Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag algemeen overleg inzake Oret-Miliev

Datum nieuwsfeit: 14-07-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Verslag algemeen overleg inzake oret-miliev

Gemaakt: 20-7-2000 tijd: 14:13


1


26800 V Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2000

nr. 120 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 14 juli 2000

De vaste commissies voor Buitenlandse Zaken<1> en Economische Zaken<2> hebben op 24 mei 2000 overleg gevoerd met minister Herfkens voor Ontwikkelingssamenwerking en staatssecretaris Ybema van Economische Zaken over de brief van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking over de evaluatie van ORET/Miliev (26800-V, nr. 26).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Van den Akker (CDA) vroeg waarom de notitie Economie en ontwikkelingssamenwerking nog steeds niet aan de Kamer is gezonden. Het overleg over ontwikkelingsrelevante exporttransacties (ORET) en milieu en economische verzelfstandiging (Miliev) is juist meermalen uitgesteld in afwachting van deze notitie. Hij verwees naar een krantenartikel waarin de minister een aantal zijns inziens ongenuanceerde opmerkingen over het bedrijfsleven maakt die haaks staan op opmerkingen van de staatssecretaris. De minister heeft gezegd dat bedrijven leunstoelgedrag vertonen, dat het Nederlandse bedrijfsleven alleen de hand ophoudt voor exportsubsidies en voorts dat zij fundamentalistisch en faliekant tegen gebonden hulp is en dat zij bezig is de paar potjes die niet gericht zijn op het creëren van een enabling environment op te schonen en uit te mesten. Op deze manier wordt de zwartepiet bij het bedrijfsleven gelegd.

De inspectie ontwikkelingssamenwerking en beleidsevaluatie (IOB) heeft positief gerapporteerd over de ontwikkelingsrelevantie van ORET en Miliev. Niet alleen hebben de onderzochte projecten verwachtbare positieve effecten op de werkgelegenheid, op de positie van de armsten en op het milieu, maar voorts zijn daarbij de prioriteiten gevolgd die de overheden van de ontwikkelingslanden zelf hebben gesteld. De heer Van den Akker noemde het dan ook onbegrijpelijk dat de minister zich negatief heeft uitgelaten over programma's voor gebonden hulp. Het is een hardnekkig misverstand dat ORET een exportsubsidieprogramma voor het Nederlandse bedrijfsleven is. De subsidie gaat naar de overheden van ontwikkelingslanden, die daarmee een deel van de in Nederland gekochte goederen en diensten financieren. Hij vroeg of de minister deze zienswijze deelt.

Veelvuldige contacten tussen bedrijven in de donorlanden en de ontwikkelingslanden vergroten de kans dat het bedrijfsleven in de ontwikkelingslanden tot ontwikkeling komt. Aspecten zoals kwaliteit, logistiek, technologische ontwikkeling en andere in het bedrijfsleven relevante factoren moeten ook in de ontwikkelingslanden gemeengoed worden. Volgens de evaluatie is ORET een uitstekende katalysator voor investeringen via vormen van samenwerking met zakelijke partners in de ontwikkelingslanden. Delen de bewindslieden deze zienswijze? De heer Van den Akker had gehoopt in de notitie Economie en ontwikkelingssamenwerking hierover een duidelijk standpunt te kunnen terugvinden waaruit blijkt dat de betrokkenheid van het Nederlandse bedrijfsleven bij ORET onontbeerlijk is. Hij betreurde dan ook dat de notitie niet beschikbaar is en sprak in dit verband over een gemiste kans, waarvan de mensen in de ontwikkelingslanden de dupe worden. Hij rekende erop dat de notitie nog voor het komende zomerreces naar de Kamer zal worden gestuurd.

In tegenstelling tot de minister komt de IOB in de evaluatie wel tot een positief oordeel over het programma, waarbij de nadruk wordt gelegd op de ontwikkelingsrelevantie. Waarom negeert de minister deze positieve conclusies en laat zij zich negatief uit over het programma? De positieve beoordeling door de IOB staat haaks op de uitgangspunten van de minister en haar Britse, Duitse en Noorse collega's, die op nationaal niveau evenwel geen steun hebben gekregen voor hun zienswijze. De heer Van den Akker pleitte er dan ook voor dat de gebonden hulp niet eenzijdig wordt beëindigd. Hij wees erop dat het Nederlandse aandeel in de gebonden hulp gering is ten opzichte van de VS en een aantal andere Europese landen. In dit verband noemde hij de onderuitputting in de afgelopen jaren van ORET en Miliev, de aanscherping van de procedures en de mogelijkheid dat ORET en Miliev worden afgeschaft. Naar aanleiding van de controverse in de publiciteit tussen beide bewindslieden vroeg hij duidelijkheid over het kabinetsbeleid op dit punt.

Voorts vroeg de heer Van den Akker een toelichting op de in de brief gesignaleerde nadelen van gebonden hulp. Bij de keuze van de projecten uit de diverse donorlanden kan het ontwikkelingsland rekening houden met de eigen behoefte aan producten en diensten, terwijl concurrentie in het donorland de mogelijkheid biedt om een scherpe prijs af te spreken. Bovendien zijn aspecten zoals kwaliteit, logistiek en technologische ondersteuning vaak belangrijker dan de prijs.

In het algemeen is er, gezien de exportprestatie van het Nederlandse bedrijfsleven, geen sprake van leunstoelgedrag en van het ophouden van de hand voor exportsubsidies. Waarom zou dit wel voor Afrika gelden? Het economische principe brengt met zich dat het bedrijfsleven die markten bewerkt waar de meeste winst tegen de minste inspanning is te behalen. Dat in veel ontwikkelingslanden sprake is van moeilijke markten, kan niet het bedrijfsleven worden verweten. Om ontwikkelingslanden met behulp van het bedrijfsleven te kunnen steunen zal de Nederlandse overheid faciliteiten en ondersteuning moeten bieden. De heer Van den Akker was het eens met de duidelijke uitspraken van de staatssecretaris op dit punt.

De heer Hessing (VVD) schetste het belang van de ontwikkeling van de private sector in ontwikkelingslanden ten behoeve van de lokale economie, ondernemerschap en werkgelegenheid. Door de naamgeving ontstaat steeds het misverstand dat ORET is gericht op exporttransacties, terwijl het erom gaat dat ontwikkelingslanden in de gelegenheid worden gesteld om kapitaalgoederen te importeren. ORIT, ontwikkelingsrelevante importtransacties, zou dan ook een betere naam zijn. Is de regering bereid tot een dergelijke naamswijziging?

De heer Hessing feliciteerde de minister naar aanleiding van de zeer positieve beoordeling van ORET. Hij was verbaasd over haar recente uitspraken, die haaks staan op de evaluatie van ORET en de inzet van het Nederlandse bedrijfsleven en vroeg een toelichting op deze discrepantie. Ook was hij verbaasd over de opmerking van de minister over de private investeringen in ontwikkelingslanden. Internationaal gezien is Nederland immers de derde grootste publieke donor na Denemarken en Noorwegen en met 2,2% van het bruto nationaal product zelfs de grootste directe investeerder in DAC-landen. Dit illustreert de grote bijdrage van het Nederlandse bedrijfsleven. Wat is de reden voor de kritiek van de minister op ORET? Voorts vroeg hij een reactie op het afgewogen artikel van de heer Schraven. Is de minister bereid een gesprek aan te gaan met de heer Schraven over de samenwerking met het bedrijfsleven in het kader van het ontwikkelingsbeleid en de Kamer te informeren over de inhoud van dat gesprek?

De heer Hessing was in principe tegen gebonden hulp. Hij stond positief tegenover de acties in het kader van de OESO-consensus, maar benadrukte het belang van een level playing field. Als de overtuigingskracht van de minister in het kader van de OESO onvoldoende is, zal Nederland moeten doorgaan met de eigen gebonden hulp. Aangezien het Nederlandse budget hiervoor relatief klein is, zou een iets gematigdere toon van de minister op zijn plaats zijn.

In de brief wordt geen melding gemaakt van de onderuitputting van 120 mln. oftewel 36% van het budget voor ORET. Het is een slechte zaak dat dit ook in 2000 dreigt te gebeuren, gezien het belang van kapitaalgoederen voor ontwikkelingslanden. Welke acties worden ondernomen om ervoor zorg te dragen dat het budget toch wordt uitgeput? Is inmiddels gereageerd op de suggesties die de FME bij brief van september 1999 heeft gedaan? De heer Hessing vroeg de minister haar reactie ook aan de Kamer toe te zenden. Hij stelde voor dat de minister in overleg treedt met het bedrijfsleven om ORET te optimaliseren, vooral in het belang van de private sector in de ontwikkelingslanden ter bevordering van de werkgelegenheid en de ontplooiingskansen. Hij was het met de IOB eens dat het programma meer moet worden toegesneden op het midden- en kleinbedrijf.

Mevrouw Dijksma (PvdA) vroeg zich naar aanleiding van de tweeledige doelstelling van het ORET/Miliev-programma af of het geld daadwerkelijk terechtkomt bij degenen die het nodig hebben dan wel of alleen sprake is van verkapte steun voor het Nederlandse bedrijfsleven. Zij legde de nadruk op de ontwikkelingsrelevantie van ORET/Miliev. In de optiek van VNO/NCW worden de conclusies uit het evaluatierapport als een "overwinning" ervaren, omdat wordt aangetoond dat het Nederlandse bedrijfsleven betrokken kan worden in een ontwikkelingsrelatie. Mevrouw Dijksma deelde in eerste instantie de tevredenheid over de evaluatie. Zij verzocht de minister met klem niet te tornen aan de strikte en waardevolle toetsingsprocedures. Wel noemde zij het een ernstige tekortkoming dat de indirecte effecten van het programma op duurzame werkgelegenheid niet zichtbaar gemaakt zijn gemaakt in de evaluatie, omdat de feitelijke gegevens ontbreken.

Uit de evaluatie blijkt dat de MOL's in de onderzoeksperiode nauwelijks aan bod zijn gekomen. Ondanks de positieve berichten in het rapport zette mevrouw Dijksma vraagtekens bij vormen van gebonden hulp, waardoor het ontvangende land wordt verplicht het geld te gebruiken voor aankopen in het donorland. Belangrijkste bezwaar is dat het binden van hulp de prioriteitstelling door het ontvangende land kan ondermijnen en de keuzevrijheid kan beperken. Zij vroeg een reactie op haar stelling dat deze vorm van hulp lijnrecht tegenover ownership staat. Zij had behoefte aan een vergelijking van het ontwikkelingsresultaat wanneer 60% van de te leveren goederen, diensten of werken uit Nederland komt en wanneer gebruik wordt gemaakt van lokale producten en goederen. Positief is dat er voornemens zijn om de Nederlandse maatregelen zodanig bij te stellen dat een deel van de goederen, diensten of werken afkomstig uit het ontwikkelingsland zelf wordt meegerekend als Nederlands aandeel. Hoe zal dit precies vorm krijgen en welke criteria zullen hierbij worden gehanteerd? Door Novib is voorgesteld dat 60% uit de ontwikkelingslanden zelf komt. Hoe kan het effect hiervan voor met name de MOL's worden vergroot?

De recente uitspraken van de minister en de staatssecretaris over ontbinding van de hulp komen niet geheel met elkaar overeen. Is naar het oordeel van de regering binding van hulp een heilloze praktijk? Mevrouw Dijksma deelde de mening dat niet eenzijdig tot ontbinding van hulp moet worden overgegaan. Zij vroeg welke initiatieven worden ontwikkeld in het streven naar een voldoende kritische massa voor ontbinding wat "voldoende kritische massa" is. Denkt de minister in dit verband bijvoorbeeld aan de Utsteingroep?

Mevrouw Dijksma vroeg zich af waarom de rol van de private sector in de ontwikkelingssamenwerking gelieerd moet zijn aan gebonden hulp. Door het gezamenlijk ontwikkelen van nieuwe strategieën door de overheid en het bedrijfsleven kunnen investeringen in Afrika worden gestimuleerd ter bevordering van de lokale werkgelegenheid. Hoe kan deze samenwerking met het bedrijfsleven vorm worden gegeven? Zij noemde in dit verband instrumenten die in Oost-Europa worden gebruikt, zoals risicoparticipatie. Zij was het ermee eens dat de notitie Economie en ontwikkelingssamenwerking snel naar de Kamer moet worden gezonden, zodat een vernieuwende discussie kan worden gevoerd over de rol van de private sector in de ontwikkelingssamenwerking. Wellicht kan de aandacht in dat verband minder uitgaan naar de instrumenten die in de jaren zeventig en tachtig zijn ontwikkeld, maar kunnen er met het bedrijfsleven afspraken worden gemaakt.

Mevrouw Karimi (GroenLinks) hield vast aan de naam ORET, aangezien het gaat om ondersteuning voor de export van kapitaalgoederen naar ontwikkelingslanden. Hiervoor worden evenwel middelen uit het budget van Ontwikkelingssamenwerking ingezet. Zij noemde de brief van de minister een compromis, gelet op door haar gesteunde inzet en intenties van de minister op het punt van gebonden hulp, ondersteuning van het MKB in ontwikkelingslanden en exportsubsidies. Het ontwikkelen van de private sector, met name het MKB, in ontwikkelingslanden is een belangrijk aandachtspunt. Hiervoor zijn andere en nieuwere instrumenten nodig dan exportsubsidie.

In het kader van de evaluatie is niet onderzocht in hoeverre de beschikbaarheid van het aanbod de prioriteitstelling van de overheid in het ontwikkelingsland heeft beïnvloed. Welke initiatieven worden genomen in verband met het afschaffen van de gebonden hulp? Hoe wordt aangekeken tegen de suggesties van maatschappelijke organisaties dat de betrokkenheid van het bedrijfsleven bij ontwikkelingssamenwerking moet worden gebaseerd op de ontwikkelingsrelatie? Is de regering bereid te werken aan het omdraaien en integreren van dit instrument in het ontwikkelingsbeleid?

Mevrouw Karimi stelde dat het bedrijfslevenprogramma is beperkt tot exportsubsidie voor landen waarmee Nederland geen integrale ontwikkelingsrelatie heeft. De vraag is hoe de inzet kan worden vergroot. Er zal een verschuiving moeten plaatsvinden van exportsubsidie naar investeringen. Welke maatregelen zullen hiertoe worden genomen? Zij was van mening dat uit een oogpunt van maatschappelijk verantwoord ondernemen een bedrijf dat bijvoorbeeld in Birma is gevestigd geen beroep mag doen op ORET. Het ORET-instrumentarium zal meer moeten worden ingezet in de MOL's. Wordt hiervoor de exportkredietverzekering gebruikt en zo ja, hoe? Voorkomen moet worden dat de schuldenlast wordt vergroot. Wanneer kan de Kamer de criteria tegemoet zien op basis waarvan exportkredietverzekering wordt gegeven?

De heer Ter Veer (D66) oordeelde positief over ORET/Miliev. Het programma moet gericht zijn op het verwerven van kapitaalgoederen of diensten die in het ontvangende land niet voor handen zijn, het moet ontwikkelingsrelevant zijn en het ownership moet centraal staan. De hulp mag in principe niet gebonden zijn. Hiertoe zal in internationaal verband een gezamenlijke koerswijziging moeten worden gerealiseerd; Nederland kan hierin niet alleen optreden. Te verwachten is dat ontwikkelingslanden zich voor de aankoop van bepaalde goederen in eerste instantie zullen richten tot die landen die in de productie daarvan zijn gespecialiseerd.

Er moet zoveel mogelijk worden voorkomen dat er fouten worden gemaakt. Eventuele fouten mogen evenwel niet leiden tot de conclusie dat het instrument niet deugt en anders moet worden uitgewerkt. Men zal steeds anders en beter te werk moeten gaan, wat ook geldt voor de landen waarmee men een ontwikkelingsrelatie heeft. Daartoe is monitoring en rapportage nodig, wat evenwel niet ten koste mag gaan van de slagvaardigheid. Men moet kunnen vertrouwen op het gezonde oordeel van de ontvangende landen en van de ambassades die bij de projecten zijn betrokken. Een gezonde balans is geboden.

De heer Ter Veer hechtte er zeer aan dat de notitie Economie en ontwikkelingssamenwerking snel verschijnt. Hij stelde zich voor dat in het kader van deze notitie wordt nagedacht over verbreding van de werking en strekking van het instrument, ook ter voorkoming van onderuitputting.

Antwoord van de regering

De minister voor Ontwikkelingssamenwerking wees erop dat recent nog bij de behandeling van de begroting Ontwikkelingssamenwerking uitgebreid is gesproken over de notitie Economie en ontwikkelingssamenwerking. Er is nooit gezegd dat de discussie over ORET en Miliev pas kan worden afgerond nadat de notitie is uitgebracht. De vertraging van de notitie is niet veroorzaakt door meningsverschillen tussen Economische Zaken en
Ontwikkelingssamenwerking, maar doordat er een beperkt aantal ontwikkelingsexperts en economen beschikbaar is die zich ook met andere zaken moeten bezighouden.

De minister zei vierkant achter de inhoud van de brief te staan. De regering staat op het standpunt dat binding ten principale een kwalijke praktijk is; hierover bestaat internationale consensus. Op drie verschillende niveaus, te weten de DAC/OESO, de Internemarktraad en de Wereldhandelsorganisatie (WTO), wordt door de regering dan ook enthousiast gestreefd naar internationale overeenstemming over ontbinding. Zij stond geheel achter de ORET/Miliev-procedures die sinds 1991 zijn geïntroduceerd en achter de pogingen om die waar mogelijk te versterken.

Tijdens de laatste DAC is gebleken dat van de 40 aanwezige donoren alleen Japan, Frankrijk en Denemarken niet konden meegaan met de eerste stap voor verdere ontbinding van hulp aan MOL's. Er is dan ook een stevige internationale meerderheid. De minister bevestigde dat Nederland een relatief geringer percentage gebonden hulp kent dan andere donorlanden. Zij wilde evenwel niet overgaan tot eenzijdige ontbinding van de hulp. Weliswaar is Groot-Brittannië eenzijdig overgegaan tot volledige ontbinding, maar de Britse hulpinspanning ligt onder die van Nederland. Zij benadrukte dat het Nederlandse ontwikkelingsbeleid met brede steun uit de samenleving op een aantal terreinen verder gaat dan de meeste andere achterblijvende donorlanden. Maar Nederland hoeft niet overal in voorop te lopen.

Er is evenwel geen reden om het percentage te verhogen of te verlagen. Er moet worden gekeken naar zowel de kwantiteit als de kwaliteit van donoren.

Mevrouw Dijksma steunde het uitgangspunt van de minister dat niet eenzijdig moet worden overgegaan tot ontbinding van de hulp. Zij vroeg zich af op welk moment de minister dat wel wil doen. Hoeveel andere landen en welke landen moeten tot ontbinding overgaan voordat Nederland dit voorbeeld volgt. In EU-verband verwees de minister naar de brief aan de heer Bolkestein. De regering zal dit onderwerp aan de orde stellen in de Internemarktraad, waarin onder andere het overheidsaanschaffingsbeleid wordt besproken. Aan de Commissie wordt gevraagd of het overheidsaanschaffingsbeleid ook betrekking moet hebben op de hulpvolumes. In het kader van de WTO worden hulpvolumes uitgesloten van overigens gewenst internationaal aan te besteden overheidsaanschaffingen. Utstein is te mager als kritische massa. De minister ging ervan uit dat, als er een begin wordt gemaakt door een beperkt aantal grote donoren, de andere landen zullen volgen.

Volgens de landsadvocaat is er bij ORET/Miliev sprake van een subsidie aan een Nederlands bedrijf. Het ontvangende land mag het geld immers alleen gebruiken voor aanschaf van kapitaalgoederen, diensten of werken in Nederland. De ORET betreft inderdaad schenkingen aan overheden van ontwikkelingslanden en niet aan Nederlandse bedrijven. De minister zei de waarschuwing van de IOB te volgen om vooral niet beknibbelen op de toetsing, gezien de bereikte resultaten. Hoewel het Nederlandse exportbelang en het ontwikkelingsbelang elkaar niet per definitie overlappen, blijkt uit de evaluatie dat dit toch in enige mate is gelukt. Het is echter moeilijk om het Nederlandse bedrijfsleven te interesseren in landen in zuidelijk Afrika en de MOL's. In dit verband heeft zij gesproken over leunstoelgedrag. Men probeert onvoldoende om binnen te komen in allerlei moeilijke markten. De bulk van de Nederlandse export naar en investeringen in ontwikkelingslanden is vooral gericht op de rijkere en gemakkelijker toegankelijke ontwikkelingslanden. Deze landen zijn niet die landen die volgens de Tweede Kamer het eerst moeten profiteren.

De minister herkende eerst de brief van de FME niet, die pleitte voor verruiming, versoepeling en flexibiliteit, maar later begreep zij welke brief bedoeld was; zij zegde toe de Kamer het antwoord daarop te sturen. Dit zou ingaan tegen het beleid dat, als de procedures garanderen dat het goed loopt, men niet aan die procedures moet morrelen. Haar opmerkingen over het opschonen van potjes hadden niet specifiek betrekking op de fondsen voor het bedrijfsleven, maar op de problemen van alle aanbodgestuurde fondsen. Verrassend is dat uit de evaluatie een aantal positieve effecten is gebleken, terwijl dit aspect niet is onderzocht.

In de beleidsreactie op de ORET-evaluatie is aangekondigd dat de regering bereid is om de 60%-eis (Nederlands aandeel) aan te passen. Er moet worden voorkomen dat er concurrentie ontstaat met lokale leveranciers van laagtechnologische producten. Door middel van monitoring door de ambassades en toetsing op de institutionele inbedding en op ownership kan worden bekeken of er sprake is van een reële vraag van het ontvangende land. Niet relevante verzoeken zullen moeten worden geweigerd. Overeenkomstig de ORET-spelregels is de kwaliteitstoets bij de aanvraag zodanig dat een sterke schifting plaatsvindt. De minister voelde er niets voor om de bedrijfslevenlijst opnieuw ter discussie te stellen. Haar inzet is erop gericht om de Nederlandse ambassades in de landen op deze lijst te equiperen voor een zorgvuldige begeleiding van het programma.

De minister had er op zichzelf geen bezwaar tegen om de naam "ORET" te veranderen, zij het dat de naam "ORIT" is gereserveerd voor investeringstransacties. In de notitie Economie en ontwikkelingssamenwerking zal op dit punt worden teruggekomen en zal ook worden ingegaan op de beschikbare internationale instrumenten. Zij was bereid om opnieuw met de heer Schraven te spreken naar aanleiding van de discussie met de Kamer. Het speet haar dat in de brief niet wordt gesproken over onderuitputting. Er wordt aan gewerkt om het stop-and-gofenomeen constructief aan te pakken.

De staatssecretaris van Economische Zaken constateerde dat ORET zijn bevestiging vindt in de evaluatie van de IOB. Bekeken zal worden hoe de suggesties van de IOB kunnen worden verwerkt, maar op zichzelf vormt ORET een goede basis. Over gebonden hulp en ontbinding van de hulp bestaan weliswaar eenduidige opvattingen, maar men heeft ook te maken met de buitenwereld. De regering probeert steeds stappen vooruit te zetten in een moeizaam en langdurig proces richting ontbinding van de hulp.

De ontwikkelingslanden moeten zelf de private sector ontwikkelen, zodat een bijdrage kan worden geleverd aan de economische en sociale kwaliteit van die landen. ORET is niet gericht op export vanuit Nederland, maar op ondersteuning van investeringen in ontwikkelingslanden, die import van Nederlandse kapitaalgoederen, diensten of werken behoeven. Hierbij wordt, deels via het bedrijfsleven, geprobeerd om kwalitatief zo goed mogelijk te voldoen aan de wensen van deze landen. Over een langere termijn bezien boekt Nederland behoorlijke resultaten. De Nederlandse investeringen in Afrika zijn in de laatste tien jaar gestegen. Positief is ook de toename van investeringen in de MOL's, zij het geleidelijk en voorzichtig. Nederland is als vierde grootste investeerder in Afrika steeds bezig de resultaten te verbeteren. In samenwerking met Ontwikkelingssamenwerking worden de economische ontwikkelingen in Afrika ondersteund door middel van handelsmissies, waarvoor veel belangstelling bestaat vanuit het bedrijfsleven, ook naar de moeilijke landen. De ontwikkelingen zijn relatief gezien positief, maar in absolute zin nog marginaal. Het bedrijfsleven kan niet worden opgedragen om naar deze landen te gaan; goed beleid en goed bestuur maken ontwikkelingslanden aantrekkelijk voor buitenlandse investeerders.

De overheidsaanbestedingen vormen een belangrijk onderdeel van het standpunt dat de regering heeft geformuleerd in het kader van de WTO. Ondanks het moeizame proces blijft de regering onverminderd pleiten voor dit element in de ontbinding. Een bijdrage vanuit Nederland van
60% is realistisch. Een hogere bijdrage vanuit de ontwikkelingslanden is weliswaar gewenst, maar in de praktijk zijn deze landen niet in staat om technologisch hoogwaardige kapitaalgoederen te leveren. Zodra zij wel daartoe in staat zijn, kan het percentage worden aangepast ter bevordering van de private sector in die landen. In verband met het ownership benadrukte de staatssecretaris dat de ontwikkelingslanden zelf de projecten kiezen en eigenaar daarvan zijn. Investeringen in ontwikkelingslanden worden bevorderd via het WTO-spoor van liberalisering van de handel en investeringen. Ook de enabling environment draagt bij aan structurele verbeteringen. Voorts wordt directe steun aan ontwikkelingslanden gegeven op het punt van handel en investeringen.

Op zichzelf is het een goede zaak dat de overheid en het bedrijfsleven samen nadenken over nieuwe strategieën om investeringen in ontwikkelingslanden te bevorderen. Wel zullen de ontwikkelingslanden zelf moeten kiezen en verantwoordelijkheid moeten dragen voor die investeringen. Er wordt voortdurend gezocht naar adequate instrumenten om de fundamentele en structurele problemen van de ontwikkelingslanden aan te pakken. Dit is steeds een kwestie van trial and error. Economische Zaken beschikt over vele faciliteiten die in samenwerking met Ontwikkelingssamenwerking zo effectief mogelijk worden ingezet. Waar mogelijk vindt daarbij een bundeling van landen en een clustering van instrumenten plaats ter vergroting van de effectiviteit en efficiency.

Bekeken wordt of het mogelijk is om toetsingscriteria te ontwikkelen voor de toekenning van overheidsfaciliteiten aan het bedrijfsleven in relatie tot de prioriteiten van het maatschappelijk verantwoord ondernemen. Dit is een complex proces, omdat er heldere en eenduidige criteria worden ontwikkeld die voor de rechter stand zullen houden. De staatssecretaris zegde toe de Kamer een brief hierover te doen toekomen, zo mogelijk nog voor het zomerreces.

Nadere gedachtewisseling

De heer Van den Akker (CDA) stelde voor dat Economische Zaken wordt gevraagd te helpen met de notitie Economie en
ontwikkelingssamenwerking, zodat de Kamer die op tijd kan krijgen. Hij had van de minister begrepen dat er met VNO/NCW niet te praten valt over het afschaffen van gebonden hulp, maar dat zij altijd goede gesprekken heeft met deze organisatie. VNO/NCW is altijd een voorstander van afschaffing van gebonden hulp geweest, mits ook de andere landen dat doen.

In het kader van ORET wordt steun gegeven aan een ontwikkelingsland, dat vervolgens goederen of diensten in Nederland koopt. De heer Van den Akker noemde het flauw dat de minister zich achter een juridische definitie verschuilt in verband met de subsidiekwestie. Men is het erover eens dat ORET een uitstekend programma is dat ten goede komt aan het ontwikkelingsland zelf.

Het Nederlandse bedrijfsleven is wel degelijk geïnteresseerd in investeringen in ontwikkelingslanden, met name in Afrika. Er is dan ook geen sprake van leunstoelgedrag. Het zou de minister daarom sieren als zij haar opmerkingen hierover terugneemt. De heer Van den Akker bleef naar aanleiding van het krantenartikel van mening dat de opmerkingen van de minister over het opschonen van de potjes voor gebonden hulp wel degelijk tegen het bedrijfsleven zijn gericht. In verband met de onderuitputting merkte hij op dat het probleem niet is dat het bedrijfsleven niet weet hoeveel er aan het eind van het jaar over is, maar dat er sinds drie jaar 30% onderuitputting is. Is dit een succes of een mislukking van het beleid?

De heer Hessing (VVD) was blij met de instemmende geluiden over de naamsverandering van ORET in ORIT en was bereid te zijner tijd mee te denken over de naam voor een investeringsfaciliteit. Hij vroeg de minister duidelijkheid te scheppen over haar recente uitspraken, te reageren op de evenwichtige brief van de heer Schraven en haar reactie ook aan de Kamer te doen toekomen. Naar aanleiding van haar toezegging omtrent een open gesprek met de heer Schraven over het optimaliseren van het programma en het wegwerken van de onderuitputting vroeg hij de minister de Kamer hierover te rapporteren en ook de reactie op de brief van de FME aan de Kamer te doen toekomen.

Naar aanleiding van de opmerkingen van de minister over het verschil in investeringen tussen DAC-landen en MOL's vroeg de heer Hessing een cijfermatige onderbouwing waaruit blijkt dat andere landen meer investeren in MOL's dan Nederland. Als een dergelijke onderbouwing niet kan worden gegeven, zou de minister terughoudender moeten zijn met dergelijke ideologische en suggestieve opmerkingen over het Nederlandse bedrijfsleven.

Hij constateerde dat de discussie over gebonden hulp kan worden gesloten. Binding is niet gewenst, maar er moet wel een level playing field zijn. In dit verband verwees hij naar de OESO-consensus. Nederland moet de gebonden hulp niet eenzijdig opheffen, maar de lijn binnen de EU volgen.

De heer Hessing was van mening dat niet alleen ORET, maar het gehele budget voor ontwikkelingssamenwerking moet worden beoordeeld op basis van de katalyserende effecten op de duurzame werkgelegenheid. Hij vroeg of er nadere informatie is waaruit blijkt dat de brief van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking slechts een compromis is. Als dergelijke informatie ontbreekt, kan slechts worden geconstateerd dat er sprake is van een onhandige poging tot misleiding door GroenLinks.

Mevrouw Dijksma (PvdA) was van mening dat snel moet worden overgegaan tot een bredere agenda, gericht op de betrokkenheid van het bedrijfsleven bij de ontwikkelingssamenwerking. Samen met het bedrijfsleven moet de regering actief werken aan een enabling environment in ontwikkelingslanden. Bij het zoeken naar nieuwe strategieën en instrumenten zal moeten worden gekeken naar investeringsrelevante activiteiten die zijn gericht op duurzame werkgelegenheid in ontwikkelingslanden. De doelstelling is een verbetering van de situatie van arme landen. Zij beschouwde wat dit betreft VNO/NCW als een bondgenoot. De discussie over ontbinding van de hulp is niet gesloten, maar begint pas. Er is consensus over ontbinding van de hulp. De regering zal zich in internationaal verband moeten inzetten om een kritische massa te realiseren, waarbij de Kamer een controlerende functie heeft.

Mevrouw Dijksma vroeg een reactie op fouten in de praktijk op het punt van ORET en ownership. Zij stelde voor dat de 60% flexibel wordt gehanteerd als maximum en niet als per definitie te halen norm, opdat er ruimte ontstaat voor de ontwikkelingslanden om zelf goederen of diensten te leveren. Zij was het eens met de gedachtegang van de regering over ontbinding van de hulp en wachtte met spanning de internationale activiteiten van de bewindslieden en de rapportage daarover af.

Het criterium duurzame werkgelegenheid is weliswaar belangrijk, maar het kan niet worden toegepast op het gehele
ontwikkelingssamenwerkingsbudget. Het is een van tevoren vastgesteld criterium voor hulp in het kader van ORET. Steeds opnieuw zal moeten worden vastgesteld welke ontwikkelingsrelevante criteria een rol spelen.

Mevrouw Karimi (GroenLinks) was teleurgesteld over de argumentatie van de minister om niet over te gaan tot eenzijdige ontbinding. Het argument dat Nederland niet op alle terreinen van ontwikkelingssamenwerking voorop moet lopen is immers vaker gehanteerd, bijvoorbeeld op het gebied van klimaatbeleid en schuldverlichting. Zij vreesde dan ook voor een mogelijke kwalitatieve achteruitgang.

Zij had er begrip voor dat het moeilijk is om ORET in MOL's toe te passen. Hoe zal het ondersteunen van de private sector in MOL's worden gestimuleerd? Zal in de notitie Economie en ontwikkelingssamenwerking speciaal aandacht aan de MOL's worden geschonken? Zij vroeg hoe de monitoring door de ambassades vorm en inhoud zal krijgen. Zij stelde dat er van tevoren criteria moeten zijn vastgesteld op basis waarvan wordt en pleitte in dit verband voor integratie in het totale ontwikkelingsbeleid. In verband met de relatie tussen aanbodsturing en prioriteitstelling wees zij erop dat Tanzania een kwart van de Nederlandse bijdrage heeft gebruikt voor de aanschaf vanapparatuur van Philips. In het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen vroeg zij of door IHC Caland gebruik is gemaakt van ORET voor projecten in China.

Met haar stelling dat de brief van de minister een compromis is, heeft mevrouw Karimi de Kamer geenszins willen misleiden. In een coalitie is het sluiten van compromissen immers dagelijkse praktijk. Uit de Handelingen van de begrotingsbehandeling blijkt hoe de minister over bepaalde onderwerpen denkt.

De heer Ter Veer (D66) stelde met erkentelijkheid vast dat de regering er voluit voor ijvert om de markttoegang voor MOL's waar mogelijk aan de orde te stellen. Nederland concentreert zich bilateraal op de zeventien plus vier. Het zou interessant zijn om te filosoferen over de mogelijkheid of de vier relatief gezien meer in aanmerking komen voor ORET. Gezien de gevarieerdheid in de economische staat van ontwikkeling van de vier is het denkbaar dat daar meer behoefte is aan kapitaalgoederen en diensten, die met veel return on investment kunnen worden aangewend.

De minister voor Ontwikkelingssamenwerking verwachtte dat de notitie voor de zomer kan worden vastgesteld. Naar aanleiding van het aangehaalde krantenartikel benadrukte zij niet de gewoonte te hebben om in de Kamer iets anders te zeggen dan daarbuiten. Zij herhaalde dat zij van plan is aanbodgestuurde potjes op te schonen.

Met VNO/NCW valt wel te praten over ontbinding, maar in tegenstelling tot het Nederlandse bedrijfsleven is het bedrijfsleven in bijvoorbeeld Duitsland en Groot-Brittannië ook bereid om zich daartoe actief in te zetten in de internationale fora.

De minister begreep niet waarom er een principieel en theoretisch debat moet worden gevoerd over de subsidiekwestie. Er is immers sprake van een financieel voordeel voor een bedrijf dat voor de levering van bepaalde producten geld krijgt van een overheid, die een subsidie krijgt die afhankelijk is van deze order.

Zij was niet geïnteresseerd in een discussie over de relatieve positie van het Nederlandse bedrijfsleven in Afrika. De vraag is vooral in welke landen en in welke sectoren wordt geïnvesteerd. Ontwikkelingsgerichte investeringen vinden niet plaats in de mijnbouw en in de markten in Noord- of Zuid-Afrika. Een aantal landen zal gedurende langere tijd een perfect beleid moeten voeren dat is gericht op een enabling environment, omdat het tijd kost voordat internationale investeerders herkennen dat een ontwikkelingsland een goed beleid voert. Bovendien is er het probleem van "kuddegedrag" dat, als een enkel land een crisis doormaakt, het gehele continent onaantrekkelijk wordt voor investeerders.

Tussen het moment van aanvraag in het kader van ORET en het moment van goedkeuring kan het op een aantal punten nog mis gaan. Er moet dan ook goed worden gebudgetteerd. Door middel van hogere eisen en een tweede loket wordt geprobeerd het probleem weg te nemen.

De minister deelde de bezorgdheid van de heer Schraven over het level playing field, maar zei op dat punt niet de aangewezen bewindspersoon te zijn. Voorts was zij bereid om met de heer Schraven te praten over de noodzaak om meer in Afrika te investeren. Ideeën die uit de gesprekken met het Nederlandse bedrijfsleven voortkomen zullen in de notitie worden vervat. Zij zegde toe de reactie op de brief van de FME aan de Kamer te doen toekomen.

Zij was het ermee eens dat een bredere agenda moet worden gehanteerd. De Kamer kan actief monitoren wat de regering doet in het kader van de DAC/OESO, de Internemarktraad en de WTO. In verband met het ownership merkte zij op dat Nederland dient vast te stellen dat er geen vraag op intransparante wijze is gegenereerd. De monitoring door de ambassades is daarbij van belang, omdat zij worden geacht inzicht te hebben in de prioriteiten en de overheidsuitgaven van dat land.

De minister was het niet eens met de suggestie dat het ORET-programma alleen wordt ingezet in die sectoren waarin sprake is van een bilaterale relatie, waarmee de landenlijst de facto zou worden ingekort. Zij achtte het huidige Nederlandse imago als donor absoluut verdedigbaar. Wat het klimaatbeleid betreft, kan de regering worden afgerekend op resultaten. Op het gebied van schuldverlichting loopt Nederland in absolute zin voorop.

De private sector in de MOL's is het grootste punt van zorg. In de notitie zal hieraan aandacht worden besteed. De betrokken landen zullen evenwel moeten zorgdragen voor een enabling environment.

De staatssecretaris van Economische Zaken merkte op dat Economische Zaken en Ontwikkelingssamenwerking al goed samenwerken in het kader van de notitie Economie en ontwikkelingssamenwerking.

Uit de evaluatie blijkt dat de kwestie van het ownership goed is geregeld. Wel moeten de risico's goed in het oog worden gehouden. Bekeken zal worden of andere onderzoeken relevante informatie opleveren. Nederland probeert met de 60%-norm, die al veel lager is dan in andere landen, zoveel mogelijk ruimte te bieden aan de ontwikkelingslanden en tegelijkertijd verantwoord gebruik te maken van de mogelijkheden van ORET. De staatssecretaris benadrukte de exportrelevantie van ORET.

Medische projecten dragen in het algemeen bij aan de kwaliteit van de medische sector in ontwikkelingslanden, maar kunnen een groot beslag leggen op het budget. De taskforce healthcare houdt zich bezig met de vraag hoe dergelijke projecten kunnen worden ingebed in de medische infrastructuur.

Bij ORET staan niet de bedrijven, maar de projecten voorop. De staatssecretaris ging ervan uit dat IHC Caland gebruik heeft kunnen maken van ORET voor een project in China, maar stelde dat er geen sprake is van overheidssubsidie voor eventuele projecten in Birma. In het kader van het maatschappelijk verantwoord ondernemen wordt het bedrijfsleven door de regering op de eigen verantwoordelijkheden aangesproken en gestimuleerd om eigen codes op te stellen. De Kamer zal op korte termijn worden geïnformeerd over de mogelijkheden om toetsingscriteria te ontwikkelen voor het gebruikmaken van overheidsfaciliteiten door het bedrijfsleven in het kader van het maatschappelijk ondernemen.

ORET/Miliev is slechts een van de instrumenten om het bedrijfsleven te faciliëren in de ondersteuning van de ontwikkelingslanden. De handelsmissies tonen aan dat het bedrijfsleven veel belangstelling heeft voor ontwikkelingslanden, wanneer in die landen een basisstructuur aanwezig is voor economische activiteiten.

De voorzitter van de vaste commissie van Buitenlandse Zaken,

De Boer

De voorzitter van de vaste commissie van Economische Zaken,

Biesheuvel

De griffier van de vaste commissie van Buitenlandse Zaken,

Hommes


1 Samenstelling:

Leden: Blaauw (VVD), Weisglas (VVD), Van den Berg (SGP), Ter Veer (D66), Van Middelkoop (RPF/GPV), Valk (PvdA), Apostolou (PvdA), Hillen (CDA), Verhagen (CDA), ondervoorzitter, M.B. Vos (GroenLinks), Marijnissen (SP), Hessing (VVD), Hoekema (D66), Dijksma (PvdA), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Van den Doel (VVD), Koenders (PvdA), De Boer (PvdA), voorzitter, Timmermans (PvdA), Ross-van Dorp (CDA), Remak (VVD), Van der Knaap (CDA), Karimi (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Wilders (VVD)

Plv. leden: Dijkstal (VVD), Van Baalen (VVD), De Graaf (D66), Van 't Riet (D66), Rouvoet (RPF/GPV), Zijlstra (PvdA), Belinfante (PvdA), Visser-van Doorn (CDA), Eurlings (CDA), Harrewijn (GroenLinks), Van Bommel (SP), Cherribi (VVD), Scheltema-de Nie (D66), Gortzak (PvdA), De Haan (CDA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Albayrak (PvdA), Van Oven (PvdA), Feenstra (PvdA), Leers (CDA), Patijn (VVD), Van den Akker (CDA), Rosenmöller (GroenLinks), Duivesteijn (PvdA), Balemans (VVD)


2 Samenstelling:

Leden: Blaauw (VVD), Biesheuvel (CDA), voorzitter, Witteveen-Hevinga (PvdA), Leers (CDA), Voûte-Droste (VVD), ondervoorzitter, Van Zuijlen (PvdA), M.B. Vos (GroenLinks), Rabbae (GroenLinks), Marijnissen (SP), Hessing (VVD), Giskes (D66), Crone (PvdA), Van Dijke (RPF/GPV), Van Walsem (D66), Hofstra (VVD), Wagenaar (PvdA), De Boer (PvdA), Verburg (CDA), Stroeken (CDA), Ravestein (D66), Geluk (VVD), Van den Akker (CDA), Blok (VVD), Hindriks (PvdA),Dijsselbloem (PvdA)

Plv. leden: Snijder-Hazelhoff (VVD), Atsma (CDA), Kalsbeek (PvdA), Wijn (CDA), Klein Molekamp (VVD), Schoenmakers (PvdA), Van der Steenhoven (GroenLinks), Vendrik (GroenLinks), Poppe (SP), De Swart (VVD), Van den Berg (SGP), Kuijper (PvdA), Van Middelkoop (RPF/GPV), Schimmel (D66), Van Baalen (VVD), Herrebrugh (PvdA), Smits (PvdA), Schreijer-Pierik (CDA), Van der Hoeven (CDA), Bakker (D66), Van Beek (VVD), De Haan (CDA), Udo (VVD), Hamer (PvdA), Koenders (PvdA)

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie