Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief BUZA inzake beleidsbrief matraprogramma

Datum nieuwsfeit: 10-07-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief BUZA inz beleidsbrief matraprogramma

Gemaakt: 14-7-2000 tijd: 13:47

Kenmerk DEU-UM/879/2000

Blad 11/17


26800 V Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2000

Nr. 115 Brief van staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 juli 2000

Ter gelegenheid van het Algemeen Overleg Midden- en Oost-Europahulp van 15 december 1999 (kamerstuk 26800 V, nr. 78) zegde ik de Kamer een beleidsbrief toe over het Matra-programma. Deze toezegging doe ik hierbij gestand. In de inleiding schets ik de overwegingen die geleid hebben tot het voornemen het Matra-programma te intensiveren en te differentiëren naar ontwikkelingsniveau in termen van toenadering tot de EU. Dit mondt uit in een samenvatting van de hoofdbestanddelen van nieuw Matra-beleid. Deze hoofdbestanddelen worden vervolgens uitgewerkt naar landen, landengroepen en effecten per deelprogramma. Besloten wordt met een beknopte conclusie.


1. Inleiding

Sinds 1994 zet de Nederlandse overheid zich in het kader van het Matra-Programma in voor de opbouw van de maatschappij in de Midden- en Oost-Europese landen. Het programma is gericht op de ondersteuning van de overgang naar een pluriforme, democratische rechtstaat in die landen. Matra ondersteunt activiteiten die het proces van verandering stimuleren van de staat, haar instituties, organisaties van burgers en hun onderlinge verbanden. In 1998/99 is het programma geëvalueerd door de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (Kamerstuk
26200 V, nr. 90). Het oordeel van deze evaluatie was overwegend positief en beval aan tot voortzetting. Het programma heeft in de loop der jaren ook een aantal interessante neveneffecten gehad.
Er zijn legio relaties ontstaan en versterkt tussen NGO's, locale overheden en op maatschappelijk gebied actieve consultants. De banden tussen de samenlevingen van Nederland en van Midden- en Oost-Europa zijn daardoor versterkt. Voorts hebben de relaties met de regeringen van de betrokken landen, waaronder met een aantal nieuwe EU-partners, een impuls gekregen. De basis voor coalitievorming met (toekomstige) partners in de multilaterale besluitvorming wordt daarmee verstevigd.

Matra levert in zijn varianten - projecten, opleidingen, kleine ambassade projecten, projecten van politieke partijen en het speciale programma voor internationaal natuurbeheer - een bijdrage aan de versterking van goed bestuur, democratisch burgerschap en 'civic society'. Daarvan getuigen de rapportages van Nederlandse ambassades, Midden- en Oost-Europese NGO's en overheden, van Internationale NGO's en van multilaterale organisaties. Zo gaven tijdens de conferentie "The Second Decade", gehouden in november 1999, sprekers uit Midden- en Oost-Europa herhaaldelijk en op eigen initiatief uiting aan hun waardering voor Matra en PSO. Zij riepen de Nederlandse regering op, steun te blijven geven aan het transformatieproces in de regio. Dergelijke verzoeken bereiken ons ook in allerlei bilaterale contacten.

De nadruk van het Matra programma heeft steeds gelegen op het maatschappelijk middenveld en locale overheden. Naarmate de tijd vorderde en de tot het maatschappelijk middenveld behorende organisaties zich verder ontwikkelden, groeide evenwel de behoefte aan ondersteuning van de centrale overheden, vooral die in de toetredingslanden. Met het oog hierop werd in 1998 een Pre-Accessie faciliteit aan Matra toegevoegd (zie bijlage 1 voor korte beschrijving). Dit is gebeurd om deze landen op een zo breed mogelijk vlak bij te staan bij de voorbereiding op toetreding, ook vanuit de overweging dat de overheden van die landen straks partners zullen zijn in de uitgebreide Europese Unie.

In het kader van Matra werd tot voor kort geen onderscheid gemaakt tussen potentiële toetreders en de overige landen in de regio Midden- en Oost-Europa. De eerdergenoemde evaluatie van het Matra Programma deed daartoe echter wel een aanbeveling. De ontwikkelingen binnen de samenlevingen in Midden- en Oost-Europa rechtvaardigen een duidelijker differentiatie naar ontwikkelingsniveau in termen van toenadering tot de EU, alsmede naar sector. Dat zal naar mijn inschatting moeten leiden tot differentiatie in de wijze van samenwerking binnen het Matra programma. De groei van de HGIS maakt het mogelijk deze differentiatie gepaard te doen gaan met een algehele intensivering van de Matra-samenwerking met alle reeds op de Matra-landenlijst voorkomende landen plus Turkije. Hiermee wordt vanuit het perspectief van voortgaande Europese integratie gepoogd op actieve en coherente wijze in te spelen op actuele ontwikkelingen in de regio Midden- en Oost-Europa en in Turkije.

Samenvatting hoofdbestanddelen van nieuw Matra-beleid Intensivering a.g.v. groei van de HGIS. Differentiatie van het landenbeleid naar de mate van toenadering tot de EU, te weten:


- Partnerschappen met vier Midden-Europese landen
(Polen, Hongarije, Tsjechië en Slowakije)


- Samenwerking met Bulgarije, Roemenië en Kroatië gebaseerd op speciale relaties

in het kader van Stabiliteitspact, alsmede kiesgroep Wereldbank en IMF.


- Opname van Turkije in het Matra-programma

- Versterkte Matra-inzet t.a.v. de nieuwe buren van de EU in Oost-Europa

(Russische Federatie, Oekraïne en Belarus)

Teneinde de intensivering en de differentiatie van Matra tot een optimaal resultaat te laten leiden, is het ook in andere opzichten nodig gevolg te geven aan de aanbevelingen van het IOB-evaluatierapport. In dit kader zullen monitoring en evaluatie van het programma worden versterkt. Daarnaast zal aandacht worden besteed aan de duurzaamheid en verbreiding van projectresultaten. Tenslotte zal Matra actief blijven bij de bevordering van donorcoördinatie op gouvernementeel zowel als niet-gouvernementeel niveau. Met name op het terrein van de pre-accessiesteun zal intensieve afstemming blijven plaatsvinden met de delegaties van de Europese Commissie in de kandidaat-lidstaten. Nu reeds vindt afstemming plaats met de vertegenwoordigingen van de Wereldbank en het VN-systeem, alsmede actieve participatie in fora als het European Foundation Centre en de Grant Makers East Group.


2. Intensivering en differentiatie

De groei van de "Homogene Groep Internationale Samenwerking" (HGIS) biedt ruimte om de noodzakelijke samenwerking in het kader van het Matra Programma te intensiveren. Het landenbeleid zal worden gedifferentieerd naar de stand van de toenadering tot de EU. Daarbij wordt ook het PSO-Programma van het ministerie van Economische Zaken betrokken. Een aantal stappen in deze richting is al gezet.

In de eerste plaats zal Matra meer worden ingezet om de in de nota "Accenten zetten in Midden Europa" uiteengezette partnerschappen met een aantal Midden-Europese landen te ondersteunen. De speciale relatie met Polen via de "Utrecht Conferentie" krijgt steeds meer vorm. Voor de samenwerking met Hongarije, Tsjechië en Slowakije wordt een meer sectorale aanpak gevolgd, waarbij aan wisselende vakministeries een leidende rol wordt toegekend. Voor de in het kader van deze partnerschappen geïdentificeerde projecten komen extra middelen en een speciale werkwijze beschikbaar.

Met Roemenië en Bulgarije worden in het kader van de kiesgroepstructuur van IMF en Wereldbank bijzondere relaties onderhouden, die tevens passen in de groei naar een EU-lidmaatschap. Kiesgroepland Kroatië zal vooral extra aandacht krijgen, omdat dit land met de recente regeringswisseling een nieuwe weg is ingeslagen. Ook levert het Matra Programma met de inzet in Kroatië, Bulgarije en Roemenië een bijdrage aan het Stabiliteitspact.

Verder verdient na het besluit van de ER van Helsinki t.a.v. de kandidatuur van Turkije ook de relatie met Turkije bijzondere aandacht. Nog dit jaar zal een begin worden gemaakt met opname van Turkije in het Matra-programma.

In eerdere correspondentie (jaarrapportage over 1996 - 1998) is de wens geuit het Matra programma te versterken in Oost-Europa, juist omdat de maatschappelijke transformatie daar minder ver is gevorderd dan in Midden-Europa. De eerdergenoemde evaluatie onderstreepte het belang van deze versterking. Ik zal derhalve extra aandacht besteden aan deze 'nieuwe buren' van een uitgebreide EU. Het gaat daarbij binnen Matra om de Russische Federatie, Oekraïne en Belarus. Deze landen staan nog slechts aan het begin van een proces van toenadering tot de EU. De Matra-samenwerking is dan ook op een andere - meer maatschappelijke - leest geschoeid dan die met de eerdergenoemde landen.


3. Uitwerking van het nieuwe landenbeleid

In 1998 is het Matra Programma uitgebreid met 'pre-accessie activiteiten' in de tien kandidaat-landen voor toetreding tot de EU. In bijlage wordt daarvan een overzicht gegeven. Die extra inspanning blijkt aan te slaan. Tegelijkertijd is gebleken, dat naarmate de landen het lidmaatschap van de Europese Unie dichter naderen, de vraag naar ondersteuning van de 'civic society' verandert. De eerdergenoemde evaluatie heeft daarvoor mijn aandacht gevraagd.

Binnen sommige kandidaat-lidstaten gaan de problemen van de maatschappij lijken op die van de samenlevingen binnen de EU. Binnen andere kandidaat-lidstaten is daarvan minder sprake. Dat proces is divers en daaraan dient een programma als Matra zich aan te passen. Ook wensen overheden in kandidaat lidstaten begrijpelijkerwijs te profiteren van Nederlandse ervaringen met de EU. Regelmatig wordt gevraagd om bilaterale steun-initiatieven van Nederland, als één van de oorspronkelijke zes oprichters en niet behorend tot de grootste lidstaten. Elk van de
kandidaat-lidstaten onderkent daarin specifieke voordelen voor de eigen ontwikkeling. Tenslotte stimuleren contacten tussen Nederlandse en Midden-Europese NGO's, overheidsorganen en ondernemingen een levendige vraag naar 'producten', waarmee Nederland bekend is geworden, zoals het Nieuwe Burgerlijk Wetboek, Nederlandse milieuwetgeving, waterbeheer en in de samenleving verankerde politie en justitie. Het is de kandidaat-lidstaten niet onopgemerkt gebleven dat de praktijk van de

besluitvorming in de Europese Unie - met consensus als leidend beginsel en incrementalisme als onderhandelingsmethodiek - goed aansluit bij het Nederlandse

economische model (inclusief de sociale dialoog), dat immers staat voor een beleid van geven, nemen en participatie door velen. Het op ondersteuning van de pre-accessie gerichte beleid zal voor deze landen worden vormgegeven in nauwe samenwerking met betrokken overheden.

Met de begroting voor 2001 zal een beleid worden ingezet van differentiatie, zoals voorzien in de Nota "Accenten zetten in Midden-Europa", aangevuld met speciaal beleid t.o.v. Turkije en de 'nieuwe buren' (voor een goed begrip: het gaat bij laatstgenoemde landen om niet-toetreders). Ik maak hierbij onderscheid tussen de diverse delen van het Matra programma, namelijk het 'klassieke' Matra, bestaande uit het Matra Projecten Programma, gericht op het maatschappelijk middenveld en daarnaast de Pre-accessie faciliteit, die gedifferentieerd zullen worden toegepast. Dit wordt in het schema in bijlage 1 weergegeven. Het Matra Opleidingen Programma, het Matra Politieke Partijen Programma, het Programma Internationaal Natuurbeheer en het Programma Kleine Ambassade Projecten blijven van algemene toepassing, afgezien van aanpassingen waarover later in deze brief.


3.1. Het beleid uitgesplitst naar landengroepen

3.1.1. Polen, Tsjechië, Slowakije en Hongarije In Polen, Tsjechië, Slowakije en Hongarije zal het 'klassieke' Matra Projecten Programma voortaan vanuit de invalshoek 'pre-accessie' worden vormgegeven in bilateraal overleg met de betrokken overheden. Het bestaande Pre-accessie Programma zal worden voortgezet. Dit wordt gedifferentieerd conform het partnerschapbeleid. Rondom de "Utrecht Conferentie" met Polen zal een web van aanvullende activiteiten worden opgebouwd, die het geheel van overheidscontacten kan beslaan. Met de andere drie genoemde landen zal in MOU's een jaarlijks seminar worden overeengekomen, gericht op telkens wisselende beleidsterreinen. In
2000 zijn zo voor Tsjechië justitie en voor Hongarije transport geïdentificeerd. Slowakije heeft gekozen voor milieubeheer. Die samenwerking kan uitmonden in speciale projecten waarvoor middelen worden gealloceerd. Het Matra Programma krijgt daardoor in dit kader meer het karakter van 'van overheid tot overheid'-samenwerking, waarbij nog steeds een belangrijke rol is weggelegd voor NGO's ten behoeve van het maatschappelijk middenveld. Het via niet-gouvernementele organisaties uitgevoerde Matra Kleine Ambassade Projectenprogramma (Matra/KAP) zal worden uitgebreid, waarbij met name aandacht zal worden besteed aan achterstandsgebieden.

3.1.2. Balticum en Slovenië
Het 'klassieke', op versterking van het maatschappelijk middenveld gerichte Matra programma en het Pre-Accessie programma (zie bijlage voor beschrijving) blijven in Estland, Letland en Litouwen de basis voor de samenwerking. Slovenië is al dermate sterk ontwikkeld, dat het klassieke Matra Projecten Programma kan worden beëindigd. Het bestaande Pre-Accessie Programma wordt in Slovenië onverminderd voortgezet. Al met al staat deze aanpak borg voor consolidatie van goede betrekkingen en

samenwerking. Sommige sectoren zullen zich op basis van bestaande of gewenste relaties (bijvoorbeeld transport) kenmerken door intensievere contacten. Dat kan verschillen van land tot land, zoals beschreven in de eerdergenoemde notitie 'Accenten zetten in Midden-Europa'.


3.1.3. Roemenie, Bulgarije en Kroatië
Door de intensieve samenwerking binnen de kiesgroepen van IMF en Wereldbank heeft Nederland een speciale band met Kroatië, Roemenië en Bulgarije. Verder worden deze landen gerekend tot de Balkan, waar de regering een substantiële bijdrage wil leveren aan de handhaving van de politieke en sociale stabiliteit. Zij profiteren dus van het Stabiliteitspact.
Kroatië is weliswaar nog geen kandidaat-lidstaat, maar is onder de zojuist aangetreden regering een nieuwe, op toenadering tot Europa gerichte weg ingeslagen en verdient daarbij eveneens een steun in de rug. Zolang Kroatië geen kandidaat-lidstaat is kan het niet profiteren van de Matra pre-accessie faciliteit. Roemenië en Bulgarije vanzelfsprekend wel. Alle drie landen zullen ook onverminderd en op de gebruikelijke wijze kunnen profiteren van het 'klassieke Matra' in al zijn facetten. Vanuit de middelen van het Stabiliteitspact (voor zover 'non-ODA') wil ik ook middelen inzetten voor de versterking van het overheidsapparaat, vooral met betrekking tot de economische, fiscale en monetaire organisatie. Tenslotte, gegeven de bijzondere recente ontwikkelingen in Kroatië lijkt het mij opportuun binnen het gehele Matra programma al aandacht te geven aan versterking van beleidssectoren die mettertijd van belang zijn voor eventuele toetredingsonderhandelingen.


3.1.4. Rusland, Oekraïne en Belarus
Er zijn goede argumenten voor prioritaire hulp aan de meer oostelijk gelegen landen. Het gevaar is groot dat door ruime hulpverlening aan Midden-Europa de oude scheidslijn tussen Oost en West niet wordt opgeruimd, maar eerder wordt verplaatst. Dat kan en mag noch de bedoeling, noch het neveneffect van de uitbreiding zijn. Zonder de diepgaande verschillen tussen bijvoorbeeld een land als Belarus en de EU te willen wegpoetsen blijft een steeds verdergaande eenwording van Europa immers het streven en daarin passen geen nieuwe scheidslijnen. Kennismaking en opbouw van samenwerking met de "nieuwe buren" is daarom van groot belang. In het geval van Rusland geldt, dat de historische positie van dit land in de wereld en in het bijzonder in de regio Midden- en Oost-Europa zodanig is, dat het eenvoudigweg niet mag worden veronachtzaamd. Daarom zal het 'klassieke' Matra instrumentarium ten behoeve van deze landen worden verruimd. Met vertegenwoordigers van Russische NGO's en overheden is daarover in juni 2000 overleg gevoerd. Het KAP-programma zal aanmerkelijk worden uitgebreid. De samenwerking in het kader van Matra Projecten Programma zal worden geïntensiveerd, met name ook via het multilaterale kanaal.

3.1.5. Turkije
Turkije is een kandidaat-lidstaat met een bijzondere positie. Na de Koude Oorlog heeft

de opbouw van de relaties met de landen van Midden- en Oost-Europa veel aandacht en energie gevergd. Turkije kreeg echter een onduidelijker status. Belangrijke

motieven in de discussie over Turkije zijn de Turkse identiteit en de relatie met de EU op langere termijn. Sinds de besluitvorming van de Europese Raad van Helsinki kan er geen onduidelijkheid meer bestaan over de kandidaatstatus van Turkije. Nederland behoort tot de voorstanders van een dialoog met Turkije met het oog op verdere toenadering tot de EU. Het land is onmisbaar voor de stabiliteit van een regio, die zich uitstrekt van de Balkan tot voorbij de grenzen van Syrië, Irak en Iran. Als zodanig is de toekomst van Turkije van invloed op de veiligheid van Europa. Ter verdieping van de bilaterale relatie met Turkije en ter ondersteuning van het aanpassingsproces in Turkije op weg naar het EU-acquis zal een speciale Matra Turkije-faciliteit worden gestart, gericht op de ondersteuning van de maatschappelijke transformatie, zowel via pre-accessie als via het 'klassieke' Matra. De Turkije-faciliteit zal deels aansluiten bij de n.a.v. de aardbeving van 1999 verstrekte hulp.


3.2. Effecten per Matra-deelprogramma

In het bovenstaande is vooral ingegaan op het Matra Projecten Programma en het Matra Pre-accessie programma. Soms kwam het KAP-programma ter sprake.
Onderstaand zal nog kort op elk van de programma onderdelen worden ingegaan:


3.2.1. Matra Projecten Programma.
Het budget voor subsidies zal vanaf 2000 worden verhoogd met NLG 7 miljoen (waarvan 3 miljoen voor Turkije). Teneinde deze budgetverhoging tot uitgaven te doen leiden is al een publicatie met een aanvulling op het plafond voor de subsidieronde 2000-I verschenen. Met betrekking tot Turkije zal het bestaande VNG-programma, dat voorziet in samenwerking tussen gemeenten betreffende capaciteitsopbouw t.b.v. de opstelling en uitvoering van rampenplannen, worden voortgezet en licht worden uitgebreid. Tevens zal een begin worden gemaakt met een op Turkije toegesneden projectenprogramma. Verdere verruiming van de middelen voor het Matra-projectenprogramma zal aan u worden voorgelegd in het kader van de begroting 2001. Conform het verzoek van de Kamer (kamerstuk 26800V, nr. 7) zal bijzondere aandacht worden gegeven aan projecten op het terrein van de energiebesparing. Nog in het jaar 2000 zal de multilaterale component worden verhoogd met NLG 2 miljoen, in het bijzonder voor Oost-Europese landen.


3.2.2. Matra KAP-programma
Dit programma zal met ingang van 2000 worden uitgebreid met NLG 1 mln. en met ingang van 2001 nog eens NLG 2 miljoen. Het maximum-bedrag per project zal worden verhoogd van NLG 15.000,- naar NLG 25.000,-.

3.2.3. Matra Opleidingen Programma
Dit programma-onderdeel zal per 2001 grondig worden herzien en in
overeenstemming worden gebracht met de bepalingen van de AWB. Hierbij zal rekening worden gehouden met de ervaringen tot dusver en met de uitkomsten van het IBO Internationaal Onderwijs in Nederland. Daarop vooruitlopend zal in 2000 NLG


0,5 miljoen extra ter beschikking worden gesteld, groeiend naar NLG 1 miljoen in 2001.


3.2.4. Matra Programma Internationaal Natuurbeheer Dit programma wordt momenteel geëvalueerd. Op basis van de uitkomsten van deze evaluatie zal worden besloten over voortzetting en financieel volume. Onder voorbehoud van een positieve uitkomst van deze evaluatie, de totstandkoming van een nieuw Actieplan Natuurbeheer Midden- en Oost-Europa en sluitende afspraken over financiëel beheer, ga ik voorshands uit van van een nieuwe committering van NLG 8 miljoen per jaar voor de periode 2001-2005.


3.2.5. Matra Pre-accessie Programma
De bestaande 'modules' binnen dit programma (zoals beschreven in bijlage 1) worden alle voortgezet, waarbij het budget voor het ADEPT-programma (het programma gericht op opleiding van ambtenaren) wordt verruimd om meer ambtenaren uit Midden-Europa te trainen, vooral ook op het terrein van project-management en onderhandelen. Het programma wordt uitgebreid met een onderdeel ten behoeve van de partnerschappen, variërend van NLG 0,5 miljoen voor Tsjechië, Hongarije en Slowakije, tot NLG 1 miljoen ten behoeve van Polen. In de loop van het jaar 2001 zal een IOB-evaluatie van het programma als geheel worden gestart.


3.2.6. Matra Politieke Partijen Programma
Het management van dit programma is per 2000 overgegaan van het ministerie van BZK naar Buitenlandse Zaken. Sinds de start van dit programma in 1990 is het budget gelijk gebleven: NLG 2 miljoen terwijl het aantal landen is uitgebreid, ook met een aantal niet-Matra landen. Nu is er gelegenheid om tegemoet te komen aan de wens van de uitvoerende partijstichtingen tot verruiming van het budget. Ik zou daarmee willen beginnen per 2000: NLG 0,5 miljoen. Ik zal echter met de deelnemende politieke partijen bespreken of parlementaire samenwerking in het lopende programma kan worden ingevoegd, alsook of het programma meer kan worden gericht op (Zuid-) Oost-Europa.

3.2.7. Matra Doelbijdragen en Programma Ondersteuningsfonds. Deze hoofdstukken zijn bedoeld om uitvoering van het programma te financieren waar dit niet kan uit reguliere begrotingsmiddelen. Beide begrotingseenheden zullen worden verhoogd met tezamen NLG 1 miljoen vanaf 2000, mede ter financiering van (training voor) interne en externe monitoring en evaluatie, conform de aanbevelingen van de eerdergenoemde evaluatie.


3.2.8. Personeel

Het voornemen tot uitbreiding van Matra dient hand in hand te gaan met de opvolging van de in de inleiding weergegeven IOB-aanbevelingen en met intensieve donor-coördinatie. Teneinde de hiermee gepaard gaande verzwaring van de werklast op te kunnen vangen zal de personele bezetting van betrokken afdeling en ambassades verder moeten worden versterkt. Daartoe zal zolang noodzakelijk extra personeel worden aangetrokken ten laste van de programmamiddelen. In 2000 is daartoe NLG 1 miljoen gereserveerd, vooral ten behoeve van de departementale bezetting. Per 2001

zal dat bedrag worden verdubbeld, met name met het oog op de versterking van de capaciteit van de betrokken ambassades.


4. Tot besluit
Door deze wijzigingen zal worden geprobeerd beter en actiever in te spelen op recente ontwikkelingen in het toetredingsproces en in de relaties met Midden- en Oost-Europese landen. Tevens wordt hiermee beoogd nog meer samenhang te brengen in het Nederlandse Europese beleid. De Nederlandse positie krijgt er bovendien meer profiel door. De dialoog met het maatschappelijk middenveld en het regelmatige interdepartementale overleg over de uitvoering van het Matra-programma zullen worden voortgezet. Zo wordt het draagvlak binnen Nederland voor de uitbreiding verstevigd. Tevens wordt hiermee de interdepartementale samenhang gediend. Vanuit een oogpunt van effectiviteit en efficiëntie van de pre-accessie inspanningen zal worden gestreefd naar maximale samenwerking tussen PSO en Matra op operationeel en organisatorisch niveau. Hierover zal nog nadere interdepartementale afstemming plaatsvinden. De afstemming met zowel de Europese Commissie als andere multilaterale, bilaterale en particuliere donoren zal worden geïntensiveerd.

De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

D.A. Benschop


15

Bijlage 1

Overzicht instrumentarium MATRA Pre-Accessieprogramma

Projecten Programma Preaccessie

Het doel van dit programma is assistentie bij de implementatie van het acquis door het uitvoeren van (pilot) projecten in de tien toetredende landen. Projectideeën of thema's worden gekozen in overleg met de centrale overheden van de kandidaat-lidstaten. Het programma vindt zijn grondslag in een Memorandum of Understanding (MOU). Nadere uitwerking van projecten vindt plaats in nauw overleg met het Phare-programma en met het Nederlandse ministerie van Economische Zaken teneinde overlap te voorkomen.

Terreinen waarop projecten kunnen worden voorgedragen zijn: approximatie van wetgeving, hervorming van het openbaar bestuur, justitie en wetgeving, sociaal beleid en arbeidsomstandigheden, milieubeleid, onderwijs, gezondheidszorg en huisvestingsbeleid. Institutionele ontwikkeling en implementatie van EU-regelgeving staan centraal in dit programma. Technische assistentie en training vormen de basis voor projecten; levering van materialen kan slechts in beperkte mate onderdeel zijn van een project.

SENTER, de uitvoeringsorganisatie van het ministerie van Economische Zaken (tevens verantwoordelijk voor het economische deel van het Nederlandse Preaccessie Programma) is door het ministerie van Buitenlandse Zaken verzocht dit programma uit te voeren. Senter werkt de in het MOU afgesproken thema's uit tot projectideeën, waaraan het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken zijn goedkeuring moet geven. Vervolgens vindt in principe openbare aanbesteding plaats in Nederland. Verplichte samenwerking met een Nederlandse (semi)-overheidsinstelling kan bij dergelijke aanbestedingen worden voorgeschreven.

Accession-oriented Dutch European Proficiency Training Programme (ADEPT)

Doel van dit programma is opleiding van als regel ambtenaren uit de tien toetredende landen via intensieve, praktijk gerichte opleidingsmodules. De opleidingsmodules richten zich vooral op die onderwerpen waar Nederland specifieke expertise heeft. De Engelstalige opleidingen worden gegeven in Nederland door Nederlandse instellingen. Aan de cursussen nemen maximaal 25 participanten deel uit verschillende landen. In principe zijn er meer deelnemers per land. Deelnemers zijn seniore beleidsambtenaren en leidinggevenden binnen relevante ministeries en overheidsdiensten. In uitzonderlijke gevallen kunnen ook vertegenwoordigers uit de private sector of NGO's aan cursussen deelnemen als dit met het oog op de implementatie van het acquis noodzakelijk wordt geacht. De cursussen worden meermalen aangeboden, bij voorkeur in de zomerperiode. Aanmelding geschiedt in principe via de Nederlandse ambassade in het desbetreffende land. Uiteindelijke selectie van deelnemers gebeurt in Nederland.

Vooralsnog worden cursussen ontwikkeld op de terreinen landbouw, milieu, transport, justitie en sociale zaken. Uitbreiding naar andere thema's, zoals gezondheidszorg en structuurfondsen, ligt in de bedoeling.

CROSS, het expertisecentrum van het Nederlandse ministerie van Onderwijs, Wetenschappen en Cultuur is verantwoordelijk voor de uitwerking van de trainingsmodules in nauw overleg met de Nederlandse vakdepartementen. Selectie van de instellingen die de cursussen uiteindelijk verzorgen, geschiedt via aanbesteding.

Internships Matra for Preaccession Training Programme (IMPACT)

Dit programma beoogt bij te dragen aan de opleiding van ambtenaren in de tien toetredende landen via stages aan Nederlandse instanties binnen de overheid. De stages kunnen het karakter hebben van zowel een intensief bezoekprogramma, waardoor ambtenaren en experts uit toetredingslanden kennis kunnen maken met hun counterparts en hun taken, als een meer intensieve tewerkstelling bij een Nederlands ministerie of (semi) overheidsdienst. Naast individuele stages zijn ook groepsstages mogelijk. Maximaal 20% van de tijd kan bestaan uit een formele training. De stages zullen in doorsnee niet langer duren dan enkele weken, de maximale duur is zes maanden. Stageverzoeken komen in principe tot stand door samenwerking tussen de instelling in het toetredende land en diens counterpart in Nederland, waarbij de Nederlandse instantie verantwoordelijk is voor het indienen van de aanvraag. Wel kan de instelling in het toetredende land via de Nederlandse ambassade en/of Nuffic om bemiddeling richting diens Nederlandse counterpart vragen. Zowel leidinggevenden als hun medewerkers kunnen in aanmerking komen voor stages.

Alle onderwerpen die in het kader van de toetredingsproblematiek relevant zijn, kunnen tijdens een stage aan de orde komen.

Het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken heeft voor de uitvoering van dit programma een subsidie verstrekt aan de Nuffic, de Nederlandse organisatie voor universitaire samenwerking. Nuffic heeft naast de selecterende ook de bemiddelende rol. Nuffic was ook de verantwoordelijke instantie voor het in 1998 beëindigde Passage Programma, een soortgelijk subsidieprogramma van het Nederlandse ministerie van Economische Zaken.

Project Uitzending Ambtenaren (PUA)

Dit project heeft tot doel directe ondersteuning van het toetredingsproces via advisering ter plaatse door Nederlandse ex-ambtenaren. Ministeries en (semi)-overheidsdiensten in de toetredingslanden kunnen aangeven op welke terreinen zij advisering van een Nederlandse deskundige wensen. De uitzendingen zullen in principe twee tot drie weken duren. De kennisoverdracht is gericht op de aanpassing van de wet- en regelgeving. Daarnaast worden organisaties die die wet- en regelgeving moeten aanpassen, geadviseerd. De terms of reference voor een missie worden opgesteld in overleg met de ontvangende instantie en de uit te zenden ex-ambtenaar.

Alle onderwerpen die in het kader van de toetredingsproblematiek relevant zijn, kunnen tijdens een uitzending aan de orde komen.

Het project wordt uitgevoerd door het Programma Uitzending Managers (PUM), een stichting verbonden aan de Nederlandse werkgeversorganisatie VNO/NCW. PUM heeft reeds vele jaren ervaring met het uitzenden van managers uit het bedrijfleven naar onder meer Midden- en Oost-Europa. De lokale vertegenwoordigers van de stichting zijn verantwoordelijk voor de identificatie van aanvragen bij de overheden in de toetredingslanden.

Programma Gemeentelijk Toetreding (GST)

Het programma richt zich op de implementatie van het acquis op lokaal en regionaal niveau; immers, ook op die niveaus moeten overheden alle op hen van toepassing zijnde Europese regelgeving overnemen en toepassen. Centraal in dit programma staat de samenwerkingsrelatie tussen de Nederlandse lokale en regionale overheden en hun counterparts in de verschillende toetredingslanden. Nederlandse lokale en regionale overheden kunnen deskundigen uitzenden maar ook ontvangen: de collega-tot-collega relatie staat voorop. Financiering kan worden aangevraagd door Nederlandse gemeenten, nutsbedrijven, provincies, waterschappen en hun koepelorganisaties. Het programma bestaat uit de volgende onderdelen: Programma Uitzending Gemeente Ambtenaren (PUGA), Stage-programma (STAGE), Municipal Management Training Programma (MMTP) en Gemeente Initiatieven Matra (GIM).

In principe is inzet op alle gemeenlijke en provinciale/regionale beleidsterreinen mogelijk met een aspect van versterking van lokaal bestuur in relatie tot toetreding tot de EU. Onderstaande terreinen zijn echter "typische" EU-beleidstrerreinen:


* Sociaal beleid (o.a. werkloosheid, minderheden, gelijke behandeling)

* Milieu (o.a. water, afval, lucht, energie)

* Landbouw (o.a. milieu- en gezondheidsaspecten)

* Regionaal beleid (o.a. EU-structuurfondsen, hogesnelheidslijn)

* Economie (o.a. privatisering, aanbesteding, mededinging, overheidssteun)


* Vrij verkeer van personen (o.a. kiesrecht voor EU-ingezetenen, bevolkingsadministratie)


* Volkshuisvesting (o.a. recht op woningen voor EU-ingezetenen)

* Openbare orde en veiligheid (o.a. rampen, politiële informatie-uitwisseling)


* Verkeer en vervoer (o.a. Trans-Europese netwerken)

* Algemeen bestuur (o.a. corruptie, transparantie van overheidsfinanciën)

Het accent zal liggen op het aanpassen van de lokale/regionale organisatiestructuur en het vergroten van de institutionele capaciteit op dat niveau.

Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft een subsidie verstrekt aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) om dit programma op te zetten en uit te voeren. De VNG heeft het programma opgezet analoog aan het succesvolle Programma Gemeentelijke Samenwerking met Ontwikkelingslanden, waarmee de VNG inmiddels reeds een aantal jaren ervaring heeft. Aanvragen worden behandeld in volgorde van binnenkomst.

Departementale Initiatieven Preaccessie (DIP)

Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft aan alle Nederlandse ministeries een bedrag ter beschikking gesteld om eigen initiatieven te kunnen ontplooien op het terrein van de toetredingsproblematiek. Het gaat hierbij om kleinschalige, incidentele activiteiten die nodig en wenselijk zijn voor de uitvoering van het Nederlandse pre-accessie beleid. Te denken valt aan conferenties of workshops, uitwisselingsbezoeken, stages, studieopdrachten, en de inzet van uitzendkrachten of consultants. Het is niet mogelijk formatieplaatsen of andere structurele voorzieningen met deze fondsen te financieren. De verschillende ministeries zijn zelf verantwoordelijk voor de besteding van de fondsen en leggen daarover achteraf verantwoording af.

De fondsen zijn beschikbaar gesteld aan de volgende departementen: AZ, BZK, Financiën, LNV, Justitie, OCW, SZW, V&W, VWS, en VROM. In principe kunnen alle voor de verwerving van het acquis relevante onderwerpen aan de orde komen.

De omvang van het programma wordt jaarlijks bepaalt binnen de financiële ruimte van het Matra Pre-accessie programma. Voor 1999 is
1,8 miljoen gulden beschikbaar. In beginsel is de verdeling over de vakdepartementen evenredig. Nadere inlichtingen zijn verkrijgbaar bij de toetredingscoördinatoren bij de verschillende departementen.



DEU/UM - juni 2000

Bijlage 2

Matra-programma situatie na beleidsintensivering en -differentiatie

Land

Deelprogramma

MPP

PIN

MOP

PPP

KAP

PAP

GST

IMP

PUA

ADE

Polen


*)


*


*


*

a

a


*


*


*


*

Tsjechië


*)


*


*


*

a

a


*


*


*


*

Hongarije


*)


*


*


*

a

a


*


*


*


*

Slowakije


*)


*


*


*

a

a


*


*


*


*

Slovenië


-


*


*


*

b

b


*


*


*


*

Baltische Staten

c


*


*


*

b

b


*


*


*


*

Rusland

a


*


*


*

a


-


-


-


-


-

Oekraine

a


*


*


*

a


-


-


-


-


-

Belarus

c


*


*


*

b


-


-


-


-


-

Kroatië

a


*


*


*

a


-


-


-


-


-

Roemenië

a


*


*


*

b

b


*


*


*


*

Bulgarije

a


*


*


*

b

b


*


*


*


*

Turkije

b


*


*


*

b

b


*


*


*


*

Toelichting


* = gebruiker


*) = gebruiker, MPP voorwerp van overleg met de overheid in pre-accessiekader


- = niet-gebruiker

N.B.:

Voor het Matra Politieke partijen Programma (PPP) geldt, dat ook een aantal ODA-landen gebruiker is.

MPP

a = grootgebruiker (> f 4 mln p.j. )

b = modale gebruiker ( f 2-4 mln p.j.)

c = kleingebruiker (< f 2 mln p.j.)

Matra/KAP

a = grootgebruiker (> f 0,5 mln p.j. )

b = modale gebruiker ( f 0,2-0,5 mln)

c = kleingebruiker (< f 0,2 mln p.j.)

Matra/PAP

a = grootgebruiker (> f 5 mln p.j.)

b = modale gebruiker ( f 1-5 mln p.j.)

PIN = Programma Internationaal Natuurbeheer

MOP = Matra Opleidingen Programma

PPP = Matra Politieke Partijen Programma

KAP = Kleine Ambassade Projecten Programma

PAP = Pre-Accessie Projecten Programma

GST = Gemeentelijke Samenwerking Toetredingslanden

IMP(ACT) = Internships Matra for Pre-Accession Training

PUA = Programma Uitzending Managers

ADE(PT) = Accession Oriented Dutch European Proficiency

Training Programme

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie