Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag informele Raad werkgelegenheid en sociaal beleid EU

Datum nieuwsfeit: 14-07-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief SZW inz versl informele raad werkgelegenheid en sosiaal beleid

Gemaakt: 21-7-2000 tijd: 10:42


7


21501-18 Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid
Nr. 129 Brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 juli 2000

Hierbij zend ik u het verslag van de Informele bijeenkomst van ministers voor Werkgelegenheid en Sociaal Beleid, die ik op 8 juli in Parijs heb bijgewoond.

De Minister van Sociale Zaken

en Werkgelegenheid,

W.A.F.G. VermeendVerslag Informele Raad voor Werkgelegenheid en Sociaal Beleid

Parijs, 8 juli 2000

De Raad voor Werkgelegenheid en Sociaal Beleid voerde op 8 juli een eerste, informele, gedachtewisseling over de hoofdlijnen van het toekomstige sociaal beleid van de EU. Op de Europese Raad van Lissabon (maart 2000) is afgesproken om op de Europese Raad van Nice (december
2000) een agenda vast te stellen voor het sociale beleid van de EU in de komende jaren. Het uitdiepen van het Europese sociale model is een van de belangrijkste prioriteiten van het Franse voorzitterschap. In de komende Raden voor Werkgelegenheid en Sociaal beleid zal - op weg naar besluitvorming in Nice - hier uitvoerig over worden doorgesproken.

De Raad voerde overleg aan de hand van door het voorzitterschap opgestelde bespreeknotities, die teruggrepen op de volgende documenten:

Een recente mededeling van de Commissie over de sociale beleidsagenda voor de periode 2000-2005 [Document COM (2000) 379 final; de Engelstalige versie is bijgevoegd1); de Nederlandse vertaling is nog niet beschikbaar]

Een recent voorstel voor een actieprogramma ter bestrijding van sociale uitsluiting

Alle lidstaten waren op politiek niveau vertegenwoordigd. Aan de discussie namen ook vertegenwoordigers deel van het Europees Parlement, Europese werkgeversorganisaties, Europese werknemersorganisaties, het Economisch en Sociaal Comité, het Werkgelegenheidscomité en non-gouvernementele organisaties. De Raad nam geen besluiten.

De Europese sociale agenda

De discussie over de Europese sociale agenda richtte zich op de volgende zaken:

de inhoud van de beleidsagenda;

de inzet van beleidsinstrumenten om de beleidsagenda te realiseren;

de instanties en organisaties die bij de sociale agenda moeten worden betrokken, alsmede de wijze van monitoring en evaluatie van ontwikkelingen met betrekking tot de sociale agenda.

Inhoud van de sociale beleidsagenda

Met betrekking tot de inhoud van de sociale beleidsagenda bleek dat er zowel bij de lidstaten als bij het EP en de sociale partners een grote mate van instemming bestaat over de wijze waarop de Europese Commissie de sociale beleidsagenda heeft omschreven in haar beleidsdocument. Er is overeenstemming dat sociaal beleid en economisch beleid elkaar versterken, complementair zijn en in onderlinge samenhang moeten worden ingezet om de doelstellingen van de Lissabon-top te verwezenlijken. Benadrukt werd dat sociaal beleid essentieel is voor de ontwikkeling van de concurrentiekracht van het Europese bedrijfsleven en het realiseren van de in Lissabon afgesproken strategische doelstelling om binnen 10 jaar de best presterende economie te zijn, met een aanzienlijk hogere arbeidsparticipatie.

Verschillende delegaties benadrukten dat meer werk scheppen het uitgangspunt van de sociale beleidsagenda dient te zijn. Een exclusieve gerichtheid op de arbeidsmarkt werd evenwel door de meeste delegaties onwenselijk gevonden. Ook het investeren in scholing en opleiding werd een belangrijk onderdeel van de sociale agenda gevonden. Diverse delegaties schoven het thema 'kwaliteit van de arbeid' naar voren. Enkele lidstaten vroegen meer aandacht bij de uitbouw van het Europese sociale model voor de (sociale gevolgen van) de uitbreiding van de EU.

Verschillende lidstaten en met name het EP en de Europese vakbeweging benadrukten het belang van het Handvest Grondrechten, waarin de (sociale) grondrechten van de EU-burgers en werknemers juridisch zouden moeten worden verankerd. Zij vonden dat het Handvest meer moest zijn dan een politieke verklaring en dat de Raad voor Werkgelegenheid en Sociaal Beleid zich nadrukkelijker met het Handvest moet gaan bezighouden.

Instrumenten

Centraal in de discussie stond de vraag welke instrumentenmix (wetgeving; sociale dialoog; sociaal beleid beïnvloeden via de methode van open coördinatie; actieprogramma's; inzet van structuurfondsen) wenselijk is om inhoud en sturing aan de Europese sociale agenda te geven. Er bestond overeenstemming dat al deze instrumenten een rol spelen bij de vormgeving van de sociale agenda. De meeste delegaties vonden het wenselijk om, evenals bij het werkgelegenheidsbeleid, ook voor sociaal beleid een belangrijk accent te leggen op de

succesvolle methode van open coördinatie (benchmarking; peer review; best practices). Wel waren er accentverschillen waar te nemen tussen delegaties of het zwaartepunt meer bij open coördinatie en overleg ('soft law') zou moet liggen dan wel bij klassieke wetgevings-instrumenten. Een aantal lidstaten, het EP en de werknemers-vertegenwoordigers vonden dat het versterken van de open coördinatie niet mag leiden tot vervanging of verwaarlozing van het wetgevings-instrument. Zij vonden dat met name voor het vaststellen van minimumnormen en basisbescherming voor werknemers het inzetten van wetgevende instrumenten noodzakelijk is. EP en EVV bepleitten een wetgevend initiatief voor een minimumloon c.q. -inkomen. In dit verband benadrukten werknemers, EP en enkele lidstaten de noodzaak om spoedig in de Raad tot besluitvorming te komen over de dossiers met betrekking tot de 'rol van werknemers in een Europese Vennootschap' en 'informatie en consultatie van werknemers'. De werkgevers-vertegenwoordiger vond dat de Europese wetgeving ter bescherming van de werknemers sterk verouderd is. Diverse lidstaten wezen op de noodzaak van spoedige afronding van het artikel
13-pakket.

Betrokken partijen; monitoring en evaluatie

De delegaties konden zich in hoge mate vinden in de opvatting van de Commissie dat sociale partners en non-gouvernementele organisaties nauw betrokken zullen worden bij de invulling van de nieuwe sociale beleidsagenda.

Met betrekking tot het ontwikkelen van indicatoren, het meten van doelstellingen en het opstellen van een zgn scorebord werd van verschillende kanten tot voorzichtigheid gemaand. Enerzijds vanwege de onvergelijkbaarheid van de afzonderlijke stelsels en anderzijds vanwege de beperkte beschikbaarheid van adequate meet- en beoordelingsinstrumenten. Vooral het streven naar nationale doelen en indicatoren werd benadrukt.

Het voorzitterschap riep de lidstaten aan het eind van de discussie op om ook schriftelijk hun opvattingen over de Commissie-mededeling kenbaar te maken, met het oog op de eerstvolgende discussie in de Raad van 17 oktober
2000.

Nederlandse inbreng

Inhoudelijk pleitte Nederland ervoor om de sociale agenda toe te spitsen op drie elementen. In de eerste plaats staat voor Nederland vergroting van de arbeidsparticipatie en modernisering van de sociale stelsels als uitgangspunt van sociaal beleid voorop. Om dat te realiseren is het 'investeren in mensen' - het realiseren van permanente onderwijs en scholingsvoorzieningen - de tweede noodzakelijke component van de sociale agenda. In aansluiting hierop pleitte Nederland voor een beleid van sociale activering voor EU-burgers voor wie arbeidsdeelname nog niet of niet meer aan de orde is.

Nederland benadrukte dat de sociale agenda een geïntegreerd onderdeel moet zijn van het algemeen sociaal-economisch- en werkgelegenheidsbeleid van de EU. De afspraken van Nice moeten een helder kader bieden, dat een praktische vertaling kan krijgen in nationale wetgeving, op de 'werkvloer' (bv het realiseren van scholing en leertrajecten in de bedrijven), in afspraken tussen sociale partners (cao's) en in de socialezekerheidsstelsels (financiële prikkels; activerende werking; werk lonend maken).

Evenals enkele andere lidstaten wees Nederland erop dat sociaal beleid niet alleen een economische factor is die de concurrentiekracht van het bedrijfsleven versterkt, maar ook een autonome factor is voor het bieden van bescherming en het opheffen van ongelijkheden. Nederland memoreerde de recente vergelijkende studie naar de samenhang tussen sociaal beleid en economisch concurrentievermogen ('De Nederlandse verzorgingsstaat; sociaal beleid en economische prestaties in internationaal perspectief'; toegezonden aan de Tweede Kamer d.d. 29 juni jl.). Daarvoor bestond veel belangstelling.

Nederland hechtte sterk aan de methode van open coördinatie als instrument om - via 'peer pressure', 'best practices' en aan landen gerichte aanbevelingen - het beleid van de lidstaten politiek te sturen. In dit verband vond Nederland het wenselijk de open coördinatie-methode meer toe te spitsen op het beoordelen van resultaten en dat actieplannen meer actie en minder 'papier' moeten bevatten.

De strijd tegen sociale uitsluiting

Ook de discussie over sociale uitsluiting stond in het teken van de afspraken in Lissabon en de aanstaande top van Nice. In Lissabon is afgesproken om voor het terrein van de strijd tegen sociale uitsluiting passende doelstellingen te formuleren en hiertoe indicatoren te ontwikkelen.

Uit de discussie kwam naar voren dat de lidstaten in principe positief staan tegenover het recente actieprogramma van de Commissie met betrekking tot het tegengaan van sociale uitsluiting. Benadrukt werd evenwel dat bij de bestrijding van sociale uitsluiting subsidiariteit voorop staat en dat het dus vooral een zaak van de lidstaten zelf is.

De discussie spitste zich toe op de wijze waarop indicatoren zouden moeten en kunnen worden ontwikkeld. Hierop werd enigszins terughoudend gereageerd. Algemeen werd erkend dat het ontwikkelen van Europese indicatoren op sociaal terrein technisch lastig en politiek gevoelig is. Daarom werd door verschillende lidstaten - waaronder Nederland - aangegeven dat het vaststellen van de vooruitgang van de sociale ontwikkelingen belangrijker is dan het exact meten of vergelijken van die ontwikkelingen. De Groep op Hoog Niveau voor de Sociale Bescherming zal hieraan nader invulling moeten geven.

Veel delegaties vonden dat - via open coördinatie - op Europees niveau vooral richtinggevende kaders moeten worden aangereikt, die nationaal moeten worden ingevuld. Daarom is het wenselijk vooral toe te werken naar nationaal geformuleerde doelstellingen. Op grond hiervan werd door een lidstaat voorgesteld om de doelstellingen toe te spitsen tot enkele prioritaire thema's - zoals inkomensniveaus, toegang tot de arbeidsmarkt, volksgezondheid en huisvesting - en daar zo snel mogelijk concrete actie op te ondernemen.

De vertegenwoordigers van de sociale NGO's pleitten voor 'mainstreaming' van de strijd tegen sociale uitsluiting in het EU-beleid. Verder pleitten zij ervoor dat ambtenaren die zich met het onderwerp sociale uitsluiting bezighouden een speciale opleiding krijgen om meer kennis van en affiniteit met het onderwerp te verwerven. Voorts stelden zij voor een Europees observatorium voor de strijd tegen de sociale uitsluiting op te richten.

Nederlandse inbreng

Evenals de meeste delegaties kon Nederland zich goed vinden in het actieprogramma van de Commissie om sociale uitsluiting terug te dringen. Nederland stelde - bijgevallen door een aantal delegaties - dat betaalde arbeid de beste garantie is tegen sociale uitsluiting. Nederland benadrukte dat ook voor de sociale uitsluiting dezelfde trits geldt als voor de nieuwe sociale agenda: 1) betaald werk en activering; 2) investeren in scholing en opleiding; 3) indien werk niet of vooralsnog niet tot de mogelijkheden behoort opzetten van programma's voor sociale activering. Voorts bepleitte Nederland bijzondere aandacht voor de sociale en economische integratie van allochtonen en voor het zittend bestand van langdurig werklozen. Nederland vindt dat àlle langdurig werklozen onder de sluitende aanpak moeten worden gebracht.

Nederland vond bij de bestrijding van sociale uitsluiting meer aandacht nodig voor de gevolgen van de kenniseconomie. Nederland weest onder meer op de dreigende tweedeling in de samenleving tussen burgers die toegang hebben tot ICT en internet en burgers die dat niet hebben. Daarvoor zijn intensieve scholings- en trainingsprogramma's noodzakelijk.

Met betrekking tot de indicatoren-discussie stelde Nederland zich op het standpunt dat vooral de vooruitgang op sociaal terrein moet kunnen worden vastgesteld, afgezet tegen concreet geformuleerde doelstellingen, op basis waarvan een afgewogen oordeelsvorming moet kunnen plaatsvinden.

In de afsluitende conclusies memoreerde het voorzitterschap het uitgangspunt van subsidiariteit, de 'mainstreaming' van sociale uitsluiting en de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven. Het voorzitterschap gaf aan dat bevordering van de werkgelegenheid niet in alle gevallen de oplossing voor sociale uitsluiting is. Het voorzitterschap vond dat de Nederlandse insteek
- minder papier, meer concrete acties en resultaten - leidraad bij de verdere uitwerking zou moeten zijn. Het voorzitterschap meldde dat de resultaten van de discussie in een document zullen worden neergelegd ten behoeve van een volgende Raad.


1) Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie
Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie