Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief OS notitie 'Samen werken voor effect'

Datum nieuwsfeit: 12-07-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief OS samen werken voor effect, op weg naar een in ternationale ontwikkelingsarchitectuur

Gemaakt: 25-7-2000 tijd: 14:38


16


27237 Nederlands multilaterale hulpbeleid

Nr. 1 Brief minister voor Ontwikkelingssamenwerking

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 juli 2000

Tijdens het overleg met de Vaste Commissie's voor Buitenlandse Zaken en Financiën over de notities inzake de kwaliteit van de Internationale Financiële Instellingen en van de Verenigde Naties van 23 en 31 mei j.l. heb ik aangekondigd een samenhangend beeld te presenteren van het Nederlands multilaterale hulpbeleid. Bijgevoegd treft u de notitie aan genaamd 'Samen werken voor effect, op weg naar een internationale ontwikkelings architectuur'. De notitie geeft een beschouwing over de internationale ontwikkelings architectuur en geeft bovendien een vergelijking tussen het multilaterale kanaal enerzijds en het bilaterale en het particuliere kanaal anderzijds.
de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking,

E.L. Herfkens
Samen Werken voor Effect Op weg naar een internationale ontwikkelingsarchitectuur

Inleiding

Tijdens de behandeling van de begroting van Buitenlandse Zaken op 3 december 1998 deed ik de toezegging de Kamer nader te informeren over de kwaliteit van de voornaamste multilaterale kanalen voor ontwikkelingssamenwerking. In het kader van deze toezegging gingen u notities toe over de kwaliteit van de EU, de VN en de Internationale Financiele Instellingen als kanaal voor ontwikkelingssamenwerking , evenals een rapport over de relaties tussen de Wereldbank en VN-organisaties (de studie-Berteling). De notities en het rapport bevatten conclusies, aanbevelingen en actiepunten. Deze notitie beoogt, op basis daarvan en op basis van het overleg met de Tweede Kamer over de genoemde stukken, een samenhangend beeld te presenteren van het Nederlands multilaterale hulpbeleid, analoog aan de wijze waarop de Kamer in 1999 werd geïnformeerd over het bilaterale hulpbeleid.

Deze notitie is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 schetst, als algemene achtergrond, de nieuwe mondiale consensus ten aanzien van ontwikkelingsamenwerking. Hoofdstuk 3 gaat in op het institutionele kader, de internationale ontwikkelingsarchitectuur. In hoofdstuk 4 komt de plaatsbepaling van het multilaterale kanaal in relatie tot het bilaterale en het particuliere kanaal aan de orde, zulks mede in antwoord op het nadrukkelijke verzoek daartoe vanuit de Kamer. Hoofdstuk 5 gaat in op de kritiek op multilaterale organisaties. In hoofdstuk 6 wordt het door mij voorgenomen beleid uiteengezet, dat in het slothoofdstuk 7 wordt vertaald in concrete financiële termen.


2. De nieuwe consensus in het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid
In de jaren '90 is langzamerhand de internationale eensgezindheid over wat ontwikkelingsbeleid zou moeten inhouden toegenomen, met als gevolg dat er thans gesproken kan worden over een internationale consensus daarover. Tijdens grote VN-conferenties

(Kopenhagen, Beijing, Cairo, Rio e.a.) is overeenstemming bereikt over belangrijke doelstellingen, die thans worden samengevat als de "zeven beloftes":


- halvering van extreme armoede vóór 2015;


- basisonderwijs voor iedereen vóór 2015;


- beëindigen van genderongelijkheid in het onderwijs vóór 2005;

- terugdringen van kindersterfte met tweederde vóór 2015;

- terugdringen van 'maternal mortality' met driekwart vóór 2015;

- basisgezondheidsvoorzieningen voor iedereen voor 2015 en

- nationale duurzame ontwikkelingsstrategieën voor ieder land vóór
2005.

Ook voor de donorgemeenschap vormen deze doelstellingen de agenda voor ontwikkelingssamenwerking in de 21e eeuw (vergelijk de DAC-strategie 'Shaping 21st Century: the contribution of development co-operation', mei '96).

De hoofddoelstelling bij dat alles is en blijft structurele armoedebestrijding. Duurzame economische groei, binnen een raamwerk van macro-economische stabiliteit, blijft daartoe een wezensvoorwaarde, maar is op zichzelf niet voldoende. De armen moeten deel hebben aan die groei: «pro-poor growth». Het gaat niet langer om vangnetten achteraf, maar om een samenhangend beleid van kansen scheppen voor de armsten, empowerment en democratisering, gerichte steunverlening, bevordering van goed beleid en bestuur, coördinatie en coherentie.

Uit de praktijk (weergegeven in studies van o.a. OESO/DAC, Wereldbank, UNDP en de eigen inspectie/evaluatiedienst IOB) blijkt voorts dat zonder ownership van het ontvangende land armoedebestrijding niet beklijft. Een goede institutionele capaciteit en een sterk commitment van een land plaatst het ontvangende land aan het roer, zo luidt inmiddels de internationale consensus. Maar inmiddels heeft onderzoek tevens aangetoond dat afzonderlijke projecten van bilaterale en multilaterale donoren, ook al zijn ze ieder voor zich succesrijk, weinig bijdragen aan het duurzaam terugdringen van armoede. Daarom zoekt Nederland nu aansluiting bij een door de overheid van het ontvangende land geformuleerd sectorbeleid. Op zijn beurt is sectorbeleid echter niet goed uitvoerbaar als donoren, bilateraal en multilateraal, hun steun en hun visie niet op elkaar afstemmen, onder leiding van het ontvangende land. Dit vergt coördinatie en coherentie van donoren, alsmede steun aan het ontvangende land ter versterking van de institutionele capaciteit aldaar.

De uitwerking van de begrippen 'ownership' en 'coördinatie' kregen in
1999 een impuls door het voorstel van de President van de Wereldbank voor een nationaal 'comprehensive development framework' (CDF). Het CDF beoogt, onder leiding van het ontvangende land, een lange termijn visie op de nationale ontwikkelingsstrategie af te stemmen met alle bij het nationaal ontwikkelingsproces betrokken partijen. De beginselen die daarbij gebruikt worden zijn: partnership tussen alle betrokkenen (regering, maatschappelijke groeperingen, private sector, donoren) en holisme (alle sectoren en alle niveaus zijn betrokken). Het in september 1999 door het IMF en de Wereldbank voorgestelde Poverty Reduction Strategy Paper (PRSP)-concept is een handvat voor operationalisering van het CDF. De PRS (Poverty Reduction Strategy) is een strategie voor armoedebestrijding waarbij structureel en macro-economisch beleid in samenhang met armoedebestrijding worden gebracht. De PRS dient in een participatief proces onder verantwoordelijkheid van de nationale overheid met het maatschappelijk middenveld tot stand te komen en geeft het kader aan waarbinnen de afzonderlijke businessplannen van de donoren dienen te vallen. Dit geldt voor zowel de landenstrategieën van de multilaterale banken, het United Nations Development Assistance Framework (UNDAF) van de VN, de landenprogramma's van de EU als voor de jaarplannen van de bilaterale donoren, waaronder Nederland.


3. De internationale ontwikkelingsarchitectuur
Nederland is het enige land ter wereld met een grondwet die de regering opdraagt de ontwikkeling van het internationale recht te bevorderen. Langs tal van wegen probeert de regering dan ook de internationale rechtsorde uit te bouwen. Multilaterale organisaties zijn daarvan een wezenlijk onderdeel. Steun aan multilaterale organisaties en een actief gebruik van het potentieel daarvan - zonder uiteraard daarbij onkritisch te worden - zijn dan ook al decennialang vaste kenmerken van het Nederlandse buitenlands beleid.

De wenselijkheid van een dergelijk beleid, ja zelfs de noodzaak ervan, doet zich de afgelopen jaren nog krachtiger gevoelen dan voorheen, nu een steeds sneller voortschrijdende mondialisering op onmiskenbare wijze aan het licht brengt dat mondiaal overheidsoptreden (governance) geen gelijke tred houdt met de door de mondialisering geschapen problemen en uitdagingen. De internationale institutionele architectuur, die op hoofdlijnen dateert van vlak na de Tweede Wereldoorlog, schiet op belangrijke punten tekort. Zo is die te eenzijdig ontwikkeld: politieke en economische instellingen en bevoegdheden domineren, terwijl de sociale en milieu-componenten altijd zwak zijn gebleven. Voor de «collectieve goederen» wordt op mondiaal niveau onvoldoende zorggedragen. Met mondiale collectieve goederen worden zaken bedoeld als milieuwaarden (bijvoorbeeld de kwaliteit van de atmosfeer en biodiversiteit) en de bestrijding van besmettelijke ziekten, die, als alleen marktkrachten en individuele staten actief zijn, onherroepelijk in het gedrang komen - zoals nu in hoge mate het geval is. In de 'global village' ontbreekt de 'village council'.

Het terugbrengen van de kloof tussen arm en rijk kan als een van de mondiale collectieve goederen worden gezien. De multilaterale instellingen die zich richten op ontwikkelingssamenwerking, waarvan het geheel wel wordt aangeduid als de «internationale ontwikkelingsarchitectuur», hebben bij het dichten van die kloof een belangrijke taak te vervullen. Ook hier betreft het immers een taak die niet aan de markt of aan individuele landen, ook niet als zij op ad hoc-basis samenwerken, kan worden overgelaten. Maar ook de internationale ontwikkelingsarchitectuur voldoet niet aan de eisen van deze tijd. Wat er aan verbetering noodzakelijk en mogelijk is, komt verderop aan de orde.

Het ligt in de Nederlandse lijn om bij het streven naar een versterkte internationale ontwikkelingsarchitectuur een voorhoedepositie in te nemen en dat zou zich ook moeten vertalen in termen van onze financiële bijdragen. Een gerichte inzet van Nederlandse OS-middelen kan immers in belangrijke mate bijdragen aan verbetering van het functioneren van het stelsel van multilaterale hulpinstellingen. In dit licht is het opvallend dat Nederland, met een aandeel aan hulp via multilaterale kanalen van krap 30%, onder het gemiddelde zit van de donorgemeenschap als geheel, verenigd in de DAC. In 1998, het laatste jaar waarover cijfers beschikbaar zijn, bedroeg het DAC-gemiddelde
32,3%.


4. De plaatsbepaling van het multilaterale kanaal in relatie tot het bilaterale en het particuliere kanaal

Versterking van het multilaterale hulpstelsel, de internationale ontwikkelingsarchitectuur, moet worden onderscheiden van het gebruik van het multilaterale kanaal voor specifieke activiteiten op het niveau van ontvangende landen (de zgn. multi-bi-hulp). Multi-bi-hulp is volgens internationale definities bilaterale hulp, hulp van land tot land. Multilaterale hulp is hulp die wordt verstrekt in de vorm van algemene bijdragen aan internationale organisaties, d.w.z. bijdragen waarvan niet is vastgelegd dat zij zijn bestemd voor een specifiek land. Het is belangrijk vast te stellen dat het één niet in de plaats kan treden van het ander, algemene bijdragen aan organisaties blijven immers nodig, al was het alleen maar om die organisaties in staat te stellen hun vaste kosten te dekken en de functies uit te oefenen die losstaan van concrete projectuitvoering.

Het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsbeleid streeft duurzame armoedebestrijding na en in de praktijk wordt telkenmale bezien welk kanaal in een gegeven situatie de beste kansen biedt op het realiseren van die doelstelling. De Nederlandse kanaalkeuze op landenniveau wordt dus vooral door pragmatische overwegingen ingegeven. Veel hangt af van de concrete situatie en van het soort hulp dat wordt verstrekt, bijvoorbeeld schuldverlichting, gespecialiseerde technische assistentie of steun bij de opbouw van het maatschappelijk middenveld. Een goede illustratie van wat met het bovenstaande wordt bedoeld, is mijn recente toezegging van hulp aan Indonesië. Puur-bilaterale verstrekking daarvan stuit op capaciteitsproblemen zowel aan Nederlandse als aan Indonesische kant, kan mede daarom leiden tot vertraging en kan bijdragen aan een versnipperd hulpaanbod, daar waar in de Indonesische situatie van dit moment een gecoördineerd aanbod van hulp de voorkeur verdient. De multilaterale organisaties waren reeds goed vertegenwoordigd in Indonesië en daarom lag hulp met gebruikmaking van het multilaterale kanaal voor de hand. Al met al is het dan ook eigenlijk niet mogelijk om in abstracto een afweging te geven met betrekking tot de meest wenselijke kwantitatieve verhoudingen tussen de diverse kanalen op het niveau van de ontvangende landen.

Is dus een wenselijke vaste cijfermatige verhouding tussen de kanalen op landenniveau niet te geven, over de afweging vanuit een meer algemeen gezichtspunt, dus niet alleen op landenniveau maar ook op het niveau van de totale OS-begroting en dus inclusief de algemene (niet-landen-specifieke) bijdragen aan multilaterale organisaties, valt meer te zeggen.

Het particuliere kanaal is van oudsher hecht verankerd in de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking en dat zal zo blijven. Het geleiden van een vast percentage van de - thans aanzienlijk groeiende!
- ODA-middelen via de MFO's waarborgt dat dat ook in de toekomst zo blijft. Dat betekent uitdrukkelijk dat het in deze notitie beleden voornemen om meer aandacht te besteden aan multilaterale hulp niet ten koste zal gaan van het particuliere kanaal.

Met betrekking tot de bilaterale hulp is ervoor gekozen dat kanaal kwalitatief te versterken door concentratie op de 17 + 4 landen en op een beperkt aantal sectoren aldaar, terwijl voorts een aantal andere landen als themaland is aangemerkt voor resp. milieu, goed bestuur en bedrijfsleven (zie de brief aan de Kamer over «het landenbeleid voor de structurele bilaterale hulp» van 26 februari 1999). Bilaterale hulp geeft Nederland de mogelijkheid om, in coördinatie onder leiding van het ontvangende land, eigen expertise in te brengen en deel te nemen aan de beleidsdialoog ter plaatse. De Nederlandse aanwezigheid die via bilaterale hulp wordt gerealiseerd schept voorts de mogelijkheid om het optreden van multilaterale instellingen op de voet te volgen en waar nodig, ook via acties in de hoofdkwartieren, bij te sturen. Zonder een bilateraal programma zou Nederland zichzelf van effectieve deelname in vele landenspecifieke fora uitsluiten.

Het bilaterale kanaal zal dus zijn plaats behouden in de Nederlandse ontwikkelings-samenwerking. In financiële termen zullen de komende jaren voldoende middelen beschikbaar blijven voor de gekozen landen en sectoren, mede ook gezien het vrijvallen van middelen uit de zogenaamde exit-landen. Doordat de laatstgenoemde middelen als extra beschikbaar komen voor de 17 + 4 en de themalanden, is in het kader van het thans gevoerde beleid vooralsnog geen groei van de totaliteit van de voor het bilaterale kanaal vereiste middelen voorzien. Uitbreiding daarvan is overigens niet alleen op beleidsmatige gronden thans niet noodzakelijk, ook praktisch zijn er bezwaren tegen een kwantitatieve uitbreiding van de bilaterale hulp, gezien het ontbreken van een voldoende omvangrijk en deskundig uitvoerend apparaat 1).

In relatie met de multilaterale hulp is hierboven reeds gesignaleerd dat de traditionele Nederlandse gerichtheid op versterking van de internationale rechtsorde, waarvan de internationale ontwikkelingsarchitectuur deel uitmaakt, zich slecht verhoudt met het, in vergelijking met de donorgemeenschap als geheel, relatief geringe aandeel van de multilaterale hulp in het geheel van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking. Die beschouwing wees in de richting van een verhoging van hulp via multilaterale kanalen. Maar er zijn andere voordelen van multilaterale hulp, die in de notities over de VN en de Internationale Financiële Instellingen als volgt over het voetlicht zijn gebracht.

Multilaterale instellingen beschikken op terreinen waarop zij werkzaam zijn in veel gevallen over meer kennis en ervaring dan individuele donorlanden. Voorts worden, doordat hulp niet door donoren afzonderlijk wordt aangeboden, versnippering en overlappingen voorkomen, wordt de beheerslast voor het ontvangende land drastisch verminderd en wordt de doelmatigheid van de totale hulpinspanning verhoogd. Bundeling van hulp via multilaterale kanalen vergemakkelijkt ook de coördinatie, omdat het aantal aanbiedende partijen dat aan coördinatie ter plaatse mee moet werken wordt verminderd. Verder wordt ook de beheerslast bij het individuele donorland gereduceerd. Ook de doelstelling van 'ownership' is met multilaterale hulp gediend, daar de ervaring uitwijst dat multilaterale instellingen veelal minder met specifieke donorbelangen (economisch eigenbelang of geopolitieke doelstellingen) worden geassocieerd dan bilaterale hulp. Bundeling van hulp via multilaterale kanalen leidt ook tot schaalvoordelen: met meer fondsen kunnen completere programma's worden aangeboden. Voor de door Nederland nagestreefde sectorale benadering is dit van groot belang. Door hun grotere omvang kunnen multilaterale donoren voorts zaken oppakken die de mogelijkheden van een individueel donorland te boven gaan.

Zonder dus het belang van de bilaterale hulp of de hulp via particuliere kanalen te veronachtzamen, kies ik er dan ook uitdrukkelijk voor om de groei van het Nederlandse ODA-budget met name in te zetten voor een groei van de Nederlandse hulp via multilaterale kanalen. Dat zal ertoe leiden dat het multilaterale aandeel in de Nederlandse ODA-inspanning zal toenemen tot rond het DAC-gemiddelde, d.w.z. ruwweg eenderde van het totaal. Aan het slot van deze notitie wordt uiteengezet hoe deze groei van de multilaterale hulp in de komende jaren zal worden ingezet.

1) Cijfers over de verhouding OS-begroting/personeel zijn ontleend aan een toespraak die Poul Nielsen, EU Commissaris voor OS op 27 maart in Amsterdam hield: 'On average to manage 10 mln. US$ of aid there are 2.9 staff at the Commission compared with 4.3 at the Worldbank and up to 9 in the major Member States. Of the larger donors only the Dutch have less namely 2.4'. 5. Punten van kritiek op het multilaterale hulpkanaal

Het grotere accent op het multilaterale kanaal waarvoor in deze notitie wordt gepleit, betekent geenszins dat er op het functioneren van de multilaterale instellingen niet het nodige aan te merken zou zijn - hetgeen overigens ook geldt voor het bilaterale en particuliere kanaal. Kritiek op de multilaterale organisaties is al uitvoerig aan de orde geweest in de eerdere notities over de multilaterale kanalen.

Zo valt er een ernstig gebrek aan coherentie tussen de organisaties onderling te signaleren.

De bestaande drang tot profilering van afzonderlijke organisaties («vlaggen plaatsen»), staat goede onderlinge samenwerking en dus het optimaal functioneren van het multilateraal hulpkanaal als geheel in de weg. Met de Kamer ben ik niet bereid geld te blijven steken in organisaties die ten koste van de effectiviteit van de hulp hun paradepaardjes en hun institutionele ego's voorop willen blijven stellen. Het gaat om resultaten.

Dat geldt in het bijzonder op landenniveau. Van multilaterale organisaties mag worden geëist dat zij zich conformeren aan de internationale ontwikkelingsconsensus zoals geschetst in hoofdstuk 2 van deze notitie en dus in het veld samenwerking, coördinatie en coherentie voorop stellen. De eis van doelmatigheid vergt dat met name de VN-organisaties meer gezamenlijk optrekken. Alles bijeen geteld zijn de operationele budgetten van de VN-organisaties niet veel groter dan die van een flinke bilaterale donor en dus mag het niet meer zo zijn dat daar waar bilaterale donoren het met één vertegenwoordiging ter plekke doen, het VN-systeem er vijf of meer afzonderlijke kantoren op na houdt.

Een volgend kritiekpunt betreft te hooggegrepen pretenties van sommige organisaties, qua mandaat of qua geografische reikwijdte. Concentratie op kernmandaten moet «mission creep» tegengaan, al dan niet ingegeven door het per se mee willen doen aan goed in de markt liggende activiteiten (voorbeeld micro-krediet of I.T.) en anderzijds waarborgen dat andere onderwerpen, waaraan men zich kennelijk gemakkelijk de vingers kan branden, ook adequate aandacht krijgen (voorbeeld: kinderarbeid). Ook bij de spreiding van de activiteiten over een groot aantal landen, of zelfs de pretenties van wereldwijde missies, passen in vele gevallen grote vraagtekens, zeker in geval van een niet meegroeiend budget (voorbeeld: UNDP moet zijn schaarse middelen niet inzetten voor kantoren in Brasilia of Bangkok). In algemene zin zouden VN-hulporganisaties zich op de arme landen (de zgn. IDA-eligible-landen, met name de Minst-Ontwikkelde Landen) moeten concentreren.

Voor wat de samenwerking tussen de onderdelen van het VN-stelsel in het algemeen betreft, waarborgt op papier de Administrative Committee on Coordination (ACC), waarin de SGVN, hoofden van Gespecialiseerde Organisaties en IAEA zitting hebben, de onderlinge afstemming. In de praktijk functioneert de ACC echter niet goed, hetgeen een illustratie is van het kennelijk geringe belang dat deze organisaties aan onderlinge afstemming geven. Inmiddels heeft Directeur-Generaal Brundtland van de WHO op eigen initiatief aansluiting gezocht bij de United Nations Development Group (UNDG). Dit is niet weer een nieuwe VN-instelling maar een coördinatiemechanisme waarin alle hoofden van de Fondsen en Programma's van de VN deelnemen.

Een ernstig knelpunt in het functioneren van de VN-organisaties is voorts dat zij weliswaar goed zijn in het formuleren van beleid en doelstellingen, maar zeer gebrekkig zijn geëquipeerd als het aankomt op het monitoren van de implementatie daarvan. Mechanismen die op dat laatste gericht zijn, zoals de functionele commissies van de ECOSOC, functioneren op zijn best gezegd uiterst matig en te snel wordt in het systeem gegrepen naar het middel van de grote conferenties (de + 5 en
+ 10-conferenties), die maar al te gemakkelijk uitlopen op het heronderhandelen van de eerder vastgestelde teksten in plaats van op het implementeren van overeengekomen doelstellingen, het monitoren van inmiddels geboekte resultaten en het analyseren van factoren die het verwerkelijken daarvan bepalen.

Gelukkig is het echter niet alleen maar kommer en kwel en zijn er ook tendensen die gaan in de richting van meer coherentie binnen het multilaterale stelsel. Dat hangt samen met de internationale ontwikkelingsconsensus, waardoor overeenstemming bestaat over de doelstellingen. Niet alleen vormen armoedebestrijding inclusief duurzame ontwikkeling daadwerkelijk een leidraad voor het handelen van bijvoorbeeld IMF en Wereldbank, er bestaat ook consensus over de concrete vertaling van die begrippen op basis van de grote VN-conferenties. Er zijn bemoedigende voorbeelden van brede samenwerking tussen bijvoorbeeld IMF, WTO, UNDP en Wereldbank. Maar er is nog een lange weg te gaan.

Bijvoorbeeld met betrekking tot coherentie op sectoraal niveau. Er is de laatste jaren veel aandacht besteed aan verbetering van de coördinatie op het niveau van ontvangende landen, maar wereldwijd is er echter niet of nauwelijks sprake van afstemming op het niveau van de sectoren die van belang zijn voor de mondiale inspanning ten behoeve van armoedebestrijding, zoals gezondheid, onderwijs en sociale zaken. Soms ontbreekt bij organisaties de wil tot samenwerking, in andere gevallen is het er in de praktijk niet van gekomen samenwerkingsstructuren te organiseren, bijvoorbeeld omdat sommige sectoren op het werkterrein van meerdere organisaties liggen zodat geen van hen een «natuurlijk» leiderschap toevalt. Ook kan gesignaleerd worden dat VN-organisaties die eigenlijk voorbestemd waren om op hun werkterrein een voortrekkersrol te spelen, met name als gevolg van een door de geïndustrialiseerde landen jarenlang afgedwongen ongeclausuleerde nulgroei, daartoe de capaciteit zijn gaan ontberen en tegenover de financieel veel grotere Wereldbank in een achterstandspositie geraakt zijn. Een symptoom van ontbrekende organisaties-overstijgende aanpak is de oprichting van UNAIDS: UNAIDS had nooit hoeven te worden opgericht als er binnen het VN-systeem een toereikende samenwerkingsstructuur had bestaan om deze problematiek aan te pakken.

Een van de weinige gevallen waarin een dergelijke structuur wél tot stand is gekomen betreft de Global Alliance for Vaccines and Immunizations (GAVI). Op initiatief van de Wereldbankpresident Wolfensohn coördineren de verschillende spelers op het terrein van vaccinatie en immunisatie hun inspanningen. Het betreft UNICEF, WHO, Wereldbank, de particuliere sector, donoren en hulpontvangende landen. Ik juich het GAVI-initiatief toe, omdat met GAVI géén nieuwe organisatie in het leven is geroepen, maar is getracht een netwerkalliantie te creëren, waarin ook de private sector, zowel industrie als particuliere weldoeners, meedoet. Binnen de Wereldbank, maar ook elders wordt thans gewerkt aan voornemens om dit veelbelovende concept van netwerkallianties uit te werken en in de praktijk te brengen.

Een punt van kritiek dat in de eerdere notities ook al aandacht heeft gekregen is het gebrek aan coherentie bij de inbreng van lidstaten in de diverse organen van het VN-systeem en de Internationale Financiële Instellingen. Lidstaten/aandeelhouders van multilaterale organisaties nemen nogal eens per organisatie verschillende beleidsstandpunten in, hetgeen de onderlinge samenwerking tussen multilaterale instellingen bemoeilijkt en tot competentiegeschillen bijdraagt. Een in het oog springend voorbeeld van dergelijk inconsistent gedrag betreft de problematiek van de octrooien op geneesmiddelen: vertegenwoordigers van dezelfde landen bepleiten in de WTO met het oog op de belangen van hun industrieën strikte handhaving van octrooirechten en in de WHO een soepele omgang daarmee met het oog op goedkope beschikbaarheid van geneesmiddelen voor ontwikkelingslanden. Een andere verschijningsvorm van hetzelfde euvel is de onbekendheid van nationale vertegenwoordigers naar VN-bijeenkomsten met de standpunten die hun landgenoten in de Wereldbank verkondigen (en andersom). Ik zet in dat verband grote vraagtekens bij de inbreng van een beperkt aantal woordvoerders van met name grote G-77-landen in VN-vergaderingen, die naar mijn indruk meer gebaseerd is op uit het verleden stammende reflexen en op gekunstelde groepssolidariteit dan op de belangen en inzichten zoals die in hoofdsteden te beluisteren vallen. Ook valt te signaleren dat in dit groepsoptreden onder leiding van enkele machtige woordvoerders de belangen van kleine, arme ontwikkelingslanden, vooral die uit Sub-Sahara-Afrika, menigmaal worden vermalen.

Tenslotte valt nog het kritiekpunt te noemen van nog immer tekortschietend, maar in ieder geval voor verbetering vatbaar, beheer en management, zich uitend in onvoldoende prioriteitsstelling, inefficiënte inzet van personeel en geld of nog onvoldoende transparant beheer en verantwoording. Tegelijkertijd moet echter worden geconstateerd dat hervormingen die zijn en worden uitgevoerd door de Secretaris-Generaal van de VN en de recent aangetreden topfunctionarissen van onder meer de WHO en de ILO tot veel verbetering leiden. Een uitdaging op dit terrein wordt gevormd door de invoering van prestatiemeting en resultaatgerichte begrotingen, analoog aan wat inmidderls ook in Nederland gebeurt met de Rijksbegroting.

De kritiek op de IFI's richt zich met name op de nog onvoldoende vertaling van het op centraal niveau vastgestelde beleid naar de praktijk, met name ten aanzien van armoede en gender. Belangrijke oorzaak daarvan bij de Wereldbank is de organisatie in sectoren en regio's. Nederland blijft streven naar verbetering door middel van een continue dialoog van onze ambassades met de lokale vertegenwoordiging van de Wereldbank en van de andere IFI's. Daarnaast blijft Nederland via de Nederlandse bewindvoerder bij de Wereldbank actief in het Committee of Development Effectiveness (CODE), de commissie waarin effectiviteit van Wereldbankactiviteiten wordt besproken evenals de evaluatiesystematiek.


6. Nederlands beleid ten aanzien van het multilaterale kanaal
Binnen het kader van de Nederlandse beleidstraditie van versterking van de internationale rechtsorde en het stelsel van multilaterale organisaties, zal mijn beleid gericht zijn op versterking van de internationale ontwikkelingsarchitectuur. Middelen daartoe zijn de beleidsbeïnvloeding via de interventies van Nederlandse vertegenwoordigers in beleidsbepalende organen en in allerlei ander overleg (waar mogelijk samen met gelijkgezinden zoals de Utstein-partners), alsmede de gerichte inzet van financiële middelen. Zoals boven uiteengezet beoog ik het aandeel van de multilaterale hulp in de Nederlandse ODA-inspanning op te voeren tot rond het DAC-gemiddelde, d.w.z. ruwweg eenderde van het totaal. Het beleid zal zijn gericht op het teweegbrengen van verbeteringen ten aanzien van de in het vorige hoofdstuk geschetste punten van kritiek op de multilaterale organisaties.

Zo zal zowel op het niveau van ontwikkelingslanden als op hoofdkwartierniveau naar verbeterde samenwerking en taakafbakening tussen de multilaterale organisaties worden gestreefd. Nederland zal zich verzetten tegen "mission creep" en overtrokken (wereldwijde) ambities en zal zich sterk maken voor een scherpe focus van organisaties op hun kernmandaten. Die kunnen overigens, afhankelijk van de aard van de instelling, beperkt (bv. WHO of UNFPA) dan wel (met name de Wereldbank) breed zijn. Maar ook een breed mandaat doet niet af aan de verplichting tot afstemming met anderen, zoals in het geval van de Wereldbank met de regionale ontwikkelingsbanken of UNDP. Voorts zal ervoor gepleit worden dat de VN-hulporganisaties zich vooral richten op de arme landen (IDA-eligible-landen en met name de MOL's).

Zoals eerder opgemerkt, vallen de laatste jaren ten aanzien van de samenwerking tussen de multilaterale instellingen ook positieve ontwikkelingen te signaleren. Dat heeft ook te maken met de personen die thans leidende posities in de multilaterale organisaties bekleden, zoals Kofi Annan (VN), Brundtland (WHO) en Somavia (ILO). Maar hoewel het belang van goede persoonlijke relaties en van individuele inzet ten behoeve van samenwerking moeilijk kan worden overschat, is het nodig samenwerking te institutionaliseren, teneinde te voorkomen dat hetgeen moeizaam is opgebouwd bij een wisseling van de wacht aan de top weer zomaar teloor kan gaan. Contacten tussen multilaterale organisaties moeten ook aangemoedigd worden op het vlak van diegenen die verantwoordelijkheid dragen voor specifieke landen, regio's of thema's. Ik zal activiteiten stimuleren die deze samenwerking bevorderen en institutionaliseren en daartoe, bijvoorbeeld via Partnership Programma's, ook financiële middelen beschikbaar stellen.

Maar niet alleen op het niveau van hoofdkwartieren, ook in het veld is meer coherent optreden van de multilaterale organisaties in hun totaliteit geboden. Een middel daartoe is het United Nations Development Assistance Framework, het intern coördinatiemechanisme van de VN dat tot op heden vooral wordt gebruikt voor informatieuitwisseling. Het UNDAF-mechanisme zou echter verder moeten strekken en moeten leiden tot het gezamenlijk opereren van de multilaterale organisaties. De nationale overheid van het ontvangende land zou géén zaken meer moeten doen met de afzonderlijke VN-organisaties maar in plaats daarvan met één vertegenwoordiger namens de VN. Ter versterking van de VN-coördinatie overweegt Nederland bij de United Nations Development Group (UNDG) een Partnership Programma te starten. Hieruit dient onder meer het UNDAF-mechanisme te worden ondersteund.

Ook wordt van Nederlandse zijde beklemtoond dat het belangrijk is dat VN-organisaties in ontvangende landen niet alleen zaken doen met het ministerie van Buitenlandse Zaken (dat net als in Nederland verantwoordelijk is voor de relatie met de VN-organisaties) of met de op het werkterrein van de respectievelijke multilaterale organisatie werkzame vakministeries, maar ook met de ministeries van Financiën en Planning. Op eenzelfde wijze geldt dat de Wereldbank niet alleen kontakten dient te onderhouden met het ministerie van Financiën en Planning maar evenzeer met vakdepartementen.

De Nederlandse vertegenwoordigers in ontwikkelingslanden zijn geïnstrueerd nauwlettend het optreden en de samenwerking van de multilaterale organisaties in hun ambtsgebied te volgen en te stimuleren. Langs deze weg zal stelselmatig informatie worden verzameld en daarover zal worden gerapporteerd. Daar waar multilaterale organisaties zich onvoldoende inzetten voor samenwerking en voor coördinatie van hun hulpinspanning, zal Nederland niet aarzelen om op het hoofdkwartier aan de bel te trekken. Als organisaties op dit punt blijvend te kort schieten, zal zulks consequenties moeten hebben op het punt van de Nederlandse financiële steun aan hen. Dit is de onvermijdelijke keerzijde van de Nederlandse bereidheid een verbeterde samenwerking waar nodig ook financieel te ondersteunen.

Verbetering is voorts dringend noodzakelijk op het punt van consistentie in aansturing door lidstaten/aandeelhouders. Een veelbelovend initiatief in dit kader is het zogenoemde Philadelphia-overleg. Dit is een informeel overleg tussen vertegenwoordigers van enkele gelijkgezinde landen bij de VN in New York en bij de Wereldbank te Washington dat enige malen per jaar wordt gehouden en waarin over wederzijds relevante zaken wordt gesproken. Hierboven zijn reeds de problemen gesignaleerd rond de inbreng van sommige vertegenwoordigers van (grote) ontwikkelingslanden in VN-verband. Ik neem mij voor om te trachten om samen met gelijkgezinden de betrokkenen deze inconsistenties onder ogen te brengen. Maar ook daar waar geïndustrialiseerde landen incoherent gedrag aan de dag leggen (zoals in het hierboven genoemde voorbeeld WTO/WHO) wil ik hen daarop aanspreken.

Natuurlijk moet Nederland daarbij ook zelf het goede voorbeeld geven. Het Regeerakkoord laat daarover geen misverstand bestaan. Niet dat Nederland het wat dien aangaat slecht doet, maar verbetering is zeker nog mogelijk. Een recent daartoe getroffen maatregel betreft het samenvoegen van de directie Verenigde Naties (DVN) en de directie Multilaterale Ontwikkelingsfinanciering (DMO) van het ministerie van Buitenlandse Zaken tot één nieuwe directie Verenigde Naties en Internationale Financiële Instellingen (DVF). Voorts zal ik, om ook de laatste barrières van verkokering te slechten, extra investeren in de interdepartementale afstemming op ambtelijk en ministerieel niveau.

Het is gewenst dat toegewerkt wordt naar een systeem dat meet in welke mate wordt bijgedragen aan het verwezenlijken van de zeven ontwikkelingsdoelstellingen. Hiertoe wordt bij de multilaterale organisaties aangedrongen op een uniform systeem van prestatiemeting dat aansluit op de internationale doelstellingen. Het VK heeft het initiatief genomen om voor elk van de «zeven beloftes» een strategiedocument op te stellen, waarin elke donor, dus ook Nederland, aangeeft via welke bi-, NGO- en multilaterale kanalen op coherente wijze zal worden bijgedragen aan het bereiken van het beoogde doel. Inzet van financiële middelen zou onderdeel van iedere strategie moeten zijn. Dit sluit aan bij de beoogde nieuwe opzet van de departementale begrotingen in Nederland, met daarin het streven naar prestatiemeting. Deze nieuwe financieringssystematiek, gebaseerd op prestatiegegevens, kan pas op de wat langere termijn worden gerealiseerd. Aldus komen, terecht, de doelstellingen voorop te staan, waarbij de kanaalkeuze instrumenteel is. Een dergelijke benadering biedt ook handvaten om het proces van monitoring van de implementatie van doelstellingen te verzakelijken en los te maken uit de sfeer van alsmaar nieuwe grote conferenties (+5, +10, etc.). In de komende jaren zal Nederland de appreciatie van de beleidsrelevantie en de doelmatigheid van het kanaal als voornaamste ijkpunt voor bijdrage-beslissingen nemen.

Ten aanzien van de afzonderlijke organisaties blijft voortdurende aandacht geboden voor management en beheer. Resultaatsgericht begroten, transparante financiële praktijken en onafhankelijke evaluaties (bijvoorbeeld UNDP) moeten een zo groot mogelijk effect van de ook door Nederland ingebrachte gelden bevorderen. In het geval van goed-presterende gespecialiseerde organisaties zal het beginsel van nulgroei van de begroting, wat Nederland betreft, op selectieve wijze kunnen worden doorbroken. Goede prestaties en succesrijke hervormingen zullen kunnen leiden tot een hogere vrijwillige financiering door Nederland. Erkend wordt dat hervormingen soms eerst geld kosten en daar waar serieuze plannen in die richting worden ontwikkeld, kan Nederland het hervormingsproces financieel ondersteunen, zoals bijvoorbeeld is geschied via de Nederlandse bijdrage aan de transitieprocessen bij WHO, ILO en UNDP. In het algemeen zal echter het principe blijven gelden dat financiële steun wordt verstrekt niet op de basis van mooie intenties, maar op basis van tastbare resultaten.

Voor wat betreft multilaterale inspanningen ten behoeve van coördinatie van thematische en sectorale aard op mondiaal niveau zal het in het vorige hoofdstuk gesignaleerde vacuüm op de eerste plaats moeten worden opgevuld doordat bestaande instellingen op basis van heldere mandaten en in onderlinge samenwerking actie nemen. In aanvulling daarop zal ik de totstandkoming van netwerk-allianties bevorderen, zodat een versterkte interactie tussen een brede variëteit van ontwikkelingsorganisaties wordt bewerkstelligd. Een model is het bovenbeschreven GAVI. Andere voorbeelden van hoe het kan zijn de Consultative Group on International Agricultural Research (CGIAR) of de Consultative Group to Assist the Poor (CGAP). In dit soort opzet kan onder een specifieke sectorale of thematische noemer elke organisatie die een inhoudelijke of financiële bijdrage denkt te kunnen leveren, zowel publiek als privaat, worden uitgenodigd voor breed overleg over gezamenlijke doelstellingen, financiering en operationalisering. Een dergelijke groep of netwerk zal niet over eigen middelen beschikken. In sommige gevallen zal als organisator de relevante gespecialiseerde VN-organisatie kunnen optreden, maar in voorkomende gevallen zullen wellicht andere multilaterale (financiële) organisaties daartoe beter in staat zijn. Afhankelijk van de geagendeerde thema's kunnen de participanten variëren. In Wereldbank-verband wordt thans actief nagedacht over netwerk-allianties op diverse terreinen, waaronder milieu en besmettelijke ziekten.

Dergelijke samenwerkingsverbanden kunnen in belangrijke mate de leemten vullen die er thans inzake «global governance» bestaan. Een belangrijke functie van dergelijke netwerken is niet op de laatste plaats het erbij betrekken van de particuliere sector, zowel NGO's en filantropische stichtingen als het bedrijfsleven. Aldus kan ook binnen de afzonderlijke staten druk ontstaan op regeringen om zich op internationaal niveau constructief op te stellen ten aanzien van de zaak van de «global public goods» en niet te bezwijken voor de verleiding van «free riders» gedrag. Via interactie tussen al deze betrokkenen kan er voorts naar worden gestreefd «global public goods» zoals de bestrijding van besmettelijke ziekten of de bescherming van de aardse atmosfeer, te dienen via inschakeling van het marktmechanisme, waarbij maatschappelijke kosten worden geïnternaliseerd. Ik wil deze ontwikkelingen, ook al gezien het ontbreken van geloofwaardige alternatieven, van harte steunen, ook in financiële zin (bijvoorbeeld door vergaderkosten en pilotprojecten te financieren via Partnership Programma's met betrokken multilaterale organisaties, zoals de Wereldbank en de WHO).


7. Financiële consequenties

De versterkte multilaterale inspanning van Nederland die in deze notitie wordt bepleit, zou er zoals hierboven al is aangegeven toe moeten leiden dat het multilaterale aandeel in de Nederlandse ODA-prestatie oploopt tot op den duur ruwweg eenderde van het totaal. Hierbij dient opgemerkt te worden dat dit niet betekent dat de bijdragen (zowel de algemene vrijwillige bijdragen als de bijdragen via trust funds en partnership programma's) over de gehele linie omhoog zullen gaan. De uiteindelijke bijdrage aan individuele multilaterale fondsen dient afgemeten te worden aan hun bijdrage aan de verwerkelijking van de internationaal overeengekomen ontwikkelingsdoelstellingen.

Thans bedraagt de Nederlandse bijdrage aan de zachte loketten van Wereldbank en regionale ontwikkelingsbanken gemiddeld 2,6 %. Bij het zachte loket van de Wereldbank, IDA, neemt Nederland de 9de plaats in, achter Italië, Canada en Zweden, landen met een kleiner ODA-budget. Ter vergelijking: bij een aantal VN-instellingen zoals UNFPA, UNAIDS, UNDP en UNICEF staat Nederland relatief veel hoger. Ik heb de intentie het Nederlandse aandeel van de volgende middelenaanvulling in IDA (en eventueel het Nederlandse aandeel in het kapitaal van de Wereldbank) te verhogen, aangenomen dat de huidige tendens dat het beleid bij IDA zich in de door Nederland voorgestane richting beweegt gehandhaafd blijft. Ik ben voorts van plan het Nederlandse aandeel in het zachte fonds van de Aziatische Ontwikkelingsbank te verhogen en indien mogelijk bij de Bank zelf, uiteraard op dezelfde conditie als ten aanzien van IDA geschetst. Aanvullingen van de zachte fondsen bij de andere multilaterale ontwikkelingsbanken (IDB en AfDB) zijn in de nabije toekomst niet te verwachten, zodat de vraag naar de hoogte van het Nederlandse aandeel zich daar niet voordoet.

Ter ondersteuning van de belangrijke rol die het PRSP-proces op landenniveau dient te spelen, wil ik trust funds instellen. Bij de regionale banken wil ik een trust fund instellen gericht op facilitering van de implementatie van het PRS(P)-proces, terwijl een gemeenschappelijk trust fund bij Wereldbank en UNDP gericht zal zijn op de versterking van de statistische capaciteit van PRSP-landen. Ik ben van plan de interne VN-coördinatie op landenniveau te versterken door ter ondersteuning van het UNDAF-proces een Partnership Programma met het UNDG te starten. Ik ben verder voornemens milieu-trust fund(s) in te stellen bij de AfDB en de IDB analoog aan hetgeen in de maak is voor de AsDB.

Met de positief beoordeelde VN-organisaties zullen Partnership Programma's worden aangegaan, waarbij Nederland zijn bijdrage kan oormerken voor bepaalde door Nederland gewenste uitkomsten. Vrijwillige bijdragen aan VN en Wereldbank in de vorm van Partnership Programma's en trust funds bieden de mogelijkheid om op voor Nederland belangrijke beleidsterreinen via deze instellingen additionele activiteiten te ontplooien. Partnership Programma's vormen een goede middenweg tussen enerzijds geheel algemene bijdragen en anderzijds multi-bi-financiering. De Partnership Programma's die begin 2000 met de WHO en ILO zijn gestart, zijn bedoeld om de hervormingen binnen die organisaties te steunen. Nederland concentreert zijn bijdrage aan de WHO en ILO op een beperkt aantal prioriteitsgebieden, waarbij de invulling met afzonderlijke activiteiten c.q. programma's wordt overgelaten aan de betreffende organisatie. In 2000 zal Nederland voorts Partnership Programma's aangaan met UNDG, UNFPA en UNAIDS. Met de FAO zal vanaf 2001 een beperkt Partnership Programma worden overeengekomen, dat met name tot doel heeft om Nederlandse OS-uitgaven uit centrale budgetten richting FAO te stroomlijnen en om hervormingen binnen de organisatie te stimuleren. Een Partnership Programma voor UNICEF wordt overwogen.

Het Partnership Programma tussen de Wereldbank en Nederland wordt gebruikt als instrument voor de financiering van niet- landenspecifieke activiteiten, waarmee a) de Bank wordt gestimuleerd zich actiever op te stellen op terreinen als armoedebestrijding, gender en goed bestuur; b) projecten worden gefinancierd die grensverleggend en vernieuwend zijn en c) projecten worden gefinancierd die voor Nederland uit financieel of beheersmatig oogpunt te omvangrijk zijn.

BIJLAGE

Conclusies notities IFI's en VN als kanaal voor ontwikkelingssamenwerking en studie-Berteling


1. De Internationale Financiële Instellingen
De Internationale Financiële Instellingen (IFI's) verschillen sterk van elkaar in omvang, manier van optreden en betekenis voor de ontvangende landen. Derhalve komen de voor de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking relevante IFI's hier afzonderlijk aan bod.

Wereldbank

De Wereldbank is onder de IFI's verreweg de grootste. De Bank beschikt met 9000 werknemers over een enorme "voorraad" aan mondiaal gevoede expertise op het gebied van ontwikkelingsvraagstukken. De Wereldbank is voor veel overheden van ontwikkelingslanden een belangrijke adviseur en speelt doorgaans een hoofdrol in de hulpcoördinatie, onder meer door middel van de organisatie van Consultatieve Groepen. De vraag is dan ook niet of er met de Bank samengewerkt moet worden, maar veeleer hoe het beleid en optreden van de Bank, gezien vanuit de Nederlandse beleidsdoelstellingen, geoptimaliseerd kan worden.

Gelukkig is, mede dankzij vele jaren van Nederlandse inspanningen, het beleid van de Wereldbank op terreinen als armoedebestrijding en gender verbeterd. Een belangrijk nieuwe positieve ontwikkeling op dat vlak is de introductie van het Poverty Reduction Strategy Paper-concept.

Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank

Ondanks de belangrijke rol van de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (IDB) op het Amerikaanse continent, is deze regionale bank als kanaal voor Nederlandse hulp aan de armste landen in Latijns Amerika en het Carïbisch gebied van beperkte betekenis. Wel liggen er twee landen van de 17+4 lijst in die regio. De IDB speelt op het punt van donorcoördinatie, de leidende rol die elders (met name in Afrika) door de Wereldbank wordt gespeeld. In het beleid van de IDB neemt armoedebestrijding een prominente plaats is en ook op andere punten is er congruentie met het Nederlandse beleid. Op dit moment wordt een milieu trust fund uitgewerkt met de IDB dat in 2000 van start zal gaan.

Aziatische Ontwikkelingsbank

Het belang van de Aziatische Ontwikkelingsbank (AsDB) voor het Nederlandse OS-beleid is voor een belangrijk deel gelegen in het gegeven dat wereldwijd bezien het grootste aantal personen onder de armoedegrens in Azië woont en dat vijf van de landen op de 17 + 4
-lijst leningen ontvangen uit het zachte loket van de Bank. In dat kader is het belangrijk dat de AsDB in Azië als "eigen" instelling wordt gezien, waar men meer mee op gelijke voet staat dan met bv. de Wereldbank. De regionale landen hebben ook een meerderheid aan stemrecht. Dit alles versterkt het gevoel van "ownership". De AsDB-groep heeft inmiddels een operationele strategie ontwikkeld voor de doelstelling armoedebestrijding die inmiddels ook de centrale doelstelling is van alle Bank-groep activiteiten.
Afrikaanse Ontwikkelingsbank

De Afrikaanse Ontwikkelingsbank (AfDB) is momenteel onder de IFI's zonder twijfel de kleinste en zwakste broeder. Op het Afrikaanse continent neemt zij, in vergelijking met de Wereldbank, een bescheiden positie in. De Bank is bezig haar "niche" te bepalen. De AfDB heeft jaren van crisis doorgemaakt, waarin zelfs het voortbestaan ernstig in gevaar was. De leiding van de Bank lijkt er nu echter in geslaagd te zijn een keer ten goede te bewerkstelligen, waardoor het vertrouwen van de donoren en de financiële wereld voorlopig is herwonnen. Ook wordt een aantal lokale kantoren heropend, waardoor de Bank meer zal gaan samenwerken met het ontvangende land en andere donoren. Gehoopt wordt dat deze ontwikkeling zal bijdragen aan een sterkere positie van de Bank.

IMF/ Poverty Reduction and Growth Facility

Het IMF is essentieel voor de armste landen onder meer vanwege zijn zachte loket, de Poverty Reduction and Growth Facility (opvolger van de Enhanced Structural Adjustment Facility). De PRGF heeft een grote ("groen licht"-) uitwerking en uitstralingseffect naar donoren en de particuliere sector. PRGF/ESAF heeft sinds de hervorming van de faciliteit aan betekenis gewonnen als kanaal voor het Nederlandse OS-beleid, omdat armoedebestrijdingsbeleid en sociale doelstellingen thans beter worden geïntegreerd in het macro-economisch stabilisatiebeleid onder PRGF-programma's.


2. De VN

De Nederlandse financiële bijdragen aan de VN zijn een belangrijk instrument in het kader van duurzame armoedebestrijding. Dergelijke bijdragen geven Nederland invloed op het beleid van de VN-organisaties. Met name waar het gaat om doeltreffendheid en doelmatigheid van de activiteiten is deze invloed van groot belang.

Naast het financiële instrument gaat het om een actieve Nederlandse opstelling en inbreng in de vele bestuursorganen die de VN kennen. De financiële bijdragen via het VN-kanaal vallen uiteen in drie categorieën:

a) verplichte contributies t.b.v. de begrotingen van de VN zelf en van de Gespecialiseerde
Organisaties;

b) vrijwillige bijdragen aan de VN-fondsen en programma's en

c) bijdragen voor specifieke projecten of programma's op landenniveau, uitgevoerd door VN-organisaties.

In de notitie "De kwaliteit van de VN als kanaal voor ontwikkelingssamenwerking" noemde ik enkele oorzaken voor het sub_optimaal functioneren van VN_organisaties, te weten inconsistent beleid van lidstaten; achterhaald wereldwijd mandaat voor bepaalde operationele activiteiten van de VN; tekortschietend management van sommige organisaties; en te weinig samenwerking tussen VN-organisaties onderling en tussen het VN-systeem en de internationale financiële instellingen, m.n. de Wereldbank.

Als belangrijke donor van de VN_organisaties zal Nederland:


_ goed functionerende organisaties blijven steunen met vrijwillige bijdragen en partnershipprogramma's;


_ organisaties die willen hervormen, daarbij ondersteuning verlenen;

_ vrijwillige bijdragen aan organisaties die onvoldoende presteren, verminderen c.q. stopzetten;


_ via gerichte financiering meer aandacht geven aan Technische Assistentie-programma's;


_ sectorale cofinanciering via goed functionerende VN_organisaties bevorderen;

participeren in donorcoördinatie met VN_organisaties en coördinatie tussen het VN-systeem en de IFI's op landenniveau bevorderen.


3. Rapport Berteling over de relatie Wereldbank en VN
Op mijn verzoek is onderzoek gedaan naar de relaties tussen de Wereldbank en de organisaties van het VN-systeem. Het betreffende rapport heb ik begin februari 2000 naar de Tweede Kamer gestuurd. De opsteller van het rapport, drs. J. Berteling (PV Rome), constateerde dat er weliswaar veel meer samenwerking tussen de Wereldbank en de VN-organisaties was dan hij had verwacht, maar dat er niettemin veel ruimte lag voor intensivering en verbetering. Door intensief gebruik te maken van elkaars kennis en ervaring zijn er grote mogelijkheden tot kwaliteitsverbetering. Alhoewel formeel vaak goed geregeld, hangt de samenwerking in de praktijk vooral af van toevallige factoren als kennis van elkaars organisaties en de onderlinge verstandhouding tussen de hoofden van de instellingen. Voorts speelt een rol dat de structuur en werkwijze van de Wereldbank en de VN-organisaties niet goed op elkaar aansluiten en dat er cultuurverschillen bestaan.

De relatie tussen de Wereldbank en het UNDP wordt in het rapport het meest complex genoemd. Ondanks de verschillen in mandaat is er steeds meer overlapping ontstaan tussen de activiteiten van beide organisaties. Enerzijds geeft dit interessante mogelijkheden voor samenwerking en afstemming, anderzijds ontstaat daardoor ongewenste concurrentie. Verbetering van de samenwerking kan de effectiviteit van zowel het VN-systeem als van de Wereldbank verhogen. De opsteller van het rapport gaf aan dat, teneinde tot een betere samenwerking te komen, lidstaten moeten streven naar meer coherentie in en betere coördinatie van hun optreden in de verschillen bestuursorganen van de organisaties. Daarnaast is het onder meer nodig om op alle niveaus (hoofden instellingen, in het veld) te blijven hameren op serieuze samenwerking, terwijl tevens werd gesuggereerd samenwerking financieel te ondersteunen en anderzijds financiële consequenties te verbinden aan onvoldoende samenwerking.

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie