Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag overleg notitie speelruimte en verantwoordelijkheid

Datum nieuwsfeit: 05-07-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

vragen over notitie wtg speelruimteen verantwoordelijkhei d

Gemaakt: 5-7-2000 tijd: 9:14

VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 2000

In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bleken de leden van de fracties van behoefte te hebben een aantal vragen ter beantwoording voor te leggen aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport inzake de notitie over de WTG «Speelruimte en verantwoordelijkheid»; toegezonden bij brief van 12 mei 2000 (27 156, nrs. 1 en 2).

Deze vragen zijn met de door de minister bij brief van verstrekte .......... hieronder afgedrukt.

Vragen VVD-fractie


1.

Kan de minister aangeven - gezien het belang dat ook zij hecht aan de betrokkenheid van de zorgaanbieders en zorgverzekeraars - waarom veldpartijen niet in staat zijn gebleken vóór eind mei jl. een schriftelijke reactie op de onderhavige notitie naar de minister te sturen? Kan de minister aangeven wanneer zij verwacht dat de reacties van veldpartijen op de onderhavige notitie wel aan de Kamer doorgezonden zullen worden? (blz. 6)


2.

In hoeverre is bekeken of de huidige voorgestelde aanpassingen in de WTG overeenkomen met aanpassingen die op termijn gedaan moeten worden in het licht van de Europese en internationale ontwikkelingen en/of een eventuele stelselwijziging? Kortom; is er sprake van consistent beleid inzake de WTG, en worden door de nu voorgestelde aanpassingen geen activiteiten ingezet die later als onnodig gekwalificeerd moeten worden?


3.

De WTG-notitie is positief te waarderen zolang de aanpassingen zich richten op meer flexibiliteit, minder bureaucratie, stimulering van initiatieven, meer daadwerkelijke deregulering en meer beleidsvrijheid voor locale en regionale partijen. Hier hoort ook een verruiming van het derde compartiment bij. Kan worden aangegeven, in het licht van het bovenstaande en de gewenste nieuwe bestuurlijke en financiële verhoudingen tussen alle spelers in het zorgveld (o.a. blz. 38), in hoeverre en op welke momenten de overheid en het CTG meer ruimte (beleidsvrijheid) laten aan de zorgverzekeraars en zorgaanbieders ten opzichte van de huidige toepassing van de WTG?


4.

Terecht wordt in de notitie geconstateerd dat de WTG dringend toe is aan een grote onderhoudsbeurt, vanwege de ondoorzichtigheid, inflexibiliteit en het feit dat een aantal doelstellingen achterhaald zijn (blz. 2-8). Kan nog eens worden toegelicht hoe de suggestie om de financiële middelen via de WTG over de regio's te verdelen (blz.
11-12) past in de doelstelling van de WTG om doelmatige organisatie in de zorg te bevorderen Is het niet zo dat de vraag naar zorg per regio verschillend is? Hoe verhoudt de bovenstaande suggestie om een territoriale verdeelsleutel van financiële middelen in de zorg toe te passen zich tot de alom bepleitte vraaggerichte benadering van de zorg? (blz. 11-12)


5.

In de notitie wordt als uitgangspunt gesteld het hanteren van evenwichtige (kostenconforme) tarieven. In het in de notitie geschetste systeem kan alleen de omvang van de volumecomponent (productafspraken) het sluitstuk tussen beschikbare macromiddelen en producten met kost- of marktprijs vormen. Kan worden aangeven of bovenstaande systematiek ook in een ander financieringssysteem op dezelfde wijze kan worden toegepast? (blz. 11-12)


6.

In het evaluatierapport van Ernst & Young Consulting (EYC) inzake de WTG - «Het speelveld van de WTG : strijd of samenspel»d.d. 1999 (blz.
18 rapport) wordt geconstateerd dat mede door onvoldoende steun van de overheid en het CTG, landelijke organisaties van verzekeraars en zorgaanbieders relatief weinig initiatieven tot stand brengen om vernieuwingen te bewerkstellingen van uniforme procedures voor de totstandkoming van tarieven. Kan uitgelegd worden waar en op welke wijze de overheid c.q. het CTG te kort schieten in hun steun aan de bedoelde landelijke organisaties? (blz. 12)


7.

De RVZ constateert in haar rapport 'Europa en de gezondheidszorg' (blz. 40) dat de positionering van het zorgkantoor - die als vertegenwoordiger van de verzekeraars in het kader van de AWBZ overeenkomsten sluit met zorgaanbieders - strijdig is met het kartelverbod conform het Europese recht. Wat is het gevolg van de bovenstaande constatering voor de zorgkantoren en hun rol in de werking van WTG? Hoe verhoudt zich de constatering van het RVZ tot de onderhavige notitie over de werking van de WTG?


8.

Kan worden aangegeven waarom de afgelopen 5 jaar weinig is gebeurd met de aanbevelingen en beleidsvoornemens ten aanzien van de WTG zoals tijdens de vorige kabinetsperiode in twee rapporten zijn neergelegd (TK 24 478, nr. 2, en TK 24 036, nr. 60)? (Het gaat dan met name om: de spanning tussen kostenbeheersing en evenwichtige tarieven, op het gebrek aan flexibiliteit in de huidige WTG en op de dubbele verantwoordelijkheid in het tweede compartiment)


9.

Een van de doelstellingen van de WTG (blz.11-13 notitie) is het scheppen van een uniforme procedure voor de totstandkoming van tarieven. In het evaluatierapport EYC inzake de WTG wordt gewezen op een aantal ontwikkelingen die hier mee strijdig zijn (blz.11-13 notitie). Met name over de reikwijdte van de WTG bestaat bij belanghebbenden onduidelijkheid. Kan een heldere definitie gegeven worden welke prestaties onder de WTG vallen en welke niet? Wat is de invloed van internationale ontwikkelingen - o.a. als gevolg van de uitspraken inzake Kohll en Decker - op het bereiken van een uniforme procedure voor de totstandkoming van tarieven? (blz.11-13)


10.

Hoe rijmt de doelstelling van aanbodgerichte regionale uitvoering van de AWBZ - zoals in de notitie staat verwoord - met de praktijk ten aanzien van zorgketens die naar een vraaggerichte zorg kantelen, waarbij de zorgvraag de geografische indeling ontstijgt? (blz.18)


11.

Kan worden aangegeven hoe het uitgangspunt van de notitie om voorlopig de WTG nog te handhaven (blz. 8) te rijmen valt met de constatering dat - gezien de internationale en Europese regelgeving - een toekomstige uitspraak van het EU-Hof van Justitie al eerder kan leiden tot een wijziging van de WTG (en ook de ZFW en AWBZ) (blz. 4)? Hoe wordt op deze «dreiging» in de onderhavige notitie geanticipeerd? (p.22) Hoe moeten, gelet op het bovenstaande, de wettelijke landelijke afspraken gemaakt in het kader van de WTG worden bezien (blz. 21-22)?


12.

Op blz. 22 van de notitie wordt de fundamentele vraag gesteld of na
2003 - als de vrijstelling voor collectieve afspraken is beëindigd - het doel dat met de collectieve afspraken is beoogd op een andere wijze kan en moet worden nagestreefd. Kan de minister aangeven wat haar mening is?


13.

Kan (schematisch) worden aangegeven wat exact het tijdspad is van de wijzigingen in de WTG: welke wijzigingen vinden op welk moment plaats en voor welke veldpartijen heeft dit consequenties? (blz. 25 e.v.)


14.

Kan de minister aangeven waarom zij verwacht dat er - na aanpassing van de WTG inzake het schrappen van de collectieve afspraken - regionale of individuele partijen wel onderling afspraken zullen maken over tarieven onder het maximumtarief, aangezien dat in de huidige situatie ook al mogelijk is maar niet gebeurt (zie VWS-99-676)? (blz.
25 e.v.)


15.

Wat zijn de consequenties van de Europese regelgeving - mede in het licht van het Europese mededingingsrecht - voor het instrument van de meerjarenafspraken (MJA)? (blz. 27/28)


16.

In hoeverre zijn - mede in het licht van Europese regelgeving - regionale overeenkomsten tussen verzekeraars en zorgaanbieders in het eerste en tweede compartiment nog mogelijk? (blz. 27/28)


17.

Kan de minister aangeven waarom in de huidige situatie van de WTG de individuele verzekeraar en zorgaanbieder geen overeenkomsten sluiten in het kader van de ZFW en AWBZ, hoewel dat wel is toegestaan (blz.
27/28)?


18.

Op blz. 27-28 wordt gesteld dat uitkomsten van overleg (uvo's) en modelovereenkomsten met landelijke werking uit de ZFW en de AWBZ komen te vervallen. Landelijke afspraken worden door representatieve organisaties nu direct met verantwoordelijke bewindspersonen gemaakt in de vorm van «politiek controleerbare meerjarenafspraken» (blz. 28). Betekent dit dat het instrument van de Meerjarenafspraak, de hierboven bedoelde uvo's en modelovereenkomsten gaat vervangen? Hebben in de opvatting van de notitie uvo's en modelovereenkomsten dan dezelfde functie als meerjarenafspraken? Welke status krijgen dergelijke «politiek controleerbare meerjarenafspraken» (blz. 28)? Het kan toch niet de bedoeling zijn dat de meerjarenafspraken geïnstitutionaliseerd worden in de toepassing van de WTG?


19.

Hoe moet, met het oog op consistent beleid inzake de WTG, de beperking van de reikwijdte van de WTG-tariefstelling worden beoordeeld. Wat wordt bedoeld met de zinsnede «Het kabinet maakt zich sterk voor een meer of minder vergaande vorm van gereguleerde competitie in de verschillende verzekeringscompartimenten»(p.29) Wanneer wordt bepaald of het «meer» of juist «minder» is en hoe wordt die afweging beargumenteerd? Wanneer krijgen, welke partijen, welke middelen om, welke verantwoordelijkheden waar te kunnen maken? Welke prestaties en welke categorieën zorgaanbieders moeten volgens de notitie onder de WTG gaan vallen? (blz. 29)


20.

Het is een terecht uitgangspunt dat de WTG toegepast moet worden «alleen daar en wanneer dat nodig is» (blz. 29) Maar kan worden aangegeven wie bepaald wat nodig is en wanneer dat wordt bepaald ?


21.

Op blz. 31 worden een aantal prestaties opgesomd die in aanmerking komen voor vrijstelling van de WTG-tarieven. Voor deze prestaties is in 1989 al aangekondigd (zie voetnoot 5, blz. 31) dat zal worden bezien of prijsregulering op basis van de WTG gehandhaafd moet blijven. Kan de minister toelichten waarom 11 jaar na dato nog geen beslissing wordt genomen of de WTG wel of niet van toepassing zal blijven? Kan worden toegelicht waarom het CTG, het CVZ en het CTU niet de afgelopen 11 jaar al zijn geraadpleegd? Waarom is niet vooralsnog besloten tot een tijdelijke vrijstelling van de WTG-tarieven aangezien de overgang is voorzien per 1 januari 2000? (blz. 31). Kan in het kader van de vrijstelling worden aangegeven wat precies moet worden verstaan onder «niet-geïndiceerde cosmetische en refractie chirurgie» (blz. 31)


22.

Kan aangegeven worden of de op te leggen administratie -en declaratievoorschriften krachtens de WTG aansluiten bij de voorgestane gereguleerde marktwerking? Kan concurrentie nog steeds plaatsvinden en kan niet worden gevraagd naar gegevens die de concurrentiepositie van partijen prijsgeeft? (blz. 32)


23.

Kan worden toegelicht waarom het opstellen van de administratie -en declaratievoorschriften worden doorgeschoven naar de middellange termijn, terwijl de ECD hier om al in het jaarverslag over 1998 heeft gevraagd, zodat zij haar onderzoekstaken naar fraude gevallen beter kan uitvoeren? (blz. 32)


24.

Kan aangegeven worden wat de oorzaken zijn van fraude bij declaraties door zorginstellingen, zoals geconstateerde in het recente Jaarverslag over 1998 van de ECD? Hoe worden in de onderhavige notitie de hierboven bedoelde fraudepraktijken voorkomen? (blz. 32-33)


25.

Kan inzicht worden gegeven in de totale financiële problematiek (aantal instellingen, omvang en oorzaken) waarin sommige zorginstellingen verkeren in het kader van de WTG? In hoeverre vindt er door het CTG steunverlening plaats aan deze instellingen op basis van de WTG? Op welke wijze wordt er verantwoording afgelegd aan de Kamer over de steunverlenende rol van het CTG op basis van de WTG? Welke financiële consequenties heeft de steunverlening door het CTG de afgelopen jaren gehad voor de overige uitgaven onder het BKZ? (blz.
32-33)


26.

Kan de minister onderzoeken of het mogelijk is het CTG aan te sporen om eerder dan in juni de verantwoordingsinformatie aan het ministerie te verschaffen over de WTG gebudgetteerde instellingen?


27.

Waarom wordt het vergoeden van verkeerde tarieven door verzekeraars niet strafbaar gesteld? (blz. 32)


28.

Kan het signaleringsrapport van het CTG over de financiële ontwikkelingen bij instellingen over het voorgaande boekjaar, gezien het toenemend aantal instellingen met financiële problemen en de financiële consequenties daarvan voor de rijksoverheid, voortaan ook aan de Kamer worden gezonden? (blz. 33)


29.

Kan aangegeven worden of de informatie, die in de jaarverslagen staat die zorginstellingen per 1 september bij het ministerie van VWS aanleveren, ook wordt verwerkt in de verantwoording over de uitgaven in het kader van het BKZ? Wat is in dit verband de rol van het CTG?


30.

Kan aangegeven worden of er elementen zijn, zoals die worden beschreven in de procedure van aanpak van wachtlijsten in het eerste compartiment, die nieuw zijn ten opzichte van de situatie van vóór het verschijnen van de onderhavige notitie? Zo ja, welke zijn dat dan? (blz. 36)


31.

Kan worden aangeven waarom het CTG in haar uitvoeringstoets over de overgang van de huidige punttarieven naar maximumtarieven in de bekostiging van de instellingen in het eerste compartiment ook antwoord moet geven op de vraag «..(..)..hoe de kostenbeheersing zoveel mogelijk zeker gesteld kan worden bij een meer prestatiegerichte bekostiging van zorgaanbieders.» (blz. 37) ? Is het antwoord op de vraag welke zorgkosten je als centrale overheid wil beheersen niet in zijn aard een politieke, en derhalve niet voor het CTG om te beantwoorden maar bij uitstek voor de minister van VWS?


32.

Aangezien het tweede compartiment de komende jaren zal worden gekenmerkt door nieuwe bestuurlijk een financiële verhoudingen tussen alle spelers, is het van belang dat er een programma van deregulering en flankerend beleid wordt gevoerd. Dit is zelfs van groot belang voor het welslagen van alle te nemen maatregelen in dit compartiment. (blz.
38) Kan het programma van deregulering en flankerend beleid in nadere details worden uitgewerkt? Kan aangegeven worden hoe de doelstelling van het uit te voeren programma van deregulering en flankerend beleid rijmt met de doelstelling «dat verzekeraars meer energie gaan steken in doelmatigheidsbevordering bij aanbieders». (blz. 38) Is het niet de verantwoordelijkheid van aanbieders zelf om de kwaliteit en doelmatigheid van hun producten te waarborgen, en de verantwoordelijkheid van verzekeraars om doelmatig in te kopen waarbij ze letten op prijs, kwaliteit( en volume)?


33.

Kan worden aangegeven op grond van welke informatie verwacht wordt dat het niet langer van toepassing verklaren van de WTG -tarieven voor de paramedische zorg, zal leiden tot tarief afspraken beneden de maximum tarieven tussen verzekeraars en paramedici? (blz. 39)


34.

Welke omstandigheden hebben ertoe geleid dat de maatregelen voor tandprothetici en mondhygiënisten en de maatregelen voor de flexibilisering van de tarieven, zoals die 4 jaar geleden al zijn voorgesteld in het MDW rapport «Concurrentie en prijsvorming in de gezondheidszorg»(1996/97), nu wel uitgevoerd gaan worden? (blz. 39)


35.

Op blz. 40/41 wordt beschreven hoe de modernisering van de bekostiging van de ziekenhuiszorg vorm gaat krijgen. Kan aangegeven worden waarom daarbij niet gesproken wordt over het voornemen om de ziekenhuisbudgettering in te trekken?


36.

De modernisering van de bekostiging van ziekenhuiszorg heeft onder andere als doelstelling het wijzigen van het bekostigingsmodel. Hiertoe is het CTG om een uitvoeringstoets gevraagd. (blz. 41) Welke rol de speelt de uitkomst van uitvoeringstoets van het CTG? Hoe verhoudt zich de stellingname dat het bekostigingsmodel moet worden gewijzigd en de uitvoeringstoets van het CTG dat nog moet worden opgesteld, tot de brief d.d. 16 maart 2000 waarin afspraken zijn gemaakt dat het project om te komen tot producttypering in termen van dbc's uiterlijk in 2003 zal worden afgerond? Kan worden aangegeven welk traject nu precies gevolgd gaat worden inzake de modernisering bekostiging ziekenhuiszorg, met daarbij een overzichtelijk tijdspad, zodat duidelijk wordt voor betrokken partijen waar ze aan toe zijn? (blz. 41)


37.

Hoe verhouden zich de voortstellen voor meer tariefdifferentiatie(blz.
40-41), hetzij voor specifieke prestaties op landelijke niveau, hetzij op regionaal niveau, tot het negatieve advies hierover dat het CTG in haar uitvoeringstoets gegeven heeft (VWS-99-676)? Hoe verhouden de voorstellen voor tariefdifferentiatie zich tot de macrokostenbeheersing van het ministerie van VWS? (blz. 39-40)

38.

Wat verwacht de minister van het afschaffen van de contracteerplicht van ziekenfondsen tegenover ziekenhuizen - wat op zich een positieve maatregel is om de flexibiliteit van de WTG te bevorderen - gezien de voortgaande tendens van schaalvergroting in de ziekenhuiswereld waardoor de facto weinig contracteervrijheid zal overblijven voor ziekenfondsen? (blz. 41)


39.

Volgens het EYC evaluatierapport blijkt in de praktijk dat de flexibiliteit die de WTG biedt en de ruimte die het laat aan betrokkenen onvoldoende wordt benut. Individuele verzekeraars en zorgaanbieders ervaren de beschikbare beleidsruimte om te onderhandelen over de tarieven als te beperkt. Kan aangegeven worden wat de reden/oorzaak is van de negatieve ervaring van de bovenstaande actoren? Op welke wijze wordt de onderhandelingsruimte dan beperkt? Vragen CDA-fractie


40.

In welke mate wordt daadwerkelijk gebruik gemaakt van de flexibiliteit, i.e. de mogelijkheid om beleidsregels aan te passen of in te trekken? (blz. 9)


41.

Wat is uw reactie op het gestelde in het EYC-rapport dat «in de praktijk blijkt dat zowel op landelijk als op lokaal niveau de belangentegenstellingen binnen en tussen geledingen nogal eens een verstarrend effect hebben en daardoor de beleidsregels onvoldoende aansluiten op de actuele ontwikkelingen in de zorg»? (EYC blz. 10)


42.

Kunt u aangeven, eventueel bij benadering, hoe vaak het speelveld van de WTG is ingekrompen of uitgebreid sinds de invoering van de wet? (blz. 10)


43.

De verzekeraars lopen aan de vraagzijde nog geen volledig risico. Overweegt u de verzekeraars volledig risicodragend te laten worden en daarmee één van de geconstateerde marktonvolkomenheden op te heffen? Zo neen, waarom niet? (blz. 11)


44.

Bent u voornemens om de «monopolie- of oligopolie-achtige posities van instellingen en personen in de regio» op te heffen? Zo neen, waarom niet? Zo ja, op welke wijze? (blz. 11)


45.

Waarom wordt niet overwogen om reële kostprijzen in te voeren in plaats van «tarieven die zo goed mogelijk overeenkomen met de werkelijke kosten van de geleverde prestatie»? (blz. 11)


46.

Kan er, en zo ja waarom, een tegenstelling geconstateerd worden tussen het gestelde dat «tarieven zo goed mogelijk overeen te komen met de werkelijke kosten van de geleverde prestatie» en «tarieven die kunnen afwijken van tarieven die in een vrije markt ontstaan» vanwege «de verdeling van de financiële middelen die voor de totale gezondheidszorg en daarbinnen voor de verschillende sectoren of (in de toekomst) regio's beschikbaar zijn»? (blz. 11/12)


47.

Bent u voornemens om, indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend luidt, bereid om die tegenstelling op te heffen en zo ja, op welke wijze en termijn? (blz. 12)


48.

Hoe vallen de zinsneden «de verdeling van de financiële middelen die voor de totale gezondheidszorg en daarbinnen voor de verschillende sectoren of (in de toekomst) regio's (cursivering door onze fractie) beschikbaar zijn» en «doelstelling is een zodanige opzet en regionale uitvoering van de AWBZ dat binnen de beschikbare middelen de cliënt met een zorgvraag centraal staat» te verenigen met de «pas op de plaats» als uitvloeisel van het Kamerdebat over de modernisering van de AWBZ en de kritiek die daaraan ten grondslag ligt over de regionalisering van de zorg? (blz. 12/18)


49.

Op welke wijze zult u bevorderen dat het accent dat op de doelstelling kostenbeheersing is komen te liggen niet langer ten koste gaat van de andere doelstellingen van de WTG? (blz. 15)


50.

Bent u bereid om te bewerkstelligen dat de geconstateerde spanning in de onderwerpen kostenconformiteit en de beleidsruimte voor het lokaal overleg verminderd wordt en op welke wijze? Zo neen, waarom niet? (EYC blz. 12)


51.

Heeft u, behalve prestatietypering en benchmarking in het eerste compartiment, nog andere stappen in overweging om de «nadelen van de huidige vormen van instellingsbudgettering» teniet te doen en de systematiek prestatiegerichter te maken? Zo ja, welke? (blz. 17/18)


52.

Hoe valt uw constatering over «monopolie- of oligopolie-achtige posities van instellingen en personen in de regio» (blz. 11) te verenigen met het gestelde dat «de verantwoordelijkheid voor de sturing en de inrichting van het daadwerkelijke zorgproces bij de verzekeraars en de aanbieders van zorg komt te liggen, opdat in de regio een geïntegreerd en patiëntgericht zorgproces tot stand komt»? Wordt hierbij niet voorbij gegaan aan het eerste uigangspunt dat de cliënt/patiënt centraal dient te staan, zeker waar het gaat om de langdurige zorgbehoefte? (blz. 18)


53.

Op welke wijze draagt het onder de WTG brengen van oa mondzorg bij tot de toegankelijkheid? (blz. 19)


54.

Kan uit het gestelde op pagina 23 worden opgemaakt dat gewacht wordt op uitspraken van het Europese Hof van Justitie voordat met voorstellen gekomen zal worden om de WTG aan te passen aan de EU-Mededingingsregels? Op welke termijn kan de Kamer voorstellen tegemoet zien die beogen de WTG aan te passen aan de EU-Mededingingsregels? (blz. 23/25)


55.

Waar denkt u concreet aan bij het bieden van de mogelijkheid om «op kleine schaal te kunnen experimenteren met alternatieve wijzen van bekostiging en van kosten- en prijsbeheersing»? (blz. 26)


56.

Hoe zal in de toekomst worden omgegaan met de situatie dat het door het CTG vastgestelde tarief de werkelijke kosten niet meer benadert? (blz. 27)


57.

Is het u bekend of er wel eens overeenkomsten tussen aanbieder en verzekeraar worden afgesloten beneden het vastgestelde maximumtarief? Indien hier sprake van is, hebben deze afspraken dan een soortgelijke aard of is er geen «gemene deler» in te ontdekken? Het vermoeden bestaat bij deze fractie dat het om een relatief zeer klein aantal afspraken gaat. Waardoor wordt dit -mogelijk- veroorzaakt en bent u, zo nodig, bereid om maatregelen te treffen? (blz. 27)


58.

Wat wordt precies bedoeld met de zin «Ook is het mogelijk dat de verdeling van landelijk beschikbare middelen over de regio's in beleidsregels wordt vastgelegd»? Is een dergelijke verdeling van middelen over de regio's nog noodzakelijk wanneer de financieringssystematiek persoonsvolgend is? (blz. 27)


59.

Bestaat er ook een beroepsmogelijkheid tegen besluiten van het CTG en zo nee, wordt dat overwogen? (blz. 27)


60.

Wat verstaat u onder «gereguleerde competitie»? (blz. 29)


61.

Hoe verhoudt «de gedachte dat de WTG-instrumenten van toepassing zijn alleen daar en wanneer dat nodig is om actoren de gewenste rol te kunnen laten spelen» zich tot het voornemen om de mondzorg op korte termijn onder de WTG te brengen? (blz. 19/29)


62.

Worden alle huidige beleidsregels op grond van de WTG getoetst c.q. doorgelicht aan de doelstellingen en overwegingen, of geldt dat alleen voor beleidsregels die nu overwogen worden? (blz. 30)


63.

Op welke manier zal het flankerend beleid een wettelijke basis krijgen? Denkt u aan een uitbreiding van de WTG of aan een nieuwe wet? (blz. 30)


64.

Is ook overwogen om het zorgkantoor overeenkomsten te laten sluiten met organisaties die zorg kunnen leveren waar op dit moment nog geen overeenkomst mee bestaat, teneinde de wachtlijsten sneller weg te kunnen werken? Zo neen, waarom niet? (blz. 36)


65.

Waardoor wordt de schaarste veroorzaakt die in delen van het tweede compartiment manifest is? (blz . 38)


66.

Wat wordt bedoeld met de autonome ruimte binnen de WTG? (blz. 48)


67.

Welke maatregelen van de overheid, zoals opgemerkt door het CTG, hebben geleid tot de inperking van de autonome ruimte binnen de WTG? (blz. 48)


68.

Bent u bereid om met voorstellen te komen om de controle op de juiste naleving van de wet te versterken? Zo ja, op welke termijn zullen deze voorstellen geconcretiseerd worden en zo neen, waarom niet? (blz. 50)

Vragen SP-fractie


69.

De WTG draagt bij aan een goed een toegankelijke gezondheidszorg door een prijs vast te stellen zowel voor zorg die de overheid voor iedereen toegankelijk wil houden als voor zorg die personele en financiële capaciteit onttrekt aan de zorg die de overheid voor iedereen toegankelijk wil houden. Kan dit laatste worden toegelicht, met name waar dit niet het geval zou zijn? (blz. 10)


70.

Gesproken wordt over spanning tussen kostenbeheersing en evenwichtige (kostenconforme) tarieven. Wordt hier bedoeld dat er (maximum)tarieven zijn die de werkelijke kosten niet dekken, welke zijn dat en moet deze tarieven dan niet hoognodig worden aangepast? (blz. 14)


71.

Hoe zijn de ervaringen met de kraamzorg waar de marktwerking leidde tot niet-kostendekkende tarieven, in deze nota verwerkt? (blz. 16)


72.

Welke zijn de aanbevelingen in het OESO-rapport en in hoeverre worden deze opgevolgd? (blz. 17)


73.

Zal er ook in de toekomst geen sprake zijn van het loslaten van tarieven bij 3e compartimentzorg die de overheid voor iedereen toegankelijk wil houden zoals de mondzorg? Geldt ditzelfde voor meer vormen van zorg uit het derde compartiment en zo ja, welke? (blz. 19)


74.

De WTG moet voor 2003 zijn afgestemd op de Mededingingswet. Is de mogelijkheid overwogen om de vrijstelling van de mededingingswet na die tijd te handhaven ofwel de gehele zorg buiten de mededinging te houden? (blz. 23)


75.

Kan een kort overzicht gegeven worden welke wijzigingen nu concreet worden voorgesteld? (blz. 26)


76.

Voorgesteld wordt een aantal verrichtingen buiten de WTG te brengen. Kan voor alle genoemde zorg worden gegarandeerd dat dit niet ten koste kan gaan van het onttrekken van capaciteit aan de zorg die de overheid voor iedereen toegankelijk wil houden? Kan dit in het bijzonder worden toegelicht voor cosmetische chirurgie waar voor de geïndiceerde zorg lange wachtlijsten zijn, voor de tandheelkundige prestaties met zuiver esthetisch oogmerk met het oog op het tekort aan tandartsen en voor niet geïndiceerde thuiszorg met het oog op de grote tekorten in de geïndiceerde thuiszorg? (blz. 31)


77.

Voorgesteld wordt ook rijbewijskeuringen buiten de WTG te brengen. Hoe zit het momenteel met de tarieven voor deze keuringen en bestaat er een risico dat deze minder toegankelijk worden met name voor oudere mensen met een lager inkomen? (blz 31)


78.

Voorgesteld wordt klasseverpleging en klasseverzorging buiten de WTG te brengen. Is het de bedoeling de klassezorg hiermee te stimuleren en is het gezien de schaarste in de zorg niet beter de middelen zo in te zetten dat voor iedereen goede zorg wordt gegeven binnen aanvaardbare termijn? Op welke manier wordt voorkomen dat de invoering van klasseverpleging leidt tot tweedeling? (blz. 31)


79.

Alvorens over te gaan tot daadwerkelijke vrijstelling worden uitvoeringstoetsen gevraagd en wordt de inspectie geraadpleegd. Wordt de Kamer van de resultaten hiervan op de hoogte gesteld en om goedkeuring gevraagd voordat de beslissing definitief wordt genomen? Indien wordt besloten tot vrijstelling zal het dan gaan om tijdelijke en omkeerbare vrijstelling?(blz. 31)


80.

In juni 1999 is de beleidsregel aanvullende inkomsten door het CTG vastgesteld. Wat zijn de ervaringen hiermee tot nu toe en om welke soorten van inkomsten en in welke omvang gaat het in de praktijk tot nu toe? (blz. 33)


81.

Worden de voorstellen om het raad-van-toezicht-model wettelijk te verankeren en om bij ernstig tekortschieten van de raad van toezicht een voorlopige voorziening te treffen nu wel of niet opgevolgd en zo ja, wanneer kan de Kamer hier voorstellen over verwachten? (blz. 34)


82.

Waarom is het zondermeer wenselijk bij de financiering van instellingen de omslag te maken van punttarieven naar maximumtarieven? Welke zijn de mogelijke nadelen en zijn deze ook in de overweging meegenomen? (blz. 37)


83.

Zijn de ervaringen met de hulpmiddelen en het ziekenvervoer per taxi die beiden buiten de reikwijdte van de WTG vallen, uitsluitend positief? Indien ja, waarom is het ziekenvervoer per taxi dan weer onder de Wet personenvervoer maximumtarieven gebracht? (blz. 39)


84.

Is het de bedoeling dat de zorgverzekeraar gaat bepalen wanneer het basistarief moet worden uitbetaald bijvoorbeeld omdat er te veel of onnodige verrichtingen worden gedaan? Zo ja, wat is het risico dat de zorgverzekeraar te veel op de stoel van de zorgverlener gaat zitten en hoe wordt dit voorkomen? (blz. 40)


85.

Welke gevolgen kan het loslaten van de contracteerplicht hebben voor de ziekenhuizen in Nederland? (blz. 41)

De voorzitter van de commissie,

Essers

De griffier van de commissie,

Teunissen

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie