Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief VenW inzake ruimtetekort in mainport Rotterdam

Datum nieuwsfeit: 11-07-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

brief min vw inz project mainportontwikkeling rotterdam
Gemaakt: 14-7-2000 tijd: 15:43


30


24691 Ruimtetekort in mainport Rotterdam

Nr. 17 Brief van de minister van Verkeer en Waterstaat en van Financiën, de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de minister van Economische Zaken en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 juli 2000

Hierbij informeren wij u over de voortgang van het Project Mainportontwikkeling

Rotterdam zoals is toegezegd in de interimrapportage 'PMR op Koers' (TK 1998-1999, 24691, nr 12), bij het Algemeen Overleg van 1 juli 1999 en in verschillende brieven. Wij stellen u voor de koersaanpassingen in de procesgang en de inhoudelijke voortgang op korte termijn met de projectminister, de Minister van Verkeer en Waterstaat, te bespreken.


1. Inleiding

Projectdoelstelling ongewijzigd

Met het Project Mainportontwikkeling Rotterdam beoogt het kabinet de positie van de mainport Rotterdam te versterken door ruimte te vinden voor de groei van haven en industrie in de mainport Rotterdam. Het kabinet wil tevens de mogelijkheden van deze ruimtelijke ontwikkeling benutten om de kwaliteit van de leefomgeving in en rond de haven te verbeteren.

Voor beide delen van deze 'dubbele doelstelling' worden concrete plannen uitgewerkt. De plannen richten zich op projecten in het bestaande gebied om ruimte voor de haven en een kwaliteitsverbetering voor de leefomgeving te realiseren. Ook de aanleg van een nieuw stuk land ter uitbreiding van de huidige Maasvlakte en de daaraan qua besluitvorming verbonden aanleg van 750 hectare natuur- en recreatiegebied, maken deel uit van de plannen.

Na de interimrapportage 'PMR op Koers' die wij u in juli 1999 zonden, is het project in een nieuwe fase gekomen. Van de belangrijkste ontwikkelingen willen wij u met deze brief op de hoogte brengen.

Hierbij komen de volgende onderwerpen aan de orde:


2. Proces: koerswijziging van combinatiemodel naar parallelle aanpak
Deze paragraaf behandelt een herinrichting van het proces, gericht op het ontvlechten van het spoor van de ruimtelijke ordening en het projectontwikkelingsspoor. Aanleiding tot deze herinrichting van het proces is een advies van de Werkgroep van de Begeleidingscommissies PMR en ONL-LT om de verschillende projectrollen duidelijker van elkaar te scheiden en het proces te vereenvoudigen. Dit advies over 'de aanpak van publiek-private samenwerking bij complexe projecten in het algemeen en in het bijzonder over het Publiek Programma van Eisen bij het Project Mainportontwikkeling Rotterdam' hebben wij u reeds toegestuurd op 22 mei 2000.


3. Borging samenhang ruimtelijke-ordeningsspoor en projectontwikkelingsspoor
In deze paragraaf bespreken we de manier waarop het ruimtelijke-ordeningsspoor en het projectontwikkelingsspoor bestuurlijk met elkaar worden geïntegreerd.


4. Publiek-private samenwerking

Deze paragraaf bevat nadere voorstellen voor een publiek-private samenwerking voor het project. Deze voorstellen zijn mede opgesteld naar aanleiding van de resultaten van een marktconsultatie waarin marktpartijen aangaven geïnteresseerd te zijn in een risicodragende deelname aan het project. De resultaten van de marktconsultatie hebben wij aan de Vaste Kamercommissie voor Verkeer en Waterstaat toegestuurd op 22 maart 2000.


5. Nadere argumentatie voor een landaanwinning: 'nee, tenzij'-beginsel
Het kabinet verwacht dat de ruimte in Zuidwest-Nederland en in het bestaand Rotterdams havengebied, ook na intensievere benutting, op termijn ontoereikend is voor de maatschappelijk noodzakelijk geachte opvang van deepsea-gebonden activiteiten en dat daarmee landaanwinning noodzakelijk wordt. Het betreft hier een voorlopige conclusie, de 'nee, tenzij'-procedure voor de landaanwinning is op dit moment slechts voorwaardelijk doorlopen en gebaseerd op de verwachting dat de MKBA een positief resultaat geeft. Gezien de lange doorlooptijd van de ruimtelijke procedures is het van belang de landaanwinning nu ruimtelijk voor te bereiden, een go/no go-besluit kan pas genomen worden als de verwachtingen in de PKB zijn bevestigd.


6. Deelprojecten

In deze paragraaf worden nadere omschrijvingen gegeven van de deelprojecten die het kabinet voorstelt om de dubbele doelstelling van PMR te realiseren: Landaanwinning, 750 hectare natuur- en recreatiegebied en Bestaand Rotterdams Gebied. De omschrijvingen van deze deelprojecten zijn opgesteld mede naar aanleiding van de marktconsultatie en van de verschillende adviezen die het kabinet heeft ontvangen van andere overheden en maatschappelijke organisaties (zie ook paragraaf 7).


7. Overleg met andere overheden en maatschappelijke organisaties
Deze paragraaf behandelt de resultaten van het overleg met lokale en regionale overheden en maatschappelijke organisaties die bij het project betrokken zijn en de adviezen die zij over PMR hebben opgesteld.


8. Vervolgstappen

In deze laatste paragraaf geven wij een kort overzicht van de belangrijkste vervolgstappen van het project Mainportontwikkeling Rotterdam.

Als bijlagen zijn aan deze brief toegevoegd:


* bijlage 1: Uitgangspunten en beoordelingscriteria voor het deelproject Landaanwinning

bijlage 2: Uitgangspunten voor het deelproject 750 hectare natuur- en recreatiegebied

bijlage 3: Mogelijke projecten in bestaand Rotterdams Gebied


* bijlage 4: Het advies van het Overleg Niet-Rijkspartijen1).

2. Proces: koersaanpassing van combinatiemodel naar parallelle aanpak
In april 2000 is door de Werkgroep van de Begeleidingscommissies PMR en ONL-LT (verder 'Werkgroep Begeleidingscommissies' genoemd) geadviseerd de procesrollen die binnen het project zijn te onderscheiden te ontvlechten en de taakverdeling tussen de overheden die aan PMR deelnemen daarop af te stemmen. Tevens heeft de Werkgroep Begeleidingscommissies geadviseerd om de spelregels en procesafspraken die hiermee samenhangen vast te leggen in een bestuursovereenkomst. Dit advies over de aanpak van publiek-private samenwerking bij complexe projecten in het algemeen en in het bijzonder over het Publiek Programma van Eisen bij het Project Mainportontwikkeling Rotterdam is u reeds toegezonden op 22 mei 2000.

Op basis van dit advies is het proces van PMR opnieuw ingevuld. Besloten is om wijzigingen aan te brengen in het eerder gehanteerde combinatiemodel. Dit model was gebaseerd op de gedachte dat een consortium van publieke en private partijen gezamenlijk de Planologische Kernbeslissing-plus (PKB+) zou opstellen die voor het project wordt doorlopen. Ditzelfde consortium zou vervolgens verantwoordelijk zijn voor de verdere planvorming, realisatie en exploitatie. De aanbesteding en gunning zouden plaatsvinden vóór de opstelling van PKB+-deel 1.

De kern van het gewijzigde 'parallelle' model is dat er twee rollen in het Project Mainportontwikkeling Rotterdam worden onderscheiden: de ruimtelijke-ordeningsrol voor het project als geheel en de projectontwikkelingsrol voor de verschillende deelprojecten. In het nieuwe model is de rijksoverheid als eerste verantwoordelijk voor de ruimtelijke-ordeningsrol, terwijl de gemeente Rotterdam en de provincie Zuid-Holland het trekkerschap op zich nemen bij het verder ontwikkelen van de deelprojecten. De ruimtelijke-ordeningsrol en de projectontwikkelingsrol worden langs twee parallelle sporen ingevuld.

Ruimtelijke-ordeningsrol: condities voor uitvoering in PKB+

In de ruimtelijke-ordeningsrol formuleert de rijksoverheid randvoorwaarden op het gebied van inpassing, milieu, leefbaarheid en economie en voor de rolverdeling tussen rijk, andere overheden en private partijen. De randvoorwaarden bakenen het speelveld af, terwijl er voldoende ruimte blijft voor een creatieve inbreng op projectniveau. De randvoorwaarden worden door de rijksoverheid vastgesteld in de procedure van de Planologische Kernbeslissing-plus die voor het project wordt doorlopen. Het gaat daarbij nadrukkelijk niet om besluitvorming over de uitvoering van de projecten zelf, maar over de condities waaronder de projectontwikkeling kan plaatsvinden. Onderdeel van deze procedure is een milieu-effectrapportage en een maatschappelijke kosten-batenanalyse voor de verschillende deelprojecten van PMR.

Zo zal de PKB+ concrete beleidsbeslissingen bevatten over het deelproject Landaanwinning (en de daarvoor benodigde zandwinning) en over de aanleg van 750 hectare natuur- en recreatiegebied. Deze beleidsbeslissingen regelen de directe doorwerking in streek- en bestemmingsplannen. Ook het deelproject Bestaand Rotterdams Gebied zal onderwerp zijn in de PKB+, maar hierover zijn geen concrete beleidsbeslissingen nodig.

Door de PKB+ op hoofdlijnen te formuleren wordt flexibiliteit ingebouwd om wederzijdse conflicten tussen beide sporen zoveel mogelijk te voorkomen en noodzakelijke aanpassingen mogelijk te maken.

In het parallelle model ziet het kabinet af van het gezamenlijk met private partijen opstellen van de PKB+. Dit laat onverlet dat de PMR-partners de deelprojecten van het Project Mainportontwikkeling Rotterdam in een publiek-private samenwerking willen realiseren op basis van dezelfde randvoorwaarden, opgenomen in een Publiek Programma van Eisen, als bij het combinatiemodel. Paragraaf 4 van deze brief gaat nader op deze samenwerking in.

De PKB+ zal een door Rotterdam samen met de stadsregio en de provincie nog nader uit te werken ruimtelijke visie bevatten waarin de strategische hoofdlijnen voor de ontwikkeling van het bestaand Rotterdams gebied en op een lager abstractieniveau ook de specifieke gewenste kwaliteiten van deelgebieden worden beschreven. Hierin zal ook de (ruimtelijke) relatie tot de deelprojecten Landaanwinning en
750 hectare natuur- en recreatiegebied en tot de bestaande plannen voor de regio worden opgenomen.

Projectontwikkelingsrol: uitvoering van projecten

De projectontwikkelingsrol betreft de daadwerkelijke aanbesteding en uitvoering van de deelprojecten. Uitgangspunt voor de projectontwikkelingsrol zijn een Publiek Programma van Eisen en de vertaling daarvan in een meer gedetailleerd bidboek. De verantwoordelijkheid voor de projectontwikkelingsrol ligt bij publieke partijen, te weten: * bij de gemeente Rotterdam voor het deelproject Bestaand Rotterdams Gebied;


* bij de gemeente Rotterdam c.q. bij een eventueel op te richten
exploitatiemaatschappij voor het deelproject Landaanwinning;


* en bij de provincie Zuid-Holland voor het deelproject 750 hectare natuur- en recreatiegebied.

Deze partijen worden de publieke partners in een eventuele publiek-private samenwerking.


3. Borging samenhang ruimtelijke-ordeningsspoor en projectontwikkelingsspoor

Om de samenhang tussen het ruimtelijke-ordeningsspoor en het projectontwikkelingsspoor te waarborgen, spreken de PMR-partners, conform het advies van Werkgroep Begeleidingscommissies, enkele integrale besluitvormingsmomenten af. Ook de deelnemers aan het Overleg Niet-Rijkspartijen van PMR geven in hun advies aan dat een integrale besluitvorming een robuust kader biedt voor de planuitvoering.

Bestuursovereenkomst

Het eerste besluitvormingsmoment is het sluiten van een bestuursovereenkomst waarin de PMR-partners zich binden aan een onderlinge taakverdeling en aanpak bij het verdere projectverloop. De bestuursovereenkomst bevat afspraken over de manier waarop de deelprojecten zullen worden uitgevoerd, over welke publieke partijen waarvoor verantwoordelijk zijn en over de voorwaarden waaronder de gemeente Rotterdam en de provincie Zuid-Holland hun projectontwikkelingsrol vervullen.

Na dit besluitvormingsmoment wordt verder bezien wat het beste moment is voor het starten van aanbestedingsprocedures voor de verschillende deelprojecten. De aanbestedingsprocedures starten op z'n vroegst na het uitkomen van PKB+-deel 1. Dan is er immers pas voldoende inzicht om met projecten verantwoord de markt op te gaan.

Afhankelijk van het tempo waarmee de aanbestedingsprocedures en de ruimtelijke-ordeningsprocedures doorlopen worden, zullen één of twee momenten nodig zijn voor de integratie van de besluitvorming over de specifieke inhoud en over de financiering van (en participatie in) de deelprojecten. In geval de PKB+-deel 4 eerder is afgerond dan de aanbestedingsprocedure (tot en met gunning), kan bij de gunning direct worden overgegaan tot formele binding aan en financiering van projecten. Op grond hiervan kunnen gelden ter beschikking worden gesteld en uitvoeringscontracten gesloten. In geval de aanbestedingsprocedure sneller doorlopen wordt dan de PKB+-procedure, kunnen de projecten alleen worden gegund onder de ontbindende voorwaarde van vaststelling van de PKB+-deel 4. Dan resteert de besluitvorming over financiering van de projecten. Als dit geregeld is, kunnen uitvoeringscontracten worden gesloten.


4. Publiek-private samenwerking

Het Project Mainportontwikkeling Rotterdam biedt goede kansen voor een intensieve samenwerking met private partijen. Hoewel de private partijen niet meer betrokken worden bij het opstellen van de PKB+, zoals in de vorige paragraaf is aangegeven, blijft het streven naar een vorm van publiek private samenwerking (pps) bij alle onderdelen van PMR het uitgangspunt. Het kabinet heeft, mede op basis van de resultaten van de marktconsultatie, de gedachten gescherpt over de wijze waarop private partijen bij PMR betrokken kunnen worden. Die betrokkenheid zal verschillend zijn voor de drie deelprojecten Bestaand Rotterdams Gebied, Landaanwinning en 750 hectare natuur- en recreatiegebied. Het kabinet is van mening dat de kansen op private betrokkenheid bij het deelproject Landaanwinning het grootste zijn.

Publiek-private samenwerking bij de deelprojecten 750 hectare natuur- en recreatiegebied en Bestaand Rotterdams Gebied acht het kabinet eveneens van groot belang. De mogelijkheden daartoe moeten door respectievelijk de provincie Zuid-Holland en de gemeente Rotterdam verder worden verkend en uitgewerkt. Bij de financiering van 750 hectare natuur- en recreatiegebied kan bijvoorbeeld gekeken worden naar de mogelijkheden die hoogwaardig 'groen' bedrijfsterrein en/of luxe woningen aan de randen van het natuur- en recreatiegebied bieden.

Publiek-private samenwerking bij landaanwinning

Het uitgangspunt van het kabinet is dat de rijksparticipatie in de landaanwinning een zo hoog mogelijk rendement moet genereren. Dit vereist, in de visie van het kabinet, een bedrijfseconomische regie over de aanleg en exploitatie van de landaanwinning en een optimale verdeling van het aanleg- en het exploitatierisico tussen publieke investeerders (rijk en gemeente) en de private sector.

Het kabinet heeft daarom enkele modellen opgesteld om de publieke uitgangspunten en de zeggenschapsverdeling te bepalen bij de aanleg en exploitatie van een landaanwinning door een winstgeoriënteerde onderneming:

Een overheids-NV die zowel de bestaande haven als de landaanwinning exploiteert. Voor deze NV is op termijn net als bij de NV Luchthaven Schiphol een privatiseringstraject mogelijk.

Een zelfstandige exploitatiemaatschappij voor de landaanwinning, waaraan naast de gemeente en het rijk ook private partijen kunnen deelnemen.

Een volledig private exploitatiemaatschappij voor de landaanwinning.

Het kabinet is op basis van de resultaten van de marktconsultatie en het overleg met de gemeente Rotterdam tot de conclusie gekomen dat de door het rijk gewenste condities voor een investering in de landaanwinning op dit moment alleen binnen een aparte onderneming voor de aanleg en exploitatie van de landaanwinning gerealiseerd kunnen worden. Een keuze voor het eerste model, één overheids-NV voor de

exploitatie van de gehele haven waarin ook private deelname mogelijk is,

bleek niet haalbaar omdat een gewijzigde meer zelfstandige positionering van

het GHR nu niet bespreekbaar is voor gemeente Rotterdam. Het kabinet is dan ook voornemens het model van een separate exploitatiemaatschappij nader uit te werken (het hierboven genoemde model 2). Een separate exploitatiemaatschappij voor de landaanwinning biedt op de korte termijn de mogelijkheid voortgang te boeken met het verder uitwerken van een PPS-aanpak voor de landaanwinning. Eveneens kan door gemeente en rijk in een niet onomkeerbare constellatie ervaring op worden gedaan met sturing op afstand.

Uit de marktconsultatie blijkt dat private partijen belangstelling hebben voor risicodragende deelname in de aanleg en exploitatie van de landaanwinning. Het lijkt het kabinet verstandig om voorlopig bij een zelfstandige exploitatiemaatschappij de mogelijkheden voor een volledig publieke en een publiek-private variant open te houden. Naast een structurele private deelname in de exploitatie, is binnen die laatste variant ook een tijdelijke risicodragende betrokkenheid in de aanlegfase van de landaanwinning mogelijk. Het Kabinet geeft op dit moment de voorkeur aan het verder uitwerken van een publiek-private exploitatiemaatschappij.

Voor de uiteindelijke vormgeving van de exploitatiemaatschappij moeten nog enkele beslissingen genomen worden, met name over de uitvoering van publieke taken en over de afstemming in het commerciële beheer van de haven.

Een ander vraagstuk bij private betrokkenheid bij de exploitatie van een landaanwinning is hoe de eenheid in het havenbeheer kan worden gewaarborgd wanneer er sprake zou zijn van twee exploitanten: één voor de landaanwinning en één voor het bestaande havengebied. Waarborgen daarvoor kunnen worden ingebouwd via het bestemmingsplan of bij het opstellen van de voorwaarden voor een landaanwinning. Bij de nadere uitwerking van het separate exploitatiemodel zal expliciet aandacht worden besteed aan afstemming en afspraken ook ten aanzien van het uitgiftebeleid die nodig zijn met de beheerder van het bestaande havengebied, het Gemeentelijk Havenbedrijf Rotterdam.


5. Nadere argumentatie voor een landaanwinning: 'nee, tenzij'-beginsel
In 'PMR op Koers' heeft het kabinet een aantal ambities geformuleerd voor het versterken van de mainport Rotterdam, één van de onderdelen van de dubbele doelstelling van het Project Mainportontwikkeling Rotterdam. Het oplossen van het dreigende ruimtetekort in de Rotterdamse haven is wat het kabinet betreft de basis voor het realiseren van deze mainportambities. In het kader van PMR zijn daarvoor drie mogelijkheden onderzocht:

beter benutten van bestaande haven- en industrieterreinen in het Rotterdams havengebied;

benutten van bestaande en voorziene haven- en industrieterreinen in Moerdijk, Vlissingen en Terneuzen;

landaanwinning voor een nieuw haven- en industriegebied in de vorm van uitbreiding van de Maasvlakte.

Landaanwinning: nee, tenzij

Omdat een landaanwinning ter uitbreiding van de Maasvlakte ingrepen omvat die vallen onder de werking van nationale en Europese natuurbeschermingswetgeving, hanteert het kabinet bij het afwegen van deze oplossing voor het ruimtetekort het 'nee, tenzij'-beginsel uit de betreffende wetgeving. Ook in het advies van het Overleg Niet-Rijkspartijen van het project wordt aangedrongen op een zorgvuldige afweging volgens de eisen van het 'nee, tenzij'-beginsel.

Maatschappelijk belang landaanwinning vooral voor deep-sea containers

De afweging volgens het 'nee, tenzij'-beginsel behelst onder meer dat het maatschappelijk nut van de voorgestelde ingreep moet worden aangetoond. In 'PMR op Koers' heeft het kabinet reeds aangegeven dat het oplossen van het ruimtetekort onontbeerlijk is. Voor de ontwikkeling van de mainport Rotterdam is het een voorwaarde dat tijdig ruimte geboden wordt aan de groeisectoren die deze ontwikkeling dragen. Dit zijn met name de sectoren deep-sea containers, aan deep-sea containers gerelateerde distributie en petrochemie.

Uit de marktconsultatie en onderzoek is gebleken dat het ruimtetekort in de haven van Rotterdam zich voornamelijk voordoet bij de op- en overslag van deep-sea containers.

Het Overleg Niet-Rijkspartijen beschouwt de containersector als de strategische drager van de mainportontwikkeling, zowel vanuit maatschappelijk als macro-economisch perspectief. De maatschappelijke noodzaak van een landaanwinning in kader 'nee,tenzij'-afweging betreft volgens het ONR naar verwachting dan ook primair de deep sea-gebonden activiteiten, met de containersector als belangrijkste representant.

De sterk aan de containersector gelieerde groei van de distributiesector vraagt eveneens om extra ruimte. Het gaat daarbij echter om relatief kleinere kavels (ten opzichte van de claims van de containersector) en om een in absolute zin veel kleinere ruimtevraag dan in de containersector. Naar de aard van de bedrijvigheid in de sector kan hiervoor ruimte worden gevonden in haven, stad of achterland. Slechts in uitzonderingsgevallen is vestiging van de distributie in de fysieke nabijheid van de terminals noodzakelijk, teneinde onnodige vervoersstromen te voorkomen.

De analyses tonen aan dat er in de chemiesector belangrijke ontwikkelingen plaatsvinden, waarbij fusies, schaalvergroting en vestiging van gelijksoortige en aanvullende bedrijfsactiviteiten in elkaars nabijheid ('co-siting') de opvallendste zijn. Deze ontwikkelingen leiden naar verwachting in de nabije toekomst echter meer tot wijzigingen van in gebruik zijnde en nog beschikbare ruimte in de bestaande chemische clusters dan tot behoefte aan nieuwe ruimte.

Ook bestaand gebied geen alternatief

Naast een afweging van het maatschappelijk belang, moet volgens het 'nee, tenzij'-beginsel ook worden aangegeven dat er geen andere mogelijkheden zijn om aan het nagestreefde maatschappelijk nut te voldoen. In 'PMR op Koers' heeft het kabinet aangegeven dat het oplossen van het ruimtetekort zal moeten plaatsvinden in de Rotterdamse regio. Voor Vlissingen zijn er kansen in een aantal segmenten van de sector deep-sea containers. Deze vormen echter geen volwaardig alternatief voor de vraag naar ruimte in Rotterdam. Een nauwere samenwerking tussen Vlissingen en Rotterdam, gericht op het benutten van specifieke sterktes zal verder vormgegeven worden. Het stimuleren van deze ontwikkelingen in Zuidwest-Nederland vormt echter geen onderdeel van de PKB+ die voor PMR wordt opgesteld.

Op basis van de huidige inzichten meent het Kabinet dat de ruimtevraag, die gepaard gaat met de groei van de containersector, op termijn niet binnen het bestaand Rotterdams gebied zal kunnen worden opgevangen. Hier zijn nog maar beperkte mogelijkheden voor fysieke uitbreiding van de sector deep-sea containers en voor intensivering binnen bestaande terreinen. Ook de ontwikkeling van de stad in westelijk richting, legt druk op de bestaande haventerreinen. De mogelijkheden om de bestaande haventerreinen intensiever te benutten vindt het kabinet overigens wel van belang. Een nadere uitwerking daarvan is opgenomen in de paragraaf 'Deelprojecten'.

Het Kabinet meent dat op basis van de huidige inzichten voor de groei van de sector deep-sea containers in Rotterdam op termijn onvoldoende alternatief in het bestaande gebied of elders in Zuidwest-Nederland is en dat er daarom tijdig extra ruimte gecreëerd moet worden door middel van een landaanwinning. De nog op te stellen maatschappelijke kosten-batenanalyse zal hierover uitsluitsel geven. Dit zal onderdeel zijn van de PKB-deel 1.

Wat betreft de groei van de chemie, is het kabinet van mening dat de bestaande chemieclusters in Rotterdam, Terneuzen en Moerdijk hierin kunnen voorzien. In geval zich een vraag voordoet naar extra ruimte voor bijvoorbeeld een nieuwe (nafta)kraker, die de cluster in Rotterdam zal kunnen versterken, wordt eerst bezien of in bestaand gebied ruimte te vinden is en wordt daarna vestiging op een landaanwinning overwogen.

Mitigatie en compensatie

Wanneer het maatschappelijk nut en de onmogelijkheid om dit elders te realiseren is aangetoond, moeten volgens het 'nee, tenzij'-beginsel eventuele schadelijke effecten van de voorgestelde maatregelen worden gemitigeerd en/of gecompenseerd. Daarbij

is sprake van 'volgtijdelijkheid': wanneer in het MER wordt geconstateerd dat de

mitigatiemaatregelen de negatieve effecten onvoldoende teniet doen, zullen maatregelen worden getroffen om de resterende effecten te compenseren. In de komende periode zal worden onderzocht op welke wijze het best aan deze mitigatie- en/of compensatieverplichting kan worden voldaan. Ook deze maatregelen zullen deel uitmaken van de PKB+.

Conclusie

Het kabinet is van mening dat voor een landaanwinning, op basis van de huidige informatie, is voldaan aan belangrijke elementen uit de 'nee, tenzij'-afweging.

Dit beginsel behelst immers onder meer dat moet worden aangetoond dat voornemens in beschermde gebieden niet elders kunnen worden gesitueerd. Uit het bovenstaande blijkt dat dit maar in beperkte mate mogelijk is. Een verdere onderbouwing hiervan zal in deel I van de PKB+ worden opgenomen. Volgens het 'nee, tenzij'-beginsel moet ook het maatschappelijk nut van het voornemen worden aangetoond. In 'PMR op Koers' heeft het kabinet reeds aangegeven dat nut en noodzaak van het oplossen van het tekort is aangetoond.

De maatschappelijke kosten-batenanalyse zal hierover uitsluitsel geven. Dit zal onderdeel zijn van de PKB-deel 1. Tenslotte moeten volgens het 'nee, tenzij'-beginsel eventuele schadelijke effecten van de plannen worden gemitigeerd en/of gecompenseerd. In de komende periode zal worden onderzocht op welke wijze het best aan deze mitigatie en/of compensatie verplichting kan worden voldaan. Deze maatregelen zullen deel uitmaken van de Planologische Kernbeslissing-plus.

De wijze waarop aan het 'nee, tenzij'-beginsel wordt voldaan, wordt derhalve in zijn volledigheid in de PKB+ opgenomen. Na afronding van de PKB+-procedure zal de afweging van het 'nee, tenzij'-beginsel voor advies aan de Europese Commissie worden aangeboden.


6. Deelprojecten

Om de dubbele doelstelling van het Project Mainportontwikkeling Rotterdam te realiseren, stelt het kabinet drie deelprojecten voor:

Landaanwinning: een nieuw havengebied ter uitbreiding van de Maasvlakte;


750 hectare natuur en recreatiegebied: grootschalige natuur- en recreatiegebieden dichtbij Rotterdam;

Bestaand Rotterdams Gebied: intensiever benutten van de bestaande havenruimte en verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving.

In eerste instantie is ook nog gekeken naar een deelproject Rijksweg
15. Besloten is om de investeringsbeslissing over RW 15 los te koppelen van het Project Mainportontwikkeling Rotterdam, omdat de congestieproblemen hun belangrijkste oorzaak kennen in de autonome verkeersgroei in de regio. De komst van een landaanwinning leidt weliswaar in de toekomst tot een verdere toename van die congestie, maar is niet de primaire oorzaak.

Hieronder volgen nadere omschrijvingen van de genoemde drie deelprojecten.


6.1 Deelproject Landaanwinning

Het beoogde resultaat van het deelproject Landaanwinning is een nieuw haven- en industrieterrein, aansluitend op het bestaande havengebied (Maasvlakte). Dit nieuwe haven- en industrieterrein biedt ruimte aan deep-sea activiteiten. Het kabinet denkt hierbij aan:

grootschalige container op- en overslag;

deep-sea gerelateerde distributieactiviteiten;

mogelijk een grootschalige (petro-)chemievestiging.

Deze keuze sluit aan op het advies van het Overleg Niet-Rijkspartijen waarin wordt aangegeven dat de landaanwinning bedrijventerrein moet bieden met internationale vestigingskwaliteit voor deep-sea activiteiten.

Niettemin moet het mogelijk blijven dat onder bijzondere omstandigheden en op basis van een zorgvuldige afweging vestiging van niet aan deep-sea gebonden activiteiten op de landaanwinning plaatsvindt. Dit kan het geval zijn wanneer er geen alternatieve locaties beschikbaar zijn en vestiging op de landaanwinning een belangrijke winst voor het leefklimaat elders oplevert (bijvoorbeeld bij grootschalige milieubelastende bedrijven). Het uitgangspunt van het kabinet is dat dit niet ten koste gaat van deep-sea-activiteiten en dat voor niet deep-sea activiteiten de werkelijke kosten van vestiging op de landaanwinning in rekening worden gebracht.

Uitgangspunten en beoordelingsaspecten

Projectvoorstellen van private partijen voor een landaanwinning, moeten voldoen aan internationale, Europese en nationale regelgeving. Daarnaast hebben de PMR-partners voor een landaanwinning een aantal uitgangspunten, waaraan moet in principe worden voldaan. Deze uitgangspunten zijn opgenomen in bijlage 1. De PMR-partners hebben ook beoordelingscriteria opgesteld waaraan een voorstel voor landaanwinning in meer of mindere mate kan voldoen. Deze criteria spelen een rol bij de uiteindelijke keuze voor een bepaald projectvoorstel. De criteria zijn eveneens in de bijlage opgenomen.

Financiering van het deelproject landaanwinning

In PMR op Koers heeft het kabinet aangegeven dat het Rijk er vooralsnog van uitgaat dat in de oplossing van het ruimtetekort zoveel mogelijk door de markt zelf kan worden voorzien. Er dient sprake te zijn van Publiek Private Samenwerking.

Op basis van voorlopige bevindingen van het CPB/NEI gaat het Kabinet er in beginsel vanuit dat landaanwinning rendabel geëxploiteerd kan worden.

Fasering en timing

In zijn algemeenheid moet worden gestreefd naar maximale fasering en flexibiliteit in de uitvoering van een project dat menige jaren beslaat. Een sterk gefaseerde aanleg van een landaanwinning van 1000 ha in bijvoorbeeld vijf fasen van elk 200 ha blijkt technisch mogelijk en is bedrijfseconomisch beduidend voordeliger dan aanleg van twee maal 500 ha. Indien snelle aanleg van de onderscheiden fasen mogelijk is, kan bij de aanleg in beginsel de vraag vanuit de markt worden gevolgd. Dat betekent dat wordt gewacht met de aanleg van een nieuwe fase tot zich een klant aandient. Er wordt in principe niet op voorraad land aangewonnen. Of gelet op de concurrentieverhoudingen en de aard van de marktvraag dit inderdaad mogelijk is, staat voor het kabinet nog niet onomstotelijk vast. Dit zal nog onderwerp zijn van nader onderzoek. Indien het niet mogelijk blijkt om met de aanleg van nieuw terrein de vraag te volgen zonder dat de potentiële klant vanwege een te lange wachttijd zijn belangstelling verliest, biedt een sterk gefaseerde aanleg de mogelijkheid om relatief eenvoudig in een strategische reserve te voorzien, bijvoorbeeld door steeds een fase meer aan te leggen dan op dat moment voor de vraag nodig is.

De vraag wanneer het ruimtetekort zich in de Rotterdamse haven zal voordoen is afhankelijk van diverse veronderstellingen, zoals bijvoorbeeld de verwachte economische groei, de gevraagde tarieven en de omvang van de aan te houden strategische reserve. Het moment van aanleg is afhankelijk van een aantal factoren. Dit zal onderwerp zijn van nader onderzoek komende periode.

Nader onderzoek ten behoeve van landaanwinning

De diverse aspecten verbonden aan de financiering, fasering en timing van het deelproject landaanwinning zal in de tweede helft van dit jaar nog onderwerp van onderzoek zijn, binnen de maatschappelijke kosten-batenanalyse. Daarbij komt ook een analyse van de invloed van prijsverhogingen op de bedrijfseconomische en maatschappelijke rentabiliteit aan de orde, en ook zaken als: de haventoegang, de eventueel benodigde extra reserveruimte en in samenhang daarmee het aanvangsjaar van aanleg. Tevens zal dan ook het effect van reële prijsstijging van de grond in Rotterdam en concurrerende

havens, respectievelijk tariefstijgingen voor de containeroverslag kunnen worden meegenomen.


6.2 Deelproject 750 hectare natuur- en recreatiegebied
Wanneer besloten wordt tot een landaanwinning, wil het kabinet tevens 750 hectare natuur- en recreatiegebied realiseren, liefst dichtbij Rotterdam. Dit deelproject levert wat het kabinet betreft een belangrijke bijdrage aan het realiseren van de doelstelling om in het kader van de ruimtelijke ontwikkeling van de mainport Rotterdam tevens de kwaliteit van de leefomgeving en het vestigingsklimaat in en rond de haven te verbeteren.

Verdeling van de 750 hectare natuur- en recreatiegebied over meerdere locaties Met het deelproject 750 hectare natuur- en recreatiegebied beoogt het kabinet een substantiële impuls voor het leefklimaat en het (internationale) vestigingsklimaat van de Rotterdamse regio. Versnippering van de 750 hectare over meerdere locaties zou sterk afbreuk doen aan dat effect. Dit neemt niet weg dat het opnemen van een enkel groenproject in de Noordrand van Rotterdam in het kader van de 750 hectare bespreekbaar is. De primaire keuze van het kabinet is dat een substantieel deel van de 750 hectare in Midden-IJsselmonde gesitueerd wordt. Ook de ANWB, Vereniging Natuurmonumenten en Zuid-Hollands Landschap hebben in '750 hectare rust, ruimte en groen dichtbij Rotterdam' hun voorkeur voor deze locatie uitgesproken (zie ook paragraaf 7). Midden-IJsselmonde biedt goede mogelijkheden voor het realiseren van een aaneengesloten gebied met een forse omvang in de directe nabijheid van Rotterdam, dat daarmee via het Zuidelijk Randpark en het Zuiderpark goed kan worden verbonden. Beoogd resultaat van het deelproject 750 hectare natuur- en recreatiegebied In het natuur- en recreatiegebied dat het kabinet in Midden-IJsselmonde voor ogen staat, zal ruimte zijn voor natuurlijke dynamiek en voor zowel intensieve als extensieve recreatie. Toelaten van de getijdenwerking van de Oude Maas in het thans binnendijks gelegen gebied wordt daarbij overwogen, afhankelijk van het draagvlak, de nog op te stellen milieu-effectrapportage, de kosten en de beschikbare middelen. Met zo'n ingreep zou het te realiseren natuur- en recreatiegebied in zuidwaartse richting in toenemende mate de kenmerken van een getijdenlandschap vertonen, een uitvoering waar ook in het advies van ANWB, Natuurmonumenten en Zuid-Hollands Landschap op wordt aangedrongen. Het natuur- en recreatiegebied zal goede verbindingen hebben met het stedelijke gebied. De invulling van het gebied zal een veelheid aan recreatiemogelijkheden opleveren. Deze variëren van stedelijke recreatievormen in het Zuiderpark, intensieve vormen van dagrecreatie in de overgangszone en op de natuur gerichte recreatievormen in het direct aan de Oude Maas gelegen deel. Compensatie landaanwinning en 750 hectare Het kabinet gaat er vooralsnog van uit dat in het deelproject 750 hectare natuur- en recreatiegebied tevens de wettelijke compensatiemaatregelen zijn begrepen die in het kader van het 'nee, tenzij'-beginsel bij een landaanwinning wettelijk vereist zijn. Dit zou dan betekenen dat de omvang van eventuele compensatie in mindering wordt gebracht op de 750 hectare (par. 7). Er bestaat echter nog onvoldoende inzicht in de aard en omvang van het verlies van natuurwaarden en de daarvoor benodigde compensatiemaatregelen bij een landaanwinning. Het is mogelijk dat de schade gering is, vanwege een voor natuur en recreatie optimaal ontwerp voor de landaanwinning. Maar het kan ook een aanzienlijke aantasting betreffen. Op dit moment worden de compensatiemaatregelen uitgewerkt aan de hand van een referentieontwerp voor een landaanwinning. De verwachting is dat de uitkomst hiervan voldoende handvatten biedt om wat betreft de standpunten over compensatie en 750 hectare natuur- en recreatiegebied nader tot elkaar te komen. Voorlopig gaat het Kabinet er daarom bij de uitwerking van het deelproject van uit dat de 750 hectare natuur- en recreatiegebied zoveel mogelijk wordt gerealiseerd nabij de stad, ter vergroting van de leefbaarheid, zoals ook is aangegeven in PMR op Koers. Fasering 750 hectare natuur- en recreatiegebied Het kabinet legt een koppeling tussen zowel het aanlegbesluit als de fasering van de deelprojecten Landaanwinning en 750 hectare natuur- en recreatiegebied. Dit betekent dat de landaanwinning en de 750 hectare natuur- en recreatiegebied in principe in hetzelfde tempo worden aangelegd. Het voorbereiden van de aanleg van beide deelprojecten zal dus gelijktijdig van start moeten gaan. Het realiseringstraject van 750 hectare natuur- en recreatiegebied wijkt echter af van het traject dat voor een landaanwinning wordt doorlopen. Zo dient bij de 750 hectare de mogelijkheid te bestaan om snel in te kunnen spelen op ontwikkelingen die zich op de grondmarkt voordoen. Dit is een aspect dat ontbreekt bij de landaanwinning. Daarnaast behoeft de fasering van 750 hectare in tegenstelling tot die van landaanwinning niet uitsluitend gebaseerd te zijn op het telkens toevoegen van een deel van de oppervlakte.Voor het koppelen van de fasering van de twee deelprojecten kan bij de 750 hectare natuur- en recreatiegebied ook gedacht worden aan een fasering in kwaliteit. Op die manier kan gestart worden met een basisvoorziening (over een deel of het gehele gebied) waaraan steeds kwaliteiten worden toegevoegd. De provincie Zuid-Holland werkt dit nader uit. Uitgangspunten voor het deelproject 750 hectare natuur- en recreatiegebied

De uitgangspunten van het deelproject 750 hectare natuur- en recreatiegebied zijn opgenomen in bijlage 2. Een deel hiervan is toegesneden op de locatie Midden-IJsselmonde.

Financiering van het deelproject 750 hectare natuur- en recreatiegebied Voor de financiering van het deelproject 750 hectare natuur- en recreatiegebied is eerst meer duidelijkheid over de locatie nodig. Bij het verder uitwerken van de voorstellen voor het deelproject worden de mogelijkheden voor publiek-private samenwerking meegenomen. 6.3 Deelproject Bestaand Rotterdams Gebied Rotterdamse plannen Vooruitlopend op het advies van de Werkgroep Begeleidingscommissies over ontvlechting van rollen, heeft de gemeente Rotterdam het deelproject Bestaand Rotterdams Gebied verder uitgewerkt. De nota 'Vervolgstappen Bestaand Rotterdams Gebied' die bij de brief van 22 maart 2000 aan de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat is toegezonden, is daarbij als uitgangspunt genomen. Zoals gemeld in paragraaf 2 over de taakverdeling bij het vervolgproces, wordt de gemeente Rotterdam eindverantwoordelijk voor het te behalen resultaat in het bestaande havengebied. Voor zover de eindverantwoordelijkheid voor een projectactiviteit niet bij de gemeente Rotterdam ligt, bijvoorbeeld omdat realisatie op het terrein van een andere gemeente moet plaatsvinden, sluit de gemeente Rotterdam een uitvoeringscontract af met de partijen die de verantwoordelijkheid wel hebben. De gemeente Rotterdam wil het programmabeheer van de projectactiviteiten in bestaand Rotterdams gebied neerleggen bij ROM-Rijnmond. Ambities voor bestaand Rotterdams gebied De projectactiviteiten in het bestaande havengebied moeten een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de dubbele doelstelling van PMR. Enerzijds gebeurt dit door intensivering en optimalisatie van het ruimtegebruik waardoor in de toekomst in de bestaande haven meer en betere ruimte is voor economische activiteiten. Anderzijds zullen op de leefbaarheid gerichte projecten in het bestaand Rotterdams gebied een belangrijke bijdrage leveren aan het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving.

Intensivering ruimtegebruik

Een betere benutting van de bestaande havenruimte kan bereikt worden door intensivering van tankopslagcapaciteit, hergebruik van voormalige raffinageterreinen en dempingen en stimulering van een hogere ruimteproductiviteit in de containersector. Daarnaast zal bodemsanering van oude haventerreinen gefaciliteerd kunnen worden om vrijkomende ruimte sneller beschikbaar te krijgen voor hergebruik.

Bij een intensivering van havenactiviteiten in het bestaande gebied, zullen de diverse deelgebieden van de bestaande haven zich verschillend ontwikkelen. Zo is de ontwikkeling van bedrijvigheid op de bestaande Maasvlakte vooral gericht op verdergaande concentratie van de deep-sea containeractiviteiten. De bestaande structuur van Europoort, Botlek en Vondelingenplaat, waarin (petro)chemie-activiteiten overheersen, zal in de toekomst versterkt worden. Door co-siting kan deze sector een bijdrage leveren aan de gewenste optimalisatie en intensivering. Ook nieuwe vestigingen op de herwonnen terreinen kunnen deze structuur versterken. Het oostelijke havengebied vormt de grens tussen haven en stad. Vanuit het perspectief van de haven zullen daar op langere termijn naar verwachting onvoldoende condities aanwezig zijn voor de activiteiten die daar nu plaatsvinden, zoals de op- en overslag van containers. Bovendien is vanuit het perspectief van de stad op langere termijn waarschijnlijk aanleiding om tot wijziging van de huidige functies naar stedelijke woon- en werkfuncties over te gaan. Dat zal tot een geleidelijke herstructurering van het gebied leiden.

Globaal bezien kent het huidige havengebied in het oostelijk deel relatief meer kleinschalige en arbeidsintensieve bedrijvigheid en het westelijk deel relatief meer grootschalige en arbeidsextensieve bedrijvigheid. Vestiging van arbeidsintensieve werkgelegenheid zo dicht mogelijk bij de stad levert een bijdrage aan de versterking van de sociaal-economische structuur van de stad. Arbeidsintensief werk dichtbij bij de stad en arbeidsextensief werk in het westelijk havengebied heeft tevens gunstige effecten op het terugdringen van de mobiliteit (minder woon-werkverkeer). De hierboven geschetste toekomstbeelden voor delen van het havengebied sluiten aan bij deze oost-westverdeling.

Intensivering en milieu

Bij het intensiveren en optimaliseren van het ruimtegebruik vormen de wettelijke milieueisen de belangrijkste randvoorwaarde. In bestaand Rotterdams gebied schiet op enkele plaatsen op de grens tussen haven en stad de milieukwaliteit tekort. De autonome ontwikkeling en verdere intensivering van het ruimtegebruik in de haven zullen de druk op het milieu vergroten. Het betreft met name geluidsproblemen, maar lokaal kan luchtkwaliteit ook een probleem vormen. De oorzaak van een tekortschietende milieukwaliteit ligt niet alleen bij bedrijven, maar ook bij het wegverkeer. Aanpak van geluidshinder van verkeer en bedrijven kan de overlast voor omwonenden verminderen en in sommige gevallen ook de gebruiksbeperkingen op terreinen (deels) opheffen. Uitgangspunt is dat ook bij intensiever gebruik van het havengebied de hinder en uitstoot binnen de overeengekomen normen moeten blijven.

Daar waar zich een combinatie van knelpunten voordoet en dit niet via het generieke beleid kan worden opgelost, zal via een zogeheten gebiedsgerichte benadering naar oplossingen worden gestreefd. Dit leidt tot een differentiatie in de omgevingskwaliteiten. Hierbij wordt gebruik gemaakt van methoden als 'stad en milieu' en 'milieu op z'n plek'. In PKB+-deel 1 zal worden aangegeven op welke wijze inhoud wordt gegeven aan een gebiedsgerichte aanpak in en om bestaand Rotterdams gebied.

Verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving

Binnen het deelproject Bestaand Rotterdams Gebied zullen ook projectactiviteiten worden ontwikkeld die specifiek gericht zijn op het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving. Dit kunnen maatregelen zijn om de milieukwaliteit te verbeteren, maar ook kleinschalige groene aankledingen van de directe leefomgeving en verbeteren van de (toeristisch-recreatieve) bereikbaarheid behoren tot de voorstellen.

Mogelijke projectactiviteiten in Bestaand Rotterdams Gebied

De gemeente Rotterdam heeft op basis van de nota 'Vervolgstappen BRG' een aantal mogelijke projectactiviteiten en maatregelen op een rij gezet die een evenwichtige invulling kunnen geven aan de ambities voor het bestaande havengebied van het kabinet en de andere PMR-partners. Het is goed mogelijk dat de projecten die uiteindelijk gerealiseerd worden andere zijn dan de lijst die als bijlage is opgenomen. Er kunnen projecten afvallen en andere projecten bijkomen. Daarbij moet een positief effect op de kwaliteit van de leefomgeving 'per saldo' aanwezig blijven. De projecten in het bestaande havengebied zullen aanvullend zijn op het bestaande ROM-Rijnmondconvenant.

Financiering van projectactiviteiten in bestaand Rotterdams gebied

Het kabinet meent dat de gemeente Rotterdam de primaire verantwoordelijkheid heeft voor het benutten van bestaand Rotterdamse gebied. De gemeente Rotterdam toont zich bereid te investeren in het bestaande gebied. Het Gemeentelijk Havenbedrijf

Rotterdam (GHR) zal in de bedrijfsvoering verschillende projecten opnemen die ruimte creëren, dan wel de beschikbare ruimte intensiever benutten. Ook voert de gemeente Rotterdam enkele projecten uit die de kwaliteit van de leefomgeving in het gebied vergroten. De gemeente Rotterdam zal aangeven wat de kosten van de projectactiviteiten in bestaand Rotterdams gebied zijn en welke bijdrage die leveren aan het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving. Het kabinet gaat er vooralsnog vanuit dat de gemeente Rotterdam als trekker voor de projecten gericht op het maximaal benutten van bestaand gebied ook de eerst aangewezen partij is om de financiering te regelen. Voor de uitvoering van projecten in het kader van bestaand Rotterdams gebied kan de gemeente Rotterdam desgewenst gebruik maken van de bestaande reguliere subsidiemogelijkheden.

Het Project Mainportontwikkeling Rotterdam kent een sterke onderlinge samenhang tussen de verschillende deelprojecten. Die samenhang dient ook in de besluitvorming over de financiering tot uitdrukking te komen. Vorm en omvang van rijksbijdragen voor de verschillende onderdelen van het project zullen niettemin moeten variëren met de specifieke verantwoordelijkheden van betrokken (overheids)partijen.


7. Overleg met andere overheden en maatschappelijke organisaties
Het kabinet heeft ervoor gekozen de plannen voor het Project Mainportontwikkeling Rotterdam in nauw overleg met de betrokken maatschappelijke organisaties en andere overheden uit te werken. Op die manier wordt er niet alleen draagvlak voor de plannen gecreëerd, maar wordt ook gebruikgemaakt van de inzichten en kennis die bij deze organisaties aanwezig zijn.

Op gezette tijden overlegt het kabinet daarom over het PMR-project in het zogeheten Topberaad, onder leiding van een onafhankelijk voorzitter, met vertegenwoordigers van de ANWB, Consept, FNV, Nederland Distributieland, Stichting Natuur en Milieu, Unie van Waterschappen, Vereniging Natuurmonumenten, VNO-NCW, de provincie Zuid-Holland, de stadsregio Rotterdam en de gemeente Rotterdam. Deze partijen voeren bovendien eigen overleg onder leiding van een onafhankelijk voorzitter in het kader van het Overleg Niet-Rijkspartijen (ONR).

Overleg Niet-Rijkspartijen

Op 21 juni j.l. heeft het ONR een advies over het Project Mainportontwikkeling Rotterdam uitgebracht, dat als bijlage bij deze brief is gevoegd. Het advies is het resultaat van een intensief onderhandelingsproces tussen alle ONR-partners. Het ONR is erin geslaagd draagvlak te verkrijgen bij maatschappelijke organisaties en gebruik te maken van de expertise bij deze organisaties.

Op basis van een aantal verwachtingen en aannamen (onder meer betreffende de nog uit voeren maatschappelijke kosten-batenanalyse van de verschillende deelprojecten) komt het ONR tot een advies over:

de strategische overwegingen, die de basis voor de besluitvorming moeten vormen;

de implementatievraagstukken;

de eisen per deelproject.

De strategische overwegingen, die volgens het ONR de basis van de besluitvorming moeten vormen, worden door het kabinet onderschreven. Dit betreft ondermeer de gewenste integrale besluitvorming over het Project Mainportontwikkeling Rotterdam, het hanteren van de het zogeheten 'nee, tenzij'-beginsel en de prominente rol van deep-sea containeractiviteiten op de landaanwinning. In de Startnotitie en in 'PMR op Koers' heeft het kabinet in de doelstelling voor PMR de reikwijdte aangegeven en gemeld dat voor een kwaliteitsverbetering van de leefomgeving de mogelijkheden zullen worden benut dit het oplossen van het ruimtetekort biedt. Het kabinet houdt daar aan vast. Voor het treffen van andere maatregelen is ROM-Rijnmond een geschikter kader.

De leefbaarheidsdoelstelling is volgens het ONR gekoppeld aan de verbetering van het vestigingsklimaat. Dit is gestoeld op de brede zorg van ONR-partijen voor enerzijds leefbaarheidsaspecten verbonden aan de havenactiviteiten en anderzijds de absolute noodzaak te komen tot verbetering van het vestigingsklimaat. Op die manier is er eerder sprake van één geïntegreerde doelstelling (dubbele impuls genoemd) en daarmee dus ook van een grotere reikwijdte van de projectdoelstelling. Dit ook conform de basis van ROM Rijnmond.

Het kabinet heeft kennis genomen van deze opvatting, maar ziet geen aanleiding om de projectdoelstelling thans te verbreden. Voorts heeft het kabinet een andere opvatting dan het ONR over de relatie tussen de aanleg van de 750 hectare natuur- en recreatiegebied en de mogelijke compensatieverplichting bij een landaanwinning, voortvloeiend uit Europese en nationale regelgeving op het gebied van natuurbescherming. In paragraaf
6.2 van deze brief is beschreven hoe het kabinet deze relatie ziet.
Volgens het ONR betekent een bredere reikwijdte van de projectdoelstelling dat de 750 ha natuur- en recreatiegebied het karakter van een zelfstandig deelproject zou moeten krijgen. Het natuur- en recreatiegebied, met daarbij de door het ONR voorgestelde koppeling aan een bedrijvenpark en eventueel woningbouw, draagt zelfstandig bij aan het vestigings- en leefklimaat. In dit kader spreekt het ONR over een gelijkwaardige doelstelling. Het moet volgens het ONR dan ook los worden gezien van het compensatievraagstuk, dat direct is gekoppeld aan de landaanwinning.

Het kabinet wil deze zaken graag op korte termijn doorspreken met het Overleg Niet-Rijkspartijen. Daartoe zal nog voor het Algemeen Overleg een Topberaad worden georganiseerd van de vijf betrokken ministers met de bestuurders van de ONR-partijen.

Visie en Durf

De gemeente Rotterdam, Consept, de Vereniging Natuurmonumenten en de Stichting Natuur en Milieu hebben onlangs onder de titel 'Visie en Durf' een gezamenlijk advies uitgebracht en aangeboden aan het Bestuurlijk Overleg Mainport Rotterdam. Gemeente en natuur- en milieuorganisaties zijn het eens geworden over een gezamenlijk commitment aan een samenhangend pakket maatregelen, wanneer na het doorlopen van de 'nee, tenzij'-afweging gekozen wordt voor een landaanwinning. Het kabinet waardeert het zeer dat partijen zich hebben ingespannen om belangentegenstellingen te overbruggen. In de komende periode zal moeten worden bezien in hoeverre dit commitment wordt gedeeld door de andere partijen in het Overleg Niet-Rijkspartijen. In dit licht is de visie op de financiering van projecten zoals die nog door het ONR zal worden ontwikkeld een belangrijk aandachtspunt. Het kabinet zal hier terdege kennis van nemen bij de voorbereiding van PKB+-deel 1.


750 hectare rust, ruimte en groen dichtbij Rotterdam
ANWB, de Vereniging Natuurmonumenten en Zuid-Hollands Landschap hebben een voorstel gedaan voor de aanleg van 750 hectare natuur- en recreatiegebied op Midden-IJsselmonde. Het voorstel van deze organisaties sluit goed aan bij de plannen die het kabinet in deze brief presenteert. Een aantal van de uitgangspunten voor dit deelproject, die als bijlage bij deze brief zijn opgenomen, zijn rechtstreeks ontleend aan de inbreng van de drie organisaties. Het voorstel van ANWB, de Vereniging Natuurmonumenten en Zuid-Hollands Landschap is op 22 maart 2000 gestuurd aan de Vaste Kamercommissie voor Verkeer en Waterstaat.


8. Vervolgstappen

In onze brief aan u van 17 maart 2000 (TK 1999-2000, 24691, nr 16) hebben wij op uw verzoek voorgesteld om een basisrapport PMR op te stellen in het kader van de Wet Grote Projecten. Als mogelijk ijkmoment was het eerstvolgende politiek beslismoment medio juni 2000 genoemd. Dit zal verschuiven tot het moment dat de bestuursovereenkomst (inclusief een Publiek Programma van Eisen) aan u wordt voorgelegd. Het basisrapport zal dan ook verschijnen. Beide documenten wil de projectminister van Verkeer en Waterstaat dan met u bespreken.

Het kabinet streeft ernaar om aan het eind van 2000 een besluit te nemen over PKB+-deel 1 en het bijbehorende MER. Op PKB+-deel 1 zal inspraak plaatsvinden waarna in het voorjaar van 2001 de resultaten van de inspraak en advies in PKB+-deel 2 samengevat zullen worden. Naar verwachting zullen voor de zomer van 2001 dan een definitief kabinetsstandpunt en een nota van toelichting gereed zijn (PKB+-deel 3). Eind 2001 zal dan de uiteindelijke beslissing over de toegestane oplossingen voor het ruimtetekort in de haven van Rotterdam en voor het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving worden genomen (PKB+-deel 4). Tegen het besluit in PKB+-deel 4 staat beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Wij hopen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT EN PROJECTMINISTER VAN HET PROJECT MAINPORTONTWIKKELING ROTTERDAM,

Netelenbos

DE MINISTER VAN FINANCIËN,

Zalm

DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ,

G.H. Faber

DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN,

Jorritsma-Lebbink

DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER,

J.P. PronkBijlage 1

Uitgangspunten en beoordelingscriteria voor het deelproject Landaanwinning

De PMR-partners hebben een aantal uitgangspunten en beoordelingscriteria voor het deelproject Landaanwinning opgesteld. Aan de uitgangspunten moet in principe worden voldaan, de beoordelingscriteria spelen een rol bij de uiteindelijke keuze voor een bepaald projectvoorstel.

Uitgangspunten voor projectvoorstellen van private partijen

Locatie en omvang

De zoeklocatie voor de landaanwinning is de Noordzee ten westen van de bestaande Maasvlakte. De zuidelijke grens van de zoeklocatie is de 'demarcatielijn', een bestuurlijke afspraak over de begrenzing van het haven- en industriegebied. De Maasgeul is de noordelijke grens van de zoeklocatie.

De omvang van het nieuwe terrein bedraagt 1000 hectare netto haven- en industriegebied en moet uitbreidbaar zijn.

De landaanwinning moet faseerbaar zijn, mede afhankelijk van ontwikkelingen in de markt. Gelet op eerdere besluitvorming in het kabinet zou er na realisering van ca. 500 ha. landaanwinning een tussentijdse evaluatie worden uitgevoerd; hierbij zou met name naar de mogelijkheden in Zuidwest-Nederland worden gekeken.

Veiligheid

Alle veiligheidseisen gelden elke fase van realisering en tijdens eventuele overgangsfasen.

De inrichting van de landaanwinning en de transportroutes moeten aan de normen van het individuele risico (grenswaarde) en groepsrisico (oriënterende) waarde voldoen.

Ook de voorstellen voor het aanleggen van infrastructuur voor ondergronds vervoer moeten op veiligheid worden getoetst.

De landaanwinning functioneert onder een integraal veiligheidsplan waarbij de externe veiligheid, sociale veiligheid, brandweer en ziekenhuisdiensten gewaarborgd zijn conform vigerende Nederlandse regelgeving.

Voor de bescherming tegen overstromingen geldt het minimale veiligheidsniveau van alle haventerreinen van1/10.000; dit is de jaarlijkse kans op het overschrijden van een bepaalde waterstand. Van dit veiligheidsniveau kan worden afgeweken wanneer met een integrale veiligheidsbeschouwing, waarbij een technisch-economisch optimum wordt gezocht tussen investeringskosten en schaderisico, wordt aangetoond dat dit andere veiligheidsniveau voldoende is.

Bereikbaarheid

De bereikbaarheid voor alle modaliteiten mag ten opzichte van de huidige situatie niet verslechteren. Bepalend voor de toegankelijkheid voor de zeescheepvaart is een diepe en snelle toegang voor de te verwachten diepstekende containerschepen. Aanpassingen voor schepen met een diepgang van tenminste 19 meter moeten daarom mogelijk blijven.

De ontsluiting aan de landzijde van de landaanwinning moet voor alle modaliteiten aansluiten op de bestaande infrastructuur in het havengebied.

De afmetingen van de vaargeulen moeten een veilige en efficiënte afwikkeling van een gecombineerde zee- en binnenvaart mogelijk maken.

Bij de lay-out van de wegen zijn de ROA- en RONA-richtlijnen van het CROW en de verkeerswet uitgangspunt. De principes van het beleid 'Duurzaam Veilig' moeten worden toegepast.

Er moet voldoende ruimte worden gereserveerd voor pijpleidingen voor de (petro-) chemische industrie en voor openbare multi core / multi user pijpleidingen.

Natuur en milieu

De bestaande natuurwaarden van de Voordelta c.a. worden in stand gehouden. Hierbij moet het te wijzigen spuiregime van de Haringvlietsluizen mede in beschouwing worden genomen.

De zandwinning, het zandtransport en de zandstort moeten plaatsvinden op een verantwoorde wijze en overeenkomstig de uitkomst van de belangenafweging in het kader van de ontgrondingenwet en de m.e.r.-procedure.

Aanleg, beheer en onderhoud

Bij de vormgeving van de landaanwinning moet rekening worden gehouden met internationale, Europese en nationale regelgeving.

Er ontstaan als gevolg van de landaanwinning geen veranderingen in de onderhoudskosten voor degene voor wiens rekening momenteel het routeringsysteem komt van de Maas, de havenmond, de havenbekkens en de waterkeringen. Wijzigingen hierin komen voor rekening van het project.

Beoordelingscriteria voor projectvoorstellen van private partijen

Ontwerp - toegankelijkheid

Er moet voldoende ruimte worden gereserveerd voor een goede aansluiting op de bestaande vaarwegen en spoorinfrastructuur.

Binnenvaartwegen moeten geschikt zijn voor 6-baks duwvaart en ook bij hoog water een doorvaarthoogte hebben conform Rijnvaarthoogte.

Ontwerp - veiligheid

Er is een heldere structuur van vaarwegen voor de zee- en binnenvaart, zodanig dat anticiperende verkeersbegeleiding mogelijk is.

Het golfklimaat en de stroomsnelheid in het binnenhavengebied zijn acceptabel voor een veilige en betrouwbare nautische dienstverlening, een goede bereikbaarheid voor binnenschepen en een commercieel verantwoorde op- en overslag aan de kaden.

Evacuatie van het gebied moet binnen een voor de regionale brandweer acceptabele tijd mogelijk zijn.

Ontwerp - ligging en vormgeving

Het beoogde resultaat van het deelproject Landaanwinning is een nieuw haven- en industrieterrein, aansluitend op het bestaande havengebied (Maasvlakte). Dit nieuwe haven- en industrieterrein biedt ruimte aan deep-sea activiteiten, te weten:

grootschalige container op- en overslag;

deep-sea gerelateerde distributieactiviteiten;

mogelijk een grootschalige (petro-)chemievestiging.

Het blijft niettemin mogelijk dat onder bijzondere omstandigheden en op basis van een zorgvuldige afweging vestiging van niet aan deep-sea gebonden activiteiten op de landaanwinning plaatsvindt. Dit kan het geval zijn wanneer er geen alternatieve locaties beschikbaar zijn en vestiging op de landaanwinning een belangrijke winst voor het leefklimaat elders oplevert (bijvoorbeeld bij grootschalige milieubelastende bedrijven).

De landaanwinning heeft een goede landschappelijke inpassing.

De kust van de huidige Maasvlakte en Slufterdam heeft een belangrijke recreatieve functie in de regio Rijnmond. Een nieuwe kust moet tenminste in dezelfde recreatieve mogelijkheden voorzien.

In de huidige situatie wordt het haven- en industriegebied aan de zuidzijde begrensd door een natuurgebied met recreatief medegebruik. Het is wenselijk om deze opbouw bij elk ontwerp door te zetten waarbij de kansen om tot natuurontwikkeling bij te dragen ten volle moeten worden benut.

Het kustontwerp moet rekening houden met de veerkracht van het kustsysteem. De invloed van het ontwerp op het kustonderhoud en de benodigde zandsuppletie moeten zo minimaal mogelijk zijn.

De mogelijke compensatie voor het verlies van visgebieden mag niet leiden tot een toename van de visserijdruk in de overblijvende visgebieden.

Aanleg

De uitvoering van de werken mag niet meer dan een minimale verstoring van natuurwaarden veroorzaken als gevolg van vertroebeling, ontgronding of opspuiting.

De uitvoering van de werken mag de veiligheid, snelheid en betrouwbaarheid van het scheepvaartverkeer niet nadelig beïnvloeden.

Haven- en industriële activiteiten mogen slechts minimale hinder ondervinden van de aanlegwerkzaamheden.

De benodigde werkterreinen mogen slechts minimale hinder veroorzaken voor omwonenden, voor het gebruik van de bestaande infrastructuur en voor de haven- en industriële activiteiten.

Het bouwtempo moet zoveel mogelijk afgestemd zijn op de eisen van de sectoren waar de nieuwe haventerreinen voor zijn bedoeld.

De winning van het zeezand gebeurt in principe buiten de -20 m NAP-lijn en bij voorkeur op plaatsen waar synergie kan worden bereikt met andere baggerwerkzaamheden. De uitvoering is zodanig, dat dit geen of slechts tijdelijk inbreuk maakt op huidige gebruiksfuncties en geen belemmering vormt voor toekomstige gebruiksfuncties. Gestreefd wordt naar minimale schadelijke effecten op cultuurhistorisch en aardkundig waardevolle gebieden ter plaatse van de zandwinning en elders, en een zodanige wijze van uitvoeren dat kustveiligheid en ecologisch herstel gewaarborgd zijn.

Inrichting en beheer - afhandeling zeescheepvaart

Het uitbreiden van de systemen voor verkeersbegeleiding van de scheepvaart is onderdeel van het project. Uitgangspunt is dat de verkeersbegeleiding op het huidige niveau gehandhaafd blijft en ook gaat gelden voor de aan te leggen havenbekkens en voor de aanloop van de nieuwe havenmond.

De huidige snelle afwikkeling van zeescheepvaart, short sea, binnenvaart en spoorvervoer is maatgevend voor de nieuwe haventerreinen. Hiervoor moeten voldoende ruimte en faciliteiten worden gereserveerd.

In het op te stellen projectplan moet er duidelijkheid zijn over het op diepte houden van de toegangsgeul in de Noordzee, de bestaande havenmond en havenbekkens en het nieuwe havengebied.

Inrichting en beheer - afhandeling overig verkeer en vervoer

Het logistieke concept van de landaanwinning streeft naar zoveel mogelijk synergie tussen het bestaande en het nieuwe havengebied en een voor het milieu zo gunstig mogelijke modal split (procentuele verdeling van vervoerwijzen). Hiervoor moeten verkeersprognoses en de daarbij behorende berekening van de modal split gegeven worden.

Verkeersproblemen die door distributie-activiteiten op de landaanwinning veroorzaakt zouden worden, moeten door de betrokken partijen zelf worden voorkomen of opgelost. Een betrouwbare - en zo mogelijk congestie vrije - afwikkeling van het wegvervoer moet primair bereikt worden door een optimale benutting van de weginfrastructuur en een goede aansluiting op de intermodale knooppunten.

Inrichting en beheer - milieu en ruimte

De inrichting van de landaanwinning heeft een optimale gebruiks-, toekomst- en belevingswaarde. Daartoe behoort in ieder geval de mogelijkheid tot clustering van petrochemische bedrijven en van de containersector. Mogelijkheden voor industriële ecologie moeten optimaal benut worden (bedrijfsvoering gericht op gemeenschappelijke energie- en grondstofvoorzieningen en het benutten van restwarmte en restproducten, met name van toepassing in de (petro)chemie).

Clustering van containerterminals is gericht op het verkrijgen van gebundelde goederenstromen voor short sea, binnenvaart en spoor en op het verminderen van het transport tussen de terminals.

De dimensionering van de terminals is zodanig dat de doorzet van deep-sea naar short sea, binnenvaart en spoor sneller en tegen lagere kosten uitgevoerd kan worden dan in de concurrerende havens. In het op te stellen projectplan moet worden aangegeven welke verschuiving in wijze van vervoer (modal shift) hierdoor bereikt kan worden.

Bedrijven dienen te beschrijven hoe zij fysiek vorm willen geven aan industriële ecologie en energiebeheer op de landaanwinning.

Beheer en onderhoud - veiligheid

De afhandeling van het scheepvaartverkeer (zeescheepvaart en binnenvaart) in het nieuwe havengebied is wat betreft veiligheid tenminste gelijkwaardig aan de huidige situatie.

In het op te stellen projectplan moet een integrale veiligheidsbeschouwing worden aangeleverd. In deze veiligheidsbeschouwing wordt onder meer aangegeven wie de uiteindelijke verantwoordelijkheid heeft voor het in stand houden van de veiligheid, tijdens de aanleg en exploitatie en na de exploitatie.

Bijlage 2 Uitgangspunten voor het deelproject 750 hectare natuur- en recreatiegebied

Locatie en ontwerp

Het centrum van het gebied ligt niet verder dan 10 tot 15 kilometer van het centrum van Rotterdam.

De precieze locatie en begrenzing van de 750 hectare natuur- en recreatiegebied moeten nog worden vastgesteld in de PKB+.

De 750 hectare moeten de ecologische hoofdstructuur versterken.

Rekening gehouden dient te worden met nieuwe inzichten op het gebied van watermanagement. Indien technisch en financieel mogelijk dient bij het ontwerp te worden uitgegaan van het toelaten van het getij in het binnendijkse gebied. Het uiteindelijk toelaten van getijdenwerking is nog onderdeel van nadere afweging.

De 750 hectare moeten een dusdanige samenhang in natuur, recreatie en landschap opleveren dat een grote bijdrage wordt geleverd aan de identiteit en belevingswaarde van het gebied.

IJsselmonde dient afdoende tegen overstromingsgevaar te blijven beschermd.

De mogelijkheden om bij het inrichten van het gebied op termijn het kwaliteitsniveau van de inrichting te verhogen dienen opengehouden te worden.

Midden-IJsselmonde is thans een stiltegebied. Dit karakter dient zo veel mogelijk behouden te blijven.

Bij het ontwerp dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van de landelijke Leidingstraat.

De groenprojecten zijn aanvullend op de al lopende groenprojecten.

Gebruik

Er zijn goede mogelijkheden om te wandelen en te fietsen, maar het gebied kent ook andere vormen van dagrecreatie met een hoge kwaliteit.

Recreatievoorzieningen moeten zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin een aantoonbare bijdrage leveren aan de regionale recreatieve behoefte.

Omvang en aard van de recreatieve voorzieningen moeten afgestemd zijn op de huidige en toekomstige gebruiker van het recreatiegebied.

Het gebied is openbaar en is kosteloos toegankelijk. Voor onderdelen van het gebied kan hiervan in het kader van te ontwikkelen PPS-constructies desgewenst en na overleg met alle betrokkenen worden afgeweken.

Bereikbaarheid

Het gebied is veilig en goed bereikbaar voor openbaar vervoer en langzaam verkeer.

Aanleg, beheer en onderhoud

Voor het gebied wordt een fasering in kwantiteit en kwaliteit ontworpen die tegemoet komt aan nader aan te geven prioriteiten in gebruiksmogelijkheden.

Het gebied wordt zo veel mogelijk als een (compacte) eenheid aangelegd.

Bij de realisatie en instandhouding van het gebied wordt meerwaarde gezocht in een samenwerking met private partijen (PPS).

Bij de aanleg wordt rekening gehouden met aanwezige gevallen van bodemverontreiniging.

Tijdens de aanleg van het gebied moet het scheepvaartverkeer op de Oude Maas ongestoord kunnen verlopen.

Beheer en onderhoud

Het regiopark wordt duurzaam beschermd met adequate regelgeving.

Het regiopark wordt duurzaam beheerd. Hiervoor stellen de publieke en private partijen tezamen een beheersplan en kostenraming op.

De ingerichte terreinen zullen aan de daarvoor meest geschikte beheerder worden overgedragen, hiervoor moeten de lokale, regionale en provinciale overheden, de terreinbeherende natuurorganisaties en private partijen een gezamenlijk voorstel doen.

Bijlage 3

Mogelijke projecten in bestaand Rotterdams gebied

Projecten gericht op intensivering van het gebruik van het bestaande havengebied

Intensivering van de tankopslagcapaciteit in de 4e en
5e-petroleumhaven.

Intensivering van de tankopslagcapaciteit in de 7e petroleumhaven.

Intensivering door hergebruik voormalige raffinageterreinen.

Demping van terrein in Hartelkanaal-west.

Demping van terrein aan de oostzijde van de 4e Petroleumhaven.

Oprichting van een saneringsfonds bodemverontreiniging om de teruggave van grond te versnellen. Met dit fonds kunnen de kosten van bodemreiniging voorgefinancierd worden.

Projecten op het gebied van milieu en leefbaarheid

Lokale vermindering van de geluidbelasting door verkeer door selectieve toepassing van dubbellaags ZOAB, het verminderen van de overlast van de Calandbrug en het selectief plaatsen van geluidsschermen.

Oprichting van een kenniscentrum geluid om kennis en maatregelen ter vermindering van geluidsoverlast door industrie te ontwikkelen.

Een gebiedsgerichte benadering zoals hierboven beschreven. Hiervoor wordt in eerste instantie gedacht aan Charlois/Ijsselmonde, Hoogvliet en Voorne-Putten.

Impuls geven aan industriële ecologie en CO2-reductie in het bestaande havengebied.

Verbeteren van de natuurwaarde en recreatieve mogelijkheden op de Landtong Rozenburg.

Onderzoek naar de haalbaarheid en wenselijkheid van de opening van het Oostvoornse meer door doorsteking van de Brielse Gatdam.

Aanleg van rivierparken bij Delfshaven, Tarwewijk, Oud-Charlois en Wielwaal, Heijplaat en Pernis

Realisatie van veerverbindingen tussen Hoek van Holland, de landtong Rozenburg en de huidige Maasvlakte en tussen Heijplaat en de rechter Maasoever.

Overige projecten

De ontwikkeling van een toekomstvisie op Waalhaven-Oost.

Voortdurende aanscherping van het uitgiftebeleid van het Gemeentelijk havenbedrijf Rotterdam.

Stimulering van intensivering van de containersector bij de bestaande bedrijven in de Rotterdamse haven.


1) Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie
Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie