Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Financien: vragen en antwoorden buitengewone lasten

Datum nieuwsfeit: 07-07-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: Vragen en antwoorden buitengewone lasten


Besluit van 7 juli 2000, nr. CPP 2000/967M

De DirecteurGeneraal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Vragen en antwoorden ter uniformering van de uitvoeringspraktijk

Ter uniformering van de uitvoeringspraktijk is in deze speciale uitgave van het Infobulletin het derde overzicht van de antwoorden op de meest gestelde vragen op het terrein van de buitengewone lasten opgenomen. De eerste versie is in de loop van 1995 verschenen, de tweede versie in de loop van 1997. Deze derde versie bevat naast nieuwe vragen en antwoorden ook vragen en antwoorden uit eerdere versies.

Op bepaalde punten hebben aanpassingen plaatsgevonden, bijvoorbeeld in verband met gewijzigde wetgeving/jurisprudentie.

In dit overzicht zijn een groot aantal gevallen verwerkt die de specifieke aandacht hebben gevraagd van de inspecteurs van de belastingdienst. Bij de beantwoording van de vragen is uitgegaan van de wetgeving tot en met 1999, relevante jurisprudentie en beleid. In de beantwoording is getracht hier zo goed mogelijk naar te verwijzen. Daarnaast is aandacht besteed aan het resultaat van het overleg met de belangenorganisaties.

Waar dit van toepassing is, zijn aan het begin van dit hoofdstuk, in het kort de belangrijkste wijzigingen aangegeven van de wetgeving vanaf 1 januari 2000 of in voorkomende gevallen van eerdere datum.

In dit Besluit is nog uitgegaan van de wettekst tot en met 2000. Naar aanleiding van de belastingherziening 2001 zal een aangepaste versie van dit overzicht verschijnen.

Nieuw beleid

In deze uitgave is ook nieuw beleid opgenomen. Het gaat om het antwoord op vraag 3.22 in verband met het al dan niet aanmerken van duurzaam gescheiden leven.
Inhoudsopgave


1. Levensonderhoud kinderen tot 27 jaar 5


1.1. Gewijzigde wetgeving 5


1.2. Drukkende uitgaven 5


1.3. Extra woonlasten 5


1.4. Stiefkind en kinderbijslag? 6


1.5. AFS-student pleegkind? 6


1.6. Levensonderhoud of lening? 6


1.7. Eigen inkomen en vermogen kinderen tot 21 jaar 7

1.8. Ondanks lage bijdrage toch forfaitaire aftrek ? 7

1.9. Met terugwerkende kracht betaalde alimentatie 7

1.10. Eerste dag kalenderkwartaal 8


1.11. Vooraf betaalde bijdrage levensonderhoud 8

1.12. Aanvraag studiefinanciering te laat 8

1.13. Na definitieve omzetting beurs in lening nog steeds studiefinanciering? 9


1.14. Kinderbijslag te laat aangevraagd. 9

1.15. Co-ouderschap en aftrek uitgaven levensonderhoud 9

1.16. Aftrek levensonderhoud (klein)kinderen? 10

1.17. Aftrek kosten levensonderhoud en Belgisch Kindergeld 11

2. Levensonderhoud kinderen van 27 jaar en ouder en overige verwanten 12


2.1. Gewijzigde wetgeving 12


2.2. Algemeen 12


2.3. Een kind in een verpleeginrichting 13

2.4. Eigen vermogen ondersteunde/ mogelijkheid aanvraag bijstandsuitkering 13


2.5. Ex-partner 13


2.6. Levensonderhoud samenwonende dochter 14

2.7. Aftrek levensonderhoud/ gezamenlijke huishouding 14

2.8. Kostwinnersverklaring 14


2.8.1. Geen kostwinnersverklaring toch 2600 aftrek? 14

2.8.2. Met verklaring altijd 2600 aftrek? 15

2.8.3. Vertaling ontbreekt 15


2.8.4. Herkomst verklaring? 15


2.8.5. Verklaring moet zien op het belastingjaar 15

2.9. Verklaring plaatselijke autoriteiten 16

2.10. Ondersteuning in natura: voedselpakketten 16

2.11. Kring van verwanten 16


3. Ziektekosten 17


3.1. Eigen bijdrage AWBZ: praktische berekening component ziektekosten 17


3.2. Berekening component ziektekosten in eigen bijdrage AWBZ en kloosterlingen 17


3.3. Drukkende kosten 18


3.3.1. Te laat geclaimd bij ziektekostenverzekeraar 18

3.3.2. Mogelijkheid verstrekking door Bedrijfsvereniging 18

3.3.3. Uitkering ZVO/saldering met ziektekosten 18

3.4. Ader-rein 18


3.5. Kosten IVF/ICSI-behandeling in het buitenland aftrekbaar als buitengewone lasten ziektekosten? 19


3.6. Kosten van eiceldonatie aftrekbaar als buitengewone lasten/ziektekosten? 19


3.7. Abonnementskosten cardiofoon Hartis 20

3.8. Kosten ter voorkoming van... 20


3.8.1. Moermantherapie/Voedingssupplementen 20

3.9. Kunst- en hulpmiddelen 20


3.9.1. Intercom en alarmsysteem 20


3.9.2. Extra verwarming 21


3.9.3. Verbouwingskosten 21


3.9.4. Aanschaf pruiken 24-jarige 21


3.9.5. Aanschaf pruiken 45-jarige man 22


3.10. Complex samenhangende en op elkaar afgestemde maatregelen 22

3.11. Kosten school/ziektekosten 22


3.12. Contributie belangenverenigingen 23


3.13. Leefkilometers of extra vervoerskosten? 23

3.14. Bezit auto normaal/variabele kosten? 24

3.15. Vervoerskosten/autokostenforfait 24


3.16. Kleding en beddengoed/meerdere malen forfait 24

3.17. Kleding en beddengoed /forfait en gemaakte kosten 25

3.18. Kind in AWBZ-instelling/besparing thuis 25

3.19. Particuliere ziekenverpleging en bemiddelingskosten 26

3.20. Ziektekosten in verzorgingsprijs 26


3.21. Afkoop zorgkosten (geheel) buitengewone lasten ziektekosten? 26

3.22. Eigen bijdrage AWBZ/ziektekosten/duurzaamgescheiden leven 27

3.23. Samenstelling tabellen AWBZ-besluit 27

4. Kosten van overlijden 29


4.1. Aftrekbaarheid premies begrafenisverzekering 29

4.2. Begrafeniskosten/civielrechtelijk deel 29

4.3. Uitgaven voor overlijden van partner 29

4.4. Begrafeniskosten/kring van verwanten 30

4.5. Aankoop dubbel graf bij overlijden echtgenote 30

4.6. Begrafeniskosten echtgenoot niet buitensporig hoog? 30

4.7. Aankoop grafrechten bij Grafzorg Nederland 30

5. Gezinshulp 32


5.1. Algemeen 32


5.2. Kwitantie ook factuur? 32


5.3. Voeding gezinshulp 32


6. Dieet 33


6.1. Nieuwe dieetkostenregeling 33


6.2. KNMG-richtlijnen en dieetbevestiging 33

6.3. Dieetbevestiging of voorschrift 33


6.4. Drempel art. 46, derde lid, onderdeel c, Wet IB 1964 en forfait art. 11, Uitv. reg. IB 1990 33


6.5. Dieet niet in lijst Uitv. reg. IB 1990 33

6.6. Berekening dieetkostenaftrek bij meerdere diëten 34

7. Reiskosten ziekenbezoek 35


7.1. Overnachtingskosten 35


7.2. Reiskosten ziekenbezoek bij ziekte broer 35

7.3. Ook reiskosten ziekenbezoek voor bezoek TBS-er? 35

8. Arbeidsongeschiktheid/ouderdom/chronische ziekte 36

8.1. Toepassing voorwaarden arbeidsongeschiktheid en aftrek chronisch zieke kinderen. Besluit van 26 augustus 1999, nr. DB 1999-2118M V-N, 1999/39.11 36


8.2. Criteria voor arbeidsongeschiktheid 37

8.3. Arbeidsongeschiktheid/tijdvak 37


8.4. Ouderdomsaftrek 3 maal 37


9. Adoptiekosten 38


9.1. Bureaukosten adoptieverenigingen 38


9.2. Kosten regelen voogdij 38


9.3. Kracht van gewijsde adoptievonnis 39


9.4. Kosten niet geslaagde adoptie 39


9.5. Verschil aftrekbare bedragen diverse adoptiebureaus 39
10. Studiekosten 45

10.1. Welke aftrekmogelijkheden bij WSF18+ 40

10.2. Studiekosten/ WSF 18+ 41

10.3. Studiekosten door ouders voorgeschoten 41

10.4. Reële verbetering 41

10.5. Heao-opleiding voor beroep 42

10.6. Forfait art. 14a Uitv. reg. IB 1990 en OV-jaarkaart. 42

10.7. Kosten van betaalde stage aftrekbare kosten of studiekosten 42

10.8. Behandeling kosten met dubbel karakter 43

10.9. Rekenvoorbeeld kosten met dubbel karakter 43

11. Kinderopvang 44

11.1. Gewijzigde wetgeving 44

11.2. Werkzaamheden buiten het huishouden 44

11.3. Partner heeft uitsluitend internationaal vrijgesteld inkomen 44

11.4. Kinderopvang bij belastingplichtige thuis 44

11.5. Berekening drempel bij kinderopvang voor twee kinderen 44

11.6. Berekening drempel bij kinderopvang in wisselende vorm 45

11.7. Aftrek kosten kinderopvang bij betaling van gemeenschappelijke rekening 45

11.8. Kinderopvang en echtscheiding/kind behoort niet tot het huishouden 45


1. Levensonderhoud kinderen tot 27 jaar


1.1. Gewijzigde wetgeving

Stiefkinderen niet meer in wettekst art. 46 Wet IB 1964

Met ingang van 1 januari 1998 ontbreekt het begrip stiefkinderen in de wettekst van art. 46, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, Wet IB 1964. Aangezien vanaf genoemde datum deze groep van personen is te kwalificeren als kind zoals bedoeld in art. 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen brengt deze wijziging geen inhoudelijke gevolgen met zich mee.

Wet beperking export uitkeringen

Met ingang van 1 januari 2000 is in art. 46, eerste lid onderdeel a, Wet IB 1964 opgenomen dat geen recht bestaat op aftrek van uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud voor kinderen jonger dan 27 jaar indien het recht op kinderbijslag is uitgesloten op grond van de Wet beperking export uitkeringen. Hiermee wordt voorkomen dat voor in het buitenland wonende kinderen waarvoor belastingplichtige op grond van de wet geen recht heeft op kinderbijslag, recht zou worden verkregen op buitengewonelastenaftrek.


1.2. Drukkende uitgaven

Twee gezinnen, bestaande uit vader, moeder en twee kinderen wisselen van vader. Beide vaders claimen voor hun kinderen die bij de ex-echtgenote verblijven kosten van levensonderhoud. Er vinden geen betalingen over en weer plaats omdat, bij wijze van praktische oplossing, de vaders elkaars kinderen onderhouden. De vraag is of de aftrek uitgaven levensonderhoud kan worden verleend.

De kinderen zijn na de scheiding blijven behoren tot de huishouding van de moeder die ook kinderbijslag kan claimen. Als de natuurlijke vader aannemelijk maakt dat hij voor zijn eigen kinderen meer dan 56 in de week uitgeeft dan heeft hij recht op aftrek uitgaven levensonderhoud.

In het voorgelegde geval worden echter geen kosten voor de eigen kinderen gemaakt; er bestaat dus geen recht op aftrek.

Indien wel over en weer betalingen plaatsvinden drukt alleen het saldo van de betalingen. Vervolgens moet dan worden bekeken of de norm (van 56 per week) wordt gehaald (Zie Hof Amsterdam, 30 juni 1994, V-N 1994/blz. 3779).


1.3. Extra woonlasten

Een belastingplichtige bewoont een kleine flat. Hij heeft in verband met een bezoekregeling regelmatig zijn kinderen te logeren, en verhuist hiervoor naar een grotere woning. Belastingplichtige wil het verschil tussen de huur van zijn voormalige flat en de grotere woning rekenen tot de uitgaven levensonderhoud van zijn kinderen om te komen tot de onderhoudseis van 56 per week. Is dit juist?

Huisvestingskosten kunnen in het algemeen niet worden beschouwd als uitgaven levensonderhoud van een kind. In veel gevallen zullen ook andere omstandigheden dan de aanwezigheid van kinderen aanleiding geven tot verhuizing. Vergelijk de benadering in de arresten van de Hoge Raad, 30 mei 1962 (BNB1962/192) en Hoge Raad, 25 februari 1976 (BNB 1976/214).

Als een belastingplichtige aannemelijk maakt dat de hogere woonlasten alleen in verband met zijn/haar kinderen worden gemaakt kan echter in bepaalde omstandigheden sprake zijn van uitgaven van levensonderhoud (Zie Hof Amsterdam 20 juni 1996, BNB 1997/229 en V-N 1996/blz. 4046).


1.4. Stiefkind en kinderbijslag?

Het gezin van belastingplichtige bestaat, naast hemzelf, uit zijn echtgenote en vier kinderen waarvan twee kinderen uit een eerder huwelijk van de echtgenote. Alle kinderen zijn jonger dan 16 jaar en behoren tot het huishouden. Belastingplichtige claimt voor zijn twee stiefkinderen aftrek uitgaven levensonderhoud.

In art. 46, eerste lid, Wet IB 1964 worden alleen eigen- en pleegkinderen genoemd. In art. 2, derde lid AWR wordt onder kind verstaan een 1e graads bloed- of aanverwant in de neergaande lijn. Een stiefkind is een 1e-graads aanverwant in de neergaande lijn. Art. 7 eerste lid, onderdeel a, AKW spreekt echter over eigen-, aangehuwde- en pleegkinderen. Omdat onder aangehuwde kinderen ook stiefkinderen worden verstaan is er in de praktijk geen onderscheid. Belastingplichtige heeft dus recht op kinderbijslag zodat geen aftrek uitgaven levensonderhoud mogelijk is.


1.5. AFS-student pleegkind?

Belastingplichtige heeft een (Columbiaans) kind in huis dat in het kader van AFS interkulturele programma's (een
studentenuitwisselingsprogramma) in Nederland studeert. Hij wil de student aanmerken als pleegkind en claimt uitgaven levensonderhoud. Is dit mogelijk?

Een kind wordt als pleegkind beschouwd indien het als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed. Gezien het tijdelijke karakter van het verblijf wordt in ieder geval niet voldaan aan de opvoedingseis. De band met de ouders blijft in stand. De student valt dus niet onder de omschrijving van de kring van verwanten zoals bedoeld in art. 46 Wet IB 1964. Er is daarom geen recht op aftrek uitgaven levensonderhoud. Zie ook HR, 18 maart 1998, BNB 1998/138.


1.6. Levensonderhoud of lening?

Een ouder claimt uitgaven levensonderhoud voor een kind jonger dan 27 jaar dat door het verstrijken van de 6-jaars termijn in het laatste studiejaar geen recht heeft op studiefinanciering ingevolge de WSF18+. Kan aftrek levensonderhoud worden verleend?

In beginsel is aftrek mogelijk. Indien echter op korte termijn een verbetering van de situatie van de ondersteunde optreedt kan het standpunt worden ingenomen dat de ondersteuning in de vorm van een lening kan worden verstrekt (Hof Arnhem, 1 juni 1993, V-N 1993/blz. 2784). De Hoge Raad heeft in het arrest van 6 december 1995 (BNB 1996/160) aangegeven dat uitsluitend een toekomstverwachting gebaseerd op het volgen van een studie onvoldoende is om op grond van de mogelijkheid van een lening geen aftrek te verlenen voor kosten ter voorziening in het levensonderhoud.


1.7. Eigen inkomen en vermogen kinderen tot 21 jaar
Op basis van het Burgerlijk Wetboek is een ouder verplicht zijn (stief)kinderen tot 21 jaar te onderhouden. Zijn de uitgaven voor levensonderhoud van kinderen van 18-21 jaar daardoor altijd aftrekbaar (ongeacht inkomen en vermogen van dat kind)?

Het is juist dat op grond van art. 392/397, Boek I van het Burgerlijk Wetboek ouders de verplichting hebben hun kinderen tot de leeftijd van 21 jaar te ondersteunen. De hoogte van de ondersteuning die de ouder op grond van deze bepalingen aan zijn kind moet geven is afhankelijk van de mate van de behoeftigheid van het kind en de draagkracht van de ouder (art. 397, I, BW). Als het kind voldoende middelen heeft om zelf in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien vloeit de eventuele ondersteuning niet voort uit de bepalingen van het BW. In dat geval bestaat er dus geen juridische of morele verplichting tot ondersteuning. De bijdragen in het levensonderhoud van dat kind zijn dan niet aftrekbaar als buitengewone lasten (Hoge Raad 12 maart 1997, V-N 1997/blz. 1388).


1.8. Ondanks lage bijdrage toch forfaitaire aftrek ?
Belastingplichtige ondersteunt een eigen kind (van 18 jaar of ouder, maar jonger dan 27) dat in het buitenland woont met (omgerekend) 21,52 per week. Voor het kind bestaat geen recht op kinderbijslag en het kind heeft evenmin recht op studiefinanciering ingevolge de WSF18+ of WTS. Uit beschikbare gegevens blijkt dat in dat land met het betaalde bedrag geheel in het levensonderhoud kan worden voorzien. De ondersteunde heeft geen andere middelen van bestaan. De per kwartaal betaalde bedragen blijven echter ruim onder het bedrag van 56 van art. 2, Uitv. reg. IB 1990.

Heeft belastingplichtige dan toch recht op de forfaitaire aftrek?

Omdat in dit geval de bijdrage in het levensonderhoud lager is dan 56 (zie art. 2 Uitv. reg. IB 1990) bestaat dan geen recht op aftrek kosten levensonderhoud. Daaraan doet niet af dat belastingplichtige in dit geval het kind geheel onderhoudt.


1.9. Met terugwerkende kracht betaalde alimentatie
Komt een belastingplichtige die in enig jaar met terugwerkende kracht voldoet aan zijn alimentatieverplichtingen jegens zijn kinderen over eerdere jaren, voor die jaren alsnog in aanmerking voor levensonderhoud?

Nee, als in de betreffende jaren niet daadwerkelijk is betaald dan moeten (per definitie) de uitgaven voor het levensonderhoud immers voor rekening van anderen zijn gekomen. In die situatie heeft belastingplichtige de ondersteunde niet feitelijk onderhouden en is derhalve geen aftrek mogelijk. De uitgaven kunnen wel in het jaar van betaling worden betrokken in de beoordeling of in dat jaar aan de gestelde onderhoudsvereisten werd voldaan. Uit het verslag van 21 maart 1996 van de Commissie voor de Verzoekschriften uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal blijkt dat ook de Commissie zich daarin kan vinden. (Tweede Kamer, vergaderjaar 95-96, 24425, nr. 75, V-N 1996/blz. 1632).


1.10. Eerste dag kalenderkwartaal

In art. 9, derde lid, Uitv. reg. IB 1990 is bepaald dat voor de toepassing van het levensonderhoud van kinderen tot 27 jaar de toestand op de eerste dag van het kalenderkwartaal beslissend is. Moet op die dag aan alle in art. 9 opgenomen voorwaarden worden voldaan?

Voor wat betreft de leeftijd en de vraag of voor het kind KB wordt ontvangen en of recht bestaat op WSF18+ of WTS is de eerste dag van het kwartaal beslissend. Ook de mate van onderhoud dient in beginsel per kwartaal te worden beoordeeld. Als de onderhoudsplicht feitelijk het gehele jaar heeft bestaan hoeft evenwel geen betekenis te worden toegekend aan de omstandigheid dat in het ene kwartaal minder en in het andere kwartaal meer is bijgedragen. De hogere kosten in een kalenderkwartaal moeten dan wel betrekking hebben op uitgaven die aan het hele jaar zijn toe te rekenen. Dit betekent dat als op jaarbasis ten minste 2912 (52 x 56) is bijgedragen, de aftrek over het gehele jaar kan worden verleend.


1.11. Vooraf betaalde bijdrage levensonderhoud
In het kader van een studentenuitwisselingsprogramma gaat belastingplichtiges zoon in de periode juli 1995 t/m juni 1996 in het buitenland studeren. Belastingplichtige dient vooraf een bijdrage te betalen die strekt tot voorziening in het levensonderhoud van de zoon gedurende de gehele periode. Belastingplichtige heeft geen recht op KB voor zijn zoon. De zoon heeft geen recht op WSF18+ of WTS. Voor welke kwartalen heeft belastingplichtige recht op aftrek kosten levensonderhoud?

In tegenstelling tot de situatie waarin in enig jaar over voorafgaande jaren is betaald, wordt de vooruitbetaalde bijdrage daadwerkelijk gebruikt om te voorzien in het levensonderhoud gedurende de gehele periode. Redelijke wetstoepassing brengt met zich dat dan de bijdrage kan worden toegerekend aan meer kwartalen. Belastingplichtige kan daardoor in dat geval voor het 3e en 4e kwartaal 1995 alsmede voor het 1e en 2e kwartaal 1996 in aanmerking komen voor aftrek. Uiteraard moet worden voldaan aan de voorwaarden van art. 46, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 1964.


1.12. Aanvraag studiefinanciering te laat

Een student vraagt na 1 oktober (te laat) studiefinanciering aan. Hij krijgt deze met terugwerkende kracht tot 1 oktober, echter niet de OV-jaarkaart. Zijn vader claimt aftrek i.v.m. uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud, omdat zijn zoon op 1 oktober (peildatum) nog geen studiefinanciering had.

Er bestond recht op studiefinanciering, deze is alleen te laat aangevraagd. Er is ook met terugwerkende kracht studiefinanciering ontvangen (m.u.v. de OV-jaarkaart). Het is niet de bedoeling van de wetgever alsnog aftrek buitengewone lasten te verlenen als geen gebruik is gemaakt van de wettelijke mogelijkheden.


1.13. Na definitieve omzetting beurs in lening nog steeds studiefinanciering?

De in het kader van de WSF voorwaardelijk toegekende lening van een student is omgezet in een definitieve lening. Zijn ouders hebben voor hem in het studiejaar verschillende kosten betaald en de studieschuld afgelost. Zij claimen aftrek kosten levensonderhoud voor het hele kalenderjaar. Is dat juist?

De zoon heeft ook na het besluit van de IBG dat sprake is van een definitieve lening nog steeds recht op studiefinanciering, namelijk in de vorm van een lening en een OV-jaarkaart. De Hoge Raad heeft in het arrest van 15 december 1999, nr. 34746, V-N 2000/6.9, echter geoordeeld dat het recht op uitsluitend een (rentedragende) lening en OV-jaarkaart aftrek niet in de weg staat. Voor de beoordeling of sprake is van drukkende uitgaven moet wel rekening worden gehouden met het bedrag van de lening. Aftrek is niet mogelijk als de student tenminste een basisbeurs geniet.

Bij de beooordeling van de vraag in welke mate de uitgaven van levensonderhoud op de ouders drukken moet overigens wel rekening worden gehouden met het recht op de OV-kaart en de rentedragende lening, ongeacht of de student daar ook daadwerkelijk gebruik van maakt.


1.14. Kinderbijslag te laat aangevraagd.

Belastingplichtige claimt aftrek uitgaven levensonderhoud over het eerste kwartaal 1995 voor een werkloos kind van 17 jaar. Omdat de inschrijving bij het arbeidsbureau te laat heeft plaatsgevonden bestaat er voor dit kwartaal geen recht op KB. Kan de aftrek worden toegestaan?

Ingevolge de bepalingen van de AKW heeft een verzekerde onder voorwaarden recht op kinderbijslag voor een kind van 16 jaar of ouder maar jonger dan 18 jaar. Dat is het geval als het kind werkloos is en in belangrijke mate op de kosten van belastingplichtige wordt onderhouden en het kind bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie als werkzoekende is ingeschreven.

Als het kind niet, of te laat, is ingeschreven bestaat derhalve geen recht op kinderbijslag en is aftrek uitgaven levensonderhoud mogelijk.


1.15. Co-ouderschap en aftrek uitgaven levensonderhoud
Is bij co-ouderschap aftrek van de bijdrage in het levensonderhoud van het kind mogelijk?

Bij co-ouderschap wordt het kind op basis van een overeenkomst door beide ouders in gelijke mate verzorgd en onderhouden. Volgens art. 5a van het Samenloopbesluit kinderbijslag -zoals dat artikel sedert 5 oktober 1995 luidt- wordt de kinderbijslag in dat geval gelijk verdeeld over beide ouders, tenzij in de overeenkomst anders is overeengekomen.

Beide ouders hebben daardoor recht op kinderbijslag en beide ouders kunnen ook het recht geldend maken. Dat blijkt uit art 5a van het Samenloopbesluit:

Indien twee personen op basis van een overeenkomst een kind overwegend in gelijke mate verzorgen en onderhouden, zonder met elkaar een gemeenschappelijke huishouding te voeren, wordt, tenzij in de overeenkomst anders is overeengekomen, de kinderbijslag waarop één van deze personen voor dit kind recht heeft, gelijk verdeeld betaald aan deze personen terwijl de kinderbijslag waarop de andere persoon recht heeft, niet wordt uitbetaald.

Het kan zijn dat de ouders in de overeenkomst aan de Sociale Verzekeringsbank kenbaar hebben gemaakt dat de kinderbijslag voor een bepaald kind slechts aan één van hen dient te worden uitbetaald. In dat geval kan slechts die ouder het recht op kinderbijslag voor dat kind geldend maken. De andere ouder kan dan voor aftrek buitengewone lasten/levensonderhoud in aanmerking komen. Zie ook HR 1 april 1998, nr. 33.085, V-N 1998/18.7.


1.16. Aftrek levensonderhoud (klein)kinderen?
Van een gezin met kinderen wordt de moeder in een verpleeginrichting opgenomen. De grootouders zorgen vanaf juni 1997 voor de kinderen. Vader blijft in de echtelijke woning wonen. Hij heeft een inkomen van 70 000 per jaar. In 1997 maken de grootouders kosten voor het inrichten van slaapkamers voor de kinderen ad 2000 en overige kosten. Voor de inrichting van de slaapkamers claimen zij een aftrek van 2000. Voor de overige kosten claimen zij de forfaitaire bedragen. Bestaat er voor de grootouders recht op aftrek levensonderhoud?

Er zijn twee uitgangspunten denkbaar.

1. De grootouders ondersteunen hun kleinkinderen. Om aanspraak te kunnen maken op de forfaitaire aftrek van art. 46, eerste lid 1° Wet IB 1964 dienen de grootouders aannemelijk te maken dat zij hun kleinkinderen opvoeden als ware het hun eigen kinderen. Het ligt niet voor de hand dat dat in de voorgelegde casus zo is. De ouders ontvangen zelf de kinderbijslag en vader beslist nog steeds zelf over de schoolkeuze enz.
Om aanspraak te maken op aftrek van de werkelijke kosten (art. 46, eerste lid, 2° Wet IB 1964) dienen de grootouders aannemelijk te maken dat zij zich gedrongen kunnen voelen om in het levensonderhoud van hun kleinkinderen te voorzien. Bijvoorbeeld omdat er geen andere potentiële ondersteuners zijn. Het inkomen van hun vader is voldoende om zijn kinderen te onderhouden, bovendien is de band tussen vader en kinderen niet verbroken. De grootouders kunnen zich daarom niet gedrongen voelen om hun kleinkinderen te ondersteunen.


2. De ouders ondersteunen hun zoon. In dat geval moet de behoeftigheid van de zoon onderzocht worden. Is de zoon behoeftig dan dient de gedrongenheid van zijn ouders te worden bekeken. Overigens kan daarvan in de voorgelegde casus geen sprake zijn. Van belang is dan of er andere potentiële ondersteuners zijn of dat het mogelijk is om een lening af te sluiten.

1.17. Aftrek kosten levensonderhoud en Belgisch Kindergeld
Op welke wijze moet een inwoner van België, die in Nederland werkt, zijn bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van zijn kind berekenen.

Op grond van de 90%-regeling kunnen inwoners van België met binnenlands inkomen voor aftrek van buitengewone lasten ter zake van levensonderhoud van kinderen jonger dan 27 jaar in aanmerking komen. De kosten van het levensonderhoud dienen door belastingplichtige aannemelijk te worden gemaakt. De ontvangen vergoeding in de vorm van Belgisch Kindergeld dient op deze kosten in mindering te worden gebracht. Hierna dient te worden beoordeeld of ten minste voor 56 per week wordt bijgedragen in het levensonderhoud van het kind. De partner met het hoogste binnenlands inkomen kan de buitengewone lasten ter zake van levensonderhoud in aftrek brengen.


2. Levensonderhoud kinderen van 27 jaar en ouder en overige verwanten

2.1. Gewijzigde wetgeving

Stiefkinderen niet meer in wettekst art. 46 Wet IB 1964

Met ingang van 1 januari 1998 ontbreekt het begrip stiefkinderen in de wettekst van art. 46, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, Wet IB 1964. aangezien vanaf genoemde datum deze groep van personen is te kwalificeren als kind zoals bedoeld in art. 2 van de AWR brengt deze wijziging geen inhoudelijke gevolgen met zich mee.

Tijdelijk bij ouders of verzorgers verblijvende gehandicapte kinderen van 27 jaar of ouder

Met terugwerkende kracht tot 1 januari 1999 is invulling gegeven aan de delegatiebepaling van art. 46, achttiende lid, Wet IB 1964. In het nieuwe art. 10a van de Uitv. reg. IB 1990 zijn de voorwaarden voor aftrek opgenomen.


2.2. Algemeen

Naast de ondergrens op basis waarvan aftrek slechts mogelijk is voor zover de uitgaven meer bedragen dan 800 (of 2% van het onzuiver inkomen) geldt ook een bovengrens. De uitgaven worden slechts in aanmerking genomen voor zover zij niet meer bedragen dan 10% van het onzuivere inkomen. De uitgaven moeten met schriftelijke bewijsstukken worden aangetoond en in geld rechtstreeks aan de ondersteunde zijn gedaan.

Naar aanleiding van vragen uit de praktijk heeft de Staatssecretaris via een Besluit het volgende geantwoord: Volgens de Memorie van Toelichting op de onder punt 1 genoemde wetswijziging (Wet van 13 december 1996, kamerstukken 25051, nr. 3) kunnen betalingen die belastingplichtigen doen ter ondersteuning van hun verwanten slechts dan in aanmerking worden genomen wanneer deze zijn gedaan op een door de Belastingdienst redelijkerwijs te controleren wijze, zoals door bankoverschrijvingen ten name van de persoon die wordt ondersteund of per internationale postwissel. Zie het Besluit van 2 juli 1999, nr. DB1999/2116M (Infobulletin 99/568).

Overigens kan de Minister op humanitaire gronden bepalen dat de bepaling dat de ondersteuning in geld moet plaatsvinden niet van toepassing is als de ondersteunden wonen of verblijven in door hem aan te wijzen landen (art. 46, zeventiende lid, Wet IB 1964). Als de Minister van deze mogelijkheid gebruik maakt is het gevolg dat kosten van ondersteuning in natura van verwanten in die landen aftrekbaar zijn. Uiteraard dient in dat geval ook aan de overige voorwaarden van art. 46 Wet IB 1964 te zijn voldaan.


2.3. Een kind in een verpleeginrichting

Een 35 jarige wordt verpleegd in een gezinsvervangend tehuis. Van zijn WAO-uitkering mag hij 400 (zak en kleedgeld) zelf houden. Zijn ouders claimen 2400 voor het halen en brengen en verblijf in het ouderlijk huis in de weekends. Zijn deze kosten aan te merken als uitgaven levensonderhoud?

Voor de belastingjaren 1997 en 1998 geldt dat er sprake moet zijn van ondersteuning in geld. De uitgaven in natura zijn daarom niet aftrekbaar als kosten levensonderhoud. Onder omstandigheden kunnen de vervoerskosten wel aftrekbaar zijn als ziektekosten.

Voor de situatie met ingang van 1 januari 1999 geldt dat invulling is gegeven aan de aanwijzing in art. 46, achttiende lid, Wet IB. Voor de kosten van het halen en brengen van het kind per auto door de ouders geldt een bedrag van 0,34 per kilometer (bedrag 1999). Voor de extra kosten van het verblijf bij de ouders geldt een bedrag van 18 per dag. De dagen waarop het kind wordt gehaald en gebracht tellen daarbij ook mee.


2.4. Eigen vermogen ondersteunde/ mogelijkheid aanvraag bijstandsuitkering

Een belastingplichtige ondersteunt zijn dochter met 3000 per maand. De dochter heeft geen inkomen maar is in bezit van een eigen woning met een ruime overwaarde. Omdat zij haar eigen huis niet wil opeten kan zij geen bijstandsuitkering krijgen. Zijn de betalingen voor de vader aftrekbaar als uitgaven levensonderhoud?

In het algemeen staat eigen vermogen van een ondersteunde de aftrek uitgaven levensonderhoud in de weg. Alleen als er bijzondere omstandigheden zijn die aantasting van het vermogen in de weg staan kan de verstrekker van de uitkering zich moreel verplicht voelen de uitkering te doen. Uit de jurisprudentie blijkt dat een bijzondere omstandigheid niet snel aanwezig wordt geacht. Zie o.a. Hof Den Haag, 27 november 1973 (BNB 1974/276), Hof Den Haag, 12 maart 1981 (BNB 1982/135) en Hoge Raad 22 juli 1985 (BNB 1985/254).

Een zeer klein vermogen (bijvoorbeeld het vermogen dat ingevolge de bijstandswet niet behoeft te worden aangesproken) kan buiten beschouwing blijven. Zie Hof Den Bosch 28 april 1997 (FED 1997/893).


2.5. Ex-partner

Een belastingplichtige ondersteunt zijn ex-partner met wie hij in het verleden heeft samengewoond. Zijn de betalingen aftrekbaar als uitgaven levensonderhoud?

Nee, de ex-partner behoort niet tot de kring van verwanten zoals bedoeld in art. 46, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 1964. Eventueel is wel aftrek mogelijk als persoonlijke verplichting ingevolge art. 45, eerste lid, onderdeel d, Wet IB 1964. Zie Hoge Raad, 6 juli 1983 (BNB 1983/243).


2.6. Levensonderhoud samenwonende dochter

Een vader claimt aftrek buitengewone lasten omdat hij zijn dochter (ouder dan 27 jaar) ondersteunt. Deze dochter woont samen, haar partner heeft een inkomen van 71 000 per jaar. In het samenlevingscontract dat de partners hebben afgesloten is een ondersteuningsclausule opgenomen.

Zijn de bijdragen van de vader aftrekbaar als buitengewone lasten levensonderhoud?

Het is vaste jurisprudentie dat uitgaven slechts als aftrekbare uitgaven ter voorziening in het levensonderhoud zijn aan te merken als een belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen om zijn kind met een bedrag te ondersteunen. Er moet dus sprake zijn van een morele verplichting. Met name gelet op de hoogte van het inkomen en de uitdrukkelijk in het contract geregelde ondersteuning jegens elkaar, lijkt dat hier niet het geval te zijn. Dat is anders in de situatie dat de dochter en haar partner een laag gezamenlijk inkomen hebben of als de dochter geen aanspraak kan maken op voorzieningen in het levensonderhoud ten laste van haar partner. In dat geval is wel een morele verplichting bij de ouders aanwezig te achten. Zie ook Hof Amsterdam, 4 maart 1991, V-N 1991/blz. 2083 en Hoge Raad, 11 september 1991 (BNB 1991/287).


2.7. Aftrek levensonderhoud/ gezamenlijke huishouding
Belastingplichtige woont samen met haar geestelijk gehandicapte

broer. Is sprake van een gezamenlijke huishouding? Zo ja, Is aftrek levensonderhoud mogelijk?

Om te bepalen of sprake is van een gezamenlijke huishouding is een economische benadering vereist. Dit is derhalve afhankelijk van de feiten. Wanneer sprake is van een gezamenlijke huishouding komt belastingplichtige niet voor aftrek van buitengewone lasten levensonderhoud in aanmerking, door de bewoordingen van artikel 46, eerste lid onderdeel a onder 2°, Wet IB 1964 in samenhang met artikel 56, lid 1 Wet IB 1964.

Als geen sprake is van een gezamenlijke huishouding kan alleen ondersteuning in geld (niet in natura) tot aftrek levensonderhoud leiden, mits ook is voldaan aan de eisen van behoeftigheid en gedrongenheid.


2.8. Kostwinnersverklaring


2.8.1. Geen kostwinnersverklaring toch 2600 aftrek?
Kan een belastingplichtige die verwanten in het buitenland ondersteunt, maar die niet beschikt over een kostwinnersverklaring eveneens met een beroep op het Besluit van 11 juli 1977, nr. 277-3749 (BNB 1977/210), een aftrek van 2600 claimen?

Nee, zonder kostwinnersverklaring mist het Besluit (en dus het bedrag van 2600) toepassing. Er moet dan op de gebruikelijke wijze worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate sprake is van behoeftigheid van de buitenlandse verwant. Bij de beoordeling hiervan kunnen de jaarlijkse cijfers van de Wereldbank met betrekking tot het bruto nationaal inkomen per hoofd van de bevolking een indicatie geven.


2.8.2. Met verklaring altijd 2600 aftrek?

Kan een belastingplichtige die over een kostwinnersverklaring voor verwanten in het buitenland beschikt altijd 2600 aftrek claimen?

Nee, naast de in de Besluit van 11 juli 1977, nr. 277-3749 (BNB 1977/210) bedoelde kostwinnersverklaring dient belastingplichtige betalingsbewijzen (zoals een bankoverschrijving of internationale postwissel ten name van de ondersteunde) over te leggen. Overigens sluit het Besluit niet uit dat een hoger bedrag in aanmerking kan worden genomen indien daadwerkelijk een hoger bedrag is betaald en in voldoende mate aannemelijk is gemaakt dat ook het meerdere strekt tot voorziening in het levensonderhoud.


2.8.3. Vertaling ontbreekt

Om voor de ( 2 600) aftrek uitgaven levensonderhoud aan buitenlandse verwanten in aanmerking te kunnen komen moet de belastingplichtige naast betalingsbewijzen beschikken over een verklaring van de plaatselijke autoriteiten waaruit blijkt dat hij/zij kostwinner is voor de ondersteunde. Moet daarbij een vertaling worden overgelegd?

Als de aanvraag of het verzoek niet in de Nederlandse taal is gesteld moet de verzoeker voor een vertaling zorgen. Vergelijk art. 4:5 en 6:5 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uitgangspunt is een vertaling door een beëdigd vertaler.

Zolang de vertaling echter in een voor de Belastingdienst begrijpelijke taal (bijv. Duits, Engels of Frans) is gesteld, kan daarmee genoegen worden genomen.


2.8.4. Herkomst verklaring?

Het Besluit van 11 juli 1977, nr. 277-3749 (BNB 1977/210) spreekt over een verklaring waaruit blijkt dat hij/zij kostwinner is van die verwanten. Er komen verklaringen van ondersteunden en ondersteuners. Van welke instantie moet de verklaring afkomstig zijn?

Een verklaring van de plaatselijke autoriteiten is het duidelijkst. In het kader van de vrije bewijsleer is andere bewijsvoering mogelijk. Als plaatselijke autoriteiten weigeren dergelijke verklaringen af te geven kan een verklaring van andere autoriteiten, die beschikken over de relevante gegevens, als bewijs dienen. Verklaringen van ondersteunden vormen onvoldoende bewijs.


2.8.5. Verklaring moet zien op het belastingjaar
Moet de verklaring voor kosten levensonderhoud zien op het belastingjaar of mag de verklaring (max.) 3 jaar oud zijn?

De verklaring moet betrekking hebben op het belastingjaar.


2.9. Verklaring plaatselijke autoriteiten

Is het in alle gevallen waarin aftrek uitgaven levensonderhoud voor buitenlandse verwanten wordt geclaimd noodzakelijk een kostwinnersverklaring van de plaatselijke autoriteiten te vragen?

Hoofdregel is dat belastingplichtige zelf aannemelijk moet maken dat gelet op de omstandigheden ter plaatse de door hem overgemaakte bedragen daadwerkelijk voorzien in een behoefte bij de ondersteunde. De vrije bewijsleer biedt hem de mogelijkheid het aannemelijk maken op de door hem gekozen wijze te doen. Het is aan de inspecteur te beoordelen of met de verstrekte gegevens of de overgelegde bescheiden de geclaimde aftrek voldoende aannemelijk is gemaakt. De regeling in het Besluit van 11 juli 1977, nr. 277-3749, (BNB1977/210) is in het leven geroepen om problemen van bewijsrechtelijke aard te voorkomen. Indien een verklaring wordt overgelegd waaruit blijkt dat belastingplichtige de kostwinner is voor de ondersteunde verwant (én de betalingsbewijzen aanwezig zijn) is o.g.v. het Besluit aftrek van 2600 op zijn plaats. Indien geen kostwinnersverklaring wordt overgelegd of als een hoger bedrag dan 2600 wordt geclaimd treedt de hoofdregel weer in werking (zie 2.8.2.).


2.10. Ondersteuning in natura: voedselpakketten
Belastingplichtige claimt aftrek voor uitgaven van levensonderhoud omdat hij voedselpakketten aan zijn familieleden heeft gestuurd. Is aftrek mogelijk?

Eerste vraag is of sprake is van bijdragen in het levensonderhoud van verwanten in landen waarvoor de Minister heeft bepaald dat de voorwaarde, dat de uitgaven in geld moeten zijn gedaan, niet van toepassing is (art. 46, zeventiende lid, Wet IB 1964). Van deze mogelijkheid is nog geen gebruik gemaakt.


2.11. Kring van verwanten

Belastingplichtige heeft een aantal jaren geleden een kind uit Indonesië geadopteerd. Tijdens een recente vakantie aldaar heeft men de natuurlijke moeder van het kind opgezocht. Zijn de bijdragen die belastingplichtige heeft gedaan voor het levensonderhoud van de moeder aftrekbaar als uitgaven levensonderhoud?

Nee, de natuurlijke moeder van een geadopteerd kind behoort niet tot de kring van verwanten genoemd in art. 46, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, Wet IB 1964.


3. Ziektekosten


3.1. Eigen bijdrage AWBZ: praktische berekening component ziektekosten
Met ingang van 1997 vallen de meeste bejaardenoorden onder de AWBZ.

De AWBZ kent een eigenbijdrageregeling. De eigen bijdrage is gerelateerd aan het inkomen van de verpleegde persoon. De eigen bijdrage kan een component ziektekosten bevatten. Deze component moet subjectief worden bepaald. Daartoe wordt op de eigen bijdrage een bedrag in mindering gebracht dat overeenkomt met het bedrag dat de verpleegde zich bespaart aan huisvesting en voeding thuis. De belastingplichtigen zullen zelf aannemelijk moeten maken hoe groot het bedrag van de besparing (en dus de component ziektekosten) in het individuele geval is. Voor die gevallen waarin belastingplichtigen al langere tijd in een AWBZ-instelling verblijven zal het achterhalen van gegevens voor de berekening van het bedrag van de besparing problemen kunnen opleveren. In het Besluit van 20 maart 1998 (DB 98/1066, V-N 1998/15.25) heeft de Staatssecretaris voor die gevallen een praktische regeling vastgesteld. Het Besluit gold in eerste instantie alleen voor bejaardenoorden en bevatte gegevens voor de berekening over het jaar 1997. Met ingang van 1998 geldt het besluit ook voor andere AWBZ-instellingen (niet zijnde bejaardenoorden) en ongeacht of belastingplichtigen al langere tijd in die instellingen verblijven. De regeling is daarmee ook van toepassing voor onder andere gehandicapte kinderen en gepensioneerde kloosterlingen die in AWBZ-instellingen zijn opgenomen. Tevens zijn in de herziene besluiten de gegevens voor 1998 en 1999 verwerkt. De tabellen in het besluit zijn gebaseerd op Nibud-cijfers. De cijfers zijn gecorrigeerd met de premie ziekenfonds en de ziektekostenverzekering en worden jaarlijks aangepast.


3.2. Berekening component ziektekosten in eigen bijdrage AWBZ en kloosterlingen

Hoe bereken je in het kader van de toepassing van het AWBZ-besluit de besparing bij kloosterlingen?

Voor het berekenen van de individuele besparing moet niet alleen naar de sobere kamer of cel worden gekeken, maar naar het (aan de individuele bewoner toe te rekenen deel van het) geheel van voorzieningen op huisvestings- en voedingsgebied dat aan de bewoner van het klooster ter beschikking stond. Dit kan bijvoorbeeld door gebruik te maken van het exploitatie-overzicht van het klooster.

Als geen individuele berekening kan worden gemaakt, kan uiteraard op de tabellen van het Besluit worden teruggevallen.


3.3. Drukkende kosten


3.3.1. Te laat geclaimd bij ziektekostenverzekeraar
Een belastingplichtige claimt buitengewone lasten. Hij heeft de kosten niet vergoed gekregen van de ziektekostenverzekering omdat hij de aanvraag te laat heeft ingediend. Zijn de kosten aftrekbaar als buitengewone lasten ziektekosten?

Hoewel de belastingplichtige de uitgaven wel heeft gedaan is er geen sprake van drukkende kosten als bedoeld in art. 46, eerste lid, 1e volzin, Wet IB 1964 als hij (vrijwillig of te laat) afziet van verhaal op derden. De kosten zijn niet aftrekbaar. Zie ook Hoge Raad, 20 juni 1979 (BNB 1979/252).


3.3.2. Mogelijkheid verstrekking door Bedrijfsvereniging
Een invalide heeft een rolstoel nodig. De Gemeente kan het benodigde hulpmiddel op grond van de WVG (kosteloos) verstrekken, geheel afgestemd op de lichamelijke toestand van belastingplichtige. Desondanks kiest belastingplichtige ervoor zelf een andersoortige rolstoel aan te schaffen. Is er sprake van drukkende kosten?

Aftrek is in beginsel mogelijk, tenzij duidelijk is dat de belastingplichtige puur op grond van zijn/haar persoonlijke voorkeur een eigen rolstoel heeft aangeschaft. Dan is geen sprake van drukkende kosten in de zin van de buitengewonelastenregeling.


3.3.3. Uitkering ZVO/saldering met ziektekosten
Moet een uitkering ingevolge de ZVO gesaldeerd worden met de ziektekosten van een bepaald jaar?

Buitengewone lasten moeten op de belastingplichtige drukken.

Voorzover voor bepaalde kosten een belastingvrije tegemoetkoming wordt verkregen drukken de kosten niet. Omdat het tijdvak waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, niet altijd gelijk loopt met het kalenderjaar kan de ZVO-uitkering niet zonder meer aan een bepaald belastingjaar worden toegerekend.

Het bureau ZVO (BIZA) verstrekt aan belastingplichtige altijd een specificatie van de uitkering, waaruit blijkt voor welke kosten en tot welk bedrag een tegemoetkoming is verleend.


3.4. Ader-rein

Ader-rein wordt gebruikt voor de reiniging van bloedvaten. Ader-rein is een voedingssupplement dat in de vorm van zelfmedicatie wordt gebruikt. De leverancier spreekt van een orthomoleculaire therapie.

Is aftrek ziektekosten mogelijk?

In casu is sprake van een voedingssupplement. De kosten zijn daarom niet aftrekbaar.

Aftrek als geneesmiddel is alleen mogelijk als het gaat om middelen die naar de opvatting van artsen hier te lande als medicijn worden aangemerkt en die niet voor andere doeleinden dan als medicijn plegen te worden aangewend. Als het middel deel uitmaakt van een op voorschrift van een arts te volgen dieet (dat voorkomt in de lijst van art. 11 van de Uitv. reg. IB 1990) is eventueel wel aftrek mogelijk tot maximaal het in de Uitv. reg. IB 1990 bij het desbetreffende dieet genoemde bedrag.


3.5. Kosten IVF/ICSI-behandeling in het buitenland aftrekbaar als buitengewone lasten ziektekosten?

Een belastingplichtige ondergaat in Duitsland een IVF/ICSI behandeling om zwanger te worden. IVF/ICSI is een bijzondere vorm van IVF behandeling. De kosten komen niet voor vergoeding door ziekenfondsen of ziektekostenverzekeraars in aanmerking omdat de behandeling in Nederland niet is toegestaan als gevolg van het experimentele karakter.

Komen de kosten van deze behandeling in aanmerking voor aftrek als ziektekosten?

Bij een medische reden voor het ondergaan van de behandeling komen de kosten daarvan voor aftrek in aanmerking. Het feit dat de behandeling in het buitenland plaatsvindt en dat de kosten niet voor vergoeding door ziekenfondsen of ziektekostenverzekeraars in aanmerking komen doet aan de beoordeling of sprake is van ziektekosten niet af.

Als de behandeling een gevolg is van een andere dan medische reden, komen de kosten niet voor aftrek in aanmerking.


3.6. Kosten van eiceldonatie aftrekbaar als buitengewone lasten/ziektekosten?

Een belastingplichtige ondergaat in België een behandeling om zwanger te worden. Bij deze behandeling wordt een eicel van een donor, na bevruchting, bij belastingplichtige ingebracht.

Alle kosten, dus ook de kosten van de eiceldonor, komen voor rekening van belastingplichtige.

Zij krijgt voor de kosten geen vergoeding van een ziekenfonds of ziektekostenverzekeraar.

Zijn deze kosten aan te merken als buitengewone lasten ter zake van ziekte en invaliditeit?

Als de behandeling een gevolg is van een andere dan medische omstandigheid komen de kosten niet voor aftrek in aanmerking. Bij een medische reden voor het ondergaan van de behandeling kan belastingplichtige aftrek krijgen voor de op haar drukkende medische kosten en de reiskosten zowel van haarzelf als van de donor.

De donor heeft geen recht op aftrek buitengewonelasten/ziektekosten. Bij haar is immers geen sprake van een medische aanleiding voor de behandeling.

Het feit dat de behandeling in het buitenland plaatsvindt en dat de kosten niet voor vergoeding door ziekenfondsen of ziektekostenverzekeraars in aanmerking komen doet aan de beoordeling of sprake is van ziektekosten niet af.

Als de behandeling een gevolg is van een andere dan medische reden, komen de kosten niet voor aftrek in aanmerking.


3.7. Abonnementskosten cardiofoon Hartis

Hartis stelt aan o.a. hartpatiënten een zg. cardiofoon ter beschikking; hiermee kan de abonnee op ieder door hem gewenst moment een ECG bij zichzelf opnemen die na telefonische overdracht direct door artsen van Hartis beoordeeld wordt; een systeem van diagnose en bewaking van hartpatiënten op afstand dus.

Is het abonnementsgeld t.b.v. Hartis aftrekbaar als ziektekosten?

Ja, de kosten zijn aftrekbaar. Overigens vergoeden veel verzekeraars deze kosten.


3.8. Kosten ter voorkoming van...

Volgens vaste jurisprudentie kunnen kosten ter voorkoming van ziekte niet tot de aftrekbare buitengewone lasten worden gerekend.

In het arrest van 24 juli 1995 (BNB 1995/287) is evenwel met betrekking tot kosten van inenting bepaald dat, ook al strekken ze tot voorkoming van ziekte, deze naar hun aard behoren tot de uitgaven voor geneeskundige hulp.


3.8.1. Moermantherapie/Voedingssupplementen
Deze therapie bestaat naast het volgen van het Moermandieet ook uit gebruik van vitamines en mineralen ter vergroting van de weerstand. Zijn deze kosten van vitamines en mineralen aftrekbaar?

De aftrek van de kosten van het Moermandieet is geregeld in het Besluit van 21 december 1989, nr. DB89/6406 (V-N 1999/13.22).

In het algemeen is er geen aftrekmogelijkheid voor de kosten van (aanvullende) vitamines en mineralen omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de middelen niet voor andere doeleinden worden gebruikt (Hoge Raad, 27 november 1996, BNB 1997/196). Uitsluitend als vitamines en mineralen op medisch voorschrift in het kader van een therapie worden gebruikt is aftrek mogelijk (Hof Amsterdam 24 mei 1996, V-N 1997/blz. 118 en Hof Arnhem, 17 oktober 1996, Infobulletin 96/972).


3.9. Kunst- en hulpmiddelen


3.9.1. Intercom en alarmsysteem

Zijn kosten die een invalide maakt voor het aanleggen van een intercom en alarmeringssysteem in zijn eengezinswoning aftrekbaar als buitengewone lasten/ziektekosten?

Indien de voorzieningen zijn aangeschaft om de belastingplichtige in staat te stellen zijn normale lichaamsfuncties te vervullen kan sprake zijn van kunst- of hulpmiddelen. Daarbij moet getoetst worden of die middelen buiten de ziekte of invaliditeit geen zelfstandige betekenis hebben. Verder dient te worden beoordeeld of vergelijkbare (en overigens gezonde) personen deze zaken ook aanschaffen.


3.9.2. Extra verwarming

Een belastingplichtige (MS-patient) claimt 25% van de jaarlijkse kosten van verwarming van zijn woning als buitengewone lasten/ziektekosten. Is dit mogelijk?

Gezien de limitatieve opsomming in art. 46, derde lid, Wet IB 1964 en op grond van de geldende jurisprudentie zijn kosten van verwarming niet te rekenen tot de uitgaven voor genees- en heelkundige hulp enz. Zie in dit verband onder andere Hof Arnhem, 28 februari 1984 (BNB 1985/139) en Hof Arnhem 10 februari 1994 (V-N 1994/blz. 1647). De Hoge Raad is van mening dat (extra) verwarmingskosten naar hun aard niet als hulpmiddel kunnen worden aangemerkt. Alleen een stoffelijke zaak kan hulpmiddel zijn in de zin van de Wet IB 1964 (HR 3 juni 1998, nr. 33.683, V-N 1998/30.14).


3.9.3. Verbouwingskosten

De woning van belastingplichtige is in verband met zijn handicap verbouwd voor 138 000. Zo is onder meer de badkamer aangepast, een slaapkamer op de eerste verdieping gesitueerd, is de keuken aangepast en gemoderniseerd en is de tuin opnieuw aangelegd. In het kader van de regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten heeft belastingplichtige een tegemoetkoming van 78 000 ontvangen. Het verschil claimt hij als buitengewone lasten ziektekosten in zijn aangifte. Is dit mogelijk?

Beoordeeld zal moeten worden op welke uitgaven de subsidie betrekking heeft. De uitgaven die niet door de subsidie worden gedekt dienen te worden getoetst aan de arresten van de Hoge Raad van 21 november 1990 (BNB 1991/36) en van 7 juni 1995 (BNB 1995/213). In die arresten is bepaald dat geen aftrek mogelijk is van uitgaven voor voorzieningen die na het aanbrengen in of aan de woning geen zelfstandige zaak meer vormen, maar bestanddelen worden van die woning.

Overigens is tevens van belang hetgeen is gesteld in het Besluit van 21 oktober 1993, nr. DB 93/4220M (V-N 1993/blz. 3350). Het Besluit van 21 oktober 1993 geeft een nadere uitleg van het arrest van 21 november 1990 en ziet in het bijzonder op uitgaven voor minder ingrijpende voorzieningen die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten gevolge van medische indicatie of op medisch voorschrift zijn aangebracht en overigens (nagenoeg) niet tot waardevermeerdering of verbetering van de woning hebben geleid. Voor dat deel van de uitgaven is dan wel aftrek mogelijk.


3.9.4. Aanschaf pruiken 24-jarige

Ouders schaffen voor hun 24-jarige zoon (WSF18+) op medisch voorschrift twee pruiken aan voor 1500 per stuk. Voor het onderhoud van de pruik moet de zoon eens in de drie weken vanuit Tilburg naar Utrecht. De onderhoudskosten bedragen 125 per keer. Zijn de aanschaf-, reis- en onderhoudskosten aftrekbaar als buitengewone lasten/ziektekosten?

Voorzieningen ter camouflering van een lichamelijke onvolkomenheid kunnen als hulpmiddel worden aangemerkt indien de voorziening op grond van medische noodzaak is getroffen en bijdraagt tot de genezing dan wel de zieke of invalide in staat stelt tot het vervullen van een normale lichaamsfunctie. Kaalhoofdigheid op jeugdige leeftijd kan aangemerkt worden als een lichamelijke onvolkomenheid. In dat geval kan sprake zijn van een hulpmiddel waarvoor aftrek mogelijk is. Hierbij zal voor wat betreft de onderhouds- en reiskosten rekening moeten worden gehouden met een bedrag dat normaal aan haarverzorging wordt uitgegeven.


3.9.5. Aanschaf pruiken 45-jarige man

Belastingplichtige (45 jaar) schaft jaarlijks twee pruiken aan (voor 8000). Belastingplichtige is sinds zijn 17e kaal. De aftrek wordt (o.g.v. een in het verleden afgegeven medische indicatie) al jaren verleend. Zijn de kosten (nog steeds) aftrekbaar?

Gezien belastingplichtige's leeftijd kan gesteld worden dat het verlies van cq. het ontbreken van hoofdhaar (helaas) een normaal verschijnsel is (BNB1973/77, 1973/88, V-N 1988 blz. 1913). In het voorgelegde geval zal de medische noodzaak opnieuw getoetst moeten worden en zal de aftrek dienen te worden beëindigd, eventueel met inachtneming van een opzegtermijn.


3.10. Complex samenhangende en op elkaar afgestemde maatregelen
Belastingplichtige maakt voor zijn zoon (lijdend aan het Down-syndroom) kosten voor een speciale behandeling (onder doktersbegeleiding) onder meer in Engeland. Het gaat o.a. om zwemlessen, een trainingsprogramma en een combinatie van fysiotherapie en logopedie. Door dagelijkse uitvoering van een trainingsprogramma wordt geprobeerd de zoon geestelijk en lichamelijk te stimuleren. De behandeling wordt niet vergoed door de ziektekostenverzekeraar. Zijn deze kosten aftrekbaar als buitengewone lasten/ziektekosten?

Van belang is of sprake is van een complex van samenhangende en op elkaar afgestemde maatregelen (Hoge Raad, 19 januari 1977, BNB1977/43), waarmee onder doktersbehandeling wordt getracht de zoon in staat te stellen een voor hem passende plaats in de samenleving te bereiken. Is dat het geval, dan is er sprake van aftrekbare ziektekosten voor zover de uitgaven hoger zijn dan in vergelijkbare financiële- en gezinsomstandigheden voor gezonde kinderen wordt uitgegeven. Uitgaven voor logopedie en fysiotherapie door of op voorschrift van een arts zijn altijd aftrekbaar.


3.11. Kosten school/ziektekosten

Belastingplichtige (huisarts) heeft zijn zoon op advies van een kinderarts op een school geplaatst met een bijzonder lesprogramma. Het onderwijsprogramma van de school kent geen medische begeleiding of behandeling door paramedici. Belastingplichtige claimt nu de kosten van deze school als ziektekosten. Is aftrek mogelijk?

Het verblijf en de verzorging zijn op zich niet aan te merken als genees- of heelkundige hulp als bedoeld in art. 46, derde lid, Wet IB 1964. Ten opzichte van de overige ouders worden belastingplichtige overigens ook geen extra kosten voor de begeleiding van zijn zoon in rekening gebracht.

Aftrek is niet mogelijk. Vergelijk Hoge Raad 10 december 1986, BNB 1987/75.


3.12. Contributie belangenverenigingen

Een aantal belangenverenigingen is van mening dat de contributie die in verband met het lidmaatschap wordt betaald, overeenkomstig de contributie van de Diabetes Vereniging Nederland (DVN) aftrekbaar is als buitengewone last. Is dit juist?

Of de contributie kan worden beschouwd als een uitgave ter zake van ziekte is afhankelijk van de aard van de activiteiten van de vereniging en het door haar verstrekte pakket. De aftrek van de contributie aan de DVN is gebaseerd op een uitspraak van het Hof Den Haag van 27 sept. 1984 (V-N 1985/ blz. 564). Het Hof was in casu van oordeel dat de activiteiten van de DVN onderdeel zijn van en samenhangen met de medische begeleiding van de suikerpatient.

De activiteiten van de DVN bestaan bijna geheel uit het geven van medische informatie en directe hulp aan diabetici, onder verantwoording van in diabetes mellites gespecialiseerde artsen.

Bij andere belangenverenigingen is niet gebleken dat de medische begeleiding een zodanig onderdeel uitmaakt van de totale activiteiten. Aftrek van de contributie voor die belangenverenigingen staat daarom niet vast.

Op 22 april 1998 (nr. 32876, V-N 1998/21.21) heeft de Hoge Raad beslist dat de contributie van de Vereniging Spierziekten Nederland en de Algemene Nederlandse Invalidenbond geen aftrekbare buitengewone lasten vormen. De activiteiten van deze verenigingen zijn namelijk niet aan te merken als aan de leden verstrekte genees- of heelkundige hulp.


3.13. Leefkilometers of extra vervoerskosten?
Een invalide claimt aftrek van kosten van zogenoemde leefkilometers. Hij is in het bezit van een bestelbus. Hoe moeten de leefkilometers worden bepaald?

Voor de aftrek van vervoerskosten als ziektekosten is van belang wat de extra kosten van vervoer in verband met ziekte zijn ten opzichte van de vervoerskosten van vergelijkbare (gezonde) personen. Het gaat dus niet om vaststelling van leefkilometers. Indien de totale vervoerskosten van de zieke of invalide hoger zijn dan die van vergelijkbare (gezonde) personen en hij/zij aannemelijk maakt dat deze hogere kosten voortvloeien uit de ziekte of invaliditeit, is voor dat deel aftrek mogelijk.

Bij het in aanmerking nemen van de kosten maakt het niet uit of in plaats van een normale personenauto een bestelbus wordt gebruikt of een tweede auto is aangeschaft. Het gaat om de totale vervoerskosten.

Daarbij kunnen CBS-cijfers en het jaarlijkse onderzoek van de Consumentenbond een indicatie geven over de gebruikelijke autokosten.

Overigens heeft Hof Amsterdam aftrek van leefkilometers (op grond van het vertrouwensbeginsel) toegestaan (Hof Amsterdam, 30 oktober 1997, nr. 95/5282, Infobulletin 98/424). Tegen de uitspraak is geen cassatie ingesteld omdat in de voorgelegde situatie het vertrouwensbeginsel van toepassing was.


3.14. Bezit auto normaal/variabele kosten?

Het Hof Leeuwarden heeft op 20 juni 1994 (V-N 1995/blz. 328) beslist dat indien het bezit van een auto normaal is, moet worden nagegaan in hoeverre belastingplichtige in verband met zijn invaliditeit meer vervoerskosten heeft dan met hem vergelijkbare personen. Voor de zieke of invalide zijn die extra kosten dan de variabele kosten van de in verband met invaliditeit afgelegde extra kilometers (in deze casus 5000 km à 17 cent).

Geldt deze uitspraak ook voor de kilometers die worden afgelegd naar huisarts of ziekenhuis?

In dit geval bestond vooraf overeenstemming over het aantal extra afgelegde kilometers. Bij het vaststellen van de extra vervoerskosten dient echter niet te worden uitgegaan van de extra (leef)kilometers maar van de totale extra vervoerskosten.

Uit de jurisprudentie blijkt dat als per eigen auto naar de huisarts, het ziekenhuis of de fysiotherapeut wordt gereisd de integrale kilometerkosten aftrekbaar zijn, ook als het bezit van een auto normaal is.


3.15. Vervoerskosten/autokostenforfait

Een belastingplichtige gebruikt voor de bezoeken aan artsen de hem door de werkgever ter beschikking gestelde auto. Hoe moet het aftrekbare bedrag worden bepaald?

Belastingplichtige heeft in totaal 20 000 km privé gereden waarvan 1000 km voor het bezoek aan artsen.

Aftrekbaar is het evenredige deel van de bijtelling vermeerderd met het bedrag waarmee de vergoeding aan de werkgever deze bijtelling overtreft. (In dit geval dus 1/20 deel) (Hof Arnhem 14 april 1983, BNB 1984/222).

Zie ook HR 15 juli 1998, nr. 33.340, (V-N 1998/36.16) en het Besluit van 22 oktober 1999, DB99/2930M (Infobulletin 99/780).


3.16. Kleding en beddengoed/meerdere malen forfait
Kan binnen één gezin meerdere malen de forfaitaire aftrek voor kleding en beddengoed worden geclaimd?

Ja, de bedragen gelden per persoon die ziek of invalide is. Dit standpunt sluit aan bij het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 1976, BNB 1976/145 en de uitspraak van het Hof Leeuwarden van 7 november 1994, V-N 1995/blz. 649.


3.17. Kleding en beddengoed /forfait en gemaakte kosten
Moet in alle gevallen waarin door een belastingplichtige het lage forfaitaire aftrekbedrag voor kleding en beddengoed in aanmerking is genomen, de extra kosten ook daadwerkelijk tot in detail worden gespecificeerd.

Om te voorkomen dat alle geringe uitgaven afzonderlijk moeten worden aangetoond, is juist in art. 9 Uitv. reg. IB 1990 een forfaitaire aftrekregeling neergelegd. De regeling is zodanig geredigeerd dat om in aanmerking te komen voor het lage bedrag slechts een geringe bewijslast is vereist. In gevallen waarin de aard van de ziekte of invaliditeit bekend is en uit algemene wetenschap (of uit de aangiftes van voorgaande jaren) bekend is dat de betreffende ziekte of invaliditeit extra kosten voor kleding en beddengoed met zich meebrengt, kan bij het ontbreken van een nadere specificatie van de uitgaven danwel van de betalingsbewijzen, toch de lage aftrek worden verleend.

Hierbij wordt nog opgemerkt dat onder het forfait voor de uitgaven voor kleding en beddengoed ook de extra bewassingskosten moeten worden gebracht.


3.18. Kind in AWBZ-instelling/besparing thuis
Belastingplichtige's zoon wordt verpleegd in een AWBZ-instelling, er is geen eigen bijdrage verschuldigd. Voor de zoon wordt (dubbele) kinderbijslag ingevolge de AKW (KB) genoten. Belastingplichtige claimt de reiskosten voor weekendbezoeken en de kosten van beddengoed.

Moet bij de bepaling van de extra kosten rekening worden gehouden met de besparing i.v.m. het niet thuis zijn van het kind?
* Als er enkele KB is ontvangen, moet de belastingplichtige aannemelijk maken dat de totale voor het kind gemaakte kosten ter voorziening in zijn levensonderhoud hoger zijn dan de besparing die het verblijf van het kind buiten de huishouding met zich mee brengt (Hof Arnhem, 8 februari 1989, FED 1989/296). In dat geval zijn de extra kosten aftrekbaar als uitgaven ter zake van ziekte of invaliditeit.

* Als er dubbele KB is ontvangen, zijn de kosten aftrekbaar als uitgaven ter zake van ziekte of invaliditeit voor zover deze kosten de kosten van opvang van een gezond kind buitenshuis te boven gaan (Hoge Raad, 22 juli 1985, BNB 1985/251).
* Als er geen KB wordt genoten moet belastingplichtige, om voor een aftrek ter zake van ziekte of invaliditeit in aanmerking te komen, aannemelijk maken dat bedoelde reiskosten samen met de overige vervoerskosten van het gezin meer bedragen dan de totale vervoerskosten van degenen die wat financiële- en gezinssituatie betreft in een vergelijkbare positie verkeren. Daarbij moet tevens rekening worden gehouden met de eigen inkomsten en het vermogen van het kind. Er is sprake van een verstrekking in natura waardoor een aftrek ter zake van levensonderhoud voor kinderen van 27 jaar en ouder niet meer mogelijk is.

Voor de weekend bezoeken van, in intramurele instellingen ingevolge de AWBZ of een daarop berustende regeling, verpleegde kinderen van 27 jaar en ouder is met ingang van 1 januari 1999 invulling gegeven aan de aanwijzing in art. 46, lid 18 Wet IB 1964 (kosten levensonderhoud). Voor de kosten van het halen en brengen van de kinderen per auto geldt een bedrag van 0,34 per kilometer (bedrag 1999). Voor de extra kosten van het verblijf thuis geldt een bedrag van 18 per dag. De dagen waarop het kind wordt gehaald en gebracht tellen daarvoor ook mee.


3.19. Particuliere ziekenverpleging en bemiddelingskosten
Een belastingplichtige lijdt aan de ziekte van Alzheimer. Hij is niet meer in staat zelfstandig te wonen. In plaats van belastingplichtige te laten opnemen in een verpleegtehuis besluit de familie hem thuis te laten verplegen. Daartoe doet men een beroep op een bemiddelende instelling voor particuliere ziekenverpleging. De kosten bedragen 450 tot 475 per dag (incl. bemiddelingskosten). Zijn deze kosten voor hem aftrekbaar?

De uitgaven zijn aftrekbaar voor zover het gaat om uitgaven voor medische verzorging. Als tevens huishoudelijke werkzaamheden worden verricht zal moeten worden nagegaan wat een vergelijkbare (gezonde) persoon aan gezinshulp uitgeeft. Met dit bedrag moet de totale uitgave worden verminderd. Het restant is dan (exclusief de bemiddelingskosten) aftrekbaar.


3.20. Ziektekosten in verzorgingsprijs

Een belastingplichtige wil een gedeelte van de kosten van verblijf in een serviceflat claimen als buitengewone lasten/ziektekosten (o.a. kosten recreatieruimte, noodzakelijke voorzieningen, alarmering). De serviceflat is geen AWBZ-instelling.

Is het Besluit van 5 maart 1975 nr. B75/4815 (Boekwerk IB 1965, nr. 1.50.18), nader uitgewerkt in het Besluit van 11 juli 1979 nr. 278-24109 (Boekwerk IB 1965, nr. 1.50.33), nog van kracht voor serviceflats?

Zo ja, welke kosten komen dan in aanmerking voor aftrek?

Het besluit is nog van kracht.

In gevallen waarin bejaarden in een serviceflat verblijven dient te worden bepaald welk gedeelte van de servicekosten als buitengewone lasten/ziektekosten kan worden aangemerkt. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van een door de desbetreffende instelling te verstrekken berekening van die servicekosten, die zien op een aanspraak op verpleging bij ziekte en lichamelijke verzorging. Met name gaat het om de in de servicekosten begrepen salarissen van medisch personeel, het gedeelte van de huisvestingskosten (energie, huur, onderhoud) dat ziet op een zieken- of verpleegafdeling (dus niet de recreatieruimte) en de kosten van medische middelen.


3.21. Afkoop zorgkosten (geheel) buitengewone lasten ziektekosten?
Is een bedrag ineens (niet een AWBZ-bijdrage) dat wordt betaald aan een stichting ter afkoop van de totale zorgkosten met betrekking tot het verblijf in een verzorgingstehuis aftrekbaar als buitengewone lasten?

Aftrek is slecht mogelijk indien en voor zover er sprake is van ziektekosten. Na uitsluiting van de aftrekbaarheid van huisvestingskosten resteert een betaling ineens ter zake van een ziektekostenregeling ex art. 46, derde lid, onderdeel a, 2° Wet IB 1964. Het aftrekbare bedrag kan dan niet hoger zijn dan het bedrag dat betrekking heeft op een periode van 12 maanden. Het meerdere komt niet (meer) voor aftrek in aanmerking.


3.22. Eigen bijdrage AWBZ/ziektekosten/duurzaamgescheiden leven
In het arrest van 27 januari 1993 (BNB 1993/112) heeft de Hoge Raad bepaald dat een component ziektekosten is begrepen in de eigen bijdrage ingevolge de AWBZ, die in AWBZ-instellingen verpleegde belastingplichtigen verschuldigd zijn. Deze component moet langs subjectieve weg worden bepaald door de eigen bijdrage te verminderen met de besparing op kosten van huisvesting en voeding van vóór de opname in de instelling.

Voor verpleegden die recent vanuit de eigen (huur)woning naar de instelling zijn gegaan zal de berekening van de besparing niet al te veel problemen opleveren. Vraag is echter hoe het bedrag van de besparing moet worden vastgesteld indien de verpleegden nooit buiten een instelling hebben gewoond of al langere tijd in een instelling wonen. Daarnaast is het de vraag hoe de besparing berekend wordt als de ene echtgenoot is opgenomen en de andere echtgenoot achterblijft in de woning.

Belastingplichtigen die niet in staat zijn om de besparing op subjectieve wijze aan te tonen, kunnen gebruik maken van de praktische berekening die is opgenomen in het Besluit van 20 maart 1998, nr. DB98/1066M (V-N 1998/15.25). Voor wat betreft het al dan niet duurzaam gescheiden leven kan daarbij het volgende worden opgemerkt: van duurzaam gescheiden leven is sprake als de beide partners zelfstandig leven en niet meer de wil hebben om een gezamenlijke huishouding te voeren.

In het arrest van 10 februari 1960 heeft de Hoge Raad beslist dat sprake is van duurzaam gescheiden leven als een door beide echtelieden niet gewilde toestand is ingetreden, die een beletsel vormt voor de voortzetting van de echtelijke samenleving (BNB 1960/77).

In de praktijk blijkt dat belastingplichtigen wier partner is opgenomen in een AWBZ-instelling problemen hebben met het standpunt dat zij beoordeeld naar dat criterium duurzaam gescheiden leven. In die gevallen is de ziekte de oorzaak van het feitelijk gescheiden leven. Het blijkt in de praktijk lastig om vast te stellen of beide partners niet toch (gedeeltelijk) een gezamenlijke huishouding voeren. Goedgekeurd wordt dat de belastingdienst ook in die situatie aansluit bij de wil van de betrokkenen. Voorzover en zolang belastingplichtigen aangeven dat zij niet duurzaam gescheiden leven kan die gedragslijn worden gevolgd en is er daarmee geen sprake van een besparing op woonlasten. Voor de achtergebleven partner lopen de woonlasten immers door.


3.23. Samenstelling tabellen AWBZ-besluit

Een consulent beroept zich op het Besluit van 20 maart 1998, nr. DB98/1066M (Infobulletin 98/274 en 98/855). Hij wil echter bij de berekening van het aftrekbare bedrag gebruik maken van afwijkende tabellen. Kan dat?

Het is principieel onjuist om te gaan discussiëren over de juistheid van de tabellen uit het Besluit AWBZ.

Er zijn slechts 2 mogelijkheden:

1. óf belastingplichtige maakt een berekening van de besparing op kosten van huisvesting en voeding op grond van de (in Hoge Raad 27 januari 1993, BNB 1993/112 voorgeschreven) subjectieve benadering;
2. óf belastingplichtige maakt gebruik van de praktische handreiking (genormeerde cijfers, dus objectieve benadering) uit het Besluit.
Gebruik van de het Besluit is uiteraard niet verplicht. Het Besluit is een praktische tegemoetkoming, een faciliteit voor degenen die geen gegevens (meer) hebben over de kosten van hun zelfstandige bestaan. Het karakter van tegemoetkoming blijkt uit het feit dat het gebruiken van objectieve cijfers en tabellen eigenlijk niet past in de jurisprudentie.

Als belastingplichtige niet uit de voeten meent te kunnen met de tabellen, zoals in casu, zal hij de besparing moeten berekenen volgens de subjectieve benadering. Het Besluit geeft geen ruimte om de tabellen uit het Besluit te vervangen door een willekeurige andere tabel die (zoals gezegd, eigenlijk ten onrechte) uitgaat van een objectieve benadering.

De door de consulent gehanteerde alternatieve tabellen zijn dus in strijd met de jurisprudentie en miskennen de aard en omvang van de op de belastingplichtige rustende bewijslast: berekening van de besparing op grond van subjectieve benadering.

Een schatting op grond van louter objectieve in plaats van subjectieve gegevens betekent dat er onvoldoende bewijs wordt geleverd m.b.t. de geclaimde aftrekpost.


4. Kosten van overlijden


4.1. Aftrekbaarheid premies begrafenisverzekering
In welke gevallen zijn premies voor een begrafenisverzekering aftrekbaar als buitengewone lasten?

Aftrek is alleen mogelijk als:

* de polis geen mogelijkheid bevat tot afkoop, vervreemding of verpanding; én

* de uitkering uitsluitend te gebruiken is voor de kosten van de begrafenis of crematie en er overigens voor de verzekerde of zijn erven ook geen reële mogelijkheid bestaat tot teruggave van (een deel van) de premie(s).


4.2. Begrafeniskosten/civielrechtelijk deel
Als een belastingplichtige op grond van een dringende morele verplichting een hoger bedrag dan zijn civielrechtelijk deel in de begrafeniskosten betaalt en afziet van verhaal op de (mede)erfgenamen kan ook het niet verhaalde bedrag als buitengewone last bij hem in aanmerking worden genomen.

Is de goedkeuring in het Besluit van 1 juli 1987 nr. 286-12856 (V-N 1990/blz. 1060 ) ook van toepassing als er geen verdeling van de nalatenschap heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden?

De bewijslast voor de aftrek van buitengewone lasten ligt bij belastingplichtige. Hij moet aannemelijk maken dat alle begrafeniskosten voor zijn rekening zijn gekomen.

In dit geval zou bijvoorbeeld van belastingplichtige kunnen worden verlangd dat een door alle erfgenamen ondertekende verklaring wordt verstrekt waaruit blijkt dat één persoon alle begrafeniskosten betaalt en deze kosten niet worden verhaald op de overige erfgenamen.


4.3. Uitgaven voor overlijden van partner

Kan een ongehuwd samenwonende die niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden om de buitengewone lasten samen te voegen, in aanmerking komen voor buitengewonelasten aftrek voor door hem gedane uitgaven in verband met het overlijden van de partner?

Ja. In het Besluit van 1 juli 1987, nr. 286-12856 (V-N 1990/blz. 1060) is goedgekeurd dat in het geval belastingplichtigen niet zijn gehuwd, maar door één van de partners uitgaven zijn gedaan ter zake van het overlijden van de andere partner, deze uitgaven eveneens als buitengewone lasten op het inkomen in mindering kunnen worden gebracht. Voorwaarde is wel dat de belastingplichtige gedurende meer dan zes maanden voorafgaande aan het overlijden een gezamenlijke huishouding met de overledene heeft gevoerd.


4.4. Begrafeniskosten/kring van verwanten

Belastingplichtige betaalt de begrafeniskosten van zijn nicht. Hij stelt een dringende morele verplichting te hebben gehad. Zijn de kosten aftrekbaar als buitengewone lasten begrafeniskosten?

Een nicht is een verwant in de derde graad zijlijn en valt dus niet onder de kring van verwanten van art. 46, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 1964. De kosten zijn niet aftrekbaar.


4.5. Aankoop dubbel graf bij overlijden echtgenote
Bij het overlijden van zijn echtgenote heeft belastingplichtige een dubbel graf gekocht voor 12 000. De kosten van een enkel graf zijn 9000. Wat is aftrekbaar?


a. Het gehele bedrag van 12 000?


b. Een bedrag van 9000?


c. Een bedrag van 6000?

De aankoop van het grafrecht is geheel aftrekbaar. Het ongebruikte deel van het graf is onverkoopbaar. Zie ook Hof Leeuwarden, 18 november 1968, BNB 1969/228.

In de situatie dat het grafrecht wordt gekocht bij het in leven zijn van beide partners is aftrek mogelijk als blijkt dat het grafrecht niet kan worden vervreemd (HR 8 juli 1996, V-N 1996/blz. 2797).


4.6. Begrafeniskosten echtgenoot niet buitensporig hoog?
Een belastingplichtige claimt 26 000 voor de begrafenis van haar echtgenoot en 26 000 voor een grafmonument. Zijn de kosten (geheel) aftrekbaar?

Begrafeniskosten zijn aftrekbaar voor zover zij gelet op de maatschappelijke stand en de vermogenspositie van de overledene redelijkerwijs beschouwd kunnen worden als naar omvang en aard normale, in rechtstreeks verband met het overlijden gedane uitgaven. Zie het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 1975, BNB 1975/164.


4.7. Aankoop grafrechten bij Grafzorg Nederland
Belastingplichtige heeft op 7 juni 1967 het grafrecht van een familiegraf gekocht voor onbepaalde tijd. Volgens het nieuwe reglement van de begraafplaats moeten deze rechten na 25 jaar verlengd worden. In casu op 1 juli 1992. Als de familie het graf in stand wil laten moeten de rechten dus tijdig verlengd worden.

In augustus 1997 stort belastingplichtige een bedrag van 25 126,50 op de rekening van Grafzorg Nederland ter zake van de (volgens hen) eeuwigdurende afkoop van het familiegraf. Grafzorg Nederland zorgt in werkelijkheid steeds voor tijdige verlenging van de grafrechten. Het grafrecht van het familiegraf wordt overgeschreven op Grafzorg Nederland. De belastingplichtige wordt rechthebbende en behoudt de volledige zeggenschap over het graf. Indien de belastingplichtige komt te overlijden zonder een opvolger aan te wijzen, zal Grafzorg Nederland de volledige zeggenschap verkrijgen en het voortdurend beheer blijven voeren. Zijn de kosten aftrekbaar als buitengewone lasten?

De kosten zijn niet aftrekbaar als kosten van overlijden. Primair omdat het een vooruitbetaling van in de toekomst verschuldigde grafrechten betreft en subsidiair omdat de uitgaaf niet rechtstreeks betrekking heeft op een overlijdenssituatie. Uitzondering hierop is mogelijk indien en voorzover de uitgaaf rechtstreeks betrekking heeft op een overlijdenssituatie.


5. Gezinshulp


5.1. Algemeen

Met ingang van 1 januari 1997 geldt dat de uitgaven voor extra gezinshulp slechts in aanmerking worden genomen voor zover zij blijken uit gedagtekende facturen waarin op duidelijke en overzichtelijke wijze de naam en het adres van de hulp zijn vermeld (art. 10b, Uitv. reg. IB 1990).


5.2. Kwitantie ook factuur?

Belastingplichtige claimt aftrek voor extra kosten van gezinshulp. Zij heeft gebruik gemaakt van de diensten van een particuliere hulp. Is de kwitantie die zij als bijlage bij de aangifte voegt voldoende om voor aftrek in aanmerking te komen?

Met ingang van belastingjaar 1997 geldt dat belastingplichtige de uitgaven met schriftelijke bewijzen moet aantonen. Uit de bewijsstukken moeten tevens de NAW-gegevens van de hulp blijken. Als die gegevens op de kwitantie staan én belastingplichtige overigens aan de voorwaarden voldoet is dat voldoende bewijs.


5.3. Voeding gezinshulp

Zijn de kosten van aan de gezinshulp verstrekte voeding en drank ook als extra kosten van gezinshulp aftrekbaar?

De kosten van aan de gezinshulp verstrekte voeding en drank maken onderdeel uit van de totale voor gezinshulp uitgegeven bedragen. Bij de beoordeling of sprake is van extra kosten moeten zij derhalve worden meegenomen.

Met ingang van 1 januari 1997 geldt daarbij de voorwaarde dat de uitgaven (al dan niet apart) zijn opgenomen in de door de wet (art. 46, derde lid, onderdeel b Wet IB 1964 jo. art. 10b Uitv. reg. IB 1990) geëiste factuur (of kwitantie met vergelijkbare inhoud).


6. Dieet


6.1. Nieuwe dieetkostenregeling

Met ingang van 1 januari 1999 is de dieetkostenregeling herzien. Deze regeling is opgenomen in art. 11 van de Uitvoeringsregeling IB 1964. In de nieuwe regeling zijn de verschillende dieetkenmerken opnieuw of voor het eerst gedefinieerd. Onder bepaalde voorwaarden geldt een terugwerkende kracht tot 1 januari 1994. Zie hiervoor het Besluit van 24 februari 1999, nr. DB99/391M (V-N 1999/13.21).


6.2. KNMG-richtlijnen en dieetbevestiging

Een arts wil geen dieetverklaring afgeven omdat dat in strijd is met de richtlijnen van het KNMG. Is dat zo?

Het afgeven van een voor de aftrek noodzakelijke dieetverklaring is niet in strijd met de KNMG-richtlijn.

In verband met de herziene dieetkostenregeling is in overleg met KNMG inmiddels een nieuwe verklaring (op verzoek van KNMG dieetbevestiging) opgesteld.


6.3. Dieetbevestiging of voorschrift

Is aftrek van dieetkosten ook mogelijk als een andere bevestiging wordt overgelegd dan de dieetbevestiging die tot stand is gekomen in overleg tussen KNMG en de Belastingdienst?

Ja, een voorschrift van de arts waaruit het dieettype blijkt is ook voldoende.


6.4. Drempel art. 46, derde lid, onderdeel c, Wet IB 1964 en forfait art. 11, Uitv. reg. IB 1990

In art 46, derde lid, onderdeel c, Wet IB 1964 is bepaald dat de extra uitgaven voor een op medisch voorschrift gehouden dieet aftrekbaar zijn voorzover zij hoger zijn dan 750. Moet deze 750 op de aftrekbare dieetkosten in mindering worden gebracht.

Nee, de korting (van 750) is verwerkt in het dieetkostenoverzicht zoals opgenomen in art. 11, Uitv. reg. IB 1990.


6.5. Dieet niet in lijst Uitv. reg. IB 1990
Een belastingplichtige claimt aftrek van de kosten van een dieet dat niet voorkomt op de lijst van art. 11, eerste lid, onderdeel a, van de Uitv. reg. IB 1990. Is de aftrek mogelijk?

Diëten waarvan de extra kosten meer dan 750 bedragen en die voor aftrek in aanmerking komen zijn limitatief opgesomd in art. 11, eerste lid, onderdeel a, Uitv. reg. IB 1990. Als een dieet niet is opgenomen in de lijst, is buitengewonelastenaftrek voor dat dieet niet mogelijk. Enige uitzondering is het zogenoemde Moermandieet. Vergelijk ook HR 4 februari 1998, nr. 32 763, BNB 1998/84.


6.6. Berekening dieetkostenaftrek bij meerdere diëten
Vanaf 1999 bestaat de mogelijkheid voor extra aftrek als meerdere diëten zijn gevolgd. Moet het voor de berekening van de extra aftrek dieetkosten 1999 gaan om het volgen van meerdere diëten tegelijkertijd door één persoon of moet het gaan om het totaal van het aantal maanden dat door de groep van verwanten diëten wordt gevolgd.

Het moet gaan om het totaal van het aantal maanden dat meerdere personen binnen de groep van verwanten diëten hebben gevolgd. De drempel van 750 geldt niet langer per dieet, maar per belastingplichtige. De korting van 750 is echter in alle tabelbedragen verwerkt. Daarom mag een verhoging van die bedragen plaatsvinden als binnen de kring van verwanten voor meer dan één persoon dieetkosten in aanmerking worden genomen. Zie art. 11, vijfde lid, Uitv. reg. IB 1990.


7. Reiskosten ziekenbezoek


7.1. Overnachtingskosten

Vallen overnachtingskosten ook onder de reiskosten ziekenbezoek?

Nee, op grond van artikel 46, derde lid, onderdeel e, Wet IB 1964 zijn alleen de reiskosten aftrekbaar.


7.2. Reiskosten ziekenbezoek bij ziekte broer
Belastingplichtige maakte in een ver verleden deel uit van een gezin waartoe ook haar broer behoorde. Haar broer is vanaf zijn geboorte, invalide. In de periode dat belastingplichtige nog tot het gezin behoorde (zij was toen 10 jaar ) is haar broer naar een verpleegtehuis gegaan. Inmiddels is zij 30 jaar ouder en bezoekt haar broer in het verpleeghuis. Zijn de kosten hiervan aftrekbaar als reiskosten ziekenbezoek.

In het voorgelegde geval is aftrek mogelijk.

Van belang is of belastingplichtige bij het begin van de ziekte een gezamenlijke huishouding voerde. Volgens de Hoge Raad kan aan het begrip voeren van een gezamenlijke huishouding in zekere mate een ruime uitleg worden gegeven. Voor de toepassing van art. 46 Wet IB 1964 moet het begrip in die zin worden opgevat dat daaronder mede moet worden begrepen de situatie van kinderen die met hun ouders in gezinsverband wonen (zie HR, 23 juni 1999, nr. 34.668, BNB 1999/297).


7.3. Ook reiskosten ziekenbezoek voor bezoek TBS-er?
Zijn de reiskosten voor het bezoek aan een zoon die in het kader van TBS wordt behandeld aftrekbaar als buitengewone lasten?

Er is sprake van een medische behandeling in een TBS-instelling, daarom kan er, mits aan alle overige wettelijke voorwaarden wordt voldaan, aftrek reiskosten aan de bezoeker worden verleend.


8. Arbeidsongeschiktheid/ouderdom/chronische ziekte

8.1. Toepassing voorwaarden arbeidsongeschiktheid en aftrek chronisch zieke kinderen. Besluit van 26 augustus 1999, nr. DB 1999-2118M V-N, 1999/39.11

In dit besluit geeft de Staatssecretaris antwoord op vragen over de toepassing van de regeling voor chronisch zieken. Het gaat met name om:
Toerekening van de ziektekosten van voorafgaande jaren of het jaar waarover belastingplichtige de arbeidsongeschiktheidsaftrek vraagt:

Voor de verhoogde aftrek geldt de voorwaarde dat de ziektekosten voor een derde deel aan één van de echtgenoten kan worden toegekend. Daarbij is de vraag gesteld of het gaat om de ziektekosten van het jaar zelf of om die van de voorafgaande twee jaren. De Staatssecretaris deelt in het besluit mee dat het gaat om de kosten in de twee voorafgaande jaren.

De wetgever heeft immers het chronische aspect willen relateren aan een langere periode. Bovendien ligt het wetssystematisch niet voor de hand dat de toerekening wordt gebaseerd op de ziektekosten van het jaar zelf, nu de toe te kennen arbeidsongeschiktheid ook tot deze kosten behoort.
Toerekening van ziektekostenpremies:

Ziekenfondsverzekerden betalen voor meeverzekerde familieleden geen extra ziekenfondspremie omdat de premie afhankelijk is van het loon. Voor de toerekening van de premie gaat het er om ten behoeve van wie de premie is betaald. Tegenover dezelfde procentuele premie staan bij medeverzekering van familieleden meer rechten op verstrekkingen. Een deel van de premie moet aan de familieleden worden toegerekend. Vraag is hoe de toerekening van de premies moet plaatsvinden. De Staatssecretaris keurt in het besluit uit
doelmatigheidsoverwegingen goed dat per echtgenoot de helft van de premie in aanmerking wordt genomen (ongeacht of de premie ook betrekking heeft op de kinderen).
Het gezamenlijk deel voor de kinderen kan worden gesteld op één derde van de totale premie.

* Niet-toerekenbare uitgaven
Onder de kosten van art. 46, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 1964 vallen ook ziektekosten en overlijdenskosten van verwanten die niet behoren tot de kring van gerechtigden voor de arbeidsongeschiktheidsaftrek of de aftrek voor chronisch zieke kinderen. Omdat bij deze regeling het uitgangspunt geldt dat van belang is ten behoeve van wie de kosten zijn gemaakt, kan het deel van de uitgaven voor die andere verwanten niet worden toegerekend aan de echtgenoot of aan de kinderen.


8.2. Criteria voor arbeidsongeschiktheid

Zijn er criteria voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid van belastingplichtige die niet afkomstig is uit het arbeidsproces?

Voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid kan in het algemeen de beslissing van de Bedrijfsvereniging tot uitgangspunt worden genomen.

Indien een belastingplichtige in aanmerking wenst te komen voor de arbeidsongeschiktheidsaftrek, maar geen verklaring van de Bedrijfsvereniging kan overleggen waaruit de mate van arbeidsongeschiktheid blijkt, heeft hij evenwel de vrijheid om andere bewijsmiddelen aan te dragen. Hierbij kan worden gedacht aan het overleggen van een verklaring van een arts, niet zijnde de eigen of behandelend arts.


8.3. Arbeidsongeschiktheid/tijdvak

Een belastingplichtige is op 31 oktober 1999 arbeidsongeschikt geworden en zal dat naar verwachting ook heel 2000 blijven. Heeft hij voor het belastingjaar 1999 recht op arbeidsongeschiktheidsaftrek?

Toetsdatum is 1 januari van het belastingjaar. Als de belastingplichtige na 1 januari van een jaar arbeidsongeschikt is geworden dan heeft hij voor dat jaar geen recht op de aftrek.

In het voorgelegde geval zal belastingplichtige voor 1999 niet, maar voor 2000 wel de aftrek kunnen claimen.


8.4. Ouderdomsaftrek 3 maal

Een man (ouder dan 65 jaar) overlijdt in mei 1999. Zijn echtgenote (eveneens ouder dan 65 jaar) claimt op de aangifte 1999 van haar overleden echtgenoot 2 maal ouderdomsaftrek, op de aangifte van haarzelf claimt zij 1 maal ouderdomsaftrek. Is dit juist?

Als de overleden echtgenoot tijdens de huwelijkse periode het hoogste persoonlijke inkomen heeft genoten is de aftrek 2042 (2 maal). De echtgenote kan vervolgens zelf in de na-huwelijkse periode de aftrek van 1021 (1 maal) in aanmerking nemen.


9. Adoptiekosten


9.1. Bureaukosten adoptieverenigingen

De uitgaven voor bemiddeling als bedoeld in art. 1 van de Wet opneming buitenlandse pleegkinderen komen tot een bedrag van ten hoogste 1500 voor aftrek in aanmerking (art. 13, eerste lid, onderdeel b, Uitv. reg. IB 1990). In welke situaties kan deze aftrek worden verleend?

Als gevolg van de Wet opneming buitenlandse pleegkinderen dient bij een interlandelijke adoptie minimaal voor een wettelijk verplicht deel gebruik te worden gemaakt van een vergunninghouder (erkend adoptiebureau). Dit verplichte deel wordt aangeduid met de term verplichte deelbemiddeling. De kosten van deze verplichte deelbemiddeling zijn vastgesteld op 1500 en komen voor aftrek in aanmerking.

Als volledige bemiddeling plaatsvindt door de vergunninghouder wordt van het totale door de vergunninghouder in rekening gebrachte bedrag geacht een bedrag van 1500 betrekking te hebben op uitgaven voor verplichte bemiddeling. Dit bedrag is als zodanig eveneens aftrekbaar.

Naast het bedrag van de deelbemiddeling blijven ook aftrekbaar:
* de uitgaven die verband houden met de indiening en de behandeling van een verzoek tot het uitspreken van adoptie;
* de procedurekosten volgens het recht van het land van herkomst bij interlandelijke adopties. Voor adopties via Wereldkinderen komt voor aftrek als procedurekosten in aanmerking het bedrag dat in het Besluit van 22 december 1988, nr. DB88-7056 (V-N 1998/41.14). Voor 1998 is dat 1915;

* de kosten van algemene voorlichting;

* de uitgaven voor vervoer en begeleiding van het kind;
* de reis- en verblijfkosten van één heen- en terugreis van beide adoptie-ouders. De verblijfkosten dienen te worden verminderd met de besparing thuis.

Als de adoptie via de Vereniging Wereldkinderen heeft plaatsgevonden en de adoptie-ouders het kind niet zelf hebben opgehaald in het land van herkomst, komt voor aftrek in aanmerking het bedrag dat in het Besluit van 22 december 1988, nr. DB88-7056 (V-N 1998/41.14) als reiskosten wordt genoemd. Voor 1998 is dat 2129.

Kosten van met de adoptanten meereizende andere gezinsleden zijn niet aftrekbaar.


9.2. Kosten regelen voogdij

Een belastingplichtige claimt advocaatkosten gemaakt voor de regeling van de aan de adoptie voorafgaande voogdij. Vallen deze kosten ook onder het begrip adoptiekosten?

Nee, op grond van art. 13 Uitv. reg. IB 1990 zijn alleen de kosten van de procedure voor de adoptie zelf en de reiskosten van de adoptie-ouders aftrekbaar.


9.3. Kracht van gewijsde adoptievonnis

Is het moment waarop een adoptievonnis kracht van gewijsde krijgt nog van belang?

Ingevolge artikel 13, tweede lid, Uitv. reg. IB 1990 worden de reis- en verblijfkosten van buitenlandse adopties niet eerder in aanmerking genomen dan nadat de Minister van Justitie de beginseltoestemming heeft verleend danwel de rechtbankuitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen. In de praktijk is voor de aftrek van deze kosten het moment van kracht van gewijsde niet relevant. Met uitzondering van de overzeese gebiedsdelen van het Koninkrijk der Nederlanden kan het kind zonder beginseltoestemming namelijk niet naar Nederland komen.


9.4. Kosten niet geslaagde adoptie

Zijn de reis- en verblijfkosten van een niet geslaagde buitenlandse adoptie aftrekbaar?

Ja. In het verleden waren de kosten alleen aftrekbaar als het adoptievonnis kracht van gewijsde had gekregen. Thans geldt voor deze kosten dat aftrek mogelijk is als door de Minister van Justitie beginseltoestemming is verleend.

Voor de beoordeling van de aftrek is dus niet van belang of sprake is van een geslaagde adoptie.


9.5. Verschil aftrekbare bedragen diverse adoptiebureaus
Een aantal belastingplichtigen heeft zich beklaagd over het feit dat voor adopties die via de Vereniging Wereldkinderen hebben plaatsgevonden veel lagere bedragen als aftrekbare buitengewone lasten in aanmerking kunnen worden genomen dan voor adopties die via andere adoptiebureaus zijn geregeld. Zijn deze klachten terecht?

Verschillen die optreden tussen de aftrekbare adoptiekosten voor adopties die via de Vereniging Wereldkinderen hebben plaatsgevonden en die van de overige adoptiebureaus zijn te verklaren door het feit dat de Vereniging gemiddelde ouderbijdragen hanteert die onafhankelijk zijn van de plaats van herkomst van het kind. De aftrekbare bedragen worden jaarlijks naar aanleiding van de jaarstukken van de Vereniging in overleg tussen de Belastingdienst en de Vereniging vastgesteld.

Overigens is gebleken dat de bij de andere adoptiebureaus als procedurekosten gepresenteerde bedragen niet altijd als zodanig zijn aan te merken. Zie Hof Leeuwarden, 14 oktober 1994, V-N 1995/blz. 840. Een nadere specificatie van de procedurekosten lijkt hier gewenst.

Tot op heden is het niet mogelijk gebleken met de andere bureaus eenzelfde afspraak te maken als met de Vereniging Wereldkinderen

10. Studiekosten

10.1. Welke aftrekmogelijkheden bij WSF18+

Welke aftrekmogelijkheden van studiekosten zijn er voor studenten met een studie die valt onder de WSF18+?

Studenten die vallen onder de regeling van de Tempobeurs of de Prestatiebeurs kunnen hun studiekosten vanaf 1998 op grond van art. 46, tiende lid, Wet IB 1964 in aftrek brengen tot de in de WSF opgenomen normbedragen voor boeken en leermiddelen. Daarop moeten de belastingvrije beursbedragen in mindering worden gebracht: zie de laatste volzin van art. 46, tiende lid, Wet IB 1964. Bij bijvoorbeeld thuiswonenden met uitsluitend een basisbeurs resteert aldus een aftrek in het jaar waarin de studie gevolgd is.

Als onder de regeling van de tempobeurs door onvoldoende studieresultaten de voorwaardelijke beurs uiteindelijk een lening wordt, kan vervolgens in het jaar dat de studie is gevolgd ook nog een aanvullende aftrek mogelijk zijn. Dat kan dan eventueel via ambtshalve vermindering van de aanslag. Zie ook het besluit van 1 december 1994, DB94/1037M, V-N 1994/blz. 3852, punt 14, gewijzigd bij besluit van 16 januari 1997, nr. DB96/4698M, V-N 1997/blz. 642, punt 16.

Ook onder de prestatiebeurs kan de studiefinanciering door onvoldoende studieresultaten definitief het karakter van een rentedragende lening krijgen. Bij de prestatiebeurs kan dan echter een (aanvullende) aftrek aan de orde komen in het jaar dat definitief komt vast te staan dat sprake is van een rentedragende lening; zie art. 46, vijftiende lid, Wet IB 19634, juncto art. 13a Uitv. reg IB 1990.

Voorbeeld 1: Tempobeurs

Een thuiswonende student met een tempobeurs heeft in de studiejaren 1998/1999 en 1999/2000 alleen recht op de basisbeurs. Tot de aftrekbare studiekosten in die jaren wordt dan uitsluitend gerekend het verschil tussen enerzijds de normbedragen voor de boeken, leermiddelen en onderwijsbijdrage en anderzijds de belastingvrije beursbedragen. Voor deze studie is in de jaren 1998 en 1999 geen aftrek van overige studiekosten mogelijk. Als begin 2000 blijkt dat door onvoldoende studieresultaten over het studiejaar 1998/1999 de tempobeurs over dat studiejaar wordt omgezet in een rentedragende lening worden in de jaren 1998 en 1999 alsnog ook de bedragen van de belastingvrije beursbedragen tot de studiekosten gerekend, eventueel via ambtshalve vermindering.

Voor studenten met een aanvullende beurs of een beurs voor uitwonenden zal de belastingvrije beurs in het algemeen hoger zijn dan de normbedragen en dan zal aftrek pas aan de orde komen als de bedragen van de tempobeurs door onvoldoende studieresultaten worden omgezet in een rentedragende lening. Ook dan wordt de aftrek eventueel via ambtshalve vermindering alsnog geëffectueerd in het desbetreffende studiejaar.

Voorbeeld 2: Prestatiebeurs

Als onder voorbeeld 1, maar de thuiswonende student met alleen een basisbeurs valt onder de regeling van de prestatiebeurs. Ook dan wordt in de jaren 1998 en 1999 tot de aftrekbare studiekosten uitsluitend gerekend het verschil tussen enerzijds de normbedragen voor boeken, leermiddelen en onderwijsbijdrage en anderzijds de bedragen van de prestatiebeurs. Als in de loop van 2000 blijkt dat de prestatiebeurs door onvoldoende studieresultaten over het studiejaar 1998/1999 definitief een rentedragende lening blijft, wordt in het jaar 2000 alsnog ook het beursbedrag over het studiejaar 1998/1999 tot de aftrekbare studiekosten gerekend.

Voor studenten met een aanvullende beurs of een beurs voor uitwonenden zal de prestatiebeurs in het algemeen hoger zijn dan de normbedragen. In dat geval zal aftrek pas aan de orde komen als de bedragen van de prestatiebeurs door onvoldoende studieresultaten definitief een rentedragende lening worden. Aftrek wordt dan geëffectueerd in het jaar dat de prestatiebeurs definitief een rentedragende lening blijft, in dit voorbeeld wordt de normaftrek over het studiejaar 1998/1999 gerekend tot de aftrekbare studiekosten over het jaar 2000.

10.2. Studiekosten/ WSF 18+

Belastingplichtige heeft voor het studiejaar 97/98 WSF18+ ontvangen. Omdat hij zijn studie in de avonduren heeft voortgezet heeft hij voor het studiejaar 98/99 geen WSF 18+ meer. De studiekosten over dat jaar claimt hij als bgl/studiekosten. Moet rekening worden gehouden met de beurs die hij in het (eerste deel van) het belastingjaar 1998 heeft ontvangen?

De studiekosten over het eerste halfjaar zijn tot de forfaitaire bedragen aftrekbaar, rekening houdende met de belastingvrije beurs. De studiekosten over het tweede halfjaar 1998 zijn volledig aftrekbaar, voorzover zij voldoen aan de voorwaarden. De studiebeurs heeft alleen betrekking op het eerste halfjaar.

10.3. Studiekosten door ouders voorgeschoten

Belastingplichtige volgt een opleiding en wil de kosten daarvan zelf betalen. De kosten van de opleiding worden door de ouders betaald terwijl hij het bedrag schuldig blijft. Kan belastingplichtige zelf aftrek van studiekosten claimen in het jaar dat zijn ouders de kosten betalen?

Ja, aftrek buitengewone lasten/studiekosten is mogelijk bij de zoon omdat op het moment van betaling door zijn ouders op hem een vordering ontstaat.

10.4. Reële verbetering

Zijn kosten van opleidingen voor spiritueel verloskundige en aurahealer aan te merken als uitgaven ter zake van opleiding of studie voor een beroep en dus aftrekbaar als buitengewone lasten/studiekosten?

Er moet sprake zijn van een studie of opleiding voor een beroep.

Als de kosten worden gemaakt met het doel en de mogelijkheid een reële verbetering in financieel-economisch opzicht te bereiken kan sprake zijn van aftrekbare studiekosten.

10.5. Heao-opleiding voor beroep

Is een Heao-opleiding een studie voor een beroep?

Een algemeen geldend antwoord is niet te geven. Uit de beschikbare jurisprudentie blijkt dat de feitelijke omstandigheden van grote invloed zijn. Met name moet duidelijk zijn dat een opleiding wordt gevolgd om daarna een studie of opleiding voor een beroep te kunnen volgen.

BNB1980/290: Cursus Nederlands voor Italiaanse automonteur niet aftrekbaar (geen scholing voor een uit te oefenen beroep).

BNB 1980/291; Mavo-opleiding is algemeen vormende opleiding. Nu de opleiding wordt gevolgd met de bedoeling om daarna een beroepsopleiding te gaan volgen zijn de kosten van die opleiding aftrekbaar als buitengewone lasten (studiekosten).

BNB1981/111: Studie Nederlands recht voor directeur niet aftrekbaar (geen positieverbetering).

BNB1982/1: Cursus Nederlands als voorbereiding voor rechtenstudie voor belastingplichtige van Poolse afkomst wel aftrekbaar.

10.6. Forfait art. 14a Uitv. reg. IB 1990 en OV-jaarkaart.

Een student met eigen inkomen, geen WSF18+, reist dagelijks heen en weer, heeft zelf een trajectkaart aangeschaft, maar kan door de wettelijke forfaitaire regeling (van art. 46, negende lid, Wet IB 1964 juncto art. 14a Uitv. reg. IB 1990) 14 000 reiskosten claimen. Hierdoor ontstaat een negatief inkomen. Is dit toegestaan?

Ja, als de belastingplichtige kosten van binnenlandse reizen heeft is de forfaitaire regeling van art. 14a, Uitv. reg. IB 1990 van toepassing. De omstandigheid dat er een negatief inkomen ontstaat doet hier niet aan af.

10.7. Kosten van betaalde stage aftrekbare kosten of studiekosten

Een belastingplichtige loopt een betaalde stage in het kader van een opleiding. Zijn de hiermee gepaard gaande kosten aan te merken als aftrekbare kosten of als studiekosten?

Als er sprake is van een opleiding of studie voor een beroep, in de zin van art. 46 Wet IB 1964, kunnen de hiervoor gemaakte kosten een dubbel karakter hebben. Dat wil zeggen dat zij zijn aan te merken als aftrekbare kosten en als buitengewone lasten (vergelijk arrest HR 6 november 1996, nr. 31 551, BNB 1996/416). Hierbij gelden de volgende voorwaarden: de stage vormt een onlosmakelijk deel van de opleiding of studie en vormt een bron van inkomen.

Er zijn echter kosten die naar hun aard niet zijn aan te merken als buitengewone lasten studiekosten. Een voorbeeld daarvan is de vakbondscontributie, deze kosten hebben niet rechtstreeks betrekking op de gevolgde opleiding en zijn daarom niet aan te merken als buitengewone lasten/studiekosten.

In de situatie waarin de dienstbetrekking bestaat uit het volgen van een (vak)opleiding is geen sprake van studiekosten.

10.8. Behandeling kosten met dubbel karakter

Hoe dienen kosten met een dubbel karakter te worden behandeld?

Uit het arrest van de Hoge Raad van 6 november 1996, nr. 31 551, BNB 1996/416, blijkt dat kosten met een dubbel karakter zoveel mogelijk eerst worden behandeld als aftrekbare kosten. Het deel van de kosten dat niet als aftrekbare kosten in aftrek kan worden gebracht kan eventueel als buitengewone lasten/studiekosten worden aangemerkt. Dit is ondermeer het geval bij kosten waarvan de aftrek wordt beperkt door het reiskostenforfait, of door een aftrekbeperking van art. 36, tweede lid, Wet IB 1964. Kosten die niet tot aftrek leiden, omdat zij in totaliteit niet boven het arbeidskostenforfait uitkomen kunnen niet worden overgeheveld naar de buitengewone lasten. Het is overigens niet mogelijk om door een combinatie van beide categorieën een hogere aftrek te krijgen dan wanneer de kosten slechts bij één van die categorieën in aanmerking zouden worden genomen.

10.9. Rekenvoorbeeld kosten met dubbel karakter

De dienstbetrekking van belastingplichtige bestaat uit het volgen van een opleiding. Gedurende 40 weken reist hij 3 dagen per week naar de opleidingsplaats. De enkele reisafstand woning/opleidingsplaats is 50 km. Tevens heeft hij 6000 betaald voor een conferentie. Zijn onzuivere inkomen bedraagt 45 000. Hoe worden de kosten in aftrek gebracht?

Ervan uitgaande dat sprake is van een opleiding voor een studie of opleiding voor een beroep in de zin van art. 46, Wet IB 1964 hebben de kosten een dubbel karakter. De kosten van de conferentie worden tot maximaal 3250 in aanmerking genomen als aftrekbare kosten (art. 36, tweede lid, onderdeel g, Wet IB 1964). Het restant van 2750 komt in aanmerking als buitengewone last.

Indien alle reiskosten zouden worden aangemerkt als buitengewone last, dan zouden de eerste 10 km per enkele reis niet aftrekbaar zijn. Als buitengewone lasten/studiekosten zou dan aftrekbaar zijn:

40 weken x 3 dagen x 2 x (50-10 km) x 0,33 (1998) is 3168. Op de reiskosten is voor een bedrag van 2050 het reiskostenforfait van toepassing. Het restant van 1118 komt in aanmerking als buitengewone last.

Voor belastingplichtige betekent dit:

Aftrek reiskostenforfait

2050

Aftrekbare kosten

3250

Buitengewone lasten:

Conferentie

2750

Reiskosten

1118

3868

af: drempel van 2% onzuivere inkomen (max. 800)

800

Totaal buitengewone lastenaftrek

3068

11. Kinderopvang

11.1. Gewijzigde wetgeving

Met ingang van 1 januari 2000 is het maximaal in aanmerking te nemen bedrag per kind verhoogd tot 19 050 (bedrag voor het jaar 2000). Ook de drempelbedragen van art. 14 Uitv. reg IB 1990 zijn gewijzigd. Voor de lagere en middeninkomens geldt een lagere drempel. Door deze wijzigingen komen belastingplichtigen eerder voor aftrek in aanmerking.

11.2. Werkzaamheden buiten het huishouden

Is aftrek kosten kinderopvang mogelijk als de partner van belastingplichtige weliswaar geen inkomsten heeft genoten maar om medische redenen niet beschikbaar is geweest voor de opvang van de kinderen?

Aftrek van kosten is in dit geval niet mogelijk omdat ten aanzien van de partner niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat werkzaamheden buiten het huishouden zijn verricht. Aan die voorwaarde wordt overigens nog wel voldaan gedurende de eerste twaalf maanden nadat de partner in verband met ziekte/arbeidsongeschiktheid gestopt is met werken.

11.3. Partner heeft uitsluitend internationaal vrijgesteld inkomen

Is aftrek kosten kinderopvang mogelijk als één van de partners uitsluitend inkomsten heeft genoten van een internationale organisatie en uit een van toepassing zijnde internationale regeling voorvloeit dat het vrijgestelde inkomen niet in de Nederlandse belastingheffing mag worden betrokken?

In dit geval wordt het salaris van de partner niet in het onzuivere inkomen begrepen en is er derhalve ook geen aftrek kosten kinderopvang mogelijk.

11.4. Kinderopvang bij belastingplichtige thuis

Kunnen de kosten van kinderopvang thuis als buitengewone lasten in aanmerking worden genomen?

Ja, mits voldaan wordt aan de overige voorwaarden voor aftrek. Daarbij is het vooral van belang dat de opvang plaatsvindt via een bemiddelende instantie (bijvoorbeeld een officiële gastoudercentrale) die aan de wettelijke omschrijving voldoet. Als de kinderopvanger ook andere werkzaamheden verricht zal een splitsing moeten plaatsvinden in de kosten van kinderopvang en de kosten van overige werkzaamheden.

11.5. Berekening drempel bij kinderopvang voor twee kinderen

Moet de drempel voor aftrek van de kosten kinderopvang worden bepaald voor ieder kind afzonderlijk of is sprake van een totale drempel voor aftrek?

Bij de berekening van de drempel voor kosten van kinderopvang wordt uitgegaan van de totale kosten- met inachtneming van de totale maximumaftrek- en de totale drempel voor beide kinderen. Die invalshoek is terug te vinden in de toelichting bij de invoering van de tabel; Toelichting op art. 14, eerste lid, Uitv. reg. IB 1990 (Zie V-N 1995/ blz. 52).

11.6. Berekening drempel bij kinderopvang in wisselende vorm

Hoe wordt de drempel voor aftrek berekend als de opvang in enig kalenderjaar plaatsvond gedurende 2 maanden voor 2 hele dagen, gedurende 8 maanden voor 4 halve dagen en vervolgens gedurende 2 maanden voor 3 halve dagen?

De berekening van de drempel vindt plaats naar tijdsevenredigheid. Er zijn in dit geval drie verschillende tijdvakken, waarbij voor twee tijdvakken (8 maanden 4 halve dagen en 2 maanden 3 halve dagen) het onderdeel van de tabel opvang gedurende minder dan vijf uur per dag van toepassing is en voor het tijdvak van 2 maanden het onderdeel van de tabel opvang gedurende meer dan vijf uur per dag.

11.7. Aftrek kosten kinderopvang bij betaling van gemeenschappelijke rekening

A en B vormen samen met hun kinderen een gezamenlijke huishouding. Ze zijn ongehuwd en er is ook geen sprake van geregistreerd partnerschap.

Omdat A en B beiden werken brengen ze hun kinderen naar een fiscaal erkende instelling voor kinderopvang. De kosten voor deze kinderopvang worden betaald vanaf een gemeenschappelijke bankrekening.

Voor de beantwoording van de vraag wordt aangenomen dat de nota op naam van A en B tezamen staat. De kosten worden niet door een werkgever vergoed.

A en B claimen ieder in hun aangifte aftrek van buitengewone lasten ter zake van kosten kinderopvang (er is geen sprake van samenvoeging buitengewone lasten ex art. 46a Wet IB 1964).

Welke bedragen zijn aftrekbaar? Hoe moeten de kosten worden verdeeld?

In dit geval moet worden aangenomen dat beiden 50% van de kosten betalen. Art. 14, lid 5 Uitv. reg. IB 1990 leidt er toe dat beide partners in hun aangifte 50% van het maximumaftrekbedrag (minus drempelbedrag) als buitengewone lasten kunnen aftrekken.

11.8. Kinderopvang en echtscheiding/kind behoort niet tot het huishouden

Een belastingplichtige betaalt kinderopvang. De kinderen behoren tot het huishouden van zijn ex-echtgenote die buiten de huishouding werkt. Belastingplichtige voldoet aan alle voorwaarden voor aftrek van kosten kinderopvang. Is aftrek in dit geval mogelijk?

Er zijn twee mogelijkheden:

1. Belastingplichtige betaalt de kosten kinderopvang als onderdeel van de alimentatie (gaat door wetsvolgorde vóór kosten kinderopvang) voor de ex-echtgenote. Hij heeft afgesproken dat hij aan de vrouw betaalt ten behoeve van de betaling van de kinderopvang. De vrouw heeft op eigen naam het contract met de kinderopvanginstelling gesloten en betaalt de nota's zelf.
Gevolgen:

De betaling is bij de man aftrekbaar als alimentatie voor de ex-echtgenote. De betaling is bij de ex-echtgenote belast als alimentatie. De ex-echtgenote heeft recht op aftrek kosten kinderopvang.


2. Belastingplichtige is zelf de verplichtingen voor de kinderopvang aangegaan op zijn eigen naam aan en betaalt de kosten ook zelf aan de instelling.

Gevolgen:
Belastingplichtige kan de kosten in aftrek brengen als kosten kinderopvang. In de wettekst is geen eis opgenomen dat kinderen tot het huishouden van de betalende ouder moeten horen.
Mogelijkheid 2 heeft geen fiscale gevolgen voor de ex-echtgenote.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie