Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoord Kamervragen bescherming van agenten bij rampen

Datum nieuwsfeit: 13-07-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Antwoord Kamervragen over bescherming van agenten bij rampen en zware ongevallen
Gemaakt: 17-7-2000 tijd: 11:50


4

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal


13 juli 2000

Hierbij bied ik u de antwoorden aan op de schriftelijke vragen die zijn gesteld door het lid Kant (SP) over bescherming van agenten bij rampen en zware ongevallen. Deze vragen werden ingezonden op 6 juni
2000 met kenmerk 2990012030.

DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES,

K.G. de Vries

Bij een ramp (of een zwaar ongeval) voert de burgemeester het opperbevel: hij bepaalt de prioriteiten bij de rampenbestrijding. Dit betreft onder meer de vraag wie en onder welke voorwaarden het rampgebied mag betreden. Dat geldt ook ten aanzien van politiefunctionarissen. De burgemeester laat zich daarbij adviseren door zijn ambtenaren, in het bijzonder de operationeel brandweercommandant. In acute noodsituaties kan met name in de eerste fase over eventuele risico's onduidelijkheid bestaan. Hierdoor kunnen politieagenten - maar ook andere hulpverleners - het risico lopen gevaarlijke stoffen in te ademen als ze een gevarenzone betreden zonder dat ze weten dat er dergelijke stoffen zijn vrijgekomen.

Hoe vaak hiervan sprake is, wordt landelijk niet geregistreerd.


2. / 3. / 5. In de Arbeidsomstandighedenwet is bepaald dat de werkgever zorg dient te dragen voor onder andere een zo groot mogelijke veiligheid van zijn werknemers. Voor de politie kan dat onder andere betekenen dat door de korpsbeheerder persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking worden gesteld.
De korpsbeheerder laat zich bij zijn arbeidsomstandighedenbeleid, waaronder het beleid ten aanzien van persoonlijke beschermingsmiddelen bijstaan door een Arbo-dienst. Op de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet wordt toegezien door de Arbeidsinspectie.

De keuze voor een persoonlijk beschermingsmiddel en de wijze waarop dit moet worden gebruikt, is afhankelijk van een aantal factoren, te weten de aard van het gevaar, de ernst van het gevaar, de frequentie van de blootstelling aan het gevaar en de doelmatigheid van het persoonlijk beschermingsmiddel. De beoordeling hiervan geschiedt onder andere op basis van een door de korpsleiding te doen opstellen en door de betrokken Arbo-dienst te toetsen risico-inventarisatie en
-evaluatie. Dat geldt ook voor de beoordeling van het aantal persoonlijke beschermingsmiddelen dat binnen een regiokorps beschikbaar dient te zijn. Landelijke registratie van soorten en aantallen persoonlijke beschermingsmiddelen per politiekorps vindt niet plaats.

Ten aanzien van het uitrusten van politieagenten met persoonlijke beschermingsmiddelen, hecht ik er in dit verband onderscheid te maken tussen het optreden bij een van te voren in te calculeren risico en het optreden bij rampen en zware ongevallen.

Als voorbeeld van de eerste categorie zijn er bijzondere, gespecialiseerde diensten van de politie (bijvoorbeeld een milieu- of drugsunit) welke zijn uitgerust en geoefend met persoonlijke beschermingsmiddelen. Deze persoonlijke beschermingsmiddelen zijn gericht op de situaties waarin deze diensten moeten optreden en sluiten aan bij de te verwachten risico's die zich daarbij voor kunnen doen.

Bij plotseling optredende incidenten, al dan niet culminerend in een ramp of zwaar ongeval, moet onderscheid gemaakt worden naar optreden van brandweer en politie: in principe treedt de brandweer op het rampterrein zelf op, de politie aan de rand en direct daarbuiten. Bij een ramp of zwaar ongeval, is de brandweer primair verantwoordelijk voor de eerste meting van gevaarlijke stoffen. Aan de hand van de resultaten daarvan wordt het optreden door de verschillende hulpdiensten aangepast. Zodra in een concrete situatie geconstateerd wordt dat gevaarlijke stoffen vrijkomen, wordt het betreffende terrein niet betreden, dan na advies van deskundigen (bijvoorbeeld brandweer en Arbeidsinspectie). Daarbij wordt ook bepaald welke persoonlijke beschermingsmiddelen in die situatie noodzakelijk zijn. Deze persoonlijke beschermingsmiddelen verschillen van geval tot geval (m.b.t. gasmaskers geldt bijvoorbeeld dat tegen elke stof weer een ander masker dan wel een ander filter noodzakelijk is). In bepaalde situaties kan dat dus betekenen dat alleen de brandweer het betreffende terrein kan betreden en dat politieoptreden zich beperkt tot de rand van het rampgebied en daarbuiten.

Gelet op bovenstaande ligt het in algemene zin beschikbaar stellen van persoonlijke beschermingsmiddelen aan alle politieagenten en/of het uitrusten van iedere politiewagen met gasmaskers/perslucht niet in de rede.


4. Zoals ik al eerder heb opgemerkt, dient optreden bij rampen en zware ongevallen altijd afgestemd te worden met andere diensten ter plaatse danwel dient advies gevraagd te worden aan experts van brandweer, g.g.d en/of milieudienst. Daarnaast heeft iedere dienst zijn eigen taak te vervullen en is voor die taak ook uitgerust.
Daarnaast is kenmerkend voor politieagenten dat zij functioneel onder een verhoogd risico moeten werken, onder andere gericht op het handhaven van de openbare orde en het opsporen van strafbare feiten. Dit geldt ook voor het politieoptreden in geval van rampen en zware ongevallen. Het weigeren uit te rukken acht ik in dergelijke situaties dan ook onjuist. In dit verband wijs ik er tevens op dat in de Arbeidsomstandighedenwet is bepaald dat de algemene bevoegdheid van werknemers om in gevaarlijke situaties het werk te onderbreken niet van toepassing is indien een goede taakuitoefening door de politie erdoor wordt belemmerd. Dat geldt in het bijzonder in geval van acute noodsituaties. Uiteraard vraagt de inzet van politieagenten en andere hulpverleners in dergelijke situaties een zorgvuldige belangenafweging door de overheid c.q. het bevoegd gezag.


6. In het licht van bovenstaande, alsmede in het licht van het bereik van de aanwijzingsbevoegdheid, is het geven van een aanwijzing door mij aan de korpsbeheerders niet aan de orde.

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie