|
Tweede Kamer der Staten Generaal
Brief BUZA inz indonesie notitie
Gemaakt: 18-7-2000 tijd: 16:59
26
26049 Indonesië
Nr. 28 Brief van de minister van Buitenlandse Zaken en voor
Ontwikkelingssamenwerking
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 14 juli 2000
Ingevolge eerdere afspraken en ter voorbereiding op een algemeen
overleg na het zomerreces, hebben wij u de eer u de Indonesië notitie
te doen toekomen.
In deze notitie wordt ook ingegaan op het verzoek van de Indonesische
regering inzake Irian Jaya (Papoea), waarmee is voldaan aan het
verzoek van de Vaste Commissie voor Buitenlandse Zaken d.d. 22 juni
jl.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
J.J. van Aartsen
De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking
E.L. Herfkens
INDONESIE NOTITIE
Inhoudsopgave
1 Inleiding
2 Analyse politieke en sociaal-economische situatie:
nieuwe verhouding met de regio's en het vormgeven aan etnische en
religieuze verhoudingen
de rol van het leger
mensenrechten en goed bestuur
d) Armoede en economische problemen
3 De belangen
4 De inzet
4.1 Beleidskader: Agenda voor hernieuwde en geïntensiveerde
samenwerking
4.2 Multilateraal: inzet in EU en VN
4.3 Bilateraal: economische samenwerking
4.4 Bilateraal: ontwikkelingssamenwerking
4.5 Bilateraal: overige vormen van samenwerking
5 Conclusie
Bijlage:
I Bilaterale samenwerking (met overzichtsschema)
INDONESIE NOTITIE
1 Inleiding
Met het aantreden van een democratisch gekozen regering is voor
Indonesië een nieuw tijdperk aangebroken. Na een periode onder
Soekarno waarin de nationale eenheid gestalte kreeg en een lange
periode onder Soeharto waarin economische groei en nationale
ontwikkeling in een autoritair stelsel centraal stonden, heeft
Indonesië een unieke kans om wezenlijk te veranderen. De overgang naar
een pluralistische, democratische rechtsstaat met een transparante,
marktgeoriënteerde economie vereist echter ingrijpende stappen van
politieke, maatschappelijke en economische aard.
Dit veranderingsproces is zeer kwetsbaar, zo maakt met name het
verontrustende geweld op de Molukken pijnlijk duidelijk. Er zijn tal
van reële bedreigingen, zoals de nog niet uitgekristalliseerde
verhoudingen tussen het centrale en regionale niveau op bestuurlijk en
economisch terrein, de toegenomen armoede, de toenemende politisering
van de islam, de gebrekkige democratische controle over politie en
leger, het verzet van de bestaande machtsstructuren tegen hervormingen
en het _ deels door sommigen bewust uitgelokte _ geweld in de
periferie van de archipel. Bijkomend probleem is dat de instituties
die dit proces moeten dragen nog zwak ontwikkeld zijn. Het proces
leunt daarom zwaar op individuele personen als President Wahid en
Vice-president Megawati. De bijeenkomst van het Volkscongres (MPR) in
augustus zal een belangrijke graadmeter zijn voor het welslagen van
dit veranderingsproces.
In deze complexe omgeving heeft de Indonesische regering duidelijk
gemaakt dat zij op de ingeslagen democratische weg wil doorgaan. Zij
vraagt en verdient hierbij internationale steun, juist ook uit
Nederland. Tijdens de bezoeken van president Wahid en minister Kwik
aan Nederland en de ministers Van Aartsen, Jorritsma, Herfkens en De
Grave aan Jakarta is een duidelijk signaal afgegeven dat de
Nederlandse regering deze steun zal bieden.
Na een periode van bewust gekozen afstand, ook in de nog onduidelijke
overgangsfase onder president Habibie, heeft de Nederlandse regering
de bilaterale banden nadrukkelijk aangehaald. Op de terreinen van
politieke, ontwikkelings- en economische samenwerking zijn reeds vele
initiatieven ontplooid, zo bleek uit recente brieven aan de Tweede
Kamer van de ministers van Economische Zaken en voor
Ontwikkelingssamenwerking. De overkoepelende Agenda voor hernieuwde en
geïntensiveerde samenwerking, op 3 februari jl. ondertekend door beide
ministers van Buitenlandse Zaken, beoogt richting te geven aan deze
omvangrijke en veelvormige samenwerking. Vorm en inhoud van het
bilaterale beleid worden bepaald door de specifieke behoeften van
Indonesië, gekoppeld aan de specifieke expertise en meerwaarde van een
Nederlandse inzet.
Deze notitie bevat een beschrijving van het Nederlandse beleid vis à
vis Indonesië. Daaraan vooraf gaat een beknopte analyse van de
politieke en sociaal-economische situatie.
2 Analyse politieke en sociaal-economische situatie
De door de Indonesische regering beoogde fundamentele veranderingen
verlopen niet zonder slag of stoot. De sociaal-economische gevolgen
van de crisis hebben geleid tot een onzekere situatie. De nieuwe
regering ziet zich bovendien geconfronteerd met tegenstanders van
politieke hervormingen zowel binnen de bureaucratie als in het leger.
De grootste politieke en sociaal-economische uitdagingen voor de
regering Wahid liggen op het terrein van:
a) nieuwe relaties met de regio's en het vormgeven aan etnische en
religieuze verhoudingen;
b) de rol van het leger;
c) mensenrechten en goed bestuur;
d) armoede en economische problemen.
a) nieuwe relaties met de regio's en het vormgeven aan etnische en
religieuze verhoudingen
De verhoudingen tussen het centrum (Java, met name Jakarta) en de
verschillende bevolkingsgroepen in de regio's zijn zeer gespannen.
Deze spanningen waren ook al zichtbaar toen Indonesië nog in een
fase van economische groei verkeerde. De groei in de buitengewesten
werd altijd vanuit Jakarta geïnitieerd en geleid, het waren
vooral de migranten die van deze groei profiteerden. Het resulteerde
in tegenstellingen en soms ook conflicten tussen oorspronkelijke
inwoners en allochtonen. De economische crisis en de instabiele
periode na de val van Soeharto verscherpten deze tegenstellingen.
De gewelddadige lokale conflicten uiten zich vooral in de relatie
tussen meerderheden en minderheden, welke tegenstelling in vele
gevallen samenvalt met een contrast tussen autochtone bewoners en
migranten. Het verschil tussen achterstelling en vooruitgang loopt
vaak parallel aan het contrast tussen moderniseringproces en
traditionele culturen. De conflicten hebben naast een economische vaak
ook een etnische of religieuze dimensie. De bestaande politieke
structuren bieden nog onvoldoende mogelijkheden deze te kanaliseren.
De macht op regionaal en lokaal niveau is nog sterk gecentraliseerd.
Bestaande volksvertegenwoordigingen in alle provincies hebben
nauwelijks invloed.
Genoemde tegenstellingen zijn met name waarneembaar in Aceh, Irian
Jaya, West-Kalimantan (provincies die rijk zijn aan grondstoffen) en
de Molukken. In deze en andere provincies dringt de bevolking aan op
meer autonomie. Van een krachtig onafhankelijkheidsstreven is vooral
sprake in Aceh.
Bij zijn aantreden heeft president Wahid te kennen gegeven hoge
prioriteit te geven aan decentralisatie. Onder Habibie werd hiervoor
reeds een voorzet gegeven in de vorm van een wettelijke regeling. Deze
voorziet in een vergaande autonomie voor de districten, met
uitzondering van monetaire aangelegenheden, defensie, rechtspraak en
godsdienstzaken. De districten mogen 15% van hun olie-inkomsten en 30%
van hun gasinkomsten houden. De implementatie van deze wetgeving zal
de komende maanden verder gestalte krijgen. Een zeer belangrijke stap
wordt verwacht in augustus, bij de parlementaire behandeling van de
noodzakelijke uitvoeringsregelingen.
Het handelen van de regeringen onder achtereenvolgens president Wahid
werd en wordt voor een groot deel ingegeven door de wil tot behoud van
de nationale eenheid en het voorkomen van fragmentatie. Indonesië kent
ook krachtige eenheidstendensen. Deze worden zichtbaar in de
bestuursstructuur, het nationale leger, de nationale ideologie, de
eenheidstaal en de stelselmatige verbreiding van het onderwijs. Deze
elementen vormen samen met de cultuur met haar groot absorberend
vermogen de fundamenten van de Indonesische staat.
Molukken
Sinds begin 1999 is op de Molukken sprake van ernstige
geweldsuitbarstingen tussen christenen en moslims. De oude, vreedzame
coëxistentie tussen beide bevolkingsgroepen is in een ernstige crisis
geraakt. Beperkte het geweld zich in 1999 tot de Centrale en
Zuidelijke Molukken, sinds eind december jl. heeft het zich ook
verspreid naar noordelijk gelegen eilanden als Halmahera, waarbij
honderden slachtoffers zijn gevallen. De Indonesische regering erkent
dat in bepaalde delen van de Molukken het geweld tussen de
geloofsgemeenschappen is uitgelokt door criminele provocateurs. Al
langer sluimerende spanningen tussen de bevolkingsgroepen, voor een
belangrijk deel terug te voeren op veranderende getalsverhoudingen
onderling en onevenredige participatie in economische en bestuurlijke
activiteiten zijn hierdoor tot een uitbarsting gekomen.
De komst van twee- à drieduizend paramilitaire Jihad strijders naar
Ambon heeft het langzaam op gang gekomen proces van herstel en
verzoening ver teruggeworpen. Het geweld dat daardoor in volle
hevigheid is opgelaaid heeft vele tientallen slachtoffers gemaakt in
beide geloofsgemeenschappen. President Wahid heeft de
verantwoordelijkheid van de Indonesische regering voor herstel van de
rust op de Molukken duidelijk erkend.
De zorgwekkende ontwikkelingen op de Molukken hebben de voortdurende
en bijzondere aandacht van de Nederlandse regering. Direct na de komst
van de Jihad-strijders heeft de EU, op uitdrukkelijk verzoek van
Nederland, in een diplomatieke actie bij de Indonesische autoriteiten
aandacht gevraagd voor het dreigende geweld en aangedrongen op
effectieve maatregelen om verdere escalatie te voorkomen. Ook
bilateraal heeft de Nederlandse regering actie ondernomen. In reactie
op het aanhoudende geweld heeft de minister van Buitenlandse Zaken
zijn collega Alwi Shihab op 14, 25 en 29 juni opnieuw krachtig
aangesproken op daadwerkelijk maatregelen. Ook binnen de
internationale gemeenschap heeft Nederland nadrukkelijk aandacht
gevraagd voor de situatie op de Molukken. Zo zullen de EU-ambassadeurs
op 17 juli een gesprek voeren met president Wahid, vice-president
Megawati en chef-defensiestaf Widodo. Daarin zal worden aangedrongen
op ontwapening, effectief optreden van leger en politie en bijzondere
aandacht worden gevraagd voor de humanitaire situatie. In bilaterale
contacten tussen de minister van Buitenlandse Zaken en minister
Albright op 26 en 29 juni is afgesproken de diplomatieke inspanningen
goed te coördineren. Binnen de internationale gemeenschap leeft het
besef dat het conflict dient te worden geplaatst tegen de achtergrond
van de algemene verslechtering van de situatie in Indonesië. Minister
Shihab heeft op 7 juli opnieuw erkend dat achter het conflict op de
Molukken destabiliserende krachten schuilgaan en benadrukt dat de
Indonesische regering vastbesloten is de problemen zelf op te lossen.
Nederland zal bilateraal en met de EU-partners bij de Indonesische
regering krachtig blijven aandringen op effectieve maatregelen in die
richting. Naast diplomatieke en humanitaire acties (tot dusver is voor
bijna NLG 11 miljoen aan noodhulp gefinancierd) blijft Nederland
bereid substantieel bij te dragen aan de wederopbouw van de Molukken.
Het beleid met betrekking tot Indonesië wordt met bijzondere
intensiteit gevolgd door de Molukse gemeenschap, die sinds 1951 deel
uitmaakt van onze samenleving. Deze bevolkingsgroep telt naar
schatting 35.000 personen, die intens meeleven met de zeer ernstige
conflicten op de Molukken. Gevoelens van grote zorg over het welzijn
van hun verwanten en kennissen op de Molukken en van machteloosheid
bij het alsmaar voortduren van de vijandelijkheden bepalen in hoge
mate het dagelijkse leven van deze landgenoten. Een delegatie vanuit
Molukse organisaties heeft zowel in Jakarta als tijdens diens bezoek
in Nederland rechtstreeks met president Wahid gesproken over de
situatie op de Molukken.
De minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid onderhoudt de
contacten met de Molukse gemeenschap in Nederland en voert regelmatig
overleg met politieke, kerkelijke, maatschappelijke en
hulporganisaties om hen te informeren over het Nederlandse beleid. Dit
overleg biedt tevens de mogelijkheid op de hoogte te blijven van de
ontwikkelingen binnen de Molukse gemeenschap en bij te dragen tot de
coördinatie van hulpacties in Molukse kring. Samenwerkingsverbanden
van Molukse christenen en Molukse moslims, zowel op landelijk als
provinciaal niveau, hebben daarbij een bijzondere plaats ingenomen.
Zij zijn er in geslaagd de communicatie tussen de verschillende
Molukse geloofsgemeenschappen in stand te houden, waarmee is voorkomen
dat de tegenstellingen op de Molukken zich weerspiegelen in ons land.
Aceh
Hoewel in Aceh een grote meerderheid van de bevolking voor een
vergaande vorm van autonomie of zelfs onafhankelijkheid is, kan niet
worden gesproken van een goed georganiseerde beweging met een
duidelijk leiderschap. Ongedisciplineerd optreden van de
Gerakan Aceh Movement (GAM) lijkt steeds meer weerstand op te roepen
onder de bevolking. Het onafhankelijkheidsstreven in Aceh lijkt mede
te worden ingegeven door jarenlang gewelddadig optreden door delen van
het Indonesische leger. Met de berechting van militairen die
beschuldigd werden van mensenrechtenschendingen in Aceh heeft de
regering op dit punt een eerste stap gezet. Ook tracht de regering
Wahid een brede dialoog op gang te brengen met de bevolking van Aceh.
Cruciaal in de komende jaren is of de nadrukkelijk aanwezige gevoelens
van regionale eigenheid hierdoor tevreden kunnen worden gesteld. Dat
het de regering Wahid ernst is met het op vreedzame wijze zoeken naar
oplossingen voor het conflict op Aceh werd duidelijk door de
ondertekening met het leiderschap van het GAM van de Joint
understanding on humanitarian pause for Aceh, een eerste stap in een
ongetwijfeld lang vredesproces.
Irian Jaya/Papoea
Op Irian Jaya neemt de roep om meer autonomie dan wel
onafhankelijkheid eveneens toe, al is de situatie daar nog niet te
vergelijken met de situatie in Aceh. Ook op Irian Jaya hoopt de
regering dat met het in gang gezette decentralisatieproces
separatistische gevoelens kunnen worden beteugeld. Daarnaast zij
opgemerkt dat getalsverhoudingen sterk ten nadele van de autochtone
bevolking zijn gewijzigd door georganiseerde en spontane
transmigratie.
In autochtone kringen bestaat nog steeds grote onvrede over de wijze
waarop de 'Act of Free Choice' in 1969 is uitgevoerd. De Nederlandse
regering heeft op verzoek van het parlement besloten tot een
onafhankelijk onderzoek naar de nationale en internationale
ontwikkelingen voor, tijdens en na genoemde 'Act of Free Choice'.
Tijdens een bezoek aan Irian Jaya eind december 1999 heeft president
Wahid benadrukt dat afscheiding uitgesloten is.
Tegemoetkomende uitspraken van de president (het recht de eigen
papoea-vlag te hijsen; de naamsverandering in Papoea in plaats van
Irian) kregen tot dusver geen praktisch vervolg. In de slotverklaring
van het Papoea-congres op 4 juni jl. staat dat Irian Jaya al sinds 1
december 1961 - de installatie van de Nieuw-Guinea Raad -
onafhankelijk is. De Indonesische regering wijst deze interpretatie
van de hand en heeft Nederland en de internationale gemeenschap
gevraagd het akkoord van New York van 1962 en VN resolutie 2504
opnieuw te bevestigen. In reactie op dit verzoek heeft de minister van
Buitenlandse Zaken tegenover minister Shihab mondeling en schriftelijk
expliciet steun uitgesproken voor de territoriale integriteit van
Indonesië. Daarnaast heeft Nederland bevorderd dat ook de EU deze
steun nogmaals, nu naar aanleiding van genoemde slotresolutie, in een
verklaring heeft neergelegd. Oost-Timor Deze in 1975 veroverde en in
1976 geannexeerde ex-kolonie van Portugal wordt nu bestuurd door de
United Nations Transitional Administration in East Timor (UNTAET). Het
bestuur van UNTAET bestaat uit drie componenten: - governance en
openbaar bestuur, inclusief civiele politie: - humanitaire hulp en
reconstructie; - militaire aanwezigheid, bestaande uit ruim 8000
blauwhelmen. De VN Transitional Administrator Vieira de Mello verwacht
dat tussen augustus en december 2001 verkiezingen kunnen worden
gehouden voor een constitutionele vergadering, die zich zal buigen
over een ontwerp-grondwet voor een onafhankelijk Oost-Timor.
Aandachtspunten bij de verdere afwikkeling van de operatie zijn de nog
immer precaire situatie van de vluchtelingen in West-Timor (naar
schatting honderdduizend), de betrokkenheid van de Oosttimorese
bevolking bij bestuur en de wederopbouw en de veiligheidssituatie, met
name in het grensgebied met West-Timor. Voor humanitaire hulp aan
Oost- en West-Timor heeft Nederland en bedrag uitgetrokken van NLG 24
miljoen. Daarnaast is NLG 5 miljoen gestort in het UNTAET Trustfund.
Tot slot heeft de minister voor Ontwikkelingssamenwerking, in reactie
op een verzoek van Xanana Gusmao, aangegeven in principe bereid te
zijn tot een bijdrage van USD 1 miljoen aan de opbouw van het
maatschappelijk middenveld en ondersteuning van het leiderschap op
Oost-Timor. In de chaotische overgangstijd na het referendum werd ook
een Nederlandse journalist, Sander Thoenes, vermoord. De moord op
Sander Thoenes is onderdeel van de onderzoeksrapporten van zowel de
nationale commissie die de mensenrechtenschendingen op Oost-Timor
onderzocht als van de internationale VN-commissie. Procureur-generaal
Marzuki Darusman heeft een speciaal onderzoeks- en vervolgingsteam
ingesteld om deze en andere mensenrechtenschendingen die hebben
plaatsgevonden daadwerkelijk strafrechtelijk te vervolgen. De op 5
april tussen UNTAET en Indonesië gesloten overeenkomst inzake
juridische samenwerking is hierbij instrumenteel. Nederland zal zich
blijven inzetten voor volledige opheldering van de toedracht van de
moord op Sander Thoenes.
Religieuze tegenstellingen
Hoewel Indonesië voor het leeuwendeel islamitisch is, is de islam
sterk vermengd met hindoeïstische, boeddhistische en animistische
elementen. Slechts een minderheid van de bevolking is
orthodox-islamitisch. Bij de parlementsverkiezingen van juni 1999
behaalden de islamitische partijen zo'n 30 procent van de het aantal
zetels. Is een groot deel van de moslims vrij tolerant, er zijn ook
meer fundamentalistische groeperingen, zoals de op dit moment op de
Molukken actieve moslimstrijders van de 'Laskar Jihad'. De
terreur-acties tegen beoefenaars van zwarte magie in Oost- en
Centraal-Java reflecteren een islamitisch-fundamentalistische stroming
die banden heeft met pro-islamitische krachten in het leger. Beide
zijn er blijkbaar op uit om via een appèl op de "ware islam" het gezag
van de president te ondermijnen. Ofschoon geconstateerd kan worden dat
het aantal aanhangers van de islam is gegroeid en de Islam door
sommige groeperingen als vehikel voor emancipatie wordt beschouwd,
lijken op de Islam georiënteerde politieke stromingen zich qua aantal
te beperken en zich qua verspreiding m.n. in West-Java en Jakarta,
Zuid-Sulawesi en West-Sumatra voor te doen.
b) de rol van het leger
Het Indonesische leger heeft decennia lang een dominante rol gespeeld
en zich tot een politiek en economisch machtsblok ontwikkeld. Zo heeft
het leger nog steeds een vast aantal zetels in de MPR dat overigens
bij de twee afgelopen algemene verkiezingen al substantieel is
teruggebracht, eerst nog onder Soeharto en vervolgens onder Habibie.
De politieke rol van het leger is zelfs wettelijk vastgelegd in de
dwifungsi-doctrine, inhoudende dat het leger behalve 's lands
verdediging een legitieme taak heeft in het politieke proces.
Excessief optreden door het leger heeft geleid tot een behoefte aan
heroverweging van deze dubbelrol van het leger. Het aantreden van de
eerste democratisch gekozen regering heeft deze behoefte doen
toenemen. Daarbij staat ook de economische dimensie van de 'dwifungsi'
ter discussie. Terugtrekking van het leger uit de Indonesische
economie, waarin het een aanzienlijke machtspositie heeft opgebouwd,
is onlosmakelijk verbonden met de in gang gezette economische
herstructurering.
De nieuwe regering heeft duidelijk gemaakt de politieke en
maatschappelijke privileges die het leger had te willen afschaffen.
Leger en politie zullen moeten leren functioneren binnen democratische
verhoudingen. Dit raakt aan grote interne belangen en roept
conservatieve reacties op die alleen door vergaande
professionalisering kunnen worden overbrugd. President Wahid moet hier
balanceren tussen enerzijds hervormingsgezinde krachten en anderzijds
de achter de schermen nog steeds aanwezige en invloedrijke elite. Op
zijn gezag is een begin gemaakt met onderzoek naar
mensenrechtenschendingen door militairen. De hervormingsgezinde delen
van het leger moeten gelegenheid krijgen om het leger een nieuwe rol
te geven die past bij de nieuwe democratische verhoudingen. Tijdens
het recente bezoek van de minister van Defensie is herhaald dat
Nederland bereid is tot samenwerking gericht op de professionalisering
van het leger. Daarbij zal de nadruk liggen op de marine en de
politie. Het voornaamste doel van de samenwerking is Indonesische
militairen vertrouwd te maken met de positie en de functie van een
krijgsmacht in een democratisch bestel.
c) mensenrechten en goed bestuur
De omwenteling in Indonesië biedt uitzicht op verankering van democratie en
mensenrechten in een van de grootste naties ter wereld in een regio waar de
naleving van de mensenrechten vaak te wensen overlaat.
De eerste daden van de regering Wahid op het terrein van mensenrechten waren
hoopgevend, nadat onder Habibie reeds enkele eerste stappen waren gezet:
herstel van de persvrijheid, vrijlating van politieke gevangen, oprichting
van een commissie Nationale Ombudsman, berechting van een aantal militairen
en publicatie, door de nationale onderzoekscommissie KPP HAM, van een zeer
kritisch rapport over de mensenrechtenschendingen op Oost-Timor. Onderzoek
naar mensenrechtenschendingen is cruciaal voor herstel van vertrouwen in de
regering en nationale verzoening. Bedacht dient te worden dat structurele
veranderingen op dit gebied een zaak van lange adem zijn. Indonesië staat
nog maar aan het begin van de opbouw van de rechtsstaat. Bovendien kan de
Indonesische regering niet of nauwelijks terugvallen op maatschappelijke
instellingen: het gros van de bevolking is niet of beperkt geïnvolveerd in
het transitieproces. Nederland zal mensenrechten dan ook nadrukkelijk
onderwerp maken van de politieke dialoog met de Indonesische autoriteiten en
bijdragen aan projecten op dit gebied, vooral uit te voeren via NGO's.
Indonesië is volgens de gegevens van het onafhankelijke onderzoeksbureau
"Transparancy International" het op twee na meest corrupte land ter wereld.
Corruptie komt in alle lagen van het bestuur voor en heeft dusdanige vormen
aangenomen dat niet alleen het vertrouwen in de overheid en rechterlijke
macht structureel is ondermijnd, maar dat ook de transactiekosten in het
zakelijk verkeer een snel herstel van de Indonesische economie hinderen. De
corruptie is tegelijkertijd oorzaak en gevolg van het ontbreken van goede
moderne wetgeving, effectieve controle op naleving daarvan, en een
effectieve en onafhankelijke rechtspraak op basis daarvan.
De nieuwe regering heeft van de nieuwe MPR een duidelijk mandaat gekregen te
werken aan goed bestuur, gebaseerd op transparantie en rechtszekerheid. De
eerste daden van de regering zijn hoopgevend: in het Bank Bali schandaal
zijn betrokkenen in staat van beschuldiging gesteld en heeft de publicatie
van de conclusies van de accountantscontrole van de staatsondernemingen
Pertamina, BULOG (rijstdistributie) en PLN
(staatselectriciteitsmaatschappij) geleid tot bestuurswijzigingen van deze
ondernemingen en de aankondiging van verdere herstructurering.
Voorts stelt de regering maatregelen in het vooruitzicht om te komen tot een
effectief functionerend overheidsapparaat met kwalitatief goede ambtenaren.
Daartoe wordt onder andere voorgesteld de salarissen van de ambtenaren en
militairen te verhogen, het aantal ambtenaren te verminderen en te komen tot
een beter systeem van controle, monitoring en evaluatie. De
overheidsuitgaven en -inkomsten op alle niveaus zullen worden doorgelicht en
extra-budgettaire fondsen zullen zichtbaar worden gemaakt.
Tot slot zij gewezen op de in gang gezette hervorming van rechterlijke
macht en openbaar ministerie. Hiertoe behoren maatregelen gericht op
de bevordering van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht,
bestrijding van corruptie, versterking van capaciteit en vergroting
van kennis. Concreet voorbeeld is de instelling van een speciaal team
ter ondersteuning van de procureur-generaal bij de bestrijding van
corruptie. Nederland is graag bereid hier ondersteuning te bieden.
d) armoede en economische problemen
De politieke uitdagingen zijn onlosmakelijk verbonden met de economische
uitdagingen en met de armoedesituatie binnen Indonesië. Verbetering van
bestuur is niet alleen fundamenteel voor het scheppen van politieke en
sociale stabiliteit. Het is ook een wezenlijk economisch vraagstuk. Goede
corporate governance is nodig voor het winnen van het vertrouwen van het
bedrijfsleven en de investeerders, nodig om economische groei te
bewerkstelligen. Daartoe is een heldere en effectieve wetgeving vereist, een
marktmechanisme dat functioneert en het vertrouwen dat overheidsinstellingen
er zijn om iedereen _ en niet slechts een paar _
te dienen. Het nieuwe driejarige IMF_programma laat zien dat het de regering
Wahid ernst is met het financiële en economische hervormingsproces.
Een belangrijk deel van de resultaten op het gebied van
armoedebestrijding van de afgelopen decennia is als gevolg van de
economische crisis in de afgelopen twee jaar teniet gedaan. Indonesië
is een IDA-eligible land geworden. Volgens berekeningen van de ILO is
het deel van de bevolking dat onder de armoedegrens leeft gedurende de
afgelopen 2 jaar met 20% toegenomen. De crisis heeft geleid tot een
verslechtering van de voedselsituatie, gezondheidszorg en onderwijs.
Zo berekent de Wereldbank dat rond 2,75 miljoen lagere school
leerlingen door de crisis hun schoolopleiding niet zullen kunnen
afronden. De toegenomen armoede heeft sociale en politieke
repercussies. De consequenties voor de dagelijkse levensomstandigheden
van de Indonesische burger zijn vaak dramatisch. De armoede heeft
bovendien geleid tot het oplopen van spanningen tussen de
verschillende bevolkingsgroepen en heeft daarmee directe consequenties
voor de politieke stabiliteit.
Met begrotingsfinanciering probeert de overheid een vangnet te creëren
(Social Safety Net programma), zodat ook voor de groep onder de
armoedegrens voedsel, onderwijs en gezondheidszorg binnen bereik
blijven. In nauwe samenwerking met NGO's en vakbonden vindt monitoring
plaats van dit programma. Nederland levert hieraan via ILO een
bijdrage. Daarnaast draagt Nederland bij aan het opvangen van de
gevolgen van de crisis voor de armste groepen via het Community
Recovery Programme (CRP).
De Wereldbank, IMF, AsDB en de internationale donorgemeenschap zijn
bereid de nieuwe In-donesische reger-ing in 2000 te ondersteunen met
circa 4,7 miljard USD, waar-van 500 miljoen USD schenkingen. Dit
bedrag is ruim vol-doende om het verwachte begro-tingstekort van 6,6
miljard USD te dekken, uitgaande van een nieuwe schuldherschikking in
het kader van de Club van Parijs ter hoogte van circa 2, 2 miljard USD
voor 2000. Het beroep van Indonesië op de Consultative Group Indonesia
(CGI) is gedaald ten op-zichte van 1999. Toen werd 5,9 miljard USD
gevraagd (en ge-pledged). Deze daling past in het beleid van Indonesië
om de schuldenlast te beperken.
Indonesië heeft, met hulp van het IMF, vorderingen gemaakt bij de
stabilisatie van de financieel-economische situatie. Zo verwacht het
IMF dat in 2000 weer een economische groei kan worden bereikt van 3
tot 4%. De stijging van de inflatie (in 1998/1999 nog 60-70%) is
inmiddels tot staan gebracht.
De voorzichtige economische groei vertaalt zich in een toename van
zowel de export (cruciaal voor deviezenpositie) als de consumptieve
bestedingen. Het herstel is vooralsnog echter zeer fragiel, wat
geïllustreerd wordt door het recent naar beneden bijstellen van
verwachte economische groei voor het jaar 2000. De noodzakelijke
structurele hervormingen van de economie verlopen traag, de rupiah en
het 'marktsentiment' zijn zwak. De stijging van werkloosheid, de
daling van de lonen, de sterk gestegen prijzen en de gereduceerde
beschikbaarheid van krediet als gevolg van de crisis zullen dit
herstel dan ook vooralsnog blijven bedreigen. Ook de buitenlandse
schuld van Indonesië is nog zeer hoog: momenteel kan het land niet aan
zijn schuldendienstverplichtingen voldoen zonder de medewerking van
buitenlandse crediteuren. Door de devaluatie van de roepia tijdens de
Aziatische crisis zijn deze schulden zwaarder gaan wegen. Ook de
schuldsanering van het bankwezen en het bedrijfsleven heeft de
staatsschuld sterk doen oplopen. In september 1998 is in het kader van
de Club van Parijs een memorandum of understanding overeengekomen met
Indonesië inzake de tussen augustus 1998 en 31 maart 2000 vervallende
schuld. Nederland was daarbij ook betrokken met schuld uit
hulpleningen (bijna NLG 200 miljoen ) en commerciële schulden uit
hoofde van de exportkredietverzekering (ca. NLG 166 miljoen).
Indonesië komt in de Club van Parijs niet in aanmerking voor
kwijtschelding van commerciële schulden: er is wel langdurig
betalingsuitstel gegeven. Om het herstel structureel te verankeren is
buitenlands kapitaal in de vorm van investeringen en kredieten
onmisbaar. De buitenlandse investeerders blijven voorlopig echter
voorzichtig.
Vertrouwen van binnen- en buitenland in de Indonesische economie is
niet alleen gebaseerd op de economische kerncijfers. Door de politieke
onrust en de omstreden vervanging van twee economische ministers lijkt
het vertrouwen verder onder druk te zijn gekomen. Voortgang bij de
implementatie van de structurele economische hervormingen is daarom
cruciaal. In mei jl. ondertekende de Indonesische regering een Letter
of Intent
met het IMF. Het IMF had de overmaking van tweede tranche (van USD 400
miljoen) van de Extended Fund Facility uitgesteld uit onvrede met de
voortgang bij beloofde hervormingen. Dit betrof met name de voortgang
van de bancaire hervorming, de sanering van de schulden van de
particuliere sector en de publicatie van buitenlandse reserves conform
internationaal geaccepteerde standaarden.
Ondanks genoemde tegenslagen blijft de regering Wahid vasthouden aan
het nieuwe, driejarige IMF_programma. De vier hoofdelementen van de
economische strategie op middellange termijn zoals die met het IMF
zijn overeengekomen luiden :
- Macro-economisch beleid gericht op herstel van de groei en
prijsstabiliteit;
- Stimuleren van de sanering en hervormingen bij banken en
ondernemingen;
- Wederopbouw van de sleutelinstituten verantwoordelijk voor het
economische herstelbeleid met als uitgangspunten transparantie en goed
bestuur;
- Verbetering van het beheer van natuurlijke hulpbronnen
Doelstellingen van de economische hervormingen uitgedrukt in
streefcijfers zijn:
- Economische groei van 5 tot 6% binnen 5 jaar;
- Inflatie van minder dan 5%;
- Terugbrengen van de staatsschuld van 100% naar 65% BNP in 2004.
Teneinde deze doelstellingen te bereiken stelt de Indonesische
Minister van Economische Zaken, Kwik Kian Gie, de volgende concrete
maatregelen voor:
- aanpassing van de financiële sector (verbetering van toezicht op _
financiële positie van _ banken, verdere sanering van de financiële
sector, overname en verkoop van slechte leningen en andere activa en
privatisering van genationaliseerde banken);
- aanpassing van de bedrijfsstructuren zodat deze beter zijn toegerust
voor de eisen van internationale investeerders en verdere sanering van
bedrijfsbalansen, hetgeen een voorwaarde is voor een winstgevende
bedrijvensector (o.a. door aanpassing van de en versterking toepassing
van de faillissementswet, aanpassing van het ondernemersrecht,
versterking v.d. onafhankelijkheid en effectiviteit van IBRA);
- wegnemen van handelsbelemmeringen (importtarieven verminderen,
exportbelastingen verlagen, herziening van het bosbouwbeleid);
- verbetering van de efficiency en betrouwbaarheid van de
energievoorziening;
- landbouwbeleid gericht op het verzekeren van beschikbaarheid van
voedingsmiddelen;
- speciale aandacht voor het MKB;
- stimuleren van buitenlandse investeringen (financiële sector wordt
opengesteld);
- versnelde privatisering van staatsondernemingen;
- verbetering van de corporate governance.
Alleen via dit soort ingrijpende maatregelen kan worden verwacht dat
de economische doelstellingen zullen worden bereikt.
Het Nederlandse beleid zal, in nauw overleg met Indonesië, worden
afgestemd op deze overeengekomen doelstellingen. Een versneld
economisch herstel is cruciaal voor de toekomst van Indonesië. Zonder
sociaal-economische stabiliteit zal het draagvlak voor het
democratiseringsproces verder onder druk komen te staan.
Internationale steun is daarom essentieel.
Van de genoemde maatregelen eisen de herstructurering van banken en
(schulden van) bedrijven nog steeds de grootste aandacht op van de
Indonesische regering. Bijna zestig banken zijn gesloten, twaalf
banken zijn overgenomen en bij acht banken is sprake van
herkapitalisatie. Tevens heeft de staat zich garant gesteld voor de
tegoeden die bij de bij de maatregelen betrokken banken waren
ondergebracht. De Indonesian Bank Restructuring Agency (IBRA) is de
uitvoerder van de bankenherstructurering en dient in die hoedanigheid
ook te zorgen dat de uitstaande leningen worden geïnd en de assets
verkocht. De nieuwe regering gaat hier duidelijker voortvarender te
werk dan de vorige. De IBRA heeft nu duidelijk de hoogste en volle
politieke ondersteuning onder meer door de instelling van het
Financial Sector Policy Committee o.l.v. minister Kwik. Deze draagt
de politieke verantwoordelijkheid voor de herstructurering. Hiermee
wordt duidelijk dat IBRA een technische uitvoerder is en de ministers
politiek verantwoordelijk. Met de vervanging van de IBRA-voorzitter in
januari jl. heeft de president voorts IBRA willen ontdoen van een
voorzitter wiens goede naam was aangetast door het Bank Bali
schandaal. Versterking van de IBRA is vereist opdat de financiële
opbrengsten verhoogd kunnen worden. Daartoe heeft de IBRA een grotere
bevoegdheid gekregen, inclusief in beslagname van assets van
niet-meewerkende debiteuren, de mogelijkheid te onderhandelen over
schuldverlichting, en het verkopen van activa tegen een lagere dan de
taxatieprijs.
Een goed functionerende faillissementswet is van groot belang voor
hervatting van veel economische activiteiten en vormt een noodzakelijk
sluitstuk voor het regelen van particuliere schulden, bijvoorbeeld in
het kader van het Jakarta Initiative.
3 De belangen
Een succesvol verloop van het transitieproces beantwoordt in meer dan
één opzicht aan de doelstellingen van het Nederlandse
buitenlands beleid.
Zonder een stabiel Indonesië is duurzame stabiliteit in de regio
onmogelijk. Hoewel haar positie door de crisis is aangetast blijft
Indonesië potentieel het meest invloedrijke land binnen de ASEAN. De
internationale gemeenschap heeft belang bij politieke en economische
integratie binnen de ASEAN, ook in relatie met grote Aziatische landen
als China, Japan en India. Een verenigd, stabiel en democratisch
Indonesië kan zowel de relatie EU-ASEAN als de samenwerking in het
kader van de Asia Europe Meeting (ASEM) een nieuwe impuls geven en
bijdragen aan de totstandkoming van een open, politieke dialoog tussen
de beide regio's. Stabiliteit in Indonesië en de omliggende zeestraten
is voorts van groot belang voor de scheepvaart van Europa en het
Midden-Oosten naar China en Japan.
De democratische omwentelingen in Indonesië bieden daarnaast uitzicht
op verankering van democratie en mensenrechten in een van de grootste
naties ter wereld in een regio waar de naleving van de mensenrechten
vaak nog zwak ontwikkeld is. Dit is niet alleen een aangelegenheid van
de overheid, maar moet vooral gedragen worden door de Indonesische
samenleving zelf. Het gaat immers, naast bestuurlijke en wetgevende
inspanningen van overheidswege, om maatschappelijk draagvlak voor de
noodzakelijke veranderingen. Juist op dit punt is in Indonesië nog een
lange weg te gaan. De civil society in Indonesië is nog zwak en
verdient nadrukkelijk internationale ondersteuning.
Voor handhaving van de binnenlandse en regionale stabiliteit is ook
economisch herstel vereist, tevens een noodzakelijke voorwaarde voor
armoedevermindering. Voor Nederland, één van de belangrijkste
zakelijke partners van Indonesië, en Indonesië is versterking van de
bilaterale economische betrekkingen een wederzijds belang.
Nederland is één van de grootste handels- en investeringspartners voor
Indonesië. Door Nederlandse bedrijven is in de periode 1990-1997
cumulatief NLG 1509 miljoen geïnvesteerd. Door Indonesische bedrijven
is in 1997 NLG 562 miljoen geïnvesteerd in Nederland. De uitvoer naar
Indonesië bereikte in 1998 met NLG 420 miljoen een dieptepunt, in 1997
voor de crisis was dat nog NLG 1106 miljoen. Inmiddels trekt de export
weer iets aan: In 1999 werd voor NLG 601,8 miljoen geëxporteerd.
Hieruit blijkt dat vanuit beide landen de belangstelling voor duurzame
economische betrekkingen weer groeiend is. De Indonesische
beleidsommekeer ten aanzien van de economische betrekkingen in het
algemeen, en het verzoek van de Indonesische autoriteiten om de
bilaterale betrekkingen met Nederland te versterken, biedt uitdagingen
en kansen.
Uitdagingen omdat de Indonesische economische- en beleidsomgeving nog
verre van optimaal zijn. Goed beleid en bestuur (corruptiebestrijding,
maar ook verhoging van de efficiency van het bestuur, juridische
hervormingen), armoedebestrijding en de opbouw van een sociaal vangnet
zijn de grootste uitdagingen voor de Indonesische regering. De
Nederlandse inzet haakt dan ook gericht in op ondersteuning van deze
belangrijke agenda. Uitdagingen en kansen zijn er voor het Nederlandse
bedrijfsleven, om de uitgestoken hand van de Indonesische regering aan
te nemen. Kansen omdat door historische banden Nederland een
bijzondere plaats heeft in het Indonesische economische bestel,
uitdagingen omdat door de bestaande beleidsomgeving in Indonesië
ondernemen moeilijk zal blijven en relatief hoge risico's met zich
meebrengt. De particuliere sector zal vanuit Nederland dan ook waar
mogelijk en noodzakelijk door de overheid worden ondersteund.
4 De inzet
4.1 Beleidskader: Agenda voor hernieuwde en geïntensiveerde
samenwerking
De Nederlandse overheid en samenleving kennen een lange traditie aan
samenwerking met Indonesië (van de bestaande
overheidssamenwerking is in Bijlage I een beschrijving opgenomen). Het
gaat erom deze ervaring geïntegreerd in dienst te stellen van de
nieuwe situatie: niet zozeer de uitbreiding van bestaande samenwerking
moet het doel zijn, maar het maken van een kwalitatieve slag. Bij
voortzetting van bestaande samenwerking moet de vraag gesteld worden
of deze nog aansluit bij de prioriteiten van de nieuwe democratische
regering. Het Indonesisch ambtenarenapparaat is immers grotendeels
onveranderd, machtsstructuren uit de Soeharto periode zijn blijven
bestaan. Het probleem van de capaciteit van het ambtenarenapparaat
wordt door de Indonesische regering zeer wel onderkend.
Het nieuwe, geïntegreerde Nederlandse beleid ten aanzien van Indonesië
is samengevat in de overkoepelende Agenda voor hernieuwde en
geïntensiveerde samenwerking, zoals ondertekend door de beide
ministers van Buitenlandse Zaken tijdens het bezoek van president
Wahid (2-4 februari 2000). De agenda beoogt richting gegeven aan de
samenwerking met Indonesië, die mede gezien de gezamenlijke
geschiedenis omvangrijk en ook veelvormig is. De agenda geeft een
algemeen kader voor de ontwikkeling van het geïntegreerde bilaterale
beleid en geeft ruimte voor de dynamiek van de relatie met Indonesië
als land in transitie. Voor de duidelijkheid zij er op gewezen dat het
Indonesië-beleid niet alleen vorm krijgt in de bilaterale relatie
Indonesië-Nederland, maar voor een zeer belangrijk deel ook middels de
bijdragen die Nederland in multilateraal verband levert.
De Agenda behandelt op niet-limitatieve wijze alle vitale onderdelen
van het bilaterale beleid:
- politieke dialoog op ministerieel en ambtelijk niveau over
bilaterale, regionale en andere internationale onderwerpen. Deze
dialoog zal open zijn, geen onderwerp (als bijvoorbeeld de
mensenrechten) is uitgesloten;
- ontwikkelingssamenwerking (waarbij t.a.v. alle met ODA te
financieren samenwerkingsvormen een coördinerende rol is voorzien voor
de minister voor Ontwikkelingssamenwerking aan Nederlandse zijde en
voor de minister voor Economie, Financiën en Industrie aan
Indonesische zijde);
- economische samenwerking op zowel financieel, handels- en
investeringsgebied als landbouwsamenwerking. (de economische
samenwerking vindt plaats in het kader van de Overeenkomst over
Economische Samenwerking en de Gemengde Commissie voor Economische
Samenwerking);
- culturele en sociale samenwerking en samenwerking op onderwijsgebied
en wetenschappelijke samenwerking (onder de sociaal-culturele
samenwerking zijn ook begrepen Molukse aangelegenheden die beide
landen betreffen) ;
- militaire samenwerking (gericht op het professionaliseren van een
modern leger onder civiele democratische controle);
- juridische samenwerking (ook op het terrein van de mensenrechten);
- politie-samenwerking;
- samenwerking op het terrein van openbaar bestuur.
Er zal ten minste jaarlijks overleg plaatsvinden tussen de beide
ministers van buitenlandse zaken, waarbij de belangrijkste politieke
dossiers worden besproken en de stand van de samenwerking kan worden
opgemaakt.
4.2 Multilateraal: inzet in EU en VN
Binnen de EU heeft Nederland zich hard gemaakt voor ondersteuning van het
democratiseringsproces in en bevordering van samenwerking met Indonesië.
Daarbij heeft Nederland ingezet op een geïntegreerde benadering. Deze
benadering is inmiddels terug te vinden in het Policy Paper Indonesië van de
Hoge Vertegenwoordiger Solana en in het Commissie document: Communication
from the Commission - developing closer relations between Indonesia and the
European Union. In haar verklaring van 20 maart jl. heeft de EU de
Indonesische regering uitgenodigd voor een regelmatige politieke dialoog en
is de Commissie opgeroepen, in overleg met Indonesië,
ondersteuningsprogramma's op te zetten, ook op handelspolitiek gebied.
Voorts is in het licht van de crisis besloten het APS (preferentiële
handelsvoorwaarden) niet in 1999, maar eerst in 2000 te herzien. Op 14 juni
is de politieke dialoog met Indonesië geïnaugureerd. Nederland heeft in de
EU bepleit dit belangrijke politieke signaal vergezeld te doen gaan van
concrete ondersteuning op economisch en OS-gebied. Voorbeelden hiervan zijn
de Nederlandse inzet voor afschaffing van de textielquota en verhoging van
de IDA-allocatie. Ook voor de EU geldt dat de politieke steun,
handelsmaatregelen en ontwikkelingssamenwerking complementair dienen te
worden ingezet. Mede in het licht van het verzoek van president Wahid, die
de Nederlandse regering heeft gevraagd in de EU een voortrekkersrol te
vervullen, zal Nederland zich binnen de EU actief blijven opstellen.
De VN heeft ten aanzien van de ontwikkelingen in Indonesië een
cruciale rol gespeeld. Gewezen zij onder meer op de rol van de
Veiligheidsraad inzake Oost-Timor. Nederland heeft in de VN
Veiligheidsraad aandacht gevraagd voor de positie van de Oosttimorese
vluchtelingen in West-Timor. Ook is gewezen op het belang de
Oosttimorese bevolking nadrukkelijk te betrekken bij de wederopbouw
van hun land.
Voor een beschrijving van de Nederlandse OS-inzet via multilaterale
kanalen zij voorts verwezen naar paragraaf 4.4.
4.3 Bilateraal: economische samenwerking
De bilaterale economische samenwerking tussen Nederland en
Indonesië is gericht op versterking en ondersteuning van het
economische transitieproces. Nederland wil via bilaterale economische
samenwerking een bijdrage leveren aan de verwezenlijking van het
nieuwe economische beleid, waaronder de creatie van een gunstig
klimaat voor ontplooiing van de particuliere sector (de zgn. 'enabling
environment'). In een dergelijk klimaat kunnen marktpartijen op hun
beurt ook weer bijdragen aan economisch en maatschappelijk herstel
('civil society').
Tijdens haar bezoek aan Indonesië eind februari/begin maart jl. heeft
Minister Jorritsma met de Coördinerend Minister van Economie,
Financiën en Industrie, Kwik Kian Gie, een Memorandum of Understanding
getekend. Dit memorandum, dat nauw aansluit bij de beleidsprioriteiten
van Indonesië, betreft de concrete vormgeving van de intensievere
bilaterale economische samenwerking tussen Nederland en Indonesië, die
niet uit Ontwikkelingssamenwerking wordt gefinancierd.
Minister Kwik Kian Gie heeft tijdens genoemde missie naar Indonesië
concrete terreinen benadrukt die aanknopingspunten bieden voor het
Nederlandse beleid:
- herhaling van de uitnodiging aan Westerse investeerders ('western
values');
- versnelde sanering van het financiële stelsel en bankwezen,
privatisering van staatsondernemingen en versterking van de
kapitaalmarkt;
- verbetering van het inzicht in de structuren van ondernemen door
aandacht te geven aan corporate governance;
- behoefte aan investeringen in infrastructuur en kapitaalgoederen om
de positie van de Indonesische economie te versterken.
De intensivering en de nieuwe accenten van de bilaterale economische
samenwerking vinden plaats in het kader van de Nederlands-Indonesische
overeenkomst voor Economische Samenwerking en de Gemengde Commissie
voor Economische Samenwerking. Deze Commissie, die reeds een aantal
jaren functioneert, heeft werkgroepen voor Handel en Investeringen,
Onderzoek en Technologie, Energie, Transport en Openbare Werken,
Landbouw, alsmede Bosbouw en Hout. Het aantal werkgroepen en de
activiteiten van de commissie zullen worden aangepast naar gelang de
bilaterale economische relatie dit vereist. Een bijzondere plaats zal
daarbij ingenomen worden door het concrete verzoek van Minister Kwik
Kian Gie om Nederlandse steun bij de verbetering van de corporate
governance
. De aansluiting tussen het bilaterale economische en OS-beleid wordt
geoptimaliseerd door een lid van de stuurgroep voor het bilaterale
OS-beleid zitting te laten nemen in de Gemengde Commissie.
Nederland heeft positief gereageerd op het verzoek van Minister Kwik
voor ondersteuning bij zijn strategie om te komen tot verbetering van
de corporate governance'. Deze voorgenomen herstructurering van de
private sector is erop gericht Indonesische ondernemingen te dwingen
tot een betere marktdiscipline, efficiëntie en internationaal
concurrentievermogen.
Ter ondersteuning van de bilaterale economische samenwerking en om de
investeringen van Nederlandse bedrijven te bevorderen, is aangeboden
om het financiële instrumentarium van de Nederlandse regering te
continueren en op enkele punten te versterken. Voor Nederlandse
investeerders, exporteurs en importeurs ontstaan nieuwe kansen en
uitdagingen door hun beoogde betrokkenheid bij de geïntensiveerde
economische samenwerking. Concrete bedrijfsinitiatieven zullen daar
waar mogelijk en noodzakelijk worden ondersteund door de
exportkredietverzekering en het investeringsinstrumentarium.
Het herstel van de ontwikkelingsrelatie maakt het mogelijk het
Programma Samenwerking Indonesië (PSI), tot nu toe beheerd door EZ, te
integreren in het Programma Samenwerking Opkomende Markten (PSOM). In
het kader van PSOM kunnen in overleg met Indonesië opdrachten worden
verleend aan Nederlandse bedrijven voor projecten in specifieke
regio's en sectoren waarmee economische kennisoverdracht vanuit het
Nederlandse bedrijfsleven naar lokale bedrijven kan worden
gerealiseerd. In de overgangsfase zal het programma gezamenlijk door
BZ/OS en EZ worden aangestuurd. In nader overleg met de Indonesische
autoriteiten zal het budgetkader worden gedefinieerd. De Nederlandse
regering is bereid, mits vraaggestuurd, hiervoor de komende jaren meer
middelen beschikbaar te stellen.
Het Exportfinancieringsarrangement Indonesië (EFI) is per 1 januari
2000 vervangen door het gezamenlijke OS/EZ-programma ORET/MILIEV
(Ontwikkeling Relevante Exporttransacties/Milieu en Economische
Verzelfstandiging). De overige instrumenten, die deel uitmaakten van
het Wijers-pakket (PESP, ROF, BIT, en de later toegevoegde IFOM)
blijven onverkort van kracht.
De versterkingen van de bilaterale economische relaties zullen worden
ondersteund door de mogelijkheden voor exportkredietverzekering beter
te benutten. Immers, de ontwikkeling van de externe handel kan een
belangrijke bijdrage leveren aan economisch herstel. Indonesië is
afhankelijk van importeren voor de productie van een aantal
basisproducten en voor uitgangsmateriaal, halffabrikaten en machines
t.b.v. de eigen export, welke weer van belang is voor de
internationaal financiële positie van het land. Herstel van de
bilaterale handel kan hieraan bijdragen. Hierbij zijn de
financieringsmogelijkheden van groot belang. Nederlandse exporteurs
kunnen (vaak) geen langlopende financiering krijgen voor de
(kapitaalgoederen-) export, omdat banken als voorwaarde voor de
financiering een exportkredietverzekering eisen vanwege de beperkte
kredietwaardigheid van Indonesië. Begin 1999 is een kortlopende
faciliteit (voor kredieten tot en met 12 maanden) met een maximum
plafond van NLG 250 miljoen opengesteld. De minister van EZ heeft SENO
(Herverzekeringsfaciliteit van EZ) opengesteld voor commerciële
middellange transacties op Indonesië. Hieraan is een maximum van NLG
10 miljoen per transactie verbonden. Tenslotte biedt de regering via
de Garantiefaciliteit Opkomende Markten (GOM door EZ beheerd)
middellange kredietverzekering voor transacties die in ORET-kader tot
stand komen. Teneinde de aansluiting met de omvang van de
ORET/MILIEV-projecten te verbeteren, wordt het hieraan verbonden
maximaal te verzekeren bedrag verhoogd van NLG 10 miljoen naar NLG 20
miljoen.
De verruiming van deze instrumenten is naar verwachting voldoende om
aan de verwachte vraag bij het bedrijfsleven te voldoen.
4.4 Bilateraal: ontwikkelingssamenwerking
Sedert medio 1998 heeft de steun aan Indonesië vooral bestaan uit
bijdragen aan schuldverlichting in het kader van de Club van Parijs,
alsmede uit humanitaire hulpverlening, in het bijzonder ten behoeve
van de Molukken en Oost-Timor. Begin dit jaar heeft de minister voor
Ontwikkelingssamenwerking de Indonesische autoriteiten toegezegd in
principe een bedrag van USD 50 miljoen beschikbaar te houden voor een
samenwerkingsprogramma, gestoeld op Indonesische prioriteiten. Voor de
uitvoering is, in overleg met coördinerend Minister Kwik Kian
Gie, zeer bewust gekozen voor multilaterale kanalen. Op 24 april jl.
zond coördinerend Minister Kwik Kian Gie de minister voor
Ontwikkelingssamenwerking de opgave van de Indonesische prioriteiten.
Uitgaande van en in nauw overleg met de Indonesische prioriteiten
heeft de minister voor Ontwikkelingssamenwerking inmiddels een besluit
genomen over hoogte en invulling van het OS-programma voor het jaar
2000, met een doorkijk naar 2001. Met minister Kwik is afgesproken de
hulp te richten op 3 sectoren (armoedebestrijding, goed bestuur en
milieu).
Zoals gezegd is bewust gekozen voor invulling middels multilaterale
kanalen. De multilaterale instellingen -als UNDP en WB- zijn reeds
actief en hun programma's bieden de beste mogelijkheid om snel en
zichtbaar resultaat te bereiken bij het bestrijden van de ergste
gevolgen van de crisis. Dat is niet alleen uit sociaal oogpunt
noodzakelijk, maar is ook politiek geboden. Het is daarom niet
verwonderlijk dat de Indonesische regering nu snel voortgang wil maken
met het implementeren van het Nederlandse aanbod middels multilaterale
kanalen. Het opzetten van een strikt bilateraal programma van USD 50
miljoen zou stuiten op grote beheers- en capaciteitsproblemen aan
zowel Indonesische als Nederlandse zijde. Hierdoor zou het een
praktische onmogelijkheid zijn in 2000 reeds als op de huidige schaal
ondersteuning te bieden.
Voor het uitbreken van de 'Aziatische crisis' en de daarop volgende
economische en politieke crisis gold Indonesië als middeninkomensland,
en trok het als zodanig niet meer op financiële faciliteiten voor de
armste landen, zoals IDA (International Development Association) en
AsDF (Asian Development Fund), de 'zachte' loketten van resp.
Wereldbank en Aziatische Ontwikkelingsbank. De gebeurtenissen van de
afgelopen paar jaar hebben echter geleid tot een snelle daling van het
inkomen per hoofd van de bevolking, waardoor het land voor het eerst
sinds jaren opnieuw recht heeft op deze vormen van financiële hulp. De
verwachting is echter dat Indonesië in staat zal zijn op afzienbare
termijn een dusdanige economische groei te realiseren dat het opnieuw
de eigen ontwikkelingsprioriteiten grotendeels uit reguliere
begrotingsmiddelen zal kunnen financieren. Om die reden is Indonesië
binnen de context van de Nederlandse bilaterale
ontwikkelingssamenwerking een land waarmee voor een periode van in
principe vijf jaar een relatie wordt aangegaan. Dit wordt eventueel
langer als de omstandigheden dit indiceren. Voor het jaar 2000 is
gekozen voor een mix van ondersteuning van vernieuwingsactiviteiten
enerzijds en het gaande houden van basisvoorzieningen voor de armste
bevolkingsgroepen anderzijds. Voor deze laatste categorie is in 2000
het grootste deel van het beschikbare geld gereserveerd. Omdat de
terugval in basisvoorzieningen op enkele belangrijke terreinen
schrijnend is heeft de minister voor Ontwikkelingssamenwerking
besloten zich meer door de absorptiecapaciteit van hulpmiddelen te
laten leiden dan door een vooraf vastgesteld plafond. Dat geldt met
name voor de terreinen Family Planning, tuberculosebestrijding en in
het bijzonder voor het basisonderwijs; veel ouders kunnen het
schoolgeld niet opbrengen, in veel gebieden is er geen geld meer voor
leermiddelen en onderhoud. Op dit terrein heeft de Wereldbank, in
samenwerking met de Indonesische autoriteiten, een programma
ontwikkeld waarin een Nederlandse bijdrage van maximaal USD 30 miljoen
kan worden geabsorbeerd.
Inmiddels zal Nederland ook bijdragen aan de voorbereiding van de
structurele hervorming van het basisonderwijs met aandacht voor
vernieuwing van curricula en leermiddelen. Het is de bedoeling aan die
vernieuwing in de eerstkomende jaren aanmerkelijk bij te dragen, onder
gelijktijdige afbouw van de overgangssteun die thans
noodzakelijkerwijze moet worden gegeven om de zaak aan de gang te
houden.
Nederland steunt het Community Recovery Programme. Dit programma was
oorspronkelijk vooral gericht op bevordering van zelfredzaamheid na de
crisis (inkomensgenererende activiteiten), maar richt zich nu ook op
versterking van lokale NGO's. Zo kunnen zij bijvoorbeeld lokale
overheden beter monitoren. Nederland droeg hier reeds aan bij in 1998.
Ook het VK is enthousiast over dit programma. De betrokkenheid van tal
van lokaal en/of regionaal werkende NGO's bij de uitvoering van deze
programma's bewerkstelligt positieve effecten op de alom tegenwoordige
en verstikkende bureaucratie. Dit programma wordt erkend als een
innovatief NGO geleid programma waarmee de gaten die gevallen zijn in
het nationale 'safety net' goed kunnen worden opgevangen.
Het programma levert door zijn opzet een bijdrage aan het creëren
van draagvlak voor een decentrale aanpak van lokale problemen. De
uitvoeringsstructuur is op orde. UNDP schat dat een bijdrage van
maximaal USD 8 miljoen in 2000 aan dit programma op verantwoorde wijze
kan worden uitgegeven.
Voornemens om ook aanzienlijk te investeren in het Community Recovery
Programme en andere rehabilitatieprojecten op de Molukken kunnen
helaas slechts mondjesmaat worden ingevuld in verband met de nog immer
explosieve situatie op de Molukken waar onlangs nog een groot aantal
nieuwgebouwde huizen via brandstichting weer met de grond is gelijk
gemaakt. Het ziet ernaar uit dat op de Molukken voorshands alleen via
noodhulpkanalen kan worden gewerkt. De minister voor
Ontwikkelingssamenwerking heeft zich niet alleen nogmaals bereid
verklaard op adequate schaal in noodhulp te voorzien, tevens heeft zij
de bereidheid uitgesproken om op ruime schaal rehabilitatieprojecten
op de Molukken te financieren via multilaterale kanalen, zodra zich
daartoe reële mogelijkheden aanbieden.
Zoals bekend zal het Indonesië-programma zich behalve op de
sector armoedebestrijding zich ook richten op de sectoren 'goed
bestuur' en 'milieu'.
Voor de sector goed bestuur is er onder leiding van UNDP, in
samenwerking met de Wereldbank en de Asian Development Bank een zeer
interessante en veelbelovende ontwikkeling op gang gebracht in de vorm
van het «Partnership for Governance Reform», een unieke gezamenlijke
activiteit van multilaterals UNDP, WB en AsDB enerzijds en
Indonesische overheid anderzijds. Ook zijn de belangrijkste NGO's
vertegenwoordigd. Het VK en Australië nemen als bilaterale donor deel.
Het partnerschap richt zich o.a. op hervorming van de rechterlijke
macht, versterking van democratische instituties w.o. parlement en
civil society, ondersteuning van de ontwikkeling van een gedegen
decentralisatiepolitiek, met daaraan gerelateerd de voorbereiding van
de hervorming van het ambtenarenapparaat. UNDP, WB en AsDB zijn elk
verantwoordelijk voor uitvoering van een deel van deze activiteiten.
UNDP neemt de leiding in «legislative empowerment» (versterking van de
rol van het nationale parlement, regionale vertegenwoordigingen en
kieswethervorming) en hervorming van de media, de WB is
verantwoordelijk voor juridische hervormingen en hervorming van
openbaar bestuur en de AsDB neemt de verantwoordelijkheid voor
«corporate governance.» De onderliggende activiteiten zijn goed
uitgewerkt. Totaal voorziene uitgaven in 2000: USD 12,25 miljoen. De
bilaterale donoren die actief participeren in het partnerschapen
zullen - waarschijnlijk roterend - een plaats krijgen in de Governing
Board.
Op milieuterrein ligt de nadruk op water, in de breedste betekenis van
het begrip. De mogelijkheid wordt open gehouden dat hieraan toegevoegd
wordt het duurzaam beheer van de zee, inclusief marine-biodiversiteit.
De minister voor OS is in overleg met Nederlandse politieke partijen
over de oprichting van een Multi Party Democracy Institute. Dit nieuwe
instituut zal zich binnen het kader van de UNDP activiteiten t.a.v.
versterking van het parlement richten op samenwerking met Indonesische
politieke partijen.
Op basis van de ingekomen verzoeken en de gevoerde gesprekken heeft de
minister voor Ontwikkelingssamenwerking besloten de omvang van het
samenwerkingsprogramma met Indonesië voor 2000 vast te stellen op
NLG 154,32 miljoen (USD 64, 3 miljoen)
Afgezien van dat bedrag (waarvoor specificatie is bijgevoegd), zal ten
behoeve van Indonesië in 2000 nog het volgende worden uitgegeven:
- schuldverlichting in het kader van de Club van Parijs, voor zover
OS-leningen NLG 61,1 miljoen; - noodhulp voor zover nu bekend NLG 13,5
miljoen (hierbij is niet inbegrepen circa NLG 19 miljoen die voor
Oost-Timor ter beschikking zijn gesteld en waarvan een gedeelte ook de
vluchtelingen op West-Timor ten goede komt) mensenrechten -projecten
(via NGO-kanalen) NLG 3 miljoen; - Programma Kleine Projecten Plus
(Motie Dijksma, 26551 V nr. 6, ingediend 23 juni 1999) NLG 1 miljoen
Met deze bijdragen behoort Nederland met Japan, de Verenigde Staten en
Australië tot de grootste bilaterale donoren. Voor de goede orde zij
vermeld dat ook nog uitgaven kunnen worden gedaan ingevolge algemene,
ook voor Indonesië openstaande programma's als ORET, PUM, CBI. Ook
medefinancieringsorganisaties blijven in Indonesië actief.
Over de omvang van het Indonesië-programma voor 2001 zal op een later
tijdstip worden besloten. Met Minister Kwik is afgesproken dat de drie
gekozen sectoren gehandhaafd blijven en dat het budget in dezelfde
orde van grootte als in 2000 zal liggen, zij het dat de invulling aan
verandering onderhevig zal zijn. Het is de bedoeling ook het beleid
voor Indonesië meer in lijn te brengen met de sectorale benadering
zoals deze ook voor andere «17+4 landen» geldt waarmee Nederland een
bilaterale structurele relatie onderhoudt.
Van meet af aan is het nadrukkelijk de bedoeling geweest vraaggericht
te opereren. De keuze van de samenwerkingssectoren is in handen gelegd
van de Indonesische Overheid onder coördinatie van Minister Kwik.
Dit is geformaliseerd tijdens het bezoek van President Wahid aan
Nederland in 3-4 februari 2000. Eveneens van meet af aan is het de
bedoeling geweest de uitvoering te laten verlopen via de in
Indonesië werkzame multilaterale instellingen, met name de
Wereldbank en UNDP. Deze laatste hebben in samenwerking met de
Indonesische overheid partnerschapsvormen ontwikkeld, waarbij maximaal
recht wordt gedaan aan de gedachte van betrokkenheid en
'ownership' bij lokale overheden en NGO's. Donoren is ook
verzocht in die partnerschappen te participeren. Op die wijze wordt
gewaarborgd dat alle inspanningen zo effectief en efficiënt
mogelijk worden ingericht en via geharmoniseerde inzet tot een
gemeenschappelijk gedefinieerde inzet en resultaten leiden. De crisis
heeft zeer merkbaar bewerkstelligd dat een gevoel van saamhorigheid en
urgentie aanwezig is bij de veranderingsgezinde krachten.
Daar waar sectorale keuze en de multilaterale benadering mogelijkheden
bieden, zoekt Nederland in Indonesië samenwerking met andere donoren.
In dit opzicht behoeft met name de Britse OS-steun vermelding. Het
Verenigd Koninkrijk zal waarschijnlijk circa USD 25 miljoen bijdragen
aan Indonesië en men zal in dezelfde drie prioritaire sectoren
opereren als ons land: goed bestuur, armoedebestrijding en milieu.
Voor wat het laatste terrein betreft heeft Indonesië het VK gevraagd
actief te blijven in de sector bossen. Ook het VK heeft een voorkeur
voor multilaterale kanalen. Gezien de gemeenschappelijkheden in
benadering is de minister voor Ontwikkelingssamenwerking met haar
Britse collega Short in overleg om te bezien in hoeverre de
samenwerking hier geïntensiveerd kan worden.
4.5 Bilateraal: overige vormen van samenwerking
Ook vanuit andere departementen zijn samenwerkingsprogramma's gaande
dan wel initiatieven genomen, bijvoorbeeld op het gebied van Molukse
aangelegenheden, gezondheidszorg en cultuur. Voor een overzicht zij
verwezen naar Bijlage 1.
Met ingang van 1 januari 2001 zal daarenboven een door OS gefinancierd
programma beginnen, dat beoogt bilaterale samenwerking tussen
Nederlandse departementen en non profit instellingen en hun
Indonesische tegenvoeters te ondersteunen, voor zover niet bediend via
al bestaande kanalen (MFO's, vakbondsprogramma e.d.). De te steunen
activiteiten in dit programma worden geselecteerd op hun bijdragen aan
de opbouw en de transformatie van de Indonesische samenleving.
Rechtszekerheid, democratisering, pluriformiteit en eerlijke ruimte
voor particulier initiatief (corporate governance)
zijn hierbij sleutelbegrippen. Delen in en overdragen van ervaring en
kennis moeten de kern van deze activiteiten zijn. Samenwerking en
contact tussen mensen bevorderen dit. De activiteiten moeten daarom de
vorm hebben van een samenwerking tussen een Indonesische en
Nederlandse organisatie met een duidelijke beschrijving van wat er van
beide partijen verwacht wordt en wat de te bereiken resultaten zijn.
Belangrijk is dat de activiteit past bij de huidige ontwikkelingsfase
waarin Indonesië zich bevindt. Niet alles wat Nederland te bieden
heeft zal in het huidige tijdsgewricht op een vruchtbare bodem
terechtkomen. Bij de beoordeling van projecten moet hiermee rekening
gehouden worden. Het passen bij de huidige ontwikkelingsfase ligt
dicht aan tegen de wenselijkheid het programma vooral «vraaggericht»
te laten zijn. Het zijn de Indonesiërs die aan moeten geven aan wat
voor soort samenwerking zij behoefte hebben en in welke sector.
Overlapping met de activiteiten van multilaterale organisaties (denk
aan deels ook door Nederland gefinancierde programma's van IMF,
Wereldbank, VN (UNDP, ILO, WHO) en andere bilaterale donoren dient te
worden voorkomen. De op te zetten activiteiten en projecten zullen
moeten passen binnen de overeengekomen kaders tussen Indonesië en de
multilaterale instellingen.
Bij de opzet van het programma en bij de beoordeling van de
activiteiten is een aantal partijen betrokken. In overleg met de
Indonesische autoriteiten zal vastgesteld moeten worden welke sectoren
in eerste instantie in aanmerking komen voor dit
samenwerkingsprogramma. Belangrijk is dat, juist om de samenwerking zo
succesvol te laten zijn, de waarde van de Nederlandse bijdrage aan
deze sectoren bij de onderbouwing van de keuzes een rol speelt. In
deze fase kan overigens een signalering plaatsvinden waar mogelijke
raakpunten zijn met multilaterale programma's. Bij de beoordeling van
de aanvragen zal de uit te bouwen ontwikkelingsexpertise op de
ambassade in Jakarta en het ministerie in Den Haag een belangrijke rol
spelen; immers kennis van wat er in Indonesië speelt en de fase waarin
het ontwikkelingsproces zich bevindt, zijn bij een juiste beoordeling
van de projecten onmisbaar. De uitwerking en uitvoering van het
programma zal plaatsvinden analoog aan de modaliteiten van het
MATRA-programma, in die zin dat recht wordt gedaan aan de
IOB-MATRA-evaluatie, te weten:
dat «the main external factor explaining the quite positive project
performance is the existing human and organisational capacity (...)
the key point is that well developed demand structures exist»;
dat «the issue of donor co-ordination emerges at the central
government level in particular and needs to be taken into account in
the development of intervention strategies»;
de noodzaak «to make better use of available country expertise»,
ondermeer via inschakeling van ambassades.
Ook de andere departementen kunnen t.a.v. de bilaterale voorstellen
inbreng leveren. De voorstellen worden besproken in een
interdepartementale stuurgroep, waarvan het voorzitterschap zal worden
vervuld door de directie Azië en Oceanië van het ministerie van
Buitenlandse Zaken en met deelname van de ambassade Jakarta.
Na overleg met de Indonesische autoriteiten zal in het najaar de keuze van
de sectoren en de
criteria en modaliteiten van het programma worden gepubliceerd. In 2001 zal
voor dit
programma NLG 5 mln. worden uitgetrokken; afhankelijk van het succes van het
programma kan dit worden uitgebreid. Het programma wordt begroot onder het
ODA-deel
van de HGIS samen met de zogenaamde Azië-faciliteit waarvoor op jaarbasis
eveneens NLG
5 mln. is uitgetrokken.
5 Conclusie
De Agenda voor Samenwerking biedt het raamwerk voor een geïntegreerde aanpak
van het Nederlandse beleid ten aanzien van Indonesië. Vanuit deze ambitie is
gekozen voor ondersteuning van het veranderingsproces in Indonesië langs de
volgende hoofdlijnen:
Politieke samenwerking: betekenisvolle en kritische dialoog, zowel
bilateraal als in EU-kader.
- Ontwikkelingssamenwerking: financiering van de samenwerking uit
ODA-middelen ad USD 64,3 miljoen voor 2000, exclusief volgens de
prioriteiten van de Indonesische regering. Met deze gelden zal eerst en
vooral aansluiting worden gezocht bij de initiatieven van multilaterale
instellingen. Daarnaast zal de bilaterale component worden uitgebreid daar
waar effectief en complementair, in het kader van de 17+4.
Economische samenwerking: De economische samenwerking met Indonesië wordt
uitgebreid en is gericht op versterking en ondersteuning van het economische
transitieproces. Het Programma Samenwerking Indonesië (PSI) zal worden
geïntegreerd in het PSOM.
Bijlage I OVERZICHT OVERIGE BILATERALE SAMENWERKING
Defensie
Tijdens zijn recente bezoek aan Indonesië heeft minister De Grave met zijn
ambtgenoot, Juwono Sudarsono, overeenstemming bereikt over de instelling van
een bilaterale werkgroep die concrete mogelijkheden voor samenwerking gaat
uitwerken. De nadruk zal komen te liggen op de marine en de politie. Het
voornaamste doel van deze samenwerking is Indonesische militairen vertrouwd
te maken met de positie en de functie van een krijgsmacht in een
democratisch bestel. Hiertoe zal onder meer een aantal Indonesische
militairen in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan (bestaande)
cursussen van militaire opleidingsinstituten in Nederland. De militaire
samenwerking is aangekondigd in de «Agenda voor hernieuwde en
geïntensiveerde samenwerking», die de ministers van Buitenlandse Zaken van
beide landen eerder dit jaar hebben ondertekend.
Financiën
Afgesproken is dat Nederland en Indonesië zullen onderhandelen over een
geheel nieuw belastingverdrag. Het voornemen bestaat aan Indonesië
onderhandelingen voor te stellen met het oog op het aangaan van een
bilaterale verdragsrelatie op het terrein van de wederzijdse bijstand in
douanezaken. De Nederlandse belastingdienst heeft in het verleden (tot begin
1992) intensief samengewerkt met de belastingdienst van Indonesië. De
bereidheid bestaat om, indien Indonesië daarom vraagt, deze samenwerking te
intensiveren. De eerste contacten hierover zijn reeds gelegd.
Transport en infrastructuur
De processen van bestuurlijke hervorming en decentralisatie in Indonesië
hebben geleid tot bijstelling in de vorm en inhoud van de samenwerking in de
sfeer van onder meer waterbeheer en openbare werken. Ter ondersteuning van
de hervormingen in de watersector wordt een deskundige van Verkeer en
Waterstaat ingezet op het Indonesische ministerie van Openbare Werken. Ter
ondersteuning van de bestuurlijke decentralisatie zal naar verwachting het
Indonesische ministerie voor "Settlements and Regional Development" worden
toegevoegd aan de samenwerking in het kader van de bilaterale samenwerking
in het kader van de bilaterale werkgroep voor Openbare Werken, waarin de
Nederlandse ministeries voor VenW en VROM deelnemen. De Indonesische
behoefte aan onderwijs, opleiding en training is tijdens de recente bezoeken
onder meer uitgesproken ten aanzien van de ontwikkeling van capaciteit in
Indonesië voor opleiding zeevarenden en management op spoorweggebied.
Landbouw
De toegenomen aandacht voor de opbouw van de Indonesische landbouwsector
biedt voor Nederland nieuwe kansen. Vanuit de agribusiness blijkt de nodige
belangstelling te bestaan om daar aan de slag te gaan. Vanuit Indonesische
zijde is herhaaldelijk de wens geuit de huidige samenwerking op agrarisch
gebied verder op te bouwen. Op de volgende terreinen zou samengewerkt kunnen
worden:
-voedselzekerheid (inkomensontwikkeling, plattelandsontwikkeling);
-duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen (bos, water, landbouw,
visserij);
-onderzoek, onderwijs en kennisinfrastructuur;
-agribusiness (agrarische productie, handelsbelemmeringen en industrie);
-inzet van EZ-instrumenten (PESP en PSI).
Molukse aangelegenheden
Sinds medio 1975 functioneert het Joint Committee (JC), gebaseerd op de
zogeheten Akkoorden van Wassenaar ten aanzien van de relaties met de Molukse
gemeenschappen in beide landen. Het JC bestaat uit een tweetal nationale
delegaties. De Nederlandse delegatie bestaat uit vertegenwoordigers van de
Ministeries van VWS (voorzitterschap, secretariaat en budget), Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties en Buitenlandse Zaken. Aan Indonesische zijde
is de nationale delegatie samengesteld uit representanten van de Ministeries
van Binnenlandse Zaken (voorzitterschap, secretariaat en budget),
Buitenlandse Zaken, Justitie, alsmede de Immigratiedienst. De voornaamste
activiteiten van het JC zijn de toepassing en uitvoering van de
Repatriëringsregeling voor eerste generatie Molukkers die willen terugkeren
naar hun geboorteland, het financieren van kleinschalige utiliteitsprojecten
in plaats van vestiging van de repatrianten en het faciliteren van
uitwisselingsactiviteiten tussen de Molukse gemeenschappen. Als gevolg van
de situatie op de Molukken heeft in 1999 slechts een beperkt aantal personen
kunnen repatriëren.
In februari 2000 heeft het Joint Committee besloten dat de NLG 1 miljoen die
door de Nederlandse regering ter beschikking werd gesteld via de
Indonesische minister van Armoedebestrijding en Sociaal Welzijn zal worden
besteed aan door NGO's uit de Molukken ingediende reconstructie- en
utiliteitsprojecten.
Per 31 december 2002 zal de uitvoering van de huidige Repateriëringsregeling
worden beëindigd. Met de Indonesische autoriteiten is afgesproken dat
Nederland een inventarisatie maakt van hen die willen repatriëren en dat
deze mensen na 31 december 2002 een individueel recht krijgen toebedeeld
conform de huidige bepalingen van de Repatriëringsregeling.
Onderwijs, cultuur en wetenschappen
De samenwerking op onderwijsterrein met Indonesië richt zich vooral op het
middelbaar en hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs. De
bilaterale samenwerking voor beroepsonderwijs loopt medio 2000 af. Eventuele
continuering hiervan zal afhangen van een gerichte vraag uit Indonesië. Voor
het hoger onderwijs richt de Nederlandse inzet zich op de positionering van
het hoger onderwijs waarbij Indonesië voor Nederland als prioritair land is
aangemerkt. Voorzien is dat een beurzenprogramma van OCenW voor deze
positionering in de tweede helft van 2000 operationeel zal zijn. Ook het
bevorderen van dwarsverbindingen tussen het bedrijfsleven en
onderwijsinstellingen vormen onderdeel van de positionering van het
onderwijs en dragen bij aan de verwezenlijking van de economische
samenwerking.
Na jaren van stagnatie worden de culturele betrekkingen, geregeld in een
cultureel verdrag, gereactiveerd. Indonesië heeft te verstaan gegeven gaarne
consultaties te organiseren in het najaar. Deze moeten het begin worden van
een samenwerking waarin op basis van overeen te komen MOU's en jaarlijks te
actualiseren werkplannen. Op nadrukkelijk verzoek van Indonesië, en aldus
geheel volgens het Nederlandse cultuurbeleid dat overwegend vraaggericht is,
zal worden samengewerkt in conservering van gezamenlijk erfgoed. Daarnaast
zal de al aanzienlijke samenwerking tussen musea in beide landen worden
geïntensiveerd. Nieuw element is aandacht voor hedendaagse kunstuitingen
(beeldende kunst, podiumkunsten en muziek). Afgesproken is de focus in deze
derde aandachtssector verder uit te werken in nauw overleg met deskundigen
afkomstig uit het veld zelf.
Op het gebied van wetenschappelijk onderzoek tussen Nederland en Indonesië
is er een doorlopende lijn van bilaterale samenwerking. Van beide zijden
bestaat de wens tot continuïteit en zo mogelijke intensivering van deze
samenwerking. Op basis van gelijkwaardigheid is gezamenlijk gewerkt aan
diverse wetenschappelijke projecten, resorterend onder één langlopend
programma. Dit lopende programma dat in 1995 startte, zal naar verwachting
door kunnen gaan tot en met 2004. De evaluatie van het programma is in het
voorjaar van 2000 gaande. De resultaten daarvan zullen onderdeel vormen van
een strategische aardverschuiving die momenteel met name van Indonesische
zijde wenselijk geacht worden.
Sociale Zaken
Op het terrein van SZW heeft de samenwerking met Indonesië de afgelopen
jaren
grotendeels stilgelegen. Er is geen MOU tussen Indonesië en SZW. Er wordt
evenwel de komende tijd een belangrijke impuls in de samenwerking verwacht.
Op 6 maart 2000 hebben staatssecretaris Hoogervorst en minister Hasanuddin
een overeenkomst getekend tussen Nederland en Indonesië in het kader van de
Wet Beperking Export Uitkeringen. Tijdens het bezoek van staatssecretaris
Hoogervorst aan Indonesië heeft minister Kwik steun gevraagd van Nederland
op het terrein van vernieuwing van (de organisatie van) het stelsel van
sociale zekerheid. Minister Kwik heeft te kennen gegeven dat sociale
zekerheid een van de prioriteiten is in het kader van het onlangs afgesloten
MOU tussen Nederland en Indonesië. Het verzoek van minister Kwik is in
beraad genomen, in afwachting van nadere uitwerking van het verzoek tot
steun.
Door de ILO worden thans twee projecten uitgevoerd, die ook gedeeltelijke
financiële steun krijgen van Nederland (OS_begroting):
- de betrokkenheid van vakbonden bij de monitoring van het zgn. Sociaal
Vangnet programma van de ILO;
- adviesondersteuning voor de hervorming van de arbeidswetgeving in
Indonesië.
Voorts onderhouden de Nederlandse organisaties van sociale partners
intensieve contacten
met hun Indonesische counterparts, onder andere ter ondersteuning van de
modernisering
van de arbeidswetgeving.
Gezondheidszorg
Sinds enkele jaren bestaat er een bescheiden bilaterale samenwerking op het
terrein van de
gezondheidszorg. het Rijksinstituut voor de Volksgezondheid en Milieuhygiëne
RIVM werkt samen ten aanzien van de vaccinontwikkeling met een Indonesische
counterpart;
het Indonesian Health Training Program IHTP traint jaarlijks zo'n vijftig
Indonesische verpleegkundigen in Nederland en zet hen in Nederlandse
verpleeg_ en ziekenhuizen.
Met het Indonesische Ministerie van Volksgezondheid zijn recentelijk
afspraken gemaakt ten aanzien van: uitbreiding van het aantal Indonesische
verpleegkundigen dat in Nederland onderwijs kan volgen en arbeid kan
verrichten, van 50 tot 200 per jaar; spreiding van het recruteringsbeleid in
Indonesië zelf, ook naar de buitengewesten, waaronder de Molukken (in
samenwerking met het JC); de inrichting van een traject ten aanzien van
gespecialiseerde verpleegkundigen; de versterking van de coördinatie van
bestaande private initiatieven door het IHTP door middel van het ter
beschikking stellen van faciliteiten; ter beschikking stelling van expertise
op het terrein van curriculae ontwikkeling inzake een hogere verpleegkunde
opleiding in Indonesië door de gezamenlijke Nederlandse Hogescholen; en
uitwisseling van expertise op gespecialiseerde terreinen binnen de
gezondheidszorg, waaronder de fysiotherapie, volksgezondheid, de
ziektekostenverzekering en het ziekenhuismanagement.
Juridische aangelegenheden
Beide ministers hebben in januari jl. afgesproken op korte termijn een nieuw
meerjarig samenwerkingsprogramma op te stellen. Naast ondersteuning bij
juridische hervormingen in Indonesië (o.a. wetgevingsprojecten), zal er in
het nieuwe programma ook aandacht worden geschonken aan het Indonesische
gevangeniswezen en de reclassering. Uiteraard zal in een nieuw
samenwerkingsprogramma rekening worden gehouden met initiatieven die reeds
in multilateraal kader worden ontplooid. Onder het bestaande
samenwerkings-convenant is ook samenwerking op het terrein van de
rechtspleging voorzien. Onder de nieuwe regering valt dit beleidsterrein
echter niet meer onder de minister van Justitie, maar onder de Indonesische
Procureur-generaal. Justitie is voornemens de mogelijkheden te onderzoeken
om de samenwerking met Indonesië op het terrein van de rechtspleging te
continueren.
PolitiePolitie samenwerking
In 1999 is door Indonesië de wens te kennen gegeven de non_operationele
samenwerking op het terrein van verkeerspolitie te continueren en te
verbreden naar andere terreinen van deskundigheidsbevordering van de
Indonesische politie. De Nederlandse politie onderschrijft deze wens. Nadere
uitwerking van de verschillende wensen en een inventarisatie van de
(capaciteits) mogelijkheden van de Nederlandse politie om adequaat op deze
wensen in te spelen is noodzakelijk. Van belang hierbij is om de opleidingen
een sterk "train_the_trainer" karakter te geven en te verankeren binnen het
Indonesische politieopleidingsstelsel, waardoor "institution building"
daadwerkelijk wordt vormgegeven en aldus een concrete en duurzame bijdrage
wordt geleverd aan de opbouw van de rechtstaat. In dit verband is ook
belangrijk dat de politie de normale taken ter handhaving van de openbare
orde uitvoert, ook in die gevallen waarbij het leger die taken aan zich
heeft getrokken. In 1999 is door Indonesië de wens te kennen gegeven de
samenwerking op het terrein van verkeerspolitie te willen continueren en te
verbreden naar andere terreinen van deskundigheidsbevordering van de
Indonesische politie. De terreinen in dit verband zijn onder meer milieu,
recherche, openbare orde en politiemanagement. Hierbij wordt aansluiting
gevonden bij de in het Beleidsplan Nederlandse Politie gestelde
prioriteiten. Nader onderzoek naar de opportuniteit van de verschillende
wensen en naar de mogelijkheden van het LSOP om adequaat op deze wensen in
te spelen is noodzakelijk.
Openbaar bestuur
Op basis van een in 1997 getekende Letter of Intent tussen de ministers van
Binnenlandse Zaken vindt samenwerking plaats gericht op de ontwikkeling van
het binnenlands bestuur; deze samenwerking wordt nu ingevuld door
trainingen. In maart van dit jaar heeft de laatste van de afgesproken
trainingen plaatsgevonden. Na een evaluatie, die voor de zomer zal worden
afgerond, wordt in overleg met de Indonesische autoriteiten bepaald welke
vervolgactiviteiten in het kader van de Letter of Intent zullen worden
opgepakt. De gedachten gaan daarbij met name uit naar samenwerking die
ondersteuning biedt bij het decentralisatie_ en regionalisatieproces in
Indonesië.
Milieu
In het recente verleden zijn de milieuproblemen in Indonesië verergerd. In
de economische crisis kregen zaken als een gebrek aan behoorlijk drinkwater
en sanitatie, landerosie, aantasting van bossen, blootstelling aan
ongecontroleerde industriële verontreiniging enz. niet de aandacht die nodig
is. Bij de aanpak van deze problemen heeft Nederland m.n. op het gebied van
organisatorische versterking _"capacity building"_ veel ervaring opgedaan en
expertise ontwikkeld. Zo heeft Nederland samengewerkt op het gebied van
milieubeleidplanning, wetgeving en afvalbeleid en _beheer en zal dit blijven
doen , bij voorkeur in aansluiting op initiatieven van organisaties als
UNEP, UNDP en de Wereldbank. Dit jaar waarin de zesde vergadering van
partijen van het Klimaatverdrag in Nederland plaatsvindt is betrokkenheid
van een sleutelland als Indonesië essentieel. In het kader van het VROM_MoU
wordt periodiek met Indonesië overlegd over de vereiste (inter)nationale
acties.
Tweede Kamer der Staten Generaal
|
|
 |