het primaat van de te subsidiëren activiteit bij de instelling, veelal in overleg met het (georganiseerde) scholenveld zelf. Bij de toekenning van de subsidie worden hier nadrukkelijker de procedurevereisten toegepast, terwijl voor de inhoudelijk eisen geldt dat de activiteiten binnen de reikwijdte en doelstelling van de Wet SLOA moeten passen. De activiteiten die plaats vinden op basis van de thema's ‘trends onderwijs' en praktijktheorieën, als het uitproberen van ‘nieuw onderwijs', voldoen daaraan in elk geval.


19. Op welke manier wordt nagegaan of producten en prestaties inderdaad aansluiten bij de wensen van het onderwijsveld? En hoe zorgt de regering ervoor dat bij de ontwikkeling van producten en prestaties er sprake is van vraagsturing?

Zie het antwoord op vraag 25.


20. In 2000 zullen de acties met betrekking tot de invoering van de basisvorming worden vastgesteld. Kan deze tijdsaanduiding nader worden gepreciseerd?

De activiteiten voor de basisvorming worden benoemd in de beleidsreactie op het evaluatierapport van de inspectie. Na het overleg over de beleidsreactie met de Tweede Kamer is het mogelijk de activiteiten in uitvoering te nemen. Verwacht wordt dat dit overleg kort na het zomerreces plaats heeft.


21. In de ondersteuning van het voortgezet onderwijs wordt gesproken over het versterken van het onderwijskundig leiderschap. Waarom wordt hier bij het primair onderwijs geen aandacht aan geschonken, terwijl in het kader van autonomievergroting en deregulering dit leiderschap essentieel is?
Inderdaad is de rol van de schoolleider, waaronder het onderwijskundig leiderschap, van essentieel belang voor de kwaliteit van het primaire proces. De schoolleider vervult hierin een spilfunctie. De versterking van de positie van de schoolleider in het primair onderwijs is dan ook een van de prioriteiten in het onderwijsbeleid van het kabinet. Dat dit thema in tegenstelling tot het voortgezet onderwijs- niet expliciet is vermeld in de hoofdlijnenbrief, heeft te maken met de rol die de landelijke ondersteuningsinstellingen in dit verband hebben. In het primair onderwijs verlopen de inspanningen ter versterking van het onderwijskundig leiderschap voor een belangrijk deel via andere kanalen zoals de al sinds 1994 door OCenW gesubsidieerde opleidingen voor schoolleiders. Daarnaast is de positie van het schoolmanagement in het kwaliteitsbeleid een nadrukkelijk aandachtspunt in het activiteitenprogramma 2000 van het PMPO. Verder kan worden geconstateerd dat verdere ontwikkeling van activiteiten in het kader van de hoofdlijnenbrief ook instrumenten oplevert ter ondersteuning van het onderwijskundig leiderschap zoals bijvoorbeeld de ondersteuning van scholen bij ontwikkeling van integraal kwaliteitsbeleid en de verdere ontwikkeling van leerlingvolgsystemen.


22. De komende jaren zal er in de diverse onderwijssectoren sprake zijn van zij-instromers. Krijgen de landelijke onderwijsondersteunende organisaties nog een rol in het begeleiden van de scholen op welke wijze met deze mensen om te gaan? Zo nee, wie zijn hier wel voor verantwoordelijk?
De Landelijke Onderwijs Werkgroep voor Asielzoekerskinderen in Centra (LOWAC) is een landelijk opererende werkgroep, ontstaan in 1992 vanuit de praktijk van kinderen van asielzoekers in centra. De centrale doelstelling van het LOWAC is: ‘het behartigen van de onderwijskundige en randvoorwaardelijke belangen van scholen die onderwijs verzorgen aan asielzoekersleerlingen'. Het ministerie van OcenW subsidieert LOWAC met f
100.000,- per jaar en bekostigt twee ambtelijk secretarissen (voor PO en VO) die voor de uitvoering van hun taken zijn gedetacheerd bij het KPC. Daarnaast levert het CPS ondersteuning bij GOA-activiteiten en levert het KPC expertise op het terrein van taalbeleid en NT2.

23. Op welke wijze zal de samenwerking en afstemming tussen het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, het LPC, de SLO, het Cito, het CEVO, het VVO en de nascholingsinstellingen in 2001 tot stand worden gebracht?

Er zijn verschillende vormen van regulier afstemmingsoverleg op het gebied van de tweede fase, zowel wat betreft de ondersteuning (departement, LPC, SLO, Cito) als wat betreft de examens (departement, CEVO, Cito, IBG, inspectie). Daarnaast zijn er vele vormen van bilateraal contact: zowel tussen departement en de genoemde instellingen/organisaties als tussen deze instellingen/organisaties algemeen.


24. Welke ideeën bestaan over de permanente evaluatie van de examenprogramma's?

Gegevens ten behoeve van deze permanente evaluatie worden in de eerste plaats geleverd door de monitoring en door inspectierapportages. Verder ook door de examenresultaten, de rapportage daarover (door Cito en inspectie) en doordat in het kader van de onderwijsondersteuning de SLO ten behoeve hiervan per vak dossiers zal samenstellen op basis van zoveel mogelijk informatie. Dit laatste zal nader worden uitgewerkt.


25. Kan de regering uitspraken doen over de tevredenheid van betrokkenen in het onderwijsveld over de producten van de verschillende landelijke onderwijsondersteuningsinstellingen? In hoeverre vormt evaluatie een basis voor de opstelling van volgende hoofdlijnenbrieven?
Conform artikel 9 Wet SLOA zal de Tweede Kamer in het najaar van 2001 verslag worden gedaan van de uitvoering van de op basis van de hoofdlijnenbrief 1999/2000 gesubsidieerde activiteiten. De instellingen zijn wettelijk gehouden krachtens de beleidsplannen de activiteiten te evalueren (artikel 4 lid 3 onder d). De gegevens uit deze instellingenevaluaties zullen samen met de departementale monitor-gegevens een plaats krijgen in het verslag. Het onderhavige punt van tevredenheid van het onderwijsveld zal daarvan expliciet een onderdeel vormen. Deze evaluatie zal gebruikt worden bij de samenstelling van de volgende hoofdlijnenbrieven.


26. Zal de productie van centrale examens de komende jaren voorbehouden blijven aan het Cito? Zullen in de toekomst ook bepaalde vakken kunnen worden aangewezen waarvoor het centrale examen door een andere instelling wordt geproduceerd?

Het Cito is voorlopig bij wet (artikel 12 lid 7 Wet SLOA) gehouden de productie van de centrale examens, voor zover die zijn voorgeschreven in de Wet op het voortgezet onderwijs, te leveren. Dit wettelijk kader verhindert het Cito niet om ook andere instellingen in te schakelen voor bepaalde vakken.


27. Welke onderdelen uit de “mainstreaming” komen in aanmerking voor subsidie? Om hoeveel subsidie gaat het?

Voor mainstreaming gaat het om onderdelen als omgaan met verschillen/ diversiteit en emancipatie als kwaliteitskenmerk. Activiteiten die zich richten op de werkzaamheden van LPC-medewerkers (zoals ervaringsuitwisseling en netwerken), komen voor subsidie in aanmerking. Het bedrag dat hiervoor wordt uitgetrokken is nog niet definitief vastgesteld, maar zal naar waarschijnlijkheid om en nabij de f 100.000,- liggen.


28. Is de vergoeding die scholen per leerling ontvangen voor het gebruik van ICT en het kennisnet kostendekkend? Zo nee, waarom niet?
In de nota “Onderwijs On Line, verbindingen naar de toekomst” is vermeld dat de overheid bijdraagt aan de ontwikkeling van ICT in het onderwijs door richting te geven en condities te verbeteren. De inspanningen van de overheid zijn er de komende jaren op gericht om richting en steun te geven aan een brede ontwikkeling van alle scholen in het gebruik van ICT. De overheid verleent die steun onder meer op het terrein van deskundigheidsontwikkeling, softwareontwikkeling en informatie-uitwisseling (kennisnet). Bovendien ontvangen scholen in dat kader een bedrag per leerling dat zij kunnen besteden op een wijze die past bij het stadium van ontwikkeling van het ICT-beleid binnen de school en de keuzen die de school daarbij maakt. De behoeften van scholen zullen onderling verschillen. In hoeverre het verkregen bedrag per leerling toereikend is zal derhalve eveneens per school verschillen. Uit monitoring van de ontwikkelingen op scholen door de Inspectie zal moeten blijken hoe de middelen worden besteed en of die toereikend zijn voor scholen om het ICT-beleid van de grond te krijgen.
Er bereiken ons inmiddels signalen dat het bedrag per leerling verhoogd zou moeten worden. Dit signaal vormt de aanleiding om de mogelijkheden te bekijken om de extra middelen uit de voorjaarsnota in te zetten voor een aanvulling op de vergoeding aan scholen voor ICT.


29. Welke aanbevelingen heeft het onderzoek naar de situatie van LOB in het voortgezet onderwijs opgeleverd?

In de hoofdlijnenbrief is verwezen naar onderzoek van het ISOR dat is uitgebracht in 1998 (rapportnummer 98.14). Inmiddels is een vervolg op dit onderzoek uitgevoerd, uitgebracht door het ISOR in januari 2000 (rapportnummer 00.06).
Aanbevelingen in het eerstgenoemde onderzoek lagen vooral op het terrein van een concretisering van het LOB-begrippenkader. Zo werd aanbevolen om een concreet kader te ontwikkelen waarmee scholen gericht met LOB aan de slag kunnen. Ook werd aanbevolen om leerlingen te betrekken bij de vraag hoe scholen kunnen bijdragen aan hun informatiebehoeften. Ook zou onderzocht moeten worden hoe mentoren en vakdocenten meer effectief kunnen worden geïnstrumenteerd om met LOB aan de slag te kunnen. In het laatstgenoemde onderzoek, dat de stand van LOB in scholen onderzoekt in het najaar 1999, blijkt onder meer, dat het aspect “de relatie van het vak met de wereld van arbeid en beroep”, één van de hoofddoelen van het LOB-beleid, door veel respondenten belangrijk wordt gevonden, maar dat de aandacht voor LOB in de vakken achter blijft.
De aanbevelingen in het rapport verwijzen vooral naar dit aspect. Geadviseerd wordt om naar mogelijkheden te zoeken om LOB te koppelen aan specifieke onderdelen van het bovenbouwprogramma c.q. het examenprogramma. Er zouden concrete voorbeelden ontwikkeld kunnen worden voor bijvoorbeeld de invulling van de vrije studieruimte.


30. Landelijke ondersteuningsinstellingen kunnen bijdragen aan de implementatie van het GOA-beleid. Waarom vormt het interculturele aspect en de Brede school een belangrijk aandachtspunt. Wat is het bewezen effect hiervan op het bestrijden van
achterstanden?

Doel van de brede school is de ontwikkelingskansen van leerlingen te vergroten. Zo zal een brede school in een achterstandsbuurt vooral inzetten op het voorkomen en wegwerken van (onderwijs)achterstanden. De meeste brede scholen zullen zoeken naar een aanbod dat een ononderbroken ontwikkeling van jongeren mogelijk maakt: thuis, op school en in hun vrije tijd. Om dit te realiseren werken in een brede school verschillende instellingen samen, afhankelijk van de behoeften en mogelijkheden in de betreffende wijk. Het interculturele aspect binnen GOA is van belang omdat het achterstandenbeleid zich voor een aanzienlijk deel richt op allochtone leerlingen. Om bijvoorbeeld in het onderwijs aan te kunnen sluiten bij de belevingswereld van leerlingen en om ouders bij het onderwijs te kunnen betrekken is het interculturele aspect van essentieel belang.


31. Welke rol gaat het LPC spelen bij het geven van gerichte ondersteuning ten behoeve van onderwijskansenscholen en waaruit zal deze ondersteuning bestaan?

In de hoofdlijnenbrief 2001-2002 krijgt het onderwijskansenbeleid hoge prioriteit. Met de LPC is afgesproken dat zij hun aanbod inzetten om de onderwijskansenscholen te ondersteunen, ze geven prioriteit aan het onderwijskansenbeleid. Ook is afgesproken dat de LPC een deel van de middelen inzetten voor het onderwijskansentraject (de ondersteuning van GOA en de implementatie van taalbeleid). Daarbij moeten ze samenwerken met de SBD's, het Expertisecentrum Nederlands, en andere instellingen die expertise hebben opgebouwd op het terrein van onderwijskansen. Zie verder Onderwijskansennotitie.


32. Zijn de ondersteunende maatregelen om scholen te helpen bij de opzet van hun leerlingvolgsystemen afdoende; ook in de beleving van die scholen zelf?

Voor de ondersteuning van de mentortaak is een leerlingvolgsysteem een goed instrument. Leerlingvolgsystemen, leerlingbegeleiding en mentoring zijn een belangrijke succesvoorwaarde voor de bestrijding van leerachterstanden en schooluitval.
Om bij de overgang van het primair naar het voortgezet onderwijs de leerling beter te kunnen begeleiden, is het noodzakelijk dat de (onderwijskundige) kennis die over het kind is opgebouwd in het basisonderwijs, wordt benut in het voortgezet onderwijs. Een leerlingvolgsysteem is daarbij essentieel. Dit zal in de onderwijskansenaanpak dan ook de nodige aandacht krijgen. Veel scholen werken hier al aan; bij een aantal zal introductie, dan wel verdere invoering, extra ondersteund moeten worden. In het kader van het onderwijs-kansenplan maken gemeenten en scholen afspraken over leerlingvolgsystemen. De LPC zullen de scholen hierin ondersteunen.

33. Hoeveel zal de financiering van de Onderwijstelefoon kosten en uit welk budget zal de Onderwijstelefoon worden gefinancierd?
De Onderwijstelefoon is bij het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum (APS) belegd. De financiering van de Onderwijstelefoon zal ongeveer ƒ 580.000,- kosten. Dit wordt door de directies Primair en Voortgezet Onderwijs betaald. De Onderwijstelefoon wordt op de rijksbegroting ten laste gebracht van artikel 19.05. Overigens is de onderwijstelefoon opgenomen als integraal onderdeel van het structurele steunpunt Jongeren, School en Veiligheid.


34. Welke overwegingen verklaren dat veldaanvragen bij de SLO nu worden beoordeeld op het criterium dat een aanvraag in principe een looptijd moet hebben van een kalenderjaar en op het nieuwe criterium dat een aanvraag substantieel moet zijn (+ 125 werkdagen)? Vormt dit laatste criterium een breuk met de praktijk van het verleden?

Vroeger werden de veldaanvragen van de SLO van jaar tot jaar beoordeeld. Nu worden aanvragen in een meer structureel kader beoordeeld en kunnen (grotere) projecten voor meerdere jaren worden aangegaan. Bovendien heeft de SLO de aanvragen geclusterd in een aantal thema's. De SLO heeft het beleid op dit punt aangepast omdat er voorheen teveel (kleinere) aanvragen werden ingediend. De financiële middelen per project waren daardoor beperkt. Bovendien is het moeilijk zo een verscheidenheid aan projecten goed te coördineren. De SLO heeft ervoor gekozen wat grotere projecten met een stevige basis uit te voeren. Hierbij wordt als richtlijn een ondergrens van 125 werkdagen gehanteerd.


35. Het lijkt alsof de onderwijsondersteuning voor het secundair beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie veel gedetailleerder is uitgewerkt dan de onderwijsondersteuning voor primair en voortgezet onderwijs. Komt dit door de manier van beschrijven die anders is voor deze sector of liggen hier andere oorzaken aan ten grondslag?
De onderwijsondersteuning voor het secundair beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie is van een andere inzet dan de onderwijsondersteuning voor het primair en voortgezet onderwijs. Het verschil vloeit voort uit een verschil in het beleidsproces binnen de onderwijssectoren. In de zomer 1999 is voor het BVE-veld de agenda BVE verschenen, waarin op hoofdlijnen duidelijk gemaakt is wat de perspectieven voor educatie en beroepsonderwijs in de komende jaren zijn. Dit is verder uitgewerkt in Koers BVE. Hiermee zijn het beleidskader en thema's aangegeven waarbinnen de ondersteuning voor het BVE-veld plaatsvindt. Voor het primair en voortgezet onderwijs gaat het om ondersteuning vanuit een meer procesgericht kader met veel actoren. Daarbij passen globalere beleidskaders met de mogelijkheid van tussentijdse wijzigingen c.q. aanpassingen van het uitvoeringsbeleid. Gedetailleerde uitwerking vindt in deze sectoren dan ook plaats in kortere faseringen binnen het jaar van uitvoering van de activiteiten.


36. Welke concrete producten gaan de activiteiten van CINOP voor de verdere implementatie van beroepspraktijkvormen in de praktijk opleveren? Welk concreet gebruik beoogt CINOP met de beoordelingsinstrumenten voor de beroepspraktijkvormingsplaats die zij ontwikkelt?

De concrete producten van CINOP t.b.v. de implementatie van beroepspraktijkvormen zijn onder meer:
· Sectorale implementatie van de bpv, methodiek om de bpv-implementatie gestalte te geven in de samenwerking ROC, lob en regionaal bedrijfsleven.
· Vormgeving bpv-bureau's, een methodiek om de organisatorische vormgeving van de bpv vorm te geven.
· Integrale invoering van de bpv als centraal ontwikkeltopic, een methodiek om bpv als innovatief concept in te voeren · Professionalisering ROC-docenten (scholingstrajecten) · Kwaliteitszorg leerbedrijven, instrument om de kwaliteit van leerbedrijven te borgen en verder te verbeteren.

Het concrete gebruik dat CINOP beoogt met de beoordelingsinstrumenten voor de beroepspraktijkvorming bestaat uit het volgende. Mede afhankelijk van de specifieke inhoud van de gelegitimeerde examenregelingen, wordt aan zowel praktijkleermeesters of begeleiders in de regionale bedrijven of instellingen, als de ROC-docenten verantwoordelijkheid toegekend voor wat betreft de toetsing van de met de bpv beoogde doelen. Beiden moeten beschikken over een adequaat instrumentarium in de vorm van beoordelingsinstrumenten, toe te passen afhankelijk van de regionale afspraken die daarover gemaakt worden.
Specifiek daarin is de rol van de ROC's om de praktijkleermeesters of begeleiders te voorzien van adequate informatie, instructies en instrumenten voor wat betreft de mogelijke vormgeving van deze toetsing.

37. In hoeverre is het mogelijk ten aanzien van de kwaliteit van het leren leraren die niet expliciet het vak Nederlands geven, maar andere vakken of beroepsgerichte vakken, zich meer bewust te maken van het feit dat zij in hun lessen meer aandacht besteden aan de Nederlandse taal?
De ROC's hebben op dit vlak een eigen verantwoordelijkheid. Eén en ander is dus afhankelijk van het individuele beleid van de instelling. Vanuit OCenW wordt de noodzaak tot het voeren van een actiever taalbeleid echter onderschreven.


38. Bestaan er indicaties van de effecten die de gedeeltelijke overheveling van de zogenoemde omleggelden naar de scholen en ROC's in 1999 en 2000 inmiddels heeft voor de tevredenheid over de geleverde producten?
Zie het antwoord op vraag 25.


39. Er wordt uitgesproken dat de onderwijsondersteunende instellingen zich maximaal moeten inspannen om te zorgen dat de voorgenomen producten en prestaties daadwerkelijk aansluiten bij de wensen van het onderwijsveld zelf. Hoe wordt dit gemeten of nagegaan bij het onderwijsveld? Worden de gemeenten hier ook in betrokken als budgethouders van de SBD's en verantwoordelijk voor het gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid?
De innovatieactiviteiten van de onderwijsondersteunende instellingen hebben betrekking op nieuw overheidsbeleid. De scholen zijn dan vaak nog niet zo ver dat zij op dergelijke nieuwe beleidsthema's al behoeften en wensen hebben. De ondersteunende instellingen moeten dan anticiperen op de behoeften die zullen ontstaan bij scholen. Van de ondersteunende instellingen wordt gevraagd om zich maximaal in te spannen om hierbij de juiste keuzes te maken.
Meestal betrekken de ondersteunende instellingen scholen bij hun ontwikkelactiviteiten. Dit waarborgt in zekere mate, dat de produkten praktisch bruikbaar zijn voor scholen.
Uiteindelijk wordt de behoefte afgemeten aan het aantal producten dat wordt afgenomen door het onderwijsveld. In dat opzicht is er geen specifieke betrokkenheid van gemeenten.


40. Hoe vindt de evaluatie plaats van projecten die de instellingen met behulp van subsidie hebben uitgevoerd? Wordt dat overgelaten aan de instellingen zelf, aan het onderwijsveld of heeft het ministerie hier ook een taak in? Welke invloed heeft evaluatie van programma's op de toekenning van volgende subsidieverzoeken?

Zie het antwoord op vraag 25.

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie