Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag overleg milieuwethandhaving winter 1999-2000

Datum nieuwsfeit: 11-07-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Verslag algemeen overleg tweede halfjaarlijkse milieuwethandhaving winter 1999-2000

Gemaakt: 18-7-2000 tijd: 12:57


1


22343 Handhaving milieuwetgeving

Nr. 48 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 11 juli 2000

De vaste commissies voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer<1> en Justitie<2> hebben op 15 juni 2000 overleg gevoerd met minister Pronk van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over:


1. - de tweede halfjaarlijkse voortgangsrapportage milieuwethandhaving winter 1999/2000 (22343, nr. 47);


- de brief van de minister van VROM van 1 mei 2000 over de invoering van verplichte asbestinventarisatie in niet-sloopsituaties (25834, nr.
19);


- de brief van de minister van VROM van 10 april 2000 over rapport inspectie milieuhygiëne inzake benzinetankstations (VROM-2000-225);

- de brief van de minister van VROM van 27 maart 2000 over Bentazon in drinkwater; herijking gedoogbeleid bij overschrijding drinkwaternormen (20560, nr. 9);


2. - het rapport over de CFK's bij de scheepvaart (VROM-2000-402);

- paragraaf 5.6. Milieugevaarlijke stoffen en producten uit de tweede halfjaarlijkse voortgangsrapportage milieuwethandhaving (zomerbrief) (22343, nr. 47).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.


1. De tweede halfjaarlijkse voortgangsrapportage milieuwethandhaving winter 1999/2000 (22343, nr. 47)

De brief van de minister van VROM van 1 mei 2000 over de invoering van verplichte asbestinventarisatie in niet-sloopsituaties (25834, nr. 19)

De brief van de minister van VROM van 10 april 2000 over rapport inspectie milieuhygiëne inzake benzinetankstations (VROM-2000-225)

De brief van de minister van VROM van 27 maart 2000 over Bentazon in drinkwater; herijking gedoogbeleid bij overschrijding drinkwaternormen (20560, nr. 9)

Vragen en opmerkingen uit de commissies

Het was de heer Feenstra (PvdA) opgevallen dat veel aangekondigde maatregelen uit de tweede rapportage inmiddels zijn geïmplementeerd, waarmee de prioriteit die handhaving verdient, betekenis krijgt. Het inmiddels operationele Milieu inlichtingen- en opsporingsteam (MIOT) heeft een binding met VROM en het openbaar ministerie. Het sprak hem bijzonder aan dat het MIOT al heeft gefunctioneerd. Met name de aanpak bij het CFK-producerend bedrijf Allied Signals verdient wat dat betreft alle lof. Wat is de stand van zaken met betrekking tot het openbaren van strafbare feiten? Naast het MIOT is ook de Landelijke milieugroep (LMG) van het Korps landelijke politiediensten van start gegaan. De heer Feenstra ging ervan uit dat de samenwerking tussen beide organisaties perfect zal verlopen. Toch maakte hij de opmerking dat deze twee eenheden elkaar moeten versterken.

De laatste ontwikkelingen in met name Enschede maakten het volgens de heer Feenstra buitengewoon actueel dat altijd kan worden beschikt over de meest actuele informatie. Voorstellen uit Rotterdam geven aan dat zo'n 10% van de bedrijven aldaar stoffen in huis heeft die niet onder de vergunning vallen. Dat type informatie had hem verrast. Met een goede ICT-inzet moet het toch mogelijk zijn daarvoor een goed systeem op te zetten? Wat zijn de vervolgstappen van de minister op diens eerder geuite positieve bejegening hiervan? Wanneer kunnen daarover voorstellen worden verwacht?

De heer Feenstra hoopte dat het overzicht van de bestuursovereenkomsten handhaving milieuwetgeving inmiddels operationeel is gemaakt. Er wordt goed aangesloten bij de prioriteiten van de landelijke coördinatiecommissie milieuwethandhaving (LCCM). Het was hem opgevallen dat een beperkte groep gemeentes (nog) niet wil meewerken. Hij bepleitte een gerichte inspanning op dat punt. Kan in de volgende rapportage een geactualiseerd overzicht worden gegeven? Het voorstel om de verplichte adviestaak van de milieu-inspectie voor
20 wetten bij te stellen, leek hem een goede zaak. Wanneer kan de wetswijziging op dit punt worden verwacht?

Bij de stortplaats Derde Merwedehaven zijn de prioriteitsstelling voor volksgezondheid en milieu in samenhang manifest. Terecht is daarbij gesteld dat geen onomkeerbare stappen mogen worden gezet, in afwachting van nader onderzoek en nadere maatregelen. Wat is de actuele stand van zaken op dit punt? Wordt de naleving van de overeenkomst inzake de benzinestations nu afgerond? Hoe staat het met de handhaving in internationaal verband? De heer Feenstra bepleitte ten slotte een zeer sterke regietaak van het IPO op het gebied van vergunningverlening en handhaving door de provincies. Kan de actualisatiefrequentie van vergunningen voor bepaalde bedrijven met een grote milieulast worden verlaagd naar bijvoorbeeld eens in de vijf jaar?

Volgens mevrouw Schreijer-Pierik (CDA) bevatte de rapportage geen kwantitatieve gegevens, zodat het lastig is een beeld te krijgen van de voortgang van de handhaving. Waarom is zo weinig informatie opgenomen over de handhavingstaak van politie en gemeentes? Komt dat aan de orde in de zomerbrief? Is al iets te zeggen over de stand van zaken bij het gemeentelijk milieubeleid? Hoe staat het met de veertien achterblijvende gemeentes?

Mevrouw Schreijer hechtte grote waarde aan een zo groot mogelijke uniformiteit in de aanpak van de milieuwethandhaving. Zij vroeg informatie over de op basis van de strategie van het openbaar ministerie, de inspectie milieuhandhaving (IMH) en andere partners te ontwikkelen landelijke strategie voor de handhavingspartners. Wanneer zal deze landelijke strategie zijn beslag krijgen? Met de opstelling van een handhavingsstrategie komt er nog geen zekerheid dat die ook wordt uitgevoerd. Hoe beoordeelt de minister van VROM de suggestie van milieuofficier van justitie Biezeveld om de gemeenschappelijke handhavingsstrategie vast te leggen in de provinciale milieuverordening?

Wordt het resultaat van het brede onderzoek naar vuurwerk afgewacht of worden de concrete voorstellen afgewacht op het gebied van vergunningverlening en handhaving? Mevrouw Schreijer was blij met de centrale registratie voor op- en overslag van gevaarlijke stoffen in het Rotterdamse havengebied, aangezien zij dit punt reeds in 1999 uitvoerig aan de orde heeft gesteld. Dit punt zou landelijk onder de loep moeten worden genomen. Bij de vergunningverlening herkende zij een zeker patroon, namelijk dat overschrijding van de vergunning nogal eens wordt gedoogd, waarna de vergunning wordt aangepast aan de feitelijke situatie; dit blijkt ook uit het IPO-rapport. Dit leek haar niet de juiste volgorde. Dit probleem moet, als het structureel is worden aangepakt. Ook moet meer aandacht komen voor optimale betrokkenheid van burgers bij de vergunningsprocedure en een andere bekendmaking van gemeentelijke besluiten.

Mevrouw Schreijer vond het beeld inzake groene wetten zeer fragmentarisch, zodat de voortgang, laat staan de vooruitgang, in vergelijking met voorgaande jaren niet te beoordelen is. Zij riep de minister op in de volgende voortgangsrapportage uitvoerige, ook kwantitatieve informatie te verschaffen, ook over de milieuhandhavingstaak van de politie.

Invoering van een asbestinventarisatieplicht, verankerd in een op de Woningwet gebaseerd besluit vond mevrouw Schreijer een goede stap. Wel moet daarbij aandacht worden besteed aan de in het rapport-Lanting/Scholten geconstateerde knelpunten, te weten de handhavingslast, de rentabiliteit van de maatregelen en het feit dat de objecten geheel buiten de optie vallen. Voor welke inventarisatievariant wordt nu eigenlijk gekozen? Zij vond het een goede zaak dat men zich primair richt op de risico-I-klasse. Maar wat gebeurt met de risico-II-klasse? Wie draagt nu precies welke kosten? Mevrouw Schreijer vroeg met nadruk aandacht voor de in het rapport geconstateerde problematiek met de minder draagkrachtige gebouweigenaren. Hoe wil de minister daarmee omgaan?

Mevrouw Schreijer toonde zich over het algemeen tevreden over de wijze, waarop het asbestprobleem wordt aangepakt. De situatie rond de Twentse asbestwegen en -erven, met name in Goor en Diepenheim, baarde haar echter veel zorgen. Zij riep de minister met de grootste klem op de sanering zoveel mogelijk te bespoedigen en de gemeentes waar mogelijk bij knelpunten te helpen. Er moet zo snel mogelijk zand erover en extra geld erbij.

Deelt de minister de visie van de Vereniging Nederlandse petroleumindustrie (VNPI) dat de huidige achterstand in belangrijke mate is terug te voeren op administratieve problemen bij provinciale en gemeentelijke overheden en op trage besluitvorming en/of financieringsproblemen bij de overheid? Zo ja, wat gaat hij daaraan doen? Komt de minister, zo vroeg mevrouw Schreijer, niet veel te laat in actie? De vele gedoogsituaties vond zij onacceptabel. Wat wordt daaraan gedaan? Wat wordt gedaan met de aanbevelingen van het rapport van de VNPI? De op zich gewaardeerde aanschrijving aan gemeentes en provincies beperkt zich tot validatie van gegevens en een oproep tot handhaving en toezicht, maar waarschijnlijk is meer nodig.

Mevrouw Schreijer toonde zich verheugd over de totstandkoming van bestuursovereenkomsten op het gebied van milieuwetgeving en handhaving met alle provincies. Wat is het probleem met de aansluiting van Zuid-Kennemerland? Het baarde haar enige zorgen dat de uitvoeringsprogramma's zich beperken tot samenwerkingsprojecten. Het is van groot belang dat de taken die handhavingspartners zelfstandig uitvoeren, betrokken worden bij de rapportage en de uitvoeringsprogramma's, zodat kan worden afgerekend op resultaten. Een ander punt van zorgen vond zij de sterk per provincie wisselende implementatie en borging van de bestuursovereenkomsten. Brengt dit de uniformiteit van milieuwetgeving en handhaving niet in gevaar? Hoe hard zijn de gemaakte samenwerkingsafspraken? Als een bestuursorgaan weigerachtig is op dit punt, zouden gedeputeerde staten een aanwijzing aan dat bestuursorgaan moeten kunnen geven. Heeft de provincie thans wel voldoende bevoegdheden om haar regie waar te kunnen maken? Hoe wordt voorzien in de mogelijkheid tot afstemming tussen provincies onderling en tussen provinciaal en landelijk niveau? Kan de minister dit proces stimuleren?

Mevrouw Schreijer uitte ten slotte waardering voor het IPO-rapport, waarin een aantal knelpunten aan het licht is gebracht. Zij riep de minister op de provincies aan te sporen om op deze punten tot een inhaalslag te komen. Kan op deze wijze wel een uniform niveau van handhaving gegarandeerd worden?

De heer Van der Steenhoven (GroenLinks) vond dat op het gebied van de handhaving in de lopende kabinetsperiode een flinke stap vooruit is gemaakt. Hij toonde zich positief over de manier, waarop de Kamer daarover de afgelopen tijd heeft kunnen discussiëren en over de ambitie die wordt uitgestraald. Wat hem was opgevallen, is dat de concreetheid van de informatie te wensen overlaat. Er zou meer moeten worden aangegeven, welke acties volgen op de ervaringen die in het stuk naar voren komen.

De heer Van der Steenhoven was niet te spreken over de resultaten van de sinds acht jaar verruimde reikwijdte van de Wet milieubeheer. Er is zeker geen sprake van een trendbreuk; de mogelijkheden worden te weinig gebruikt. Hij vond het tijd voor een eerlijke en grondige evaluatie van de verruimde reikwijdte van de Wet milieubeheer. Wat is daarmee beoogd en wat heeft het opgeleverd? Wat kan de komende tijd nog worden gedaan om de doelstellingen toch te bereiken? Wellicht kan dit vraagstuk worden meegenomen in de evaluatie van de Wet milieubeheer. Op welke termijn zal de evaluatie zijn afgerond?

De heer Van der Steenhoven vond dat de dreiging bestaat dat teveel convenanten worden afgesloten, zonder dat dit veel oplevert omdat handhaving en controle onvoldoende zijn, terwijl de doelstellingen onvoldoende duidelijk worden gemaakt. Hij noemde de sanering van benzinestations als voorbeeld. Deelt de minister de opvatting van GroenLinks dat het rapport daarover een buitengewoon voorspelbare uitkomst laat zien? Heeft dit onderzoek een dusdanige opzet gehad dat er ook daadwerkelijk handhavend kan worden opgetreden? Waarom zijn alle benzinestations in kaart gebracht? Is onderscheid gemaakt naar verschillende gemeentes dan wel regio's? Moeten geen harde maatregelen worden genomen om gemaakte afspraken te doen nakomen? Als tweede voorbeeld noemde de heer Van der Steenhoven het convenant verpakkingen. Kan de minister al bij de begroting aangeven hoe de aanpak op dit punt beter kan verlopen dan via het convenant tot nu toe is gebeurd?

Kan de minister aangeven hoe in gemeentes wordt omgegaan met de handhaving van verstrekte vergunningen in verband met gevaarlijke stoffen en kan hij ingaan op de rol van de inspectie daarbij? In een aantal gevallen wordt te veel gedoogd. Wellicht kan de minister samen met collega's een fonds vormen om de verplaatsing van gevaarlijke bedrijven uit woonkernen te bevorderen. De heer Van der Steenhoven kwam terug op het laatste debat over de bodemsanering, waarbij de minister aangaf dat in 10% van de gevallen sprake is van fraude. De fractie van de heer Van der Steenhoven kaartte daarbij de gang van zaken in Leiden aan. Kan de minister daar nog eens schriftelijk op terugkomen?

De heer Klein Molekamp (VVD) vond handhaving één van de belangrijkste aspecten van het milieubeleid: op dat vlak is een belangrijke milieuwinst te boeken en het voorkomt verstoring van het level playing field tussen bedrijven. Welke wetgeving de Kamer ook maakt, elke wetgeving is zinloos als deze niet wordt gehandhaafd. Hij vond de halfjaarlijkse rapportage aan de Kamer over de stand van zaken met betrekking tot de handhaving daarom erg belangrijk. Dat schept overigens wel de verplichting voor de Kamer om zo'n rapport snel te behandelen. Hij hoopte antwoord te krijgen op de door hem gestelde vragen over een artikel in De Dordtenaar, waaruit blijkt dat de milieuwetgeving zo ingewikkeld is dat deze voor de provincies niet handhaafbaar is. Heeft de minister hierover overleg gevoerd met de betrokken provincie en deelt hij de analyse van de provincie?

De heer Klein Molekamp verwees naar het advies van de Raad van State bij wetsvoorstel 26929, ter verbetering van de handhavingsbevoegdheden dat niet zozeer een verbetering van de wetgeving noodzakelijk is, maar het nemen van de noodzakelijke organisatorische en financiële maatregelen. Hij deelde deze analyse van de Raad van State niet, maar vroeg de minister wel wat deze ervan vindt. Hoe voorkom je dat bestuursovereenkomsten, die een middel en geen doel zijn, niet worden geëffectueerd? Wat vindt de minister van het commentaar van prof. Michiels op hetzelfde wetsvoorstel en van diens pleidooi voor regionale milieudiensten die vergelijkbaar zijn met bijvoorbeeld de DCMR? Hoe staat het daarmee in de rest van het land? Hoe reageert de minister op gemeentes die niet willen meewerken? Wat vindt de minister van de suggestie om de waterschappen hierbij te betrekken?

Zijn er meer overheidsbedrijven waar negatief nieuws zoals bij PROAV en de AVR is te verwachten? De heer Klein Molekamp verwees in dit verband naar een artikel van Jan-Paul van Soest in Natuur en Milieu, waarin wordt gesteld dat sommigen nog steeds denken dat de overheid als uitvoerder beter presteert dan een marktpartij. Kan de minister reageren op dat artikel? Een ander voorbeeld is de Diemerzeedijk, waar sprake is van een uiterst onprofessionele reactie van Amsterdam. Hoe kijkt de minister daartegen aan?

Heeft de minister eraan gedacht in de vorm van convenanten het ontdoenersonderzoek aan te pakken? Neemt dumping in het buitengebied af of blijft dit nog altijd een zorg van de minister? Zo ja, hoe denkt de minister daartegen op te treden? Op het gebied van de milieuhandhaving voor benzinestations moet nog het nodige gedaan worden. Toch is voor 2 mld. tot 3 mld. geïnvesteerd, wat een zekere voldoening geeft. Wat is de rol van de Stichting uitvoering bodemsanering amovering tankstations (SUBAT) in dit stadium? Wie is verantwoordelijk: het bedrijf of de gemeente?

Mevrouw Augusteijn-Esser (D66), die zich kortheidshalve aansloot bij de vragen van het CDA over het asbest, was zeer verheugd over de halfjaarlijkse rapportages, die zij als een stap voorwaarts in het milieubeleid beschouwt. Uit de rapportages van de rampen uit het verleden blijkt iedere keer dat de handhaving van de milieuwetgeving het probleem is, niet alleen doordat handhaving buitengewoon moeilijk is, maar ook door de wijze, waarop controle wordt uitgeoefend. Is de minister het daarmee eens en met de constatering dat het beleid nog steeds te versnipperd is? Zijn regie en stroomlijning nu beter, is de verkokering minder en wordt de versnippering opgeheven? Immers, wetgeving, handhaving en regelgeving liggen nog steeds bij erg veel instanties. Het zicht op handhaving en controle is dan ook buitengewoon moeilijk. Kan het MIOT het gat dat is ontstaan door de decentralisatie en de versnipperde regelgeving in de toekomst opvullen? Naast het MIOT zijn er nog de servicepunten handhaving (SEPH's), de strategie strafrechtelijke handhaving van het openbaar ministerie en de Europese regelgeving. Mevrouw Augusteijn vond het erg lastig om precies na te gaan waar de bevoegdheden en de handhaving liggen en hoe kan worden gekomen tot een behoorlijk sanctiebeleid. Hoe is het laatste geregeld? Is dat beleid door de vier genoemde instanties volkomen op elkaar afgestemd en is het uitvoerbaar? Mevrouw Augusteijn vroeg of het voldoende is dat de IMH prioriteiten en werkwijze heeft vastgesteld, die een aantal kerntaken omvatten. Leidt het feit dat de inspectie zich wil richten op handhaving, toezicht, meer evaluatie en minder advisering tot minder versnippering? Is het mogelijk in de volgende halfjaarlijkse rapportage het laatste punt beter naar voren te brengen? Niet vergeten mag overigens worden dat het bedrijfsleven hierin een belangrijke speler is.

Mevrouw Augusteijn wilde weten of de minister een taak ziet in het spelen van een sturende rol op het gebied van de bestuursovereenkomsten. Is wellicht bestuurlijke dwang nodig en mogelijk? Wanneer volgen de provincies waar men nu nog niet met SEPH's van start is gegaan? Was het de bedoeling dat de SEPH's zich richten op de handhavers en niet op het bedrijfsleven en de burgers? Stuurt de minister op dat punt? Is op het punt van de uitvoeringsprogramma's geen sturing vanuit de ministeries noodzakelijk en zo ja, wie moet dat doen? De voorbeelden uit de handhavingspraktijk vond mevrouw Augusteijn nuttig, zij het dat één voorbeeld onjuist is en wel dat van de sloop van hangar 8 op Schiphol. Die hangar is niet, zoals wordt beweerd grondig schoongemaakt.

Al eerder was in antwoord op een vraag van D66 over de verhaalbaarheid van milieu-incidenten gezegd dat de minister van VROM in overleg zal treden met de minister van BZK om te bekijken of de problemen gezamenlijk kunnen worden aangepakt. Kan de minister daarover vorderingen melden? Mevrouw Augusteijn toonde zich verbaasd over de grote verschillen tussen de provincies, die blijken uit de IPO-rapportage. Er zijn te veel gedoogbeschikkingen en er wordt te weinig gecontroleerd. Eens per tien jaar is de actualiteit, terwijl eigenlijk eens per vijf jaar aan de orde zou moeten zijn. Zij vond dat hier absoluut iets aan gedaan moet worden.

De vrijwillige milieujaarverslagen zijn, zo heeft Ernst & Young geconstateerd, onder de maat. Mevrouw Augusteijn begreep dat niet, aangezien in een vorige regeerperiode milieuaccountants hebben beweerd, klaar te zijn voor de klus. Is de minister van plan, op dit punt actie te ondernemen en zo ja, binnen welke termijn zijn aanscherpingen mogelijk? Deelt de minister de kritiek van Ernst & Young?

Mevrouw Augusteijn sloot zich aan bij alle kritiek op de benzinemaatschappijen. Zij vond het onaanvaardbaar dat de regels niet worden gehandhaafd, niet alleen vanuit milieuoverwegingen, maar ook ten opzichte van degenen die wel hebben voldaan aan de regelgeving. Zij vroeg de minister daarom dringend maatregelen te nemen.

De heer Poppe (SP) was tevreden met de halfjaarlijkse voortgangsrapportage. Kan meer informatie worden gegeven over de activiteiten van het MIOT? Kan de minister toestemming geven dat de Kamer met het MIOT spreekt? Kan het MIOT ook lagere overheden controleren? De IMH heeft een onderzoek ingesteld naar het bunkeren van zure diesel, afkomstig van plantaardig vetzuur van een bedrijf in Gouda. Waarom wordt niet vermeld om welk bedrijf het gaat? Kan meer in het algemeen worden vermeld, wie waar in de fout is gegaan en hoe? Hoe kan vetzuur vanaf Gouda in bunkerolie in Rotterdam terechtkomen? Kan dat traject worden blootgelegd? Kan bij het onderzoek van de IMH ook het bunkermonitorplatform worden betrokken? Is er sprake van verplichte monsterafgifte? Hoe staat het met het formuleren van nieuwe criteria voor scheepsbrandstoffen? De heer Poppe benadrukte dat het gescheiden houden van afvalstromen erg belangrijk is. Kunnen de vetsmelterijen eens goed onderzocht worden? Kan de minister alsnog een overzicht geven van de marktmacht van de afvalinzamelaars? Hoe zit het met de in Nederland ingezamelde accu's? Kan de minister een overzicht geven van de implementatie en uitvoering van de Seveso-2-richtlijn? Hoe staat het met de externe veiligheidsrapportages, met de bekendmaking daarvan naar de bevolking toe en met de aanvalsplannen van de brandweer, die gebaseerd moeten zijn op de verplichte externe veiligheidsrapportages?

De heer Poppe benadrukte ten slotte dat het nog steeds niet goed gaat met het asbest.

Het antwoord van de minister

De minister benadrukte dat naast het handhavingsoverleg ook overleg wordt gevoerd over het beleid zelf. Uit een aantal handhavingsvoorbeelden zal iedere keer beleid dienen te worden aangescherpt, waarbij ook aandacht kan worden besteed aan afzonderlijke beleidsonderwerpen. In het kader van de prioriteitsstelling van de IMH is met steun van de Kamer de beleidsadvisering op een laag pitje gezet. Dat neemt niet weg dat extra informatie uit de handhavingspraktijk ter harte moet worden genomen. Naar aanleiding daarvan moet op korte termijn de vraag worden gesteld of beleid dient te worden geïntensiveerd of gewijzigd.

De minister onderstreepte dat niet iedere keer alles kan worden veranderd. Veel structurele beslissingen vloeien voort uit jarenlang gevoerd overleg over de wijze waarop de handhaving wordt opgezet. Als voorbeeld noemde hij de suggestie voor meer regionale milieuhandhavingsdiensten à la de DCMR. De minister erkende dat daar een probleem ligt. Hij zag het tweepettenvraagstuk zeer wel in, maar twee even professionele instellingen voor vergunningverlening en handhaving zal ook een ingewikkelde constructie opleveren. Bovendien moet de professionaliteit met betrekking tot regelgeving worden getoetst aan de hand van ervaringen met de handhaving. Het idee van regionale milieudiensten à la de DCMR is uitvoerig aan de orde geweest in het kader van NMP-3. Het idee is afgewezen, maar niet door de Kamer. De redenen waren: het idee was interdepartementaal gezien niet acceptabel en de VNG heeft andere opvattingen op dit punt. Daarom wordt gekozen voor het huidige model: in zeer sterke mate delegeren naar provincies en gemeentes en een tweedelijnstoezicht van de kant van de inspectie, gecompleteerd met de bestuursovereenkomsten, het MIOT en de opdracht aan de IMH om zich niet louter te concentreren op haar officiële wettelijke taak van tweedelijnstoezicht. Over het MIOT was de minister zeer tevreden. De verslaggeving inzake het MIOT zal worden geïntegreerd in de halfjaarlijkse milieurapportage, zij het dat dat wat voorzichtiger moet gebeuren omdat het gaat om aspecten die dichtbij de strafrechtelijke aanpak zitten. Als de vaste commissie op initiatief van de heer Poppe verzoekt om vertrouwelijk overleg met het MIOT, zal de minister dat verzoek honoreren.

Over zijn opdracht aan de IMH merkte de minister op, in de stukken op een voorzichtige manier tot uitdrukking te hebben laten komen dat de IMH in voorkomende gevallen, op eigen initiatief of naar aanleiding van instructies van de minister, steekproefsgewijs eerstelijnstoezicht moet uitoefenen. Dat gebeurt om de minister beter te informeren over de situatie ter plekke en om de zaak warm te houden. Als voorbeeld noemde de minister de gang van zaken rond de vuurwerkramp in Enschede. Met de IMH zijn prioriteiten afgesproken voor het lopende jaar en het jaar daarna. De minister benadrukte dat de hoofdprioriteit van de IMH moet zijn, als een soort "cowboys" door het land te trekken om aandacht te besteden aan alles wat te maken heeft met veiligheid en gezondheid en wat snel actie vereist. Hij onderstreepte dat een en ander gedecentraliseerd is, zodat de medeoverheden het moeten doen. Hij had weinig behoefte om de daden van de medeoverheden alleen te beoordelen aan de hand van stukken. Zijn invulling van tweedelijnstoezicht bestond eruit ook eerstelijns activiteiten te doen vervullen in daartoe in aanmerking komende gevallen. Hij zou geen genoegen meer nemen met opmerkingen van de IMH in de trant van "dat is onze taak niet".

De minister gaf aan bij zijn aantreden in 1998 te zijn geconfronteerd met de bestuursovereenkomsten. Bekeken moet worden hoe die overeenkomsten functioneren in het geheel. De laatste informatie is dat Haarlem zal gaan participeren in de bestuursovereenkomsten. Een aantal andere gemeentes uit Zuid-Kennemerland zal zich aansluiten bij de regio IJmond.

Het MIOT zal niet het gat gaan vullen dat nu nog bestaat in de milieuwethandhaving. De bestaande bevoegdhedenverdeling wordt niet gewijzigd. Het MIOT kan beschikken over de gecombineerde bevoegdheden van de verschillende participerende instellingen. De minister meende dat het MIOT een goede start heeft gemaakt. Voor de gewenste versterking van de regietaak van de provincies is de provinciale verslaggeving van belang. Als belangrijkste constatering is daaruit naar voren gekomen dat er nog behoorlijk wat verschil is tussen de provincies. Met het IPO wordt tweemaal per jaar overleg gepleegd over het milieubeleid en het ruimtelijkeordeningsbeleid. Afgesproken is dat de hoofdpunten van de rapportages zullen worden besproken, ter verdergaande verbetering van de regietaak van de provincies. De minister benadrukte dat de bestuursovereenkomsten vooral een informatieve, bewustmakende en controlefunctie hebben. Als percentages van 70 tot 80 worden genoemd voor bedrijven die de vergunningseisen overschrijden, moet wel worden bedacht dat het daarbij gaat om provinciale vergunningseisen. De minister had goede hoop dat dat zorgwekkend hoge percentage door het inzetten van de SEPH's flink omlaag kan. De oorzaak kan zijn gelegen in overmatige regelgeving. De discussienota over de herziening van de Wet milieubeheer, waarin daarop zal worden ingegaan, zal in september-oktober 2000 verschijnen.

De minister merkte op niet bij voorbaat tegenstander te zijn van herstructurering die leidt tot grotere bedrijven. Het is van groot belang om de stromen zo goed mogelijk te kennen, in plaats van het iedere keer weer aanpakken van louter individuele gevallen. Deze opdracht is niet alleen aan de IMH, maar ook aan het MIOT gegeven.

De normen voor provinciaal handhavingsbeleid zullen moeten worden vastgelegd in het wetsvoorstel organisatie van de handhaving, de "stok-achter-de-deurwet". Dit punt komt aan de orde bij de herziening van de Wet milieubeheer. De minister wees erop dat wordt gewerkt aan een nieuw systeem, waarbij de milieuvergunningen vaker worden ververst als het gaat om de prioritaire vergunningen. Hij was het ermee eens dat eens per tien jaar wat weinig is. Er zal dan wel moeten worden gedifferentieerd. Er zijn bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sancties. De laatste lopen vrijwel alle via de Wet economische delicten. De desbetreffende sancties worden voortdurend aangescherpt en verhoogd. De samenwerking met Justitie is wat dat betreft de afgelopen tijd aanzienlijk verbeterd. Het openbaar ministerie was volgens de minister voldoende in staat zijn taken te vervullen, ook als het gaat om de organisatie van het sanctiebeleid. Hij zou het prettig vinden daarover verder te spreken in aanwezigheid van de minister van Justitie. Het MIOT heeft ook de mogelijkheid medeoverheden aan te spreken op beleid.

De minister besteedde hierna aandacht aan de benzinestations. De situatie per 1 juli 1999 was dat een aantal stations niet voldeed aan de opgelegde verplichtingen. Hierbij moet wel worden bedacht dat het gaat om benzinestations die de zaak administratief niet op orde hadden en om een kleiner aantal dat de zaak feitelijk niet op orde had. Het laatste aantal was, hoewel niet groot, toch groot genoeg om verontrust te zijn. Alle gemeentes en andere betrokken instanties is via de LCCM gevraagd, het ministerie per 15 juni 2000 te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de milieumaatregelen. Deze informatie zal worden verwerkt in de zomerbrief. De stand van zaken per 1 juni is dat een groot aantal gemeentes per die datum nog niet heeft gereageerd: slechts 35% van de gemeentes heeft gereageerd, terwijl acht provincies een reactie hebben ingestuurd. Verder blijkt dat er 4000 tankstations operationeel zijn, waarvan er 1600 niet aan alle hoofdbepalingen voldoen. Momenteel zijn er naar schatting 500 handhavingsoperaties, welk aantal in 2000 zal toenemen en wel tot het totale aantal benzinestations dat niet voldoet aan de hoofdbepalingen. Bovendien is per 15 juni het totaaloverzicht aanwezig van alle gemeentes die het ministerie niet hebben geïnformeerd en van alle bedrijven die niet voldoen aan de desbetreffende verplichtingen. Dit overzicht is niet vertrouwelijk. De minister gaf aan dat de werkzaamheden van het afgelopen jaar moeten resulteren in een volkomen opschoning van wat destijds is afgesproken. Hierbij zijn er verantwoordelijkheden voor gemeentes en voor bedrijven. Als de bedrijven niet voldoen aan de eerder genoemde voorwaarden, zijn zij daarvoor in eerste instantie verantwoordelijk. De minister verwachtte qua handhaving 100 ernstige gevallen, waarvoor actie van de inspectie noodzakelijk is, die onder andere overleg zal plegen met het openbaar ministerie. Gedacht kan worden aan processen-verbaal, dwangsommen en in laatste instantie aan sluiting. De minister onderstreepte dat het niet alleen gaat om benzinestations, maar ook om convenanten. Het instrument convenant mag niet in een verkeerd daglicht komen te staan. Hieraan zouden ook de brancheorganisaties en VNO/NCW aandacht moeten besteden. De minister zei voorstander van convenanten te blijven, maar wanneer deze niet worden nageleefd is hij bereid verdergaande stappen te nemen. In het kader van de voorbereiding van NMP-4 zal een aantal instrumenten worden geëvalueerd, waaronder dat van het convenant.

Bij het asbestprobleem is, zo merkte de minister op, gekozen voor een volledige inventarisatie, inclusief een risicobeoordeling en eventuele metingen. De andere varianten bieden te weinig informatie om op een later moment tot een zorgvuldige asbestverwijdering over te gaan. Op basis van de kennis van het risico zelf zal actie worden ondernomen. Bij de inventarisatieplicht voor gebouwen gaat het om 60.000 gebouwen in de risico-I-klasse. Op een later moment wordt besloten, wat er gebeurt met de gebouwen in de andere risicoklassen. In totaal gaat het in de risico-II-klasse om 4,3 miljoen gebouwen, inclusief woningen. Over het algemeen is daarbij sprake van hechtgebonden asbest, wat bij normaal gebruik een erg laag risico heeft. De kosten van de inventarisatie bedragen gemiddeld f.2000 tot f.8000 per gebouw. Deze kosten zullen moeten worden gedragen door de eigenaars. De kosten van toezicht en handhaving -- ongeveer f.100 per gebouw -- zullen moeten worden gedragen door de gemeentes. Hierover vindt overleg plaats met de Vereniging van Nederlandse gemeentes.

De minister verwees naar 1 januari 2000, sinds welke datum het verboden is om asbestwegen in niet-gesaneerde toestand te hebben. Als de saneringsregelingen in werking zijn, is die termijn verlengd tot 1 juli 2001. Het gaat in totaal om ongeveer 240 wegen in Twente en 60 in Harderwijk. Er zijn twee gemeentes, Goor en Diepenheim, die per 1 januari 2000 niet gereed waren met de sanering; zij willen die sanering deze zomer afronden. De desbetreffende wegen zijn inmiddels met borden als zodanig aangegeven. De richtlijnen voor de sanering zijn te vinden in de saneringsregeling: of verwijderen of afdekken met wegverharding. Afdekken is tien jaar effectief. In een enkel geval kunnen voor een aan een weg gerelateerd erf soortgelijke regelingen worden toegepast. De inspectie zal op korte termijn een handhavingsactie uitvoeren. Als het in dit geval gaat om particuliere wegen waar ook anderen overheen mogen, moet dat op dezelfde wijze worden aangegeven als op de publieke wegen. De minister zegde toe dat deze uitspraak nog dezelfde dag telefonisch aan de betrokken gemeentes zal worden doorgegeven. Aan wegen waar de toestand bijzonder ernstig is, zal bijzondere aandacht worden besteed. De minister stond open voor suggesties op dit punt.

De minister gaf aan in het bezit te zijn van een voorlopig overzicht, opgesteld door de inspectie van alles wat in alle gemeentes in Nederland als gevaarlijk kan worden beschouwd. Dat is niet alleen vuurwerk, maar daarnaast nog zo'n zeven andere categorieën. Omdat het een voorlopig overzicht is, ontvangt de Kamer dat niet. Dat overzicht wordt gecompleteerd -- onder andere met de Sevesobedrijven -- en gecombineerd met voorstellen om te komen tot een andere regelgeving voor vuurwerk. Overzicht en voorstellen zullen eerst in het kabinet worden besproken. De voorstellen zullen inhouden: het in één hand brengen, van welke minister dan ook, het aanscherpen van de regelgeving en het tot stand brengen van integratie. Het kabinet zal de voorstellen nog voor het zomerreces bespreken, waarna een brief aan de Kamer zal worden gestuurd, waarin staat wat het kabinet beoogt te doen. Een bijlage daarbij zal ingaan op de verschillende categorieën riskante instellingen. Voor het Rijnmondgebied geldt dat vorig jaar uitvoerig overleg is gevoerd over de beste manier van registratie. De minister wilde op dit gebied toe naar 100% on-lineregistratie, die beschikbaar komt voor de brandweer. Hij had opdracht gegeven, dit punt uit te werken, uiteraard in overleg met de DCMR en de gemeente Rotterdam.

De minister meende dat alles wat als een echt risico wordt beschouwd, wordt geïnventariseerd. Er moet veel afval worden gescheiden. De vraag van de heer Poppe of het niet beter is een scheiding van brandgevaarlijke stoffen en chemicaliën, zal in het overleg met de brandweer worden betrokken. De minister wilde niet vooruitlopen op het onderzoek naar de ramp in Enschede. In het algemeen zei hij zijn medewerkers opdracht te hebben gegeven de vigerende regelgeving te analyseren, mede met in het achterhoofd de vraag of die regelgeving adequaat is voor slecht ter been zijnde ouderen. Hij kon zich voorstellen dat een verscherping van de regelgeving voor vuurwerk inhoudt dat niet meer mag worden opgeslagen dan een bepaalde hoeveelheid. Daarnaast hoort uiteraard het integreren met ruimtelijke ordeningsaspecten, wat tot nu toe eigenlijk niet het geval is geweest. Er moet gekeken worden naar nut en noodzaak van risico's. Het is onmogelijk, alle risico's weg te denken, maar sommige risico's hoeven niet te worden genomen. Het is van het allergrootste belang dat burgers continu op de hoogte worden gesteld van risico's die er zijn, zodat zij kunnen meespreken over de vraag of een bepaald risico moet worden genomen.

De minister gaf aan dat in 2000 voor het eerst de wettelijke plicht tot het maken van milieujaarverslagen bestaat, welke geldt voor 300 bedrijven. De inspectie doet onderzoek naar de kwaliteit van deze verslagen. Ook wordt gekeken naar de manier, waarop de desbetreffende bevoegde gezagen de juistheid van al die verslagen controleren. Dat leidt tot een verslag van de inspectie aan de minister, welk verslag in het najaar van 2000 zal uitkomen. Met de provincies is afgesproken dat er mild wordt beoordeeld. Er wordt getoetst op tijdigheid, volledigheid en niet alleen op de inhoudelijke juistheid. Wel zal op basis van het rapport van de inspectie een conclusie worden getrokken ter eventuele verbetering van de milieujaarverslagen, welke conclusie zal worden vastgelegd in een brief, die de bevoegde overheden en de desbetreffende bedrijven zullen ontvangen.

Er is een wetsvoorstel in voorbereiding ter sanering van de stukkenstroom. Dit wetsvoorstel zal nog in 2000 worden ingediend. Dit wetsvoorstel stelt zich ten doel een onnodige papieren rompslomp te voorkomen.

Wat de verruimde reikwijdte van de Wet milieubeheer betreft, wordt geprobeerd de provincies en de gemeentes via een aantal specifieke projecten te stimuleren. Als het gaat om energie, gebeurt dat via een project intensivering bevoegd gezag. Daarvoor wordt 15 mln. ter beschikking gesteld in het kader van een convenant dat met de provincies is gesloten. Gemeentes krijgen extra geld voor informatieve activiteiten. Als het gaat om afval en niet om energie, is er ad hoc extra geld beschikbaar gesteld. Bekeken wordt hoe dat geld kan worden besteed om de prestatieafspraken van de gemeentes te verbeteren.

De minister zegde toe een afzonderlijke brief over het convenant verpakkingen te zullen sturen, op een zodanig tijdstip dat daarover bij de begrotingsbehandeling kan worden gesproken. Deze brief loopt vooruit op een algemene inbreng over de convenanten.

De minister merkte over de situatie in Leiden op de hierover gestelde vragen zo goed mogelijk te hebben beantwoord. Hij benadrukte maximaal in het onderwerp te zijn gedoken, maar niets verder te zijn gekomen. Hij had geen enkele aanleiding te veronderstellen dat daar fouten zouden zijn gemaakt door de inspectie. De minister zei dat, als de heer Van der Steenhoven desondanks nog steeds vindt dat het gegeven antwoord niet afdoende is, er wat anders moet gebeuren. De minister zelf zou op dit punt geen initiatief meer nemen.

Hangar nummer 8 wordt niet afgebroken nadat hij opnieuw wordt schoongemaakt. Daarover zijn heel wat brieven gestuurd aan de gemeente, de KLM en dergelijke. Hangar nummer 8 is nu volledig schoongemaakt.

Het bedrijf Vierhouten is strafrechtelijk aangepakt. Er komt nog in de zomer een algemene vervolgactie.

De minister onderstreepte dat, als overtredingen van de PCB-regels worden geconstateerd, handhavend wordt opgetreden, wat kan leiden tot sancties, inclusief dwangsommen. Aanvullende strafrechtelijke sancties hangen af van de inspanningen die door het bedrijf zelf zijn geleverd om de transformatoren te bemonsteren en te saneren. De minister benadrukte dat dit een fiks probleem is geweest, omdat er veel meer waren dan publiekelijk door de minister verondersteld. Er is gekozen voor een gefaseerde aanpak, ook op basis van prioriteiten.


2. Het rapport over de CFK's bij de scheepvaart (VROM-2000-402)
Paragraaf 5.6. Milieugevaarlijke stoffen en producten uit de tweede halfjaarlijkse voortgangsrapportage milieuwethandhaving (zomerbrief) (22343, nr. 47)

Vragen en opmerkingen van de commissies

De heer Feenstra (PvdA) vond het rapport over de CFK's bij de scheepvaart buitengewoon interessant, met een buitengewoon beroerde inhoud. Er moet worden gewerkt aan het bereiken van het niveau van de koplopers. Dat vermindert de noodzaak tot productie van CFK's voor de nog toegestane toepassingen. Hij vroeg of in een volgend handhavingsoverzicht hierop verder kan worden ingegaan.

Mevrouw Schreijer-Pierik (CDA) wilde weten hoe de minister invulling wil gaan geven aan een meer stringente handhaving en aan de betere samenwerking die wordt aanbevolen in het onderzoeksrapport. Zij realiseerde zich dat handhaving op volle zee moeilijk zal zijn. Zij drong er in afwachting van een verbod op CFK's bij de minister op aan de bevoegdheden en de opleidingseisen voor de bemanningsleden voor het verrichten van koeltechnische werkzaamheden goed tegen het licht te houden. De CFK-installaties op schepen moeten zo snel mogelijk verdwijnen. Kan de minister zich krachtig inzetten voor de snelle ombouw van koelinstallaties naar minder milieubelastende varianten? Kan hij in overleg met de sector met voorstellen komen? Er moet wel haast worden gemaakt met ombouwen, want medio 2001 zal een algeheel verbod gelden. Door ombouw zullen veel resterende CFK's vrijkomen, wat op milieuvriendelijke wijze moet worden begeleid. Hoe staat het met de totstandkoming van een inzamelingsregeling voor overtollige CFK's? De suggestie om te komen tot een zorgsysteem voor koelmiddelen leek mevrouw Schreijer zeer nuttig.

Mevrouw Schreijer verwees naar de brief over de CFK's van 17 februari, waarin onder meer het voornemen wordt genoemd om te komen tot doelvoorschriften die een maximum stellen aan de hoeveelheid koelmiddelen die mag weglekken naar het milieu. Hoe staat het met dat voornemen? Is in de brief van 17 februari ook sprake van handhavingsactie bij de middelgrote koelinstallaties in de industrie, zo ja heeft die actie al plaatsgevonden en wat zijn de resultaten?

De heer Van der Steenhoven (GroenLinks) vond het een goede zaak dat de minister heeft ingegrepen. Hoelang kan het betrokken bedrijf, gezien de Nederlandse wetgeving, nog bestaan? Hoewel hij positief stond tegenover de controle van CFK's bij de scheepvaart, vroeg hij zich wel af waarom dat pas nu plaatsvond. De regels zijn toch al vijf jaar geleden afgesproken? In de stukken staat dat overleg zal worden gepleegd met de scheepvaartsector; wellicht zal er een convenant worden gesloten, maar dat kan absoluut niet. Welke maatregelen gaat de minister nemen? Is hij het met GroenLinks eens dat nog in deze ambtsperiode een eind moet worden gemaakt aan de CFK-uitstoot in Nederland?

De heer Udo (VVD) was blij met het rapport van de inspectie. Het moet mogelijk zijn de lekpercentages aanzienlijk terug te dringen. Welke acties zouden dan moeten worden ondernomen? Hoe denkt de minister bedrijven en rederijen ertoe te brengen deze zaak verder op te pakken? Kan de minister iets zeggen over het beleid in dezen van de andere EU-landen? Wat betekent bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving concreet? Worden producenten en importeurs nog nader ingelicht over de maatregelen om de gebrekkige informatieverstrekking inzake milieugevaarlijke stoffen en producten te verbeteren? De etiketten zouden aan de eisen moeten voldoen, want anders ontstaan eventueel onveilige situaties.

Mevrouw Augusteijn-Esser (D66) vond het probleem veel groter dan zij ooit had gedacht. Zij was zeer geschrokken van de bestaande situatie. Kan dit punt in internationaal verband, zoals de Milieuraad en de Visserijraad, aan de orde worden gesteld? Er moet nu heel snel actie worden ondernomen. Zij had de indruk dat er nogal wat gaten zitten in de verordeningen en de regelgeving. Is dat zo en zo ja, kan Nederland daar wat aan doen? Of kan het alleen maar in internationaal verband? Hoe wil de minister in dat geval proberen de handhaving van het Verdrag van Montreal ook voor deze sector van toepassing te laten zijn? Mevrouw Augusteijn vond dat de regering een doelstelling moet formuleren ten aanzien van de tijd, die daarmee gemoeid zou moeten zijn. Kan de minister op dit punt met voorstellen komen?

De heer Poppe (SP) meende dat ook bij reparaties CFK's vrijkomen. Bedrijven die reparaties verrichten, zouden in het bezit moeten zijn van een installaties om vrijkomende CFK's af te vangen.

Het antwoord van de minister

De minister gaf aan op het punt van milieu en zeescheepvaart zeer sterk uit de tweede hand te moeten reageren. Er is een handhavingsactie gestart met betrekking tot de CFK-koelinstallaties, inclusief de middelgrote bedrijven. Over enkele maanden zijn de uitkomsten van die handhavingsactie bekend; hierop zal in de winterbrief worden ingegaan. Hiervoor zijn tien extra handhavers aangesteld. Bovendien komt er een inzamelingsregeling, waarover nog overleg moet worden gepleegd met de branches: de schuimproducenten en de producenten en gebruikers van koelinstallaties. Deze regeling zal in de herfst van dit jaar gereed zijn. Omdat het hierbij gaat om Europees beleid, kan Nederland zich niet achter andere landen verschuilen en moet het de verordening gewoon uitvoeren. De minister zegde toe te zullen laten natrekken of er verordeningen of ornamenten zijn waarin nog wat gaten aanwezig zijn. Verordeningen en het protocol van Montreal zullen moeten worden uitgevoerd.

De minister ging hierna in op de gang van zaken rond Allied Signal. Dat bedrijf is nog steeds bezig met de productie van CFK's voor dat wat volgens het protocol van Montreal is toegestaan, namelijk medische toepassingen die als essentieel moeten worden beschouwd. Daarbij gaat het om inhalers ten behoeve van astmapatiënten en voor afzet in ontwikkelingslanden in een overgangsperiode. De minister benadrukte dat in de brief aan de Kamer is meegedeeld dat met het desbetreffende bedrijf wordt gesproken over beëindiging van de productie van CFK's. Het bedrijf heeft het ministerie te kennen gegeven de productie van CFK's in 2002 te zullen beëindigen. De minister was voornemens op korte termijn duidelijke afspraken te maken over een mogelijk snellere productieafbouw, bijvoorbeeld door nog maar één van de twee terreinen waarop het volgens het protocol van Montreal mag, toe te staan. Overleg met Allied Signal vindt momenteel plaats. De informatie die de minister daarover ontving, stemde hem niet vrolijk. Het ziet ernaar uit dat het voornemen om in 2002 te stoppen, bij het betrokken bedrijf tot second thoughts heeft geleid: men wenst langer door te gaan. Dit gaat uit van de momenteel geteste veronderstelling dat het betrokken bedrijf veel schoner en beter is dan welk ander bedrijf dan ook en dat juist voor de productie van inhalers voor astmapatiënten een aanzienlijke productie van CKF's nodig zal zijn. De minister zou een en ander checken. Publiekelijk herhaalde hij dat hij geen gewijzigd voornemen heeft. Dat voornemen is: een snellere sluiting dan was beoogd. Als extra argument daarvoor noemde hij het feit dat er nog steeds meer emissie is dan oorspronkelijk de bedoeling was. De emissie-eisen zijn destijds vervangen door milieurendementseisen, waarop de provincie moet toezien. Nagegaan wordt in hoeverre in 1999 binnen de eisen is geproduceerd. De minister benadrukte dat het hierbij ging om regulier beleid. Zijn inzet was en is, overeenkomstig het protocol van Montreal zo weinig mogelijk flexibiliteit te tonen. Als er argumenten zijn om ermee door te gaan, zullen die niet voor waar worden aangenomen, maar zullen deze internationaal worden getoetst. Onderdeel van die toets is dat bekeken wordt of alternatieven aanwezig zijn voor medische toepassingen. Voor inhalers voor astmapatiënten wordt gesteld dat die alternatieven er niet zijn. De minister zou daarover de best-practice-informatie van de meest betrokkenen inwinnen. Hij kon zich voorstellen dat een stop bevordert dat er alternatieven worden ontwikkeld. Als het gaat om essentiële medische toepassingen en een uniek product, is een beperking denkbaar, maar in dat geval is het noodzakelijk een aantal af te spreken. De minister had de indruk dat in het overleg door het betrokken bedrijf wordt gemajoreerd.

De minister zei dat het strafrechtelijke traject in volle gang is. De in beslag genomen administratie wordt onderzocht. Het onderzoek vindt niet alleen in Nederland plaats, maar heeft zich uitgestrekt tot enkele andere landen in Europa. Het strafrechtelijk onderzoek wordt geacht in het najaar gereed te komen.

Alleen wanneer het gaat om koelinstallaties op het land, mogen alleen door de Stichting erkenningsregeling voor de uitoefening van het Koeltechnisch installatiebedrijf (STEK) erkende monteurs daaraan werkzaamheden verrichten. Er mag niet worden afgeblazen, er moet worden afgevangen. De minister onderstreepte dat op zee dezelfde eisen gelden: het afblazen is verboden. Maar daar is het niet noodzakelijk dat dit gebeurt door een gecertificeerde instelling, aangezien dat niet altijd mogelijk is. Daar mag een gediplomeerde werktuigbouwkundige de desbetreffende controle uitvoeren. Onderzocht wordt, of daarvoor een STEK-diploma kan worden vereist, of dat een onafhankelijke instelling wordt gevraagd periodieke controles uit te voeren. Er wordt overleg gepleegd over de wijze, waarop één en ander op zee vorm wordt gegeven. De IMH valt onder VROM, maar in dit geval is ook de scheepvaartinspectie sterk betrokken. Er is overleg nodig tussen de beide inspecties en tussen de desbetreffende ministers. Het uitgangspunt van de minister was dat er ook op dit terrein maximaal zal moeten worden gehandhaafd. De wijze waarop dat moet gebeuren, kon hij niet alleen bepalen. Er vindt overleg plaats dat nog niet is afgerond. Dit overleg vindt plaats tussen de beide inspecties, namens de beide bewindspersonen. Er wordt ook gesproken met de brancheverenigingen van de verschillende rederijen. Dit neemt niet weg dat de taak aanwezig blijft om te handhaven. Maar vooruitlopend op de definitieve vormgeving van de handhavingstaak kan overleg worden gepleegd met de desbetreffende sector. Dat betekent niet dat je die sectoren definitieve invloed geeft in de wijze, waarop een en ander wordt uitgevoerd. Daarvoor zijn de bewindspersonen zelf verantwoordelijk. De minister zei niet bij voorbaat dat hier geen convenant uit zou moeten komen, maar hij was zelf niet op dat idee gekomen. Op dit punt wordt veel overleg gevoerd met de redersverenigingen: die in de visserij en de koopvaardij. Bij de visserij gaat het om de vriestrawlers en om een groot aantal kotters, bij de koopvaardij gaat het om een groot aantal passagier- en koelschepen. Er zijn voorstellen gedaan door de redersverenigingen aan de beide inspecties en het departement. Die voorstellen hebben betrekking op de professionaliteit van de werktuigbouwkundigen, de CFK-boekhouding aan boord en aan de wal en de lekdetectiesystemen die zouden worden opgezet voor oudere schepen. De minister stelde het op prijs dat vanuit de branche initiatieven zijn ontwikkeld. Maar wat is voorgesteld vond hij niet voldoende. Hij zou zijn medewerkers opdragen in het overleg het ertoe te leiden dat afspraken worden gemaakt die het kabinet maximaal in staat stellen, binnen een redelijke termijn de lekverliespercentages tot een minimum terug te brengen. Dit zullen geen afspraken kunnen zijn met een gedoogkarakter. Als het pakket voorradig is, zal het aan de Kamer worden meegedeeld, zodat daarover kan worden gediscussieerd. Dat zal in het vierde kwartaal van 2000 kunnen gebeuren. De minister wist niet of bespreking in Milieu- en Visserijraad noodzakelijk is, aangezien het gaat om de uitvoering van internationale verordeningen. Hij wilde niet de indruk wekken daar onderuit te willen komen. De minister zou dit aan de orde stellen via de Europese Commissie. Er zal ook contact worden opgenomen met de milieuorganisatie Noordzee. Koelkasten die verkocht worden in kringloopwinkels vallen ook onder het verbod.

De voorzitter van de vaste commissie voor Volkhuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Reitsma

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

Van Heemst

De griffier van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

De Gier


1 Samenstelling:

Leden: Reitsma (CDA), voorzitter, Witteveen-Hevinga (PvdA), Van Middelkoop (RPF/GPV), Feenstra (PvdA), Verbugt (VVD), Poppe (SP), Duivesteijn (PvdA), Crone (PvdA), Augusteijn-Esser (D66), Klein Molekamp (VVD), Hofstra (VVD), ondervoorzitter, Eisses-Timmerman (CDA), Th.A.M. Meijer (CDA), Luchtenveld (VVD), Van Wijmen (CDA), Van der Steenhoven (GroenLinks), Van der Staaij (SGP), Ravestein (D66), Oplaat (VVD), Kortram (PvdA), Van der Knaap (CDA), Van Gent (GroenLinks), Udo (VVD), Waalkens (PvdA), Schoenmakers (PvdA)

Plv. leden: Leers (CDA), Dijksma (PvdA), Stellingwerf (RPF/GPV), Valk (PvdA), Essers (VVD), De Wit (SP), Van Heemst (PvdA), De Boer (PvdA), Scheltema-de Nie (D66), Van Beek (VVD), Geluk (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Schreijer-Pierik (CDA), Blok (VVD), Biesheuvel (CDA), M.B. Vos (GroenLinks), Van 't Riet (D66), Giskes (D66), Niederer (VVD), Van den Akker (CDA), Halsema (GroenLinks), Snijder-Hazelhoff (VVD), Hindriks (PvdA), Spoelman (PvdA)


2 Samenstelling:

Leden: Swildens-Rozendaal (PvdA), Van de Camp (CDA), Biesheuvel (CDA), Scheltema-de Nie (D66), Zijlstra (PvdA), Kalsbeek (PvdA), Apostolou (PvdA), Middel (PvdA), Van Heemst (PvdA), voorzitter, Rouvoet (RPF/GPV), Rabbae (GroenLinks), Van Oven (PvdA),Kamp (VVD), Dittrich (D66), ondervoorzitter, O.P.G. Vos (VVD), Van Wijmen (CDA), De Wit (SP), Weekers (VVD), Wijn (CDA), Van der Staaij (SGP), Ross-van Dorp (CDA), Patijn (VVD), Niederer (VVD), Nicolaï (VVD), Halsema (GroenLinks)

Plv. leden: Wagenaar (PvdA), Balkenende (CDA), Verhagen (CDA), Van Vliet (D66), Duijkers (PvdA), Arib (PvdA), Kuijper (PvdA), Albayrak (PvdA), Barth (PvdA), Schutte (RPF/GPV), Karimi (GroenLinks), Santi (PvdA),Passtoors (VVD), Hoekema (D66), Van den Doel (VVD), Rietkerk (CDA), Marijnissen (SP), De Vries (VVD), Eurlings (CDA), Van Walsem (D66), Buijs (CDA), Rijpstra (VVD), Van Baalen (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks)

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie