Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Rechtspositie politieke ambtsdragers gemeenten en provincies

Datum nieuwsfeit: 14-07-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

br min bzk inz rechtpositie van politieke ambtsdragers in gemeenten en provincies

Gemaakt: 28-8-2000 tijd: 13:29


23


27263 Rechtspositie van politieke ambtsdragers in gemeenten en provincies

Nr. 1 Brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 juli 2000

Hierbij bied ik u een notitie aan betreffende de rechtspositie van politieke ambtsdragers in gemeenten en provincies. Dit naar aanleiding van het verzoek van de Vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 december 1999 (B.Z.K.99-91).

DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES,

K.G. de Vries

DE RECHTSPOSITIE VAN POLITIEKE AMBTSDRAGERS IN GEMEENTEN EN PROVINCIES


1. Inleiding

Bij brief van 22 december 1999 (B.Z.K.99-91) heeft u verzocht om een kadernotitie rechtspositie om een samenhangende discussie te kunnen voeren over de rechtspositie van raads- en statenleden en de leden van gedeputeerde staten en het college van burgemeester en wethouders. Naar aanleiding van dit verzoek heeft mijn ambtsvoorganger u bij brief van 4 februari jl. (BW2000/U50014) het voorstel gedaan om het rapport van de Staatscommissie `Dualisme en lokale democratie' bij deze notitie te betrekken. Dit voorstel was erop gericht om de samenhang van dit rapport met het vraagstuk over de rechtspositie tot uitdrukking te brengen. In het rapport van de Staatscommissie worden de aard en de functie van het ambt van lokaal- en provinciaal volksvertegenwoordigers besproken en wordt een aantal maatregelen voorgesteld om de controlerende positie van de gemeenteraad en provinciale staten te versterken. Ik ga in deze notitie in op enkele voor de financiële rechtspositie van lokale en provinciale politieke ambtsdragers van belang zijnde overwegingen uit dit rapport.

Nadat ik enkele punten uit het rapport van de Staatscommissie heb besproken en een aantal algemene aspecten van de rechtspositie van politieke ambtsdragers heb geschetst, zal ik nader ingaan op recente ontwikkelingen en discussiepunten, waarbij de relatie met het rapport van de Staatscommissie eveneens aan de orde komt. Recentelijk is op het VNG-congres een motie aangenomen waarin wordt verzocht om voorstellen tot een verhoging van de bezoldiging van met name de wethouders en een verbetering van secundaire voorzieningen voor lokaal bestuurders in het algemeen. In deze notitie zal ik deze punten uitgebreid aan de orde stellen. Ik zal in deze notitie een aantal beleidsmaatregelen noemen die met het oog op de kwaliteit van het lokaal bestuur te overwegen zijn. Ik hoop daarover in overleg te treden met alle betrokken partijen.


2. Algemene uitgangspunten

De Staatscommissie `Dualisme en lokale democratie' heeft op 17 januari een rapport uitgebracht. Inmiddels heb ik de Kamer het kabinetsstandpunt inzake dit rapport toegezonden. In dit standpunt is een visie gegeven op de in het rapport gedane aanbevelingen. In zijn algemeenheid stelt de Staatscommissie voor om de positie van de raad en het college in onderlinge samenhang opnieuw vorm te geven. Concreet betekent dit dat de raad zich minder als (mede) bestuurder en meer als volksvertegenwoordigend en controlerend orgaan moet opstellen. De bevoegdheden van de raad hiervoor zullen worden versterkt. De bestuursbevoegdheden worden geconcentreerd bij het college. Wethouders mogen niet langer raadslid zijn (`ontvlechting').

Met betrekking tot de rechtspositie is de commissie van mening dat er geen grote belemmeringen zijn voor de rekrutering van raadsleden en bestuurders. Uitzondering op dit standpunt van de commissie vormt de bezoldiging van wethouders in kleinere gemeenten. De commissie is van mening dat deze groep parttime ambtsdragers een betrekkelijk lage vergoeding ontvangt. Hierdoor zien volgens de commissie veel gemeenten zich genoodzaakt om door middel van een verhoging van de tijdbestedingsnorm te zorgen dat wethouders voor meer uren bezoldigd kunnen worden. De commissie vindt het dan ook wenselijk de bezoldiging van wethouders in kleinere gemeenten te verbeteren.

De commissie is geen voorstander van uitgroei van het raadslidmaatschap tot een bezoldigde functie, maar hecht sterk aan de praktijk dat raadsleden geworteld zijn in de maatschappij. Door het ontstaan van een groeiende categorie fulltime raadsleden die de nevenfunctie van gemeenteraadslid als hoofdfunctie gingen beschouwen, werd volgens de Staatscommissie de dominante cultuur in veel gemeenteraden steeds detaillistischer en bestuurlijk gericht. De druk op parttime-raadsleden nam als gevolg hiervan nog verder toe. De rekrutering van raadsleden werd volgens de Staatscommissie door dit alles nog eenzijdiger dan zij al was: een `democratie van ambtenaren en leraren'.

Ik hecht evenals de Staatscommissie aan een sterke maatschappelijke worteling van raadsleden, die het beste is gewaarborgd door een hoofdfunctie elders in de maatschappij. Raads- en statenleden zouden meer op hoofdlijnen moeten besturen en niet overgaan tot een bureaucratische werkwijze. Verdergaande professionalisering van het raadslidmaatschap acht ik dan ook niet wenselijk. De gemeenteraad zal zich meer moet richten op haar controlerende en vertegenwoordigende functie dan op bestuurlijke taken. In dit kader wil ik in reactie op de eerder genoemde motie van de VNG opmerken dat verbetering van de rechtspositie van politieke ambtsdragers in eerste instantie niet dient te worden gezocht in het verhogen van de bezoldiging/vergoeding. Wel zou verbetering kunnen worden aangebracht door mogelijke belemmeringen weg te nemen voor (potentiële) kandidaten voor het raads- en statenlidmaatschap. Op deze wijze kan mogelijk ook de door de Staatscommissie geschetste relatief eenzijdige samenstelling van vertegenwoordigende lichamen op lokaal en provinciaal niveau worden tegengegaan. In dit kader is er door de VNG, het IPO en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties nader gekeken naar mogelijkheden voor verbetering van de zogeheten secundaire voorzieningen. Hierbij is de nadruk gelegd op de rechtspositie van gemeenteraadsleden, provinciale-statenleden, wethouders en gedeputeerden. Een aantal van deze voorzieningen zou centraal kunnen worden vastgesteld in plaats van facultatief de mogelijkheid te bieden deze bij verordening te regelen, zoals nu nog is voorzien.


3. Huidige rechtspositie


3.1. Wettelijke regelingen

De regeling van de rechtspositie van genoemde groepen vindt op drie niveaus plaats, te weten de wet, de rechtspositiebesluiten en de verordeningen van gemeenten en provincies. In de Gemeente- en Provinciewet is aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van politieke ambtsdragers moet worden geregeld bij algemene maatregel van bestuur. Sinds 1994 bestaan er voor raads- en commissieleden, wethouders, burgemeesters, staten- en commissieleden, gedeputeerden en commissarissen van de Koningin afzonderlijke rechtspositiebesluiten. In deze besluiten zijn alle voor de rechtspositie van belang zijnde onderwerpen geregeld. Een aantal voorzieningen, zoals de hoogte van de bezoldiging en de verschillende onkostenvergoedingen, zijn in de rechtspositiebesluiten overwegend geregeld in dwingende bepalingen. Voor de secundaire voorzieningen voor raads- en statenleden, zoals bijvoorbeeld een regeling voor kinderopvang, de uitkering bij aftreden en pensioenopbouw, geldt dat gemeenten en provincies zelf de vrijheid hebben om deze voorzieningen te treffen.


3.2. Hoogte van de vergoeding/bezoldiging

In de verschillende regelingen wordt onderscheid gemaakt tussen de leden van het college (het dagelijks bestuur) en de volksvertegenwoordigers zijnde de raads- en statenleden. Het lidmaatschap van gemeenteraad of provinciale staten wordt gezien als een nevenfunctie naast de hoofdfunctie elders in de maatschappij. De vergoeding die raads- en statenleden ontvangen, betreft derhalve geen vergoeding voor verrichte arbeid, maar dient gezien te worden als een compensatie voor mogelijke inkomensderving in de hoofdfunctie. Het ambt van gedeputeerde of wethouder wordt daarentegen gezien als hoofdfunctie. De aan de functie verbonden bezoldiging betreft dan ook een dienovereenkomstige inkomensvoorziening.

Voor de hoogte van de bezoldiging van gemeentebestuurders wordt het inwonertal van de gemeente als uitgangspunt genomen, aangezien de zwaarte van de werkzaamheden voor een groot deel daarmee samenhangt. Bij gemeenten met minder dan 18.000 inwoners geldt dat de wethouders niet fulltime worden bezoldigd. Afhankelijk van het inwonertal van de gemeente is hier een deeltijdfactor van toepassing. Slechts indien de bestuurslast in een gemeente hoger is dan op grond van het inwonertal kan worden verondersteld, kunnen gemeenten verzoeken om een hogere tijdbestedingsnorm of inwonersklasse.

Het inwonertal van de provincies speelt geen rol bij de hoogte van de bezoldiging van de provinciebestuurders: de hoogte is in de rechtspositiebesluiten voor alle provincies gelijk bepaald.

De burgemeesters, wethouders en gedeputeerden volgen de loonontwikkelingen van het rijkspersoneel. De vergoeding voor raads- en statenleden wordt jaarlijks herzien aan de hand van het loonindexcijfer rijkspersoneel van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Ten aanzien van de burgemeesters geldt het uitgangspunt dat zij de arbeidsvoorwaarden van het rijkspersoneel volgen, tenzij er omstandigheden zijn die zich daartegen verzetten.


3.3 Onkostenvergoedingen

Politieke ambtsdragers op lokaal en provinciaal niveau ontvangen naast hun wedde een algemene onkostenvergoeding. De hoogte van deze vergoeding verschilt naar functie en bij gemeentebestuurders naar de omvang van de gemeente. De vergoeding is bedoeld als een tegemoetkoming in de onkosten, waarvan verondersteld wordt dat de ambtsdragers deze gemiddeld in gelijke mate maken. Onder meer met het oog op deze veronderstelling was deze kostenvergoeding vrijgesteld van belastingen. Op grond van per 1 januari 1997 aangescherpte belastingwetgeving kan de vergoeding alleen dan belastingvrij worden verstrekt voorzover deze naar aard en veronderstelde omvang is gespecificeerd en daar tevens - op verzoek van de inspecteur - een steekproefsgewijs onderzoek naar de werkelijk gemaakte kosten aan ten grondslag ligt. Op verzoek van de belastingdienst is in opdracht van de VNG en het IPO een onderzoek verricht naar de werkelijk gemaakte kosten waarvoor de vaste kostenvergoedingen worden toegekend. Het door onderzoeksbureau SGBO uitgevoerde onderzoek heeft plaatsgevonden in de maanden oktober en november 1998 onder burgemeesters, wethouders, raadsleden, commissarissen van de Koningin, gedeputeerden en statenleden. De belangrijkste uitkomst van het onderzoek was dat de gemiddelde feitelijke kosten veelal in overeenstemming waren met de vergoedingen, maar dat er in de uitgaven binnen de onderscheiden kostencategorieën een behoorlijke spreiding was, waardoor het niet mogelijk was homogene groepen van functionarissen die qua kosten vergelijkbaar zijn, te onderscheiden. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek heeft de belastingdienst geconcludeerd dat de huidige vaste kostenvergoedingen in de belastingheffing betrokken worden. In de afsluiting van het SGBO-rapport wordt nog opgemerkt dat er bij de politieke ambtsdragers onduidelijkheden bestaan over de betekenis en invulling van de vaste kostenvergoeding.

Vervolgens zijn deze onderzoeksresultaten voor een deel doorkruist door het arrest van de Hoge Raad van 28 april 1999, nr. 32.727 (BNB1999/281), in verband waarmee een vaste kostenvergoeding bij niet-werknemers - dat zijn in casu alle gekozen bestuurders die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting - niet meer onbelast kan worden verstrekt.

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de VNG en het IPO hebben daarop besloten het systeem van de kostenvergoedingen te gaan aanpassen. Voor de totstandkoming van een andere vergoedingensystematiek is een breed samengestelde werkgroep ingesteld met als opdracht te bezien welke wijzigingen binnen het systeem van kostenvergoedingen gewenst en noodzakelijk zijn. De nieuwe regeling zal gelijktijdig met het nieuwe belastingstelsel (2001) van kracht moeten gaan.

De werkgroep is gevraagd aanbevelingen te doen voor een transparante en controleerbare onkostenregeling die past binnen de fiscale mogelijkheden en die niet leidt tot onevenredige uitvoeringslasten. Inzichtelijkheid wordt onder meer gewaarborgd door administratieve procedures.

De opdracht van de werkgroep betreft het bezien welke wijzigingen binnen het systeem van onkostenvergoedingen gewenst en noodzakelijk zijn en duidelijkheid scheppen over de aard van (vaste) onkostenvergoeding en over de vraag welke onkosten vergoed worden via (algemene) onkostenvergoedingen en voor welke onkosten declaraties kunnen worden ingediend.

Ook dienen de onkostenregelingen te worden bezien in samenhang met de situatie dat door provincie of gemeente voorzieningen rechtstreeks ter beschikking worden gesteld.

Een vereiste was eveneens dat tussen de richtlijnen ten aanzien van de verschillende (politieke) ambtsdragers waar mogelijk congruentie bestaat. In dit kader wil ik verwijzen naar mijn brief van 10 juli jl. (FEZ2000/U76402) aangaande het nieuwe stelsel van voorzieningen voor bewindslieden. In deze voorstellen wordt de volgende lijn van redeneren gevolgd.

Welke voorzieningen worden aangeboden door de organisatie (bedrijfsvoering en bestuurskosten). Welke voorzieningen zijn noodzakelijk voor de uitoefening van het ambt, maar zijn niet rechtstreeks aan te bieden door de organisatie. Kan voor deze voorzieningen nog een onbelaste en/of belaste vergoeding worden aangeboden?

In overleg met betrokkenen zal deze lijn van redeneren die voor bewindslieden wordt gehanteerd eveneens worden uitgewerkt voor alle benoemde en gekozen functionarissen in het openbaar bestuur. Hierbij zal bekeken worden welke voorzieningen rechtstreeks door de organisatie ter beschikking kunnen worden gesteld. Vervolgens zal worden bezien welke kostensoorten resteren waarvoor een vaste kostenvergoeding toegekend zou moeten worden. Dit kan betekenen dat de (basis van de) huidige regeling voor onkostenvergoedingen aangepast zal moeten worden.

De Staatssecretaris van Financiën heeft aan de VNG en het IPO laten weten dat voor de vergoedingen die in 1999 zijn uitgekeerd de bestaande regeling van toepassing blijft. Voor het jaar 2000 is door de staatssecretaris een eenmalige praktische maatregel getroffen welke materieel tot gevolg heeft dat voor betrokkenen de belastingheffing ten opzichte van voorafgaande jaren niet verandert.


3.4 Secundaire rechtspositie

Het onderscheid tussen politieke ambtsdragers waarvan de functie als hoofdfunctie wordt gezien en de ambtsdragers waarvan de functie als nevenfunctie wordt gezien, komt ook tot uitdrukking in de secundaire rechtspositie. Gedeputeerden en wethouders vallen onder de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa). Daarin worden voorzieningen geregeld voor de categorieën politieke ambtsdragers, waarvan de functie wordt gezien als hoofdfunctie ter zake van wachtgeld, arbeidsongeschiktheid, pensioen etc. Burgemeesters en commissarissen van de Koningin vallen overigens niet onder de Appa, maar vallen als benoemde ambtsdragers onder de voorzieningen voor rijksambtenaren. De Appa is van toepassing op direct of indirect gekozen politieke ambtsdragers. Burgemeesters hebben reeds adequate voorzieningen, zoals met name de regelingen van de Stichting Pensioenfonds ABP. Er is dus geen reden om burgemeesters onder de Appa te brengen. Uitkeringen en pensioenen van gedeputeerden en wethouders worden op basis van de Appa geregeld in provinciale en gemeentelijke verordeningen. In de verordeningen kan naar beneden worden afgeweken van de in de Appa genoemde uitkeringspercentages. In de praktijk blijken vrijwel alle gemeenten en provincies een verordening te hebben getroffen, waarin bepalingen in de Appa ongewijzigd van toepassing worden verklaard. De huidige systematiek impliceert echter dat bij aanpassing van de wet in de regel ook de verordeningen aanpassing behoeven.

Het is mede om deze redenen dat IPO en VNG hebben verzocht te bevorderen dat de aanspraken voor wethouders en gedeputeerden rechtstreeks in de Appa worden geregeld. De regering heeft een daartoe strekkend voorstel in voorbereiding. Met rechtstreekse regeling in de Appa zou een einde komen aan de huidige toestand waarin iedere keer na een wijziging van de Appa de daarvan afgeleide verordeningen moeten worden gewijzigd. Dat is een omslachtige procedure die ertoe leidt dat steeds weer in alle provincies en gemeenten dezelfde, vaak uiterst gecompliceerde, technische wijzigingen van de uitkerings- en pensioenverordeningen aan provinciale staten, onderscheidenlijk de gemeenteraad ter besluitvorming worden voorgelegd, waarover zij geen inhoudelijke zeggenschap hebben.

In de Appa wordt ook een voorziening geboden voor het risico van arbeidsongeschiktheid. Omdat politieke ambtsdragers niet worden aangemerkt als «werknemers» vallen zij als «zelfstandigen» tevens onder de WAZ (voorheen onder de AAW). De Appa biedt echter reeds voldoende dekking voor het risico van arbeidsongeschiktheid. Om aan de dubbele arbeidsongeschiktheidsverzekering - en de premiebetaling voor de WAZ - een einde te maken, zijn per 4 februari 2000 ministers en staatssecretarissen, leden van de Tweede Kamer, de Voorzitter van de Eerste Kamer en leden van het Europees Parlement uitgezonderd van de WAZ. Wethouders en gedeputeerden zullen tevens zijn uitgezonderd zodra de Appa direct op hen van toepassing is Stb. 2000, 49.. Als gezegd is een daartoe strekkend wetsvoorstel in voorbereiding.

In dit verband zij voorts nog gewezen op het een wetsvoorstel tot wijziging van de Appa dat bij de Kamer in behandeling is Kamerstukken II, 26 043. . Het voorstel houdt enerzijds in dat de pensioenopbouw in een politieke functie in overeenstemming wordt gebracht met hetgeen gebruikelijk is in pensioenregelingen. Dit voorstel gaat anderzijds gepaard aan de invoering van een regeling van waarde-overdracht en waarde-overname.

Het oordeel van de regering is dat de huidige regeling in de Appa van de verhoogde pensioenopbouw (3,5%) gedurende de eerste vier jaar niet gehandhaafd kan worden en tot het reguliere percentage van 1,75% gebracht dient te worden. In verband met deze verlaging van de pensioenopbouw wordt nog een verhoging van de pensioenopbouw voorgesteld in de periode van het recht op uitkering na aftreden. Tevens is het voornemen het zogenoemde grensbedrag bij samenloop van een Appa-pensioen met een of meer andere overheidspensioenen te schrappen.

Tegenover de reductie van de opbouw tot het reguliere percentage van
1,75% wordt ingevolge het wetsvoorstel als gezegd een regeling geboden voor waarde-overname en waarde-overdracht. Dergelijke voorzieningen zijn voor werknemers ontwikkeld om mogelijk nadeel van de pensioenopbouw als gevolg van wisseling van werkkring weg te nemen dan wel te verminderen. Deze voorziening is nu, ook ingevolge de uitdrukkelijke wens van IPO en VNG, in het voorstel tot wijziging van de Appa opgenomen.

Raads- en statenleden vallen niet onder de Appa, maar gemeenten kunnen bepaalde secundaire voorzieningen bij verordening nader regelen en aanpassen aan de lokale omstandigheden, binnen de grenzen van het desbetreffende rechtspositiebesluit. Dit betreft mede de mogelijkheid van een uitkering bij aftreden als een verzekering waarbij de opbouw van een ouderdomspensioen wordt geregeld en voorzieningen worden getroffen bij invaliditeit en overlijden. Op de secundaire voorzieningen voor raads- en statenleden zal in paragraaf 5 nader worden ingegaan.


4. Overwegingen met betrekking tot wijziging in de rechtspositie

4.1 Rekrutering

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten spreekt haar zorg uit omtrent de rekrutering van politieke ambtsdragers. Hierbij wordt er een relatie gelegd tussen problemen rond rekrutering van geschikte kandidaten en de rechtspositie van ambtsdragers. Ook ik hecht zeer aan de kwaliteit van het openbaar bestuur. De opvattingen omtrent knelpunten bij de rekrutering zijn echter niet eenduidig. De Raad voor het openbaar bestuur (Rob) heeft een advies uitgebracht over het functioneren van de politieke partijen. In dit advies wordt dit vraagstuk door de Raad gerelativeerd. Naar aanleiding daarvan heb ik de politieke partijen uitgenodigd om te reageren op deze stellingname van de Raad. Hierbij heeft de overgrote meerderheid van de partijen niet aangegeven knelpunten te ondervinden bij de rekrutering van geschikte kandidaten.

Binnenkort kan de Tweede Kamer een kabinetsstandpunt naar aanleiding van dit advies tegemoet zien. Naar aanleiding van dit advies heb ik de Rijksuniversiteit Leiden een onderzoek laten verrichten om een nauwkeuriger inzicht te krijgen in het vraagstuk van de rekrutering van politieke ambtsdragers. Dit onderzoek heeft een aantal interessante conclusies opgeleverd voor wat betreft het rekruteringspotentieel van politieke partijen. Deze partijen zouden gerichter kunnen appelleren aan de ambities van met name jongeren in de partij en gebruik maken van de overtuiging van een grote groep leden die zich geschikt achten voor het vervullen van een vertegenwoordigende functie. Het rekruteringsprobleem wordt op deze wijze teruggebracht tot een mobiliseringsprobleem. De resultaten van dit onderzoek zal ik de Tweede Kamer gelijktijdig met genoemd kabinetstandpunt doen toekomen.

De rapportage van de Staatscommissie `Dualisme en lokale democratie' geeft intussen een door het kabinet overgenomen aanbeveling voor de verduidelijking de rol van de gemeenteraad. Realisering van deze voorstellen zal kunnen bijdragen aan de aantrekkelijkheid van het raadslidmaatschap. Het kabinet zal ook om die reden zo spoedig mogelijk de dualisering in vormgeven. Daarnaast is, zo adviseert ook de Staatscommissie, een cultuuromslag nodig en gewenst. Daartoe zal ik eveneens voorstellen doen. Tenslotte zal in de toekomst aandacht nodig blijven voor de participatie van bijzondere groepen in de lokale politiek en de gemeenteraad. Door het aanbieden van een aantal concrete projecten wordt hierbij door het bereiken van een cultuuromslag gepoogd een grotere diversiteit van vertegenwoordigende lichamen te bewerkstelligen. Hierbij verwijs ik tevens naar de beschouwingen hieromtrent in de Meerjarennota Emancipatiebeleid welke onlangs door Staatssecretaris Verstand van Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar de Tweede Kamer is gezonden.


4.2 Hoogte van de bezoldiging/vergoeding voor de werkzaamheden
Wat de hoogte van de primaire bezoldiging en vergoeding betreft, is in het voorgaande reeds aangegeven dat ik van mening ben dat er in dat opzicht geen belemmeringen zijn voor de rekrutering. Ik zie in ieder geval geen redenen om de bedragen - die steeds algemene loon- en prijsontwikkelingen hebben gevolgd - te verhogen. Hieronder zal ik de specifieke overwegingen per groep uiteenzetten.

Wethouders

Met de Staatscommissie ben ik van mening dat de bezoldiging van wethouders op dit moment in het algemeen voldoende is en geen probleem vormt voor de rekrutering. Met betrekking tot de aanbeveling om de bezoldiging van parttime-wethouders in kleinere gemeenten te verhogen merk ik het volgende op. De hoogte van de vergoeding moet naar mijn mening in relatie staan tot de zwaarte van de functie. Aangezien het in kleinere gemeenten om deeltijdfuncties gaat, wordt op de hoogte van de bezoldiging een tijdbestedingsnorm toegepast. Deze tijdbestedingsnorm variëert van 25% tot 70%. Indien er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de bestuurslast in de gemeente afwijkt van de last welke op grond van de gemeentegrootte mag worden verwacht, voorziet het Rechtspositiebesluit wethouders - zoals hiervoor reeds gesteld - in de mogelijkheid om gedeputeerde staten te verzoeken om de tijdbestedingsnorm te verhogen.

Wel realiseer ik mij dat dit niet in alle gevallen een structurele oplossing biedt. Om deze reden kan ik mij zoals reeds eerder aangegeven vinden in het voorstel van de Staatscommissie om de bezoldiging/tijdbestedingsnormen van wethouders in kleine gemeenten te verhogen . Met name het rekruteringsvraagstuk voor wat betreft deze specifieke categorie deeltijdbestuurders speelt hierbij een belangrijke rol. Ik merk hierbij echter wel op dat bij de vaststelling van het Rechtspositiebesluit wethouders in 1994 de fulltime grens voor wethouders nog is verlaagd van gemeenten met 24.000 inwoners naar gemeenten met 18.000 inwoners. In samenhang daarmee is ook de tijdbestedingsnorm in gemeenten met een inwonertal tussen 14.000 en
18.000 inwoners met 10% verhoogd en is in gemeenten tot 14.000 inwoners de tijdbestedingsnorm verhoogd met 5%. Daarnaast zou ik mij kunnen voorstellen deze kleinere gemeenten een grotere vrijheid te geven bij het bepalen van de verdeling van de wettelijk vastgestelde tijdbestedingsnorm van het wethouderschap over het aantal aan te stellen wethouders. Indien gemeenten met minder dan 18.000 inwoners, die maximaal drie wethouders mogen benoemen, ervoor kiezen slechts twee wethouders te benoemen, zouden deze twee wethouders voor een hogere tijdbestedingsnorm in aanmerking moeten kunnen komen. Ik wil over de positie van wethouders in kleine gemeenten graag met de VNG in gesprek treden.

Raads- en statenleden

Voor gemeenteraadsleden en leden van provinciale staten heb ik reeds gesteld dat ik hecht aan een sterke maatschappelijke worteling van deze volksvertegenwoordigers. Verhoging van de vergoedingen zou tot gevolg kunnen hebben dat de leden zich in plaats van minder, juist meer als mede-bestuurder gaan opstellen. De vergoeding van raads- en statenleden dient dan ook niet het karakter te krijgen van een vergoeding voor verrichte arbeid.

Door de Kamer is aandacht gevraagd voor de mogelijke modaliteiten bij wijziging van het aantal leden van provinciale staten. Tijdens het algemeen overleg dat mijn ambtsvoorganger met u op 14 december 1999 over een beperking van de omvang van provinciale staten heeft gevoerd, is reeds aangegeven dat het doel van het voorstel tot verkleining van provinciale staten is om te komen tot een efficiënt provinciaal bestuur Kamerstukken II, 1999/2000, 26 422, nrs. 2-4.. Een wetsvoorstel waarin de vermindering van het aantal leden van provinciale staten wordt uitgewerkt, is in voorbereiding. Provinciale staten kunnen zo komen tot een meer slagvaardige werkwijze en meer sturen op hoofdlijnen. Het effect van verkleining van provinciale staten gaat echter verloren, wanneer dit ertoe zou leiden dat individuele statenleden hun werkzaamheden intensiveren. Verkleining van de omvang van provinciale staten is daarom naar mijn opvatting eveneens geen reden om de vergoedingen voor provinciale statenleden te verhogen.


5. Voorstellen tot verbetering van secundaire voorzieningen in de rechtspositie

Een aantal secundaire voorzieningen in de rechtspositionele sfeer is destijds tot stand gekomen om eventuele nadelige gevolgen die voort kunnen vloeien uit de vervulling van een politieke functie te beperken. Een werknemer uit de private sector verliest bijvoorbeeld veelal niet alleen primaire inkomsten, maar ook een deel van de pensioenopbouw. Dat kan mensen doen aarzelen een kandidatuur voor het raads- of statenlidmaatschap te aanvaarden. Om deze reden bieden de Gemeente- en Provinciewet de mogelijkheid om bepaalde knelpunten in de materiële rechtspositie van raads- en statenleden weg te nemen. Knelpunten, die zich met name voordoen in de grotere gemeenten, hebben vooral betrekking op door raadsleden te maken bijzondere kosten, dan wel extra te treffen financiële voorzieningen als gevolg van het ontbreken van regelingen voor wachtgeld en pensioen alsmede van de mogelijkheid om deel te nemen in een ziektekostenregeling. Op dit moment kan de regeling van deze voorzieningen op grond van het rechtspositiebesluit bij raadsverordening geschieden. Omdat ik van mening ben dat wat de rechtspositionele voorzieningen betreft belemmeringen voor bepaalde groepen om zich kandidaat te stellen voor een vertegenwoordigende functie moeten worden weggenomen, overweeg ik een aantal van deze genoemde voorzieningen verplicht voor te schrijven. Ik ben voornemens daarover met betrokken partijen in overleg te treden.


5.1 Sociale voorzieningen

Door het bekleden van een politieke functie kan men soms minder tijd besteden aan de hoofdfunctie elders in de samenleving. Als gevolg daarvan kan een aantal directe of indirecte financiële nadelen ontstaan. Een aantal sociale voorzieningen draagt er zorg voor dat deze nadelen worden gecompenseerd. Hierbij gaat het om wachtgeldregelingen, ziektekostenverzekeringen en een pensioenvoorziening. Voor wethouders en gedeputeerden is dit in het algemeen voldoende geregeld. Voor raads- en statenleden is dit minder het geval.

Wachtgeld

De Appa geeft samenhangende regelingen ter zake van onder meer wachtgeld, voor wethouders, gedeputeerden en andere fulltime-politici.

Voor raads- en statenleden geven de rechtspositiebesluiten de raad en provinciale staten de mogelijkheid bij verordening een (aanvullende) wachtgeldregeling te treffen voor raads- en statenleden. De uitkering heeft een maximumduur van twee jaar en bedraagt in het eerste jaar maximaal 80% en in het tweede jaar maximaal 70%. De uitkering bij aftreden is bedoeld om binnen de termijn waarin recht op deze uitkering bestaat in plaats van het raads- of statenlidmaatschap een andere nevenfunctie te vinden of de hoofdfunctie uit te breiden.

Deze facultatieve voorziening lijkt naar mijn mening in aanmerking te komen om centraal te regelen. Ik ben er echter geen voorstander van de voorzieningen de Appa van toepassing te verklaren op raads- en statenleden.

Het wachtgeld op grond van de Appa heeft een ander karakter dan de uitkering bij aftreden voor raads- en statenleden. Zo kent de uitkering bij aftreden voor raads- en statenleden in tegenstelling tot het wachtgeld op grond van de Appa een maximumduur van twee jaar. Ik vind het echter ook om meer principiële redenen niet juist om raads- en statenleden onder de Appa te brengen, aangezien de Appa is bedoeld voor fulltime politieke functies en waarvoor dus algemeen geldt dat die niet of niet volledig kunnen worden vervuld naast een volwaardige andere functie in het beroeps- of bedrijfsleven.

Ziektekostenregelingen

De rechtspositiebesluiten voor raads- en statenleden geven de raad en provinciale staten de mogelijkheid een tegemoetkoming in de ziektekosten, waaronder de premie van een verzekering tegen ziektekosten, aan de leden toe te kennen. Voor deze tegemoetkoming is aansluiting gezocht bij een regeling die in bijna alle gemeente geldt, de publiekrechtelijke ziektekostenregeling Instituut Zorgverzekering Ambtenaren Nederland (IZA Nederland). Ik overweeg deze voorziening voor raads- en statenleden verplichtend voor te schrijven.

Ouderdomspensioen en geldelijke voorzieningen bij invaliditeit en overlijden

De rechtspositiebesluiten voor raads- en statenleden bieden het gemeente- en het provinciebestuur de mogelijkheid om, onder andere met particuliere verzekeringsmaatschappijen, een collectieve verzekering af te sluiten, waarbij wordt voorzien in de opbouw van een ouderdomspensioen en in een collectieve invaliditeits- en overlijdensrisicoverzekering. De voorgeschreven systematiek en collectiviteit van deze verzekeringen wordt soms als omslachtig ervaren. Het lijkt wenselijk te komen tot enerzijds de verplichting om een regeling te treffen, maar waarbij anderzijds meer eigen beleidsruimte wordt geboden en de mogelijkheid tot maatwerk toegesneden op de lokale situatie.

Ambtsdragers in een uitkeringssituatie

Tenslotte bestaat er nog een specifiek instrument voor mensen met een WW- of BWOO-uitkering Werkloosheidswet en Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel. waarbij negatieve effecten op de inkomens- of uitkeringspositie een drempel vormen voor de aanvaarding van een politieke functie. De rechtspositiebesluiten voor raads- en statenleden bieden voor deze situatie de mogelijkheid om te bepalen dat de gemeenteraad respectievelijk provinciale staten bij verordening een compensatie kunnen bieden in verband met een eventuele korting op de uitkering ten gevolge van de uitoefening van het raads- of statenlidmaatschap. De korting op deze uitkeringen geschiedt op basis van het aantal uren dat men geacht wordt aan deze functie te besteden. Ook deze facultatieve regeling ter compensatie van een eventuele korting op een WW- of een BWOO-uitkering zou verplicht kunnen worden voorgeschreven om ook mensen met een uitkering in de gelegenheid te stellen een politieke functie te aanvaarden.


5.2 Ondersteuning van raads- en statenleden en het bieden van faciliteiten

De Tweede Kamer heeft voor de ondersteuning van de kamerfracties een interne regeling getroffen (Regeling financiële ondersteuning fracties Tweede Kamer). Voor het beschikbaar stellen van faciliteiten en middelen ten laste van de gemeente of provincie voor de ondersteuning van raads- en statenfracties bestaat geen regeling. Wel is het zo dat in het bedrag van de vaste onkostenvergoeding van raads- en statenleden rekening is gehouden met een bedrag voor fractiekosten. Het lijkt echter niet wenselijk voor raads- en statenleden een algemene regeling te treffen. In de praktijk vindt er in veel gevallen al financiële ondersteuning door de gemeente of provincie plaats of worden er faciliteiten geboden. Deze vorm van ondersteuning is, net als bij de Tweede Kamer, een interne aangelegenheid van de gemeente/provincie die niet door de wetgever dient te worden geregeld.

Ambtelijke ondersteuning

Fractie-ondersteuning moet worden onderscheiden van het wettelijk recht voor raadsleden op adequate ambtelijke ondersteuning zoals voorgesteld door de Staatscommissie. De Staatscommissie merkt hierover op dat in een dualistisch bestuursmodel de ambtelijke ondersteuning door middel van de directe lijn tussen raad en gemeentesecretaris minder vanzelfsprekend is dan thans. Een dergelijke wettelijke waarborg dient er voor te zorgen dat raadsleden hun initiërende en amenderende rol kunnen verstevigen en zo reëel inhoud geven aan hun kaderstellende rol. Daarom is expliciete opname van dit recht in de Gemeentewet aangewezen. De commissie acht het wenselijk dat de burgemeester toeziet op het verstrekken van ambtelijke ondersteuning, hetgeen overigens nog wel een uitvoeringstaak van de gemeentesecretaris blijft. Ik voel veel voor de opvatting van de commissie dat een dergelijke voorziening een belangrijke impuls kan opleveren voor het tot stand brengen van een dualistischer bestuursmodel. In het kabinetsstandpunt op het rapport van de Staatscommissie is op dit punt teruggekomen.

Kinderopvang

Zorgtaken moeten kunnen worden gecombineerd met het uitoefenen van een politieke functie. Eventuele belemmeringen daaromtrent moeten worden weggenomen. Hiertoe is voor raads- en statenleden een tegemoetkoming voor de kosten van kinderopvang in de desbetreffende rechtspositiebesluiten geregeld. De gemeenteraad of provinciale staten kunnen op grond van deze besluiten bij verordening bepalen dat een lid een vergoeding ontvangt. Het valt te overwegen de voorziening voor deze tegemoetkoming in de kosten verplicht voor te schrijven. Een adequate regeling voor kinderopvang kan een belangrijke bijdrage leveren aan de mogelijkheid om een positie in het openbaar bestuur te kunnen aanvaarden. In de eerder genoemde Meerjarennota Emancipatiebeleid van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt op het combineren van arbeid en zorg nader ingegaan.

Scholing en vorming

Wat verdere faciliteiten betreft ben ik van mening dat het volgen van scholing, cursussen en congressen strekt tot verbetering van de invulling van functie en een belangrijke bijdrage kan leveren aan het verhogen van de kwaliteit van het lokaal bestuur. De rechtspositiebesluiten voor raads- en statenleden bepalen dat de raad bij verordening regels kan stellen voor een tegemoetkoming in de kosten voor scholing gericht op de vervulling van het raadslidmaatschap. Daarnaast dragen ook politieke partijen en bijvoorbeeld de VNG zorg voor scholing. Landelijke politieke partijen krijgen hiervoor subsidie op grond van de Wet subsidiering politieke partijen. Scholings- en vormingsactiviteiten vinden plaats vanuit verschillende invalshoeken. Zo biedt bijvoorbeeld ook de VNG opleidingsfaciliteiten aan. Wellicht dat een onderlinge afstemming tot een verbetering zou kunnen leiden. Daarnaast lijkt het raadzaam te bezien of de facultatieve regeling voor de tegemoetkoming in de kosten van scholing in de rechtspositiebesluiten moet worden omgezet in een wettelijke verplichting.


5.3 Voorzieningen voor post-actieve ambtsdragers
Bij brief van 4 november 1999 bent u door mijn ambtsvoorganger geïnformeerd over het afschaffen van de terugkeergaranties voor ambtenaren van artikel 125c van de Ambtenarenwet Kamerstukken II
1999/2000, 26 447, nr. 33.. In artikel 125c Ambtenarenwet is geregeld dat een ambtenaar die een politieke functie in een publiekrechtelijk college bekleedt, waarin hij is verkozen of benoemd, tijdelijk kan worden ontheven van de waarneming van zijn ambt. De relatie werkgever-werknemer behoeft dus in beginsel niet verbroken te worden. De discussie rond het wel of niet afschaffen van deze terugkeergarantie moet mede worden gezien in het licht van de aantrekkelijkheid van het politieke ambt. Belangrijke aandachtspunten bij de beantwoording van de vraag naar het al dan niet schrappen van de formeel wettelijke terugkeerregeling zijn de kwaliteit en het rekruterend vermogen van het openbaar bestuur en het achterblijven van het aantal volksvertegenwoordigers met een achtergrond in de particuliere sector. Aan het vervullen van politieke functies zijn risico's verbonden. De aard van de functie brengt onzekerheid met zich mee waar het betreft de duur dat de functie vervuld kan worden. Aangenomen mag worden dat deze onzekerheden alsmede de inschatting van mogelijkheden om na de politieke functie terug te keren in het reguliere arbeidsproces, betrokken zullen worden bij de individueel te maken afweging, indien men voor een politieke functie wordt gevraagd. Vrij algemeen wordt echter de mening gedeeld dat het niet wenselijk en gerechtvaardigd is om in deze de wettelijke rechtspositie van ambtenaren te laten verschillen van die van personen die werkzaam zijn in de particuliere sector. Maar het lijkt vooralsnog niet haalbaar om terugkeergaranties ook te laten gelden voor personen die werkzaam zijn in de marktsector. Met betrekking tot het achter blijven van het aantal volksvertegenwoordigers met een achtergrond in de particuliere sector onderschrijft de Stichting van de Arbeid (STAR) weliswaar de wenselijkheid van het zoveel mogelijk wegnemen van belemmeringen voor deelname aan het werk van vertegenwoordigende lichamen door personen afkomstig uit de publieke en de private sector, doch men heeft al eerder te kennen gegeven het niet opportuun te vinden om vanuit centraal niveau verdere activiteiten ter zake te ontwikkelen. De STAR zou het willen overlaten aan het overleg op sectoraal niveau.

Aangegeven is reeds dat beroepen als wethouder en gedeputeerde, beroepen zijn met bijzondere risico's. Goed beleid vanuit provincies en gemeenten gericht op een snelle terugkeer in de reguliere arbeidsmarkt zijn hierbij noodzakelijk. Het instrument van outplacement kan hier een belangrijke rol in kan spelen. Na afloop van de ambtstermijn van wethouders en gedeputeerden blijkt het vaak veel tijd en moeite te kosten voordat een voormalig wethouder of gedeputeerde een passende nieuwe werkkring kan vinden. Voor gemeenten en provincies kan dit hoge wachtgeldlasten met zich meebrengen. Voor outplacement van gewezen wethouders heeft de VNG een model-verordening waarmee het college van burgemeester en wethouders outplacementfaciliteiten toekennen. De voormalig wethouder heeft op deze manier betere uitzichten op een andere betrekking, terwijl voor de gemeente de uitkeringskosten beperkt blijven. Ik zou dit beleid willen bevorderen.


6. Tot slot

Ik verwacht dat de in deze notitie genoemde maatregelen daadwerkelijk kunnen bijdragen aan het waarborgen van de kwaliteit van het openbaar bestuur. Zowel wat betreft het vergroten van de toegankelijkheid en de representativiteit van vertegenwoordigende lichamen alsook in de zin van een goede begeleiding na afloop van de politieke carrière. Ik hoop over genoemde beleidsmaatregelen met betrokken partijen in (nader) overleg te treden.

DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES,

K.G. de Vries

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie