Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Dr. E.P. de Jong (CDA) verlaat Eerste Kamer

Datum nieuwsfeit: 15-07-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
CDA


: Eerste Kamer : Nieuws uit de Senaat

Nieuws uit de Senaat Nieuws uit de Senaat
CDA-Eerste Kamerleden CDA-Eerste Kamerleden

Nieuws uit de Senaat

Den Haag, 7 juli 2000

Dr. E.P. de Jong (CDA) verlaat Eerste Kamer

De heer dr. E.P. de Jong is per 15 juli 2000 teruggetreden als lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.
De Jong, die thans nog voorzitter is van de Raad van Bestuur van Gak Groep NV, zal per 17 juli 2000 toetreden tot de Raad van Bestuur van Achmea Holding NV. Gelet op de eisen die de nieuwe positie aan hem stelt, heeft hij besloten zijn lidmaatschap van de Eerste Kamer te beëindigen.
Het besluit is tot stand gekomen na goed overleg met de leiding van de CDA-fractie in de Eerste Kamer.

Voorlichting Eerste Kamer der Staten-Generaal, telefoon 070 31 29 351/355



Den Haag, 27 juni

Herindeling West-Overijssel

Dinsdag heeft in de Eerste Kamer de beraadslaging en stemming over de herindeling West-Overijssel plaatsgevonden.

In het wetsvoorstel zijn zonder meer goede elementen terug te vinden, maar daarnaast zijn er ernstige bedenkingen:
a) de zorgvuldigheid die een wetsvoorstel vereist in zijn argumentatie is niet aanwezig;
b) Avereest dient evenzeer als Ommen en Staphorst zelfstandig te blijven;
c) de herindeling van Noordwest-Overijsssel ligt niet voor de hand op de wijze zoals voorgesteld.

Daarbij heeft het de CDA-fractie een motie voorbereid, waarin de regering verzocht wordt bij komende wetsvoorstellen inzake herindeling zich te beperken tot kleinere, meer homogene gebieden, teneinde een eindafweging mogelijk te maken voor elk van de resterende gemeenten.

Als overweging gold daarbij dat in het onderhavige voorstel het gemeentelijk draagvlak voor bepaalde onderdelen van het voorstel zeer gering is en dat de argumentatie voor verschillende onderdelen in samenhang bezien onvoldoende onderbouwd is en evenmin consistent. De regeringsfracties wensten die overwegingen niet te onderschrijven en om die reden is de motie niet ingediend.
Het moge duidelijk zijn dat ook de CDA-fractie heeft geworsteld bij de afweging tussen de aanvaardbare en de minder goede elementen van het totale wetsvoorstel.
Alles afwegende heeft de CDA-fractie tegen het wetsvoorstel gestemd.
Nadere informatie:
de heer J.J.L. Pastoor, telefoon 06 - 51 23 63 19



23 mei 2000

Beleidsdebat Binnenlandse Zaken

MdV!
We voeren vandaag het laatste beleidsdebat n.a.v. de begrotingen voor het jaar 2000, dat betreffende het binnenlandse bestuur; wellicht symbolisch voor de bijzondere positie van dat ministerie als moeder-departement van alle andere terreinen van binnenlandse politie (in de oude (policey) en in de nieuwe betekenis van dat woord) zoals die in de loop van de vorige eeuw geïnstitutionaliseerd raakten in nieuwe departementen.
Het beleidsdebat biedt de gelegenheid om in meer algemene termen te discussiëren over bredere themas, over de uitgangspunten en veronderstellingen, empirisch en normatief, van het bestuursbeleid. Die algemene themas hebben hun uitwerking in concrete politieke keuzen.

Het binnenlands bestuur: een kostbaar bezit. Een bezit dat naar de visie van onze fractie een een herwaarderingscampagne verdient. Het publieke ambt verdient herwaardering als dienst aan burgers en samenleving.
In de VS organiseren sommige steden z.g. Public Service Recognition Weeks waarin de bijzondere verdiensten van overheidsdienaren uitdrukkelijk worden gememoreerd en waarin onderscheidingen worden uitgedeeld voor community service, incl. onderscheidingen aan politiefunctionarissen die iedere dag weer de straat op gaan en in het uiterste geval hun leven op het spel zetten.

Het denken over het openbaar bestuur blijft een zoektocht naar een optimale vormgeving van structuur en cultuur. De bestuursgeschiedenis overziend blijkt de mens steeds met dezelfde dillemmatische keuzen te worstelen waar het gaat om de inrichting van dat bestuur; tegelijkertijd blijkt die bestuurlijke mens steeds weer zo kort van memorie. In zijn magistrale werk The History of Government neemt de auteur Finer ons mee door 5 millennia bestuursgeschiedenis. Hij laat ons de wisselende en vaak toch zo verrassend overeenkomstige structuurwisselingen zien, en illustreert telkenmale hoezeer de gedeelde cultuur, meer in het bijzonder de bestuurscultuur, doorslaggevend was voor het functioneren. Dan blijkt steeds weer dat structuren vooral hulpmiddelen zijn die de opvattingen over de inhoud dienen te ondersteunen en dat derhalve de opvattingen hier een primaire functie hebben en dienen te hebben.
Het zal de minister dan ook niet verwonderen dat ik vandaag met hem vooral over de centrale waarden van goed bestuur zou willen debatteren.
De vorige bewindsman expliciteerde zijn normatieve oriëntatie in de begrotingstoelichting vanuit een operationalisering van betrokken bestuur in de waarden van effectiviteit, efficiëntie, democratie en rechtsstatelijkheid. Opvallend is dat hij daarbij tevens verwijst naar de groeiende behoefte aan maatschappelijke samenhang (sociale cohesie) als noodzakelijk toetspunt voor het overheidsbeleid, een thema dat in het christen-democratisch gedachtengoed een rode draad vormt. Nu heeft dit kabinet, tot in de troonrede toe, veel van het CDA-gedachtengoed - zij het soms op een wat onnavolgbare wijze, verpakt in vele warme dekens, omarmd. Wij beschouwen dat om te beginnen maar vooral als een compliment aan dat gedachtengoed, maar zullen de bewindslieden uiteraard kritisch volgen bij hun uitwerking daarvan. Zoals gezegd: voor ons is niet in de eerste plaats de discussie over structuren en regels relevant,maar veeleer de politieke en bestuurlijke cultuur. De geïnternaliseerde mos van betrokken bestuurlijke actoren zal uiteindelijk doorslaggevend zijn. Die ethos is de persoonlijke duiding van de centrale waarden van goed bestuur. Zo laat Finer in zijn eerder geciteerde werk zien hoe ten tijde van de Romeinse republiek gravitas, pietas en simplicitas golden als leidende persoonlijke deugden van de politiek-maatschappelijke elite; een mos maiorum die een, in de visie van Finer, in principe onwerkbare constitutie, feitelijk effectief maakte.
Waar centrale waardenaan slijtage onderhevig lijken te zijn - ze worden niet meer benadrukt, ceremonieel onderstreept -, worden ze niet meer beleefd als relevant. Waarden-overdracht kan plaats vinden via uitdrukkelijke instructie: zo zouden in opleidingen en in in-service- trainingen de relevante codes en achterliggende waarden veel systematischer aandacht moeten krijgen, terwijl ze bij formele initiatiesen beëdigingen nog eens plechtig kunnen worden bekrachtigd. Waarden worden vooral effectief overgedragen waar ze eenvoudig worden voor-geleefd door leidende figuren in organisaties. Een herwaardering van het publieke ambt betekent nadrukkelijk aandacht voor een (her)bekrachtiging van de grote betekenis van een dienstbare, integere en op het algemene belang betrokken rolopvatting. De herwaardering van het publieke ambt met verwijzing naar vooral het karakter van dienstbaarheid, vormt dan ook een hoofdthema in onze bijdrage vandaag. Die dienstbaarheid houdt nooit op, ook niet bij de beperkingen die efficiency-overwegingen opleggen; een waarde van goed bestuur die in de afgelopen decennia een dominante rol werd toebedacht soms ten koste van andere waarden als de effectiviteit en rechtstatelijkheid. Een enkel voorbeeld: de dienstbaarheid van de politie - wij waken opdat U kunt slapen - houdt niet op, het vormt als het ware een open en substantiële norm die niet valt weg te reguleren met procedures en efficiency-afspraken. Het mag niet zo zijn dat een burger die een relatief kleine diefstal meldt te horen krijgt: U denkt toch zeker niet dat wij daar achteraan gaan?. Dat is funest voor de legitimiteit van het openbaar bestuur, voor de betrouwbaarheid van het publieke ambt en voor het vertrouwen dat de ambtsdrager dient uit te stralen, zeker waar die een cruciale rol vervult in de realisatie van het geweldsmonopolie van de staat.
We zouden om te beginnen enkele zinnen willen wijden aan de termen waarin in onze tijd wordt gesproken over politiek en bestuur: de bestuurlijke semantiek die zo wel-sprekend is voor de dominante bestuurscultuur.

Bestuurscultuur en bestuurlijke semantiek

In de wetenschappelijke literatuur, en vlijtig gekopieerd in het politieke debat, vinden we waar het gaat om het politiek-bestuurlijke spraakgebruik een verwarrende veelvoud aan termen: er wordt gestuurd, beheerd en beheerst; er wordt beheer gevoerd, beleid gestuurd, er wordt al dan niet beheerst gestuurd, en als het echt menens wordt, MdV, dan wordt er aangestuurd. Het werkwoord aansturen, is een van de politiek meest succesvolle neologismen van de afgelopen decennia. Als dat werkwoord in de mond wordt genomen, dan ziet men als het ware de wolken van daadkracht achter de bestuurlijke actor opstijgen! Voorzitter, semantische veelvoud is naar ons gevoel echter meestal indicatief voor een gevoel van bestuurlijke onmacht en uiteindelijk ook een gebrek aan visie. Een van de terreinen waarop dat frappant wordt geïllustreerd, betreft het spreken in eufemismen ter aanduiding van de als horizontaler ervaren gezagsverhoudingen van deze tijd. Het lijkt een semantiek van de angst voor hiërarchische verhoudingen. Zo wordt op p. 6 van de begrotingstoelichting gesproken over horizontale sturingsverhoudingen. Afhankelijk van de definitie van het begrip sturingis hier wel of niet sprake van een contradictio in terminis. Er wordt in convenanten en afspraken gesproken over bestuurlijke co-productie en partnerschap, over regiefuncties en arbitragefuncties. Alles behalve dat goede oude werkwoord: besturen, want ja, dat betekent: zonodig dwingend richting geven aan bestuurlijk en maatschappelijk handelen! In het algemeen problematiseerde de vorige minister de horizontaliteit in zijn verschillende essays. Zoals dat voor alle dichotomieën geldt: let op de vele tussenvormen die hun eigen ratio en veelal ook hun eigen functionaliteit en derhalve bestaansreden hebben of hadden.
Een enkel voorbeeld (opnieuw uit Finers rijke Fundgrube): het feodalisme: op het oog redelijk verticaal en dus hiërarchisch en monocratisch. In tegendeel: polycratisch met een veelheid van elkaar overlappende verticale en horizontale gezagsrelaties. Vazallen die tevens meester zijn, koningen die tevens vazal van een andere koning waren. Men zou die relaties deels nog als verticaal kunnen definiëren, ware het niet dat ze betrekking hadden op contracten waarin de wederzijdse plichten en rechten (indertijd vooral militair en financieel) waren geregeld met als zwaarwichtig voorbeeld, in de Engelse geschiedenis, de Magna Carta. M.a.w. horizontale relaties, waarin betrokkenen dus over een vergelijkbaar machtspotentieel beschikten en waarbij macht als potentie steeds weer moest worden gerealiseerd, ze zijn van alle tijden.
Erkende wederzijdse afhankelijkheid was en is kenmerk van het Hollandse bestuur, van zijn preferentie voor collegiale bestuursvormen t/m de z.g. poldermodelliaanse contractrelaties. Veelal wordt horizontalisering verbonden met de noodzaak van overleg, van prudente deliberatie en van vertrouwen-wekken. Dat was en is een goede zaak, altijd; de Nederlandse bestuursgeschiedenis staat er bol van. Maar, Voorzitter, vertrouwen is op velerlei wijze te verkrijgen, ook binnen verticale gezagsverhoudingen moet dat vertrouwen steeds weer verdiend worden, bijvoorbeeld door duidelijk te maken waarom je beslist zoals je beslist, door zorgvuldige hoor- en wederhoor procedures en andere principes van behoorlijke bestuurlijke omgang. Dat creëert vertrouwen en een cultuur van betrouwbaar handelen. Belangrijker nog lijkt ons het volgende: vaak werken juist onduidelijke gezagsverhoudingen wantrouwen in de hand, omdat niet expliciet is gemaakt waardoor bestuurders zich uiteindelijk zullen (moeten) laten leiden. Als die verhoudingen helder zijn, kan daarbinnen met grotere vrijheid worden gezocht naar optimale samenwerking dan wanneer partners van elkaar niet weten waar de grenzen van bewegingsvrijheid en machtsmiddelen liggen. Met andere woorden: binnen heldere gezagsverhoudingen is de zoektocht naar redelijkheid in de oordeelsvorming een betere kans gegund, dan wanneer die verhoudingen worden toegedekt met retoriek die uiteindelijk niemand baat.
We vertalen deze analyse naar de noodzaak van juist versterking van de transparantie in termen van bevoegdheden, de daarmee verbonden verantwoordelijkheden en verantwoordingsplicht in de complexe relaties binnen overheden, met overheden op afstand en met maatschappelijke actoren. M.a.w. laat zien waar hier de relatie als verticaal dient te worden geduid. We zien in dat verband uit naar de bespreking van de Kaderwet Zelfstandige Bestuursorganen, en zullen die vooral ook beoordelen in het licht van de gewenste transparantie van de daarin te schetsen bestuurlijke verhoudingen.
De toegenomen veelvoud van naar hun aard verschillende bestuurlijke relaties impliceren veelvoudige veranwoordingsplichten. Met de relatieve nieuwsoortigheid van die relaties, zien we de literatuur t.a.v. de accountability-vraagstukken eveneens toenemen. Versterking van de controlefuncties lijken de toegenomen onzekerheden en onduidelijkheden in die relaties te moeten compenseren. (Volgens sommige auteurs leidt dat tot een audit explosion in de maatschappij van het New Public Management, met haar vervaging tussen private en publieke sector, haar voorkeur voor een horizontalisering van machtsrelaties, haar dominantie van private markt en management opvattingen en daarmee samenvallende ethische opvattingen.) Gegeven de aard van de arrangementen, ik noem de convenanten, de BANS enzovoorts, zijn de partners collectief verantwoordelijk, een verantwoordelijkheid die men verder zou kunnen uitwerken in tenminste drie soorten van verantwoordingsrelaties: tussen partners, tussen iedere partner en het eigen bestuur, en tussen partner en het publiek wier belang zij worden geacht te dienen. De transparantie-vereiste is derhalve direct gerelateerd aan het gegeven dat verscheidene typen partners betrokken zijn, hetgeen het voor de burger extra moeilijk maakt te achterhalen wie er nu verantwoordelijk is. Vraag: kan de minister het eens zijn met de stelling dat eenduidigheid en eenvoud in de vormgeving van bestuurlijke relaties, de transparantie van het bestuurlijk handelen vergroot en daarmee de mogelijkheid van de democratische controle? Hoe denkt hij dat te realiseren in de veelvoud van initiatieven in de relatievorming die thans gaande is? Wordt het überhaupt niet tijd dat men zich wat meer losmaakt van vrijblijvende discussies over een al dan niet verdampende overheid die verdrinkt in een mystieke vijver van netwerk-algen, en kiest voor een heldere positiebepaling van die overheid? Zij is er uiteindelijk om - daartoe gelegitimeerd - te bemiddelen tussen deelbelangen in het licht van een hardop bediscussieerd en gedefinieerd algemeen belang.
De discussie over verantwoordelijkheid moet gevoerd worden met verwijzing naar heldere bevoegdheden, maar dient aangevuld met verantwoordelijkheidsbesef, hetgeen wijst op het serieus nemen van taken en plichten, op het weloverwogen optreden en zich rekenschap geven van de gevolgen van het handelen. Dat brengt me bij de discussie m.b.t. de integriteit in/van het openbaar bestuur.
Bestuurscultuur: integriteitsdiscussie

Vzt. Er is een verschuiving nodig in het denken van - om in Weberiaanse termen te spreken - de dominante, instrumentele doelrationaliteit naar een waarderationaliteit, waarin het handelen uiteindelijk zijn ratio vindt in de bijdrage aan de realisatie van bepaalde waarden. Ontwikkelingen als die naar een audit of ethics in organisaties zou daarvan doordrenkt moeten zijn. Een dergelijke oriëntatie is nodig, ook wanneer men wordt geconfronteerd met het probleem van de verantwoordelijkheidsvraag in organisatorische kontekst, meer in het bijzonder het vraagstuk van de vele handen. De ethiek van de ambtelijke neutraliteit (het beleid, wet of organisatie zijn leidraad voor de ambtenaar) en de ethiek van de structuur (de formele taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn doorslaggevend voor de verantwoordelijkheidvraag en haar ethische componenten) zijn richtinggevend, maar nooit volledig afdoende voor de vraag naar de moraliteit van het handelen. De individuele verantwoordelijkheid, ook in organisatorische kontekst, betekent een keuze tussen veelal botsende loyaliteiten: de loyaliteit aan de bewindspersoon en diens beleid, aan de democratische rechtsstaat, aan de wet, aan de eigen politieke en religieuze overtuigingen, aan de normen verbonden met eigen discipline, enzovoorts. Hoe daartussen te bemiddelen en te bepalen waar de primaire loyaliteit in een gegeven problematische casus dient te liggen?Wat is daarbij kompas? Waar moeten de uiteindelijke rechtvaardigingsgronden worden gevonden? Onze fractie ziet die rechtvaardigingsgronden ook en vooral in deugden als daar zijn rechtschapenheid, eerlijkheid en onomkoopbaarheid, en met verwijzing naar de Thomistische deugdethiek, deugden als prudentie, matigheid, (bestuurlijke) moed en die cruciale deugd van de rechtvaardigheid die overigens ook bescheidenheid impliceert en gedurige inzet t.b.v. de goede zaak. Dan hebben we het dus over mentaliteit, over een geesteshouding, die wordt gevoed door het goede voorbeeld, door discussie en die nooit compleet in regels te vangen zal zijn. Procedurele regels, met overwegend procedurele noties van recht en moraal, kunnen het zicht verminderen op de blijvend noodzakelijk discussie betreffende een substantiële visie op het goede. Natuurlijk: ook het procedurele is een expressie van het substantiële maar nogmaals, ze kan deze nooit volledig omvatten. Het ministerie heeft veel werk verzet om op centrale en decentrale niveaus de integriteitsdiscussie en -codificatie op de agenda te krijgen en te houden. Veel van de tot stand gekomen codes lijken echter vooral betrekking te hebben op een procedurele moraal, de low road of ethics, die de relatief eenduidig te interpreteren gedragsregels aangaande geschenken, nevenfuncties en dergelijke, betreffen. Dat moet goed geregeld zijn en het is goed dat ze er zijn. Ze zouden echter nog meer een eenheid in denken en vooral in achterliggende waarden kunnen weerspiegelen. Èn ze heffen de noodzaak van de discussie over de high road of ethics, de persoonlijke deugdzaamheid in het licht van de dienstbaarheid aan het publieke belang nooit op. Vraag: we zullen graag horen van deze nieuwe minister of hij zich in deze visie kan herkennen en op welke wijzen hij zich daardoor in zijn integriteitsbeleid zou willen laten inspireren. We denken daarbij ook aan de bevordering van de relevante discussie binnen het opleidings- en vormingsbeleid van ambtenaren.

We spraken over loyaliteit en botsende loyaliteiten: loyaliteit staat voor trouw aan het beleid en ook aan de persoon van de minister die dat beleid uitdraagt. Het impliceert dus ook een persoonlijke relatie, en die is dus per definitie tweezijdig. Voorzitter: ook ambtenaren willen zich gedragen weten door de loyaliteit van de politiek verantwoordelijke bestuurder. Dat brengt me bij de klokkeluidersproblematiek. We zijn het eens met de minister: éérst de interne weg, dat is de koninklijke weg. Maar dan? Immers, als het alleen een intern probleem betreft, dan hoeft er - als de interne procedure goed verloopt - geen klok meer geluid te worden. Maar, de bedoeling van klokkeluiden is uiteindelijk dat het buiten de kerk gehoord wordt. Hoe denkt de minister om te gaan met het naar buiten brengen van door klokkeluiders via de interne weg aangegeven ernstige misstanden?
De boodschap èn de boodschapper zijn beide belangrijk. We zien de bepalingen inzake de bescherming van de klokkeluider met belangstelling tegemoet, waarbij we vooral zullen bezien of de bijzondere kenmerken en verantwoordelijkheid van juist het publieke ambt daarin tot hun recht komen.
Art. 125a van de Ambtenarenwet geeft de bekende begrenzingen aan voor de vrijheid van meningsuiting: het mag de goede vervulling van de functie of de goede functionering van de openbare dienst, niet in redelijkheid schaden en er is de geheimhoudingsplicht. Hierin en vervolgens in de bepaling van hoe ernstig de door de verontruste ambtenaar gesignaleerde problemen zijn, zitten onvermijdelijk redelijkheidsbepalingen. Die moeten worden ingevuld en gecodificeerd. Daarin zal de departementale vertrouwenspersoon, de ambtelijke leiding en de Commissie Integriteit Rijksoverheid een belangrijke rol moeten gaan spelen. De onafhankelijke vertrouwenscommissie die de Minister ziet functioneren als laatste etappe in de gang van de klokkeluider, moet haar adviezen aan de minister dan ook openbaar maken en de minister is gehouden bij afwijking van dat advies zijn besluit nader te motiveren. Daar vindt dus een codificatie van oordelen plaats, waarbij het uiteindelijk gaat om de vraag aan de hand van welke bestuursethische maatstaven de beoordeling van de handelswijze van de ambtenaar plaats vindt. Daar vindt de operationalisering plaats van de bekende zinsnede: ...zoals een goed ambtenaar betaamt. Vraag: Aan de hand van welke maatstaven zou de minister de interne vertrouwenspersoon, en de ambtelijke leiding willen zien oordelen? En, in het logisch verlengde daarvan: aan de hand van welke criteria zal de minister straks het functioneren van de vertrouwenslieden en de onafhankelijke commissie willen evalueren?

In het Verslag van de Europese Raad te Tampere, 15 en 16 oktober 1999, (1999-2000, 21 501-20, nr. 98, p.4) wordt gesteld dat op Nederlands initiatief de Europese Raad het belang benadrukt van een integere overheid. Afgesproken is dat er gemeenschappelijke normen op dit terrein ontwikkeld zullen worden.
Vraag: Hoever is dit overleg gevorderd en welke zijn de ambities van de Nederlandse overheid t.a.v. de inhoudelijke invulling van die normen?

Overheidspersoneelsbeleid

Herwaardering van het publieke ambt komt ook en bij uitstek tot uiting in het overheidspersoneelsbeleid We zien alom dat met de publieke taakuitoefening betrokken professies problemen hebben met het aantrekken van goed personeel: agenten, leraren, verpleegkundigen, rechters etc. Dat gaat ten koste van de veiligheid op straat, van leerlingen, onderwijsvernieuwing, etc. Dat gaat uiteindelijk ten koste van de legitimiteit van de staat. Het Ministerie publiceerde onlangs (Staatscourant 7 april) cijfers die erop wijzen dat de overheid steeds meer problemen zal krijgen bij het werven van personeel, waarbij vooral het onderwijs, gemeenten en waterschappen problemen hebben.Het ligt niet aan de hoogte van het salaris, maar wel aan de carrièrekansen die worden geboden en, aldus het geciteerde onderzoek, de inhoud van het werk en de kwaliteit van het management. Opvallend is de brain drain van met name jonge academici naar het bedrijfsleven. We denken dat een extra impuls te verwachten is van een verdere versterking van het imago van het publieke ambt. De baan bij de overheid is iets bijzonders en moet dat blijven. In het algemeen is de geboden inhoudelijke uitdaging van de functies van blijvend belang: haal een deel van de expertise die nu van buiten wordt gehaald weer naar binnen; maak het een integraal onderdeel van de overheidsfunctie. Investeer in de eigen organisatie; dat lijkt ons een hogere prioriteit dan de bijna automatische neiging om de uitdagende vraagstellingen door externen te laten beantwoorden.
Vraag: ook hier zijn we benieuwd naar de visie van de minister.
Openbaar bestuur: bestuurslagen

Voorzitter: gezien het in het politieke debat toenemende belang gehecht aan de boven-lokale bestuursschaal, wil onze fractie vandaag stilstaan bij de provincie.

Vraag: We vragen ons af welke visie de minister heeft op de rol van de provincies; we zouden op dat punt graag wat meer helderheid willen. De ervaren onduidelijkheid t.a.v. de taken en bevoegdheden van de provincie wordt ook geïllustreerd in de velerlei toekomsten die deze bestuurslaag in de openbare discussie door allerlei commentatoren - ook uit de politieke sector - wordt toegewenst: de een doet haar in de uitverkoop als overbodige bestuurslaag (het middenbestuur is immers opgelost in rechtstreekse relaties tussen rijk en vooral de grote steden, Europa is de meest relevante laag, enzovoorts ); anderen vinden juist dat ze meer bevoegdheden moet krijgen, resp. dat ze effectiever van haar bestaande bevoegdheden gebruik zou moeten maken. Voorzitter, het komt ons voor dat hier vooral sprake is van gebrek aan visie bij de centrale overheid, en vooral een normatieve visie: hoe wenst zij de provincie te zien functioneren. In tal van landen met effectieve landsdelige of regionale kontakten met Europa functioneren uitstekende en bestuurlijk effectieve middenbesturen. Het is maar wat men ermee wil, nietwaar? Zo spreekt de minister van Grotestedenbeleid van de noodzaak van een versterking van de regiefunctie op centraal niveau, onder gelijktijdige versterking van de regie op lokaal niveau. Tijdens zijn toespraak b.g.v. de afsluiting van convenanten met 25 steden sprak hij ook over de gevolgen voor de bestuurlijke organisatie en zei o.m. dat de vorming van regionale bestuursvormen onvermijdelijk zal blijken te zijn. Hoe verhoudt zich dat tot tot zijn visie op de rol van provincies en tot de desbetreffende visie van de minister? Voorzitter, dat populaire werkwoord regisseren is fascinerend; het fascineert vooral omdat het in de stukken (van de minister van Grotestedenbeleid, maar ook van minister Peper b.v. in de Bestuursakkoorden Nieuwe Stijl - de BANS), zo vaak wordt gebezigd in combinatie met de noodzaak van de versterking van de integratie- en de arbitragefunctie van provincies.(bijvoorbeeld b.g.v. het Algemeen Overleg van 17 januari jongstleden met de TK waarin hij sprak over een regisserende en arbitrerende rol van provincies die knopen moet doorhakken)
Voorzitter: integreren betekent: het opnemen van bepaalde zaken in een groter geheel, waarbij het resulterende geheel méér is dan een optelsom van de delen. Het gaat hier dan om de vereniging tot een nieuw geheel van mogelijk tegenstrijdige visies en belangen. Integreren is dus méér dan het coördineren van activiteiten; het gaat om de integratie van denkbeelden, beleidsintegratie dus. Dat kan niet zonder dat daartoe een ander normatief referentiekader beschikbaar is aan de hand waarvan men die deelvisies die moeten worden verenigd, weegt en herleidt tot een nieuwe, samenhangende visie. M.a.w. integreren betekent een heldere, politieke visie van de provincie op de materie in kwestie. Èn het betekent dat zij die zonodig dwingend hanteert. M.a.w. de in het werkwoord regisserengesuggereerde respectvolle afstandelijkheid t.o.v. de spelers op het bestuurlijk toneel is naar mijn gevoel weer zon voorbeeld van versluierende retoriek.
Vraag: We vragen de minister dan ook om een heldere omschrijving van de regiefunctie, zodat helder wordt in welke termen we straks mogen debatteren over de provincie!.
Volgens het IPO in haar recente brief aan de Minister besteedt het advies van de Rob over de provincie als het bestuurlijk kraakbeenin zijn aanbevelingen onvoldoende aandacht an het feit dat maatschappelijke vraagstukken op het terrein van b.v. ruimtelijke ordening,
volkshuisvesting, water, mobiliteit en economische ontwikkelingen zich in de praktijk steeds vaker op regionaal niveau manifesteren. Deze ontwikkeling betekent aldus het IPO dat de publieke aanpak daarvan dus ook op dat niveau democratisch moet worden vastgesteld.. (ik citeer) Dit vergt een eigenstandige rol (populair, dat germanisme eigenstandig, na alle klips und klars van de afgelopen jaren) van provincies in de publieke besluitvorming op regionaal niveau, waarbij niet wordt of kan worden volstaan met een coördinerende of arbitrererende rol op vrijwillige basis, maar een rol waarin de eigen verantwoordelijkheid van de provincies voor de aanpak van zaken op regionaal niveau tot uitdrukking komt.
Vraag: welk standpunt wenst de minister hier in te nemen?
De waarde van de democratie
Relatie overheid-burger

Uitgangspunt bij het zoeken naar een optimale vormgeving van het openbaar bestuur blijft de noodzaak van versterking van de legitimatie van het overheidshandelen: de mate van acceptatie van die machtsuitoefening; daar wordt macht tot gezag. We raken daarmee aan de centrale waarde van de democratie. Vandaar het grote belang van de relatie overheid-burger; het gaat uiteindelijk immers om de perceptie van de burger van die overheid. Een van de voordelen van het gegeven dat we een minderhedenbeleid moeten voeren is gelegen in de uitnodiging die dat voor de z.g. meerderheid inhoudt dat deze weer eens herinnerd wordt aan de opdracht tot burgerschap. De relatie overheid-burger, m.i.h.b. de participatie van de burger in de politiek was en is een belangrijk thema, ook voor dit kabinet, in de voorstellen m.b.t. kiesstelsel en in de premissen van de opdracht aan de Cie. Elzinga, die immers ook een relatie veronderstelt tussen de afnemende participatie en de formele structuur van het gemeenterecht. Idem bij eerdere initiatieven voor bestuurlijke veranderingen; steeds speelde de kloof burger-overheid een rol. Het is dus geen overbodige luxe daar wat langer bij stil te staan. Een goede overheid-burger relatie verplicht niet alleen die overheid, dat verplicht ook die burger. (zie definitie van democratie in termen van: vorm van menselijk samenleven, waarbij elk lid als vrij en gerespecteerd mens, de feitelijke mogelijkheid heeft en er ook toe geneigd is (!) om over belangrijke gemeenschappelijke zaken in de samenleving mee te denken, mee te spreken en te beslissen. Democratie is hier dus vooral mentaliteit: het democratisch functioneren van een politieke gemeenschap veronderstelt actieve beleving, dus geen onverschilligheid ook niet waar die uit luxe lijkt te zijn geboren.... veel gaat immers goed. Hoe inspireer je in onze tijden tot nieuw engagement? Dat is de vraag waarvoor we staan. Burgerschap verplicht: In de Memorie van Toelichting (p.6) stelt de minister vast, dat er sprake is van een minder prominente politieke invulling van het burgerschap. Hij constateert verderop (p. 9) dat burgers hun betrokkenheid bij politieke en maatschappelijke besluitvormingsprocessen in toenemende mate op andere manieren vormgeven dan door middel van verkiezingen. Voorzitter, inderdaad vindt politieke participatie ook plaats buiten de deelname aan verkiezingen: in de one-issue bewegingen, dat ook maar zij heeft zich steeds ook voltrokken in processen van inspraak, vertegenwoordigng en mede-bestuur en -beheer:als vertegenwoordiger van een belangengroep, als lid van beheers- en bestuurscommissies (van bibliotheken tot scholen) in toezichtscommissies, als lid van besturen van zelfregulerende organen, als vrijwilliger in brandweer, enzovoorts. Dat grote leger van vrijwilligers dat onbetaald en onverplicht zich inzet voor een veelvoudig geduide staatsgemeenschap. Dat zijn uiterst politiek relevante activiteiten, die wat ons betreft nog veel uitdrukkelijker door de overheid gedragen en gedecoreerd zouden mogen worden. Zij zijn het weefsel van de sociale cohesie, waarnaar ook de minister verwijst.
Het gaat daarbij naast burgerschap als status inderdaad ook om burgerschap als deugd zoals zo helder uitgewerkt in de Rapportage Integratiebeleid Etnische Minderheden 1999, p. 9, (TK, vergaderjaar 1999-2000, 26815, nrs. 1-2, p. 9) Zoals op p. 11 van datzelfde rapport terecht wordt geconstateerd is een kernbegrip bij burgerschap de competentie. ..de bekwaamheid om zelf te participeren en competentie om anderen te laten participeren door het toegankelijk maken van instituties in de civil society zijn belangrijke aspecten van actief burgerschap.
Nu, dat is een goed beginsel geldend voor de politieke integratie van alle ingezetenen als lid van de staatsgemeenschap en verantwoordelijk voor de publieke zaak.
Het CDA wil dat laatste versterkt en bevorderd zien, via opleiding en vorming, meer en uitgesprokener dan nu het geval is, maar ook door de burger zijn verantwoordelijkheid te gunnen, hem die te laten beleven en hem daarin te bevestigen.
In dit betoog zijn we begonnen met de wenselijkheid van een herwaardering van het publieke ambt als publieke dienst: een dienstbaarheid die geldt zowel van de kant van de overheidsdienaar als van de kant van de bediende; dat laatste als vitaal onderdeel van het burgerschap. Die wordt beleefd in vele rollen, niet alleen als kiezer en zeker niet primair als cliënt. In die laatste rol is de burger gedefinieerd door de ambtenaar die te horen kreeg dat hij ondernemend moest zijn, en die daarbij moest vertrekken vanuit de gedachte dat de burger zich allereerst opstelt vanuit diens eigen belang. Door die oriëntatie te benadrukken, voeden we geen staatsburgers op. Er is een dringende noodzaak hernieuwd het accent te leggen op het algemeen belang, als normatief concept. Het begrip algemeen belang heeft een fundamentele betekenis, ook in een puralistische politieke orde. Het algemeen belang is daarbij niet een verzameling van particuliere belangen of een gezamenlijk belang dat door een vereniging van particuliere belangen tot stand zou zijn gekomen, maar een ander soort belang, een belang van een andere orde...de algemeenheid verwijst naar iets collectiefs en de individuele belangen overstijgends; het is een belang waarin allen verenigd worden en dat door allen juist omwille van zijn algemeenheidskarakter moet worden gerespecteerd. Het algemeen belang kan daarom niet tot subjectieve belangen herleid worden (zoals in het Pareto-beginsel waar er een aggregatie van specifieke belangen van wordt gemaakt).
We voeden staatsburgers niet op door een oriëntatie als cliënt te benadrukken: we moeten het accent leggen op de noodzaak zich te oriënteren op het algemene belang, Burger moet leren te denken niet alleen op korte termijn, maar op langere termijn. Burgers opvoeden in de gedachte van mede-bestuurder en mede-verantwoordelijkheid. (daarvan zijn de genoemde maatschappelijke rollen een goede illustratie). Ik citeer graag uit het geïnspireerde en inspirerende artikel van fractiegenoot Van Gennip in Christen-Democratische Verkenning van april jl (p. 48-50): Hij spreekt daar over de eenzijdige inzet voor de demonstratie- en protestpolitiek. Natuurlijk: de profetische getuigenis kan van geweldige betekenis zijn, maar waar onze democratie echt behoefte aan heeft, is niet (alleen) het gemakkelijke protest (en
- zou ik eraan willen toevoegen -de comfortabele giro-overschrijving), maar de aansporing aan jonge, betrokken burgers om in politieke partijen te participeren.en: Hoe kunnen wij de Nederlander, de Europeaan het perspectief bieden van een andere samenleving. een samenleving, die niet verbrokkelt, niet kapot gaat aan gebrek aan betrokkenheid op elkaar, en daarom, nog niet hier, maar wel elders zulke kansen biedt aan extremistische stromingen. Een personalistisch mensbeeld, herstel van de roeping van de sociale, de culturele, de politieke actie, en bovenal het herstel van het begrip algemeen welzijn, het bonum commune, daar gaat het om.

Onze vraag: De burger beleeft politieke en maatschappelijke participatie breder dan de politiek-bestuurlijke elite, wellicht wat narcistisch, graag zou willen zien; men heeft het vaak druk met de beleving van vormen van verantwoordelijkheid voor het publieke belang in de eigen kring. De CDA fractie zou ervoor willen pleiten het beeld van de politieke participatie te completeren door empirisch onderzoek van meer dan alleen de deelname aan verkiezingen. Ligt hier niet een opdracht voor de onderzoeksinstituten, voor de adviesorganen van de overheid, met name de WRR, de ROB, het SCP, teneinde ons beeld van de politieke participatie van burgers - met name op lokaal niveau - te verbreden en daardoor completer te maken?
Wat denkt de Minister in dit verband te gaan doen met de analyse en de aanbevelingen van de Raad voor het Openbaar Bestuur aangaande de relatie tussen jongeren en de overheid, Staat van de Jeugd? Wie de jeugd heeft heeft immers de toekomst.

Politieke partijen

Politieke participatie is dus een breed maatschappelijk fenomeen. Daarbinnen blijven politieke partijen een cruciale functie vervullen als intermediaire structuur tussen overheid en burger. Politieke partijen lijken van afnemende betekenis - afgemeten aan het ledental. Feitelijk echter wordt hun positie juist crucialer, gegeven de de noodzakelijke versterking van hun z.g. platformfunctie: de integratie van de vele mineure en majeure issues waarom heen zich tijdelijke en minder tijdelijke organisaties vormen. Aldus vervullen politieke partijen een vitale rol in een parlementaire democratie bij de integrale afweging van gerechtvaardigde deelbelangen en de omsmeding daarvan tot het algemeen belang.
Tevens hebben politieke partijen een cruciale betekenis voor de recrutering van hen die dat kostbare openbare bestuur gestalte moeten gaan geven; opnieuw: we kunnen sleutelen wat we willen aan structuren en procedures, maar het zijn de mensen die het moeten doen. Opnieuw: de vitale betekenis van politieke en bestuurlijke cultuur en dus de noodzaak van vorming en opleiding in al zijn facetten van de toekomstige bekleders van publieke ambten. Politieke partijen zijn uit dien hoofde dan ook kweekvijvers van bestuurders en volksvertegenwoordigers.
Er is een grote impuls nodig in het debat inzake de rol van de politieke partijen. Daarvoor zijn uiteraard de politieke partijen zelf, als verenigingen van burgers, eerstverantwoordelijk: zij zijn verantwoordelijk voor een duidelijk en inspirerend beginselprogramma vertaald in aansprekende en motiverende stellingnamen. Zij zijn de eerstverantwoordelijken voor de vergroting van de politieke participatie via lidmaatschappen van hun verenigingen. Tegelijk vinden wij dat volksvertegenwoordigers en fracties beter in staat moeten worden gesteld om zich een goed beeld te vormen van de verschillende gerechtvaardigde belangen van burgers en hun instellingen, en in staat moeten zijn om met een eigen visie toekomstgerichte afwegingen te maken. We stellen vast dat de verhouding tussen de toerusting van het openbaar bestuur enerzijds en van fracties en politieke partijen en hun gelieerde instellingen anderzijds, te onevenwichtig is geworden. Fracties en partijen moeten zich op alle overheidsniveaus intensiever en breder kunnen inzetten voor een open en modern georganiseerde communicatie met burgers, terwijl ook de controlerende taak van de volksvertegenwoordiging om een betere ondersteuning vraagt. Wij pleiten daarom voor een ruimere facilitering van politieke partijen als organisaties van burgers en van de aan partijen gelieerde instellingen. Overheden zouden daartoe ook zelf meer financiële middelen ter beschikking dienen te stellen, juist in het licht van de noodzaak van een versterking van (de beleving van) het burgerschap.
Politieke partijen ontmoeten historisch gezien nieuwe verschijningsvormen van ad hoc politieke participatie, die ze alleen kunnen pareren met meer deskundigheid, tijd en dus personeel, en dus financiën. De ontwikkelingen nodigen uit tot een brede discussie over politieke partijen, de plaats die overheden en andere groepen in de samenleving partijen gunnen, en de wijze waarop zij die politieke partijen willen dragen in hun voor de democratie zo vitale betekenis. Ook zij vormen bij uitstek een onderdeel van het maatschappelijk weefsel dat het burgerschap draagt. Als we deze belangrijke platformfunctie van de politieke partijen willen erkennen, en er zijn eenvoudig nog weinig alternatieven, dan is voortgaande ondersteuning vanuit maatschappij en overheid nodig.
Vraag: We zouden er bij de minister op willen aandringen te bezien in hoeverre die impuls mede zou gedragen kunnen worden door een - eventueel tijdelijke - financiële impuls door vergroting van de geoormerkte subsidies (die momenteel ca. 15% uitmaken van de partijbegrotingen) naar een hoger bedrag.

En daarmee, Voorzitter, wil ik mijn bijdrage aan de eerste termijn van dit debat graag afsluiten en zie de antwoorden van de minister met bijzonder veel belangstelling tegemoet.

M.L. Bemelmans-Videc


Wet Inkomstenbelasting 2001

Op dinsdag 10 mei 2000 in de Eerste Kamer behandeld door CDA-Senator W.F.C. Stevens

I. INLEIDING


1. Van Pierson tot Zalm

Het was Minister van Financiën Pierson, die ruim een eeuw geleden de gedachte van een fictieve rendementsheffing voor het eerst introduceerde.

Dat was in een tijd, dat de belastingheffing nog niet zo zeer werd gebruikt als een instrument ter bevordering van maatschappelijk gewenst gedrag en nog geen ontwikkeling had doorgemaakt waarin de drang naar een evenwichtige en rechtvaardige belastingdruk een prominente rol speelde.

Thans, in een tijd waarin rechtvaardige belastingdruk centraal staat en die zich bij uitstek leent om de rechtspositie van de burger tot in details te regelen, grijpt de regering terug naar dit paardemiddel dat een van de dragende pijlers is van het nieuwe systeem. Het kan verkeren!

De CDA fractie wil het debat voeren op hoofdpunten en aandacht geven aan:

a. de plaats van deze ingrijpende wetswijziging in de context van hervormingspogingen in de afgelopen 15 jaar;

b. een korte analyse van wat nu werkelijk nieuw is en wat blijft;
c. toetsing van het eindproduct aan de door de regering zelf gekozen uitgangspunten;

d. een contourenschets voor de toekomst;

e. en tenslotte een toetsing van het wetsvoorstel aan de drie Os van Ongelijke behandeling, Overkill en 0vergangsrecht.
f. Enkele capita selekta

Speciale aandacht voor een aantal zeer serieuze knelpunten, die wij in de voorstellen hebben geïdentificeerd.


2. Geschiedenis belastinghervorming


a. vijf belastinghervorming commissies zijn in de 20ste eeuw aan het werk geweest (1937 Commissie Bodenhausen, 1947 Commissie Van den Berge, 1955 Commissie Hofstra, 1986 Cie Oort en 1991 Cie Stevens (daarna werd het stil tot de Verkenning van Zalm/Vermeend werd gepubliceerd eind 1997).


b. Cie Oort 1986

vereenvoudiging centraal, gericht op tariefstructuur;

lange eerste schijf (één tarief voor 80% belastingplichtigen);

samenvoeging belastingen en premies v.v.;

tariefschijven van 9 naar 3 (40/55/65%)

budgettair neutraal.


c. Cie Stevens 1991

vereenvoudiging centraal;

lange eerste schijf (v.v. premies in eerste schijf);

tarief van 3 naar 2 schijven (33 en 55%);

dankzij een heffingskorting;

één loonbegrip voor LB en werknemersverzekeringen;

budgettair neutraal.

Opvallend is dat de hervormingspogingen zich telkens hebben geconcentreerd op de belasting component. Dit is merkwaardig. De eerste schijf bestaat voor circa 4/5 uit premies v.v. en slechts voor 1/5 uit belasting! De premies v.v. en daarmee ook het Ministerie van Sociale Zaken zijn altijd buiten schot gebleven.

Nederland heeft daarmee een van de laagste IB tarieven in de eerste schijf in Europa.

Na Oort ontstond grote zorg op Financiën dat de premies de belastingcomponent in de eerste schijf geheel zouden verdringen. Die angst is geweken, maar de prijs is een compensatie van de fondsen uit de belastingopbrengst: een eerste stap op weg naar fiscalisering.

Een tweede fenomeen uit deze periode is de angst voor echte vereenvoudiging door het loonbegrip van LB en werknemersverzekeringen van te harmoniseren. Eén loonbegrip is voor de burger en het bedrijfsleven een grote stap op weg naar meer vereenvoudiging en minder administratieve lasten. Eén rechtsgang en op termijn één afdracht en één inningsinstantie. Een droom? Het onderwerp was lange tijd taboe, ook voor de hervormers als Zalm en Vermeend.

Maar ziet, ook hier breekt de zon door. De Cie. de Boer heeft recent aanbevelingen gedaan om de harmonisatie te realiseren. Thans ontvangt deze gedachte een positief onthaal bij de nieuwe minister van Sociale Zaken. Wellicht dat deze, belangrijke, stap met vergaande consequenties voor de rol van overheid en uitvoeringsinstanties zijn beslag gaat krijgen.

De conclusie van dit al is dat de hervormingen op belasting en premie gebied een lange incubatietijd nodig hebben en een positieve politieke en /maatschappelijke grondhouding.

Hiermee stuiten wij dan wellicht op het meest merkwaardige fenomeen van deze hervorming. Er was geen enkele interesse laat staan lobby (uit welke hoek dan ook) om tot grote hervormingen over te gaan toen de bewindslieden Zalm en Vermeend aan hun Verkenning begonnen.

Dat deze Verkenning op zon korte termijn (lees: korte incubatieperiode) toch tot concrete ingrijpende wetgeving heeft geleid, is voor een belangrijk deel te danken aan een drietal factoren:

het nieuwe eeuw gevoel

de politieke weerzin tegen het gebruik van allerlei constructies t.a.v. sparen en beleggen

en niet in de laatste plaats aan de inzet van de bewindslieden die op hun eigen wijze een sense of urgency hebben weten te creëren.

Bovendien zijn zij daar onconventioneel mee omgegaan door enkele nieuwe elementen in de belastingheffing te introduceren, die tot dan ondenkbaar waren. De introductie van analytische elementen en de introductie van een fictieve rendementsheffing.

Ook al zijn de wijzigingen uiteindelijk (op het geheel van het belastbaar bedrag) niet zo ingrijpend, toch is deze operatie belangrijk omdat zij een ingrijpende omwenteling in het fiscaal denken teweeg heeft gebracht (los van in het verleden platgetreden paden).

Dit maakt de geesten rijp voor aanpassingen die in Europa vroeg of laat nodig zijn. Ook al zou dit de VRH de kop kosten, deze heeft dan toch gediend als interim oplossing om tot een meer op Europa afgestemde heffingssystematiek te komen.

II. WAT IS NIEUW?


1. Een synthetisch systeem met analytisch elementen (boxen)
2. Geen verrekening van verliezen tussen de boxen.
3. Fictief rendement voor sparen en beleggen VRH- fiscale belasting producten vallen weg.

4. Beperkte verschuiving van direct naar indirect.
5. Twee grote aftrekposten (vrije som en AKF) vervallen in ruil voor heffingskorting en arbeidskorting.

6. Beperkte grondslagverbreding (iets minder aftrekposten in ruil voor tariefverlaging (inruil operatie):

a. rente op 2e woning, verhuurde panden en effecten;
b. consumptief krediet;

c. lijfrente premies.

III. WAT BLIJFT?


1. Box I blijft de grootste doos, (waarom een engelse term?), waarin geen principiële wijziging optreedt.

2. En de twee grootste aftrekposten blijven in tact, hypotheekrente en pensioenpremies (deze vallen nu onder monumentenzorg!).
IV KWALITEIT VAN DE WIJZIGING


1. Niet zo ingrijpend qua impact: circa 95% van het nationaal belastbaar inkomen blijft in eerste schijf (daar verandert niets)).
2. Wel een andere aanpak van sparen en beleggen, maar met gering budgettair resultaat.

3. Geen hervorming van de sociale verzekeringen 80% eerste schijf bestaat uit pvv!!

4. Geen harmonisatie loonbegrip voor LB en werknemersverzekeringen.
5. Wel haaks op ontwikkelingen in Europa (met name VRH).
6. Analytische aanpak niet onbekend in EU, maar zeker niet universeel (Cie Oort anekdote).

V. TOETSING AAN UITGANGSPUNTEN WETSVOORSTEL

Belangrijkste uitgangspunten:


1. Verlaging lastendruk op arbeid.
Ja, maar ten koste van hogere indirecte belastingen (incl. milieuheffingen) die met name aan de onderkant hard aankomen.

2. Robuustheid
Ja, door BTW te verhogen. Door de ongrijpbaarheid van het internet komt deze conclusie echter op losse schroeven. Minister Zalm in Nijenrode. Wellicht blijkt thans de LB (95% in Box I) een robuustere heffing, zeker als de aftrekposten steeds verder beperkt worden.

3. Evenwichtige en rechtvaardige belastingdruk Hier past op zijn best een genuanceerde reactie: arbeid zwaarder belasten dan vermogen, geen verliesverrekening tussen boxen, geen bijzondere tarieven, geen aftrekbare kosten van verwerving.

4. Vereenvoudiging
Hier past een moment van stilte. De vereenvoudiging als richtsnoer is definitief ten grave gedragen.

VI. CONTOUREN VOOR DE TOEKOMST


a. Fiscalisering is ingezet (tekort sociale verzekeringen wordt aangezuiverd uit de belastingen).

b. De weg is uitgezet naar één tarief (tot voor kort ondenkbaar) motie TK.

c. De weg is uitgezet naar één loonbegrip voor LB en werknemersverzekeringen.

d. Met erkenning van de robuustheid van de LB en de opmaat naar één tarief en één loonbegrip komt de loonsomheffing binnen handbereik!
e. Dan zal de vereenvoudiging weer zijn plaats terug winnen als belangrijke driver voor hervorming.

VII. TOETSING AAN DE 3 OS

Alvorens met de inhoudelijke aanpak te beginnen, wil ik de bewindslieden bedanken voor de open opstelling naar de Kamer.

De Minister gaf de voorzet door tijdens het vooroverleg met de Vaste Commissie Financiën ongevraagd de onverwachte schoonheid (althans mogelijkheden) van de Veegwet te memoreren.

De komst van de Staatssecretaris naar de Vaste Commissie financiën was een positief signaal dat zich vertaalde in een handreiking in de NAVV:

Het bijzondere karakter van het wetgevingsproces laat enige ruimte om onderwerpen die naar voren komen in de EK, ook aan de orde te stellen in de TK.

Wij stellen dat op prijs, omdat onze fractie deze belastinghervorming niet ziet als een prestige project, maar als een project van nationaal belang.

Dit is een reden te meer om de knelpunten, die inmiddels kamerbreed zijn gesignaleerd in deze plenaire behandeling alle aandacht te geven.

De CDA fractie heeft bij schriftelijke inbreng de lijn gekozen de wetsvoorstellen mede te toetsen aan de volgende drie criteria:

ongelijke behandeling

overkill

overgangsrecht

Wij trekken deze lijn door in de plenaire behandeling Wij zouden daar nog een vierde O aan toe willen voegen: de O van Onrust.

Het blijkt dat de wetsvoorstellen groeiende onrust oproepen bij diverse groepen belastingplichtigen maar ook bij het bedrijfsleven en uitvoeringsinstanties.

In het oog springen daarbij onderwerpen als:


a. de meesleep en meetrekregeling

b. de afschaffing van eerbiedigende werking van bepaalde lijfrentepolissen

c. de groenfondsen

d. de invoeringsproblematiek

e. de pensioengat situatie.

Daar waar deze onrust grote proporties aanneemt, is het van belang de oorzaken te analyseren en waar mogelijk passende oplossingen aan te dragen.

De CDA fractie meent dat dit wetsvoorstel het niveau van prestigeobject is ontstegen en inmiddels de status van nationaal project heeft bereikt, waarbij een zo breed mogelijk gedragen aanpak van knelpunten gewenst, zelfs noodzakelijk is.

Wij willen van onze kant daar graag een positieve bijdrage aan leveren.

VIII. TOETSING ONGELIJKE BEHANDELING

Wij hebben moeten constateren dat het wetsvoorstel op een aantal punten op gespannen voet staat met het beginsel van gelijke behandeling.

Dit komt prominent in beeld bij onderwerpen zoals:

fiscale behandeling van pensioen en lijfrente verzekeringen

de meesleepregeling

Het heeft ons betreurd dat wij op deze problematiek tot heden een weinig positieve reactie hebben ontvangen van de bewindslieden.

Het beginsel van gelijke behandeling heeft zich een plaats verworven in de jurisprudentie en zal zeker een rol spelen, wanneer de nieuwe wetgeving door de rechter zal worden getoetst in de toekomst.


1. Oudedagsvoorziening

Met name m.b.t. de oudedagsvoorzieningen zien wij duidelijk een anomalie.

Indien men in principe geen verschil wil tussen de tweede en derde pijler dan moet men ook niet toelaten, dat in de 2e pijler een pensioen van 70% reeds op 60 jarige leeftijd kan worden gehaald en in de derde pijler niet.

Dit betekent dat met name kwetsbare groepen (zoals kleine zelfstandigen) geen aanvullende oudedagsvoorziening kunnen opbouwen om eerder met pensioen te gaan, terwijl dit in de tweede pijler wel mogelijk is.

Dat oprekking van de derde pijler t.k.v. de tweede pijler zou moeten gaan is in strijd met de Wet fiscale behandeling pensioen die per 1 juni 1999 is aangenomen.

In de Nota n.a.v. het Verslag (52) erkennen de bewindslieden dat een ieder in staat moet worden gesteld fiscaal gefacilieerd een goede oudedagsvoorziening bij elkaar te sparen, waarbij hetgeen in de tweede pijler gebruikelijk is, de maatstaf vormt.

Het komt ons voor dat daaronder ook valt de mogelijkheid om in 35 jaar een oudedagsvoorziening op te bouwen van 70% van het laatste salaris, ingaande op 60 jaar.

Bij de Wet fiscale behandeling is immers vastgesteld dat dit maatschappelijk (dus in de tweede pijler) gebruikelijk is.

De bewindslieden geven aan (52) dat verdergaande flexibiliteit en individualisering niet gepaard hoeft te gaan met verhoging van de collectieve pensioenlasten. Aangezien flexibiliteit en individualisering ook toeslaan bij de derde pijler generatie, zou het dan toch voor de hand liggen de faciliteit (60 jaar) gelijkwaardig door te trekken!

Dit in de wetenschap dat de collectieve steun in de vorm van de pensioenconvenant en de budgettaire neutraliteit altijd kan worden doorgetrokken naar de derde pijler (al was het maar op basis van het gelijkheidsbeginsel!).

Is hier niet sprake van koudwatervrees die geneutraliseerd en beheerst kan worden, zoals aangegeven?
Gaarne de reactie van de bewindslieden.


2. Meesleepregeling

Een tweede onderwerp waarbij het gelijkheidsbeginsel prominent aan de orde komt is de meesleepregeling. Kamerbreed zijn in deze Kamer grote twijfels geuit over deze bepaling. Ook onze collegas van de VVD hebben op dit punt fundamenteel stelling genomen.

Wij zijn de bewindslieden erkentelijk dat zij vanuit hun eigen positie de ruimte creëren om zich in deze kwestie kwetsbaar op te stellen (een benadering die wij van Financiën tot op heden nog niet kenden), maar die de bewindslieden siert.

Wij willen van onze kant ook gaarne een positieve bijdrage leveren aan deze discussie in de hoop dat de door alle partijen gewenste constructieve gedachtewisseling in dit huis zal leiden tot een herbezinning op dit fenomeen, zodat deze kwestie opnieuw kan worden geëvalueerd in de TK.

Daar is ook alle aanleiding toe. Het is immers zo dat deze regeling eerst bij de 4e Nota van Wijziging op het allerlaatste moment is toegevoegd, zonder dat de TK (laat staan de RS) de tijd c.q. de gelegenheid heeft gehad de consequenties van deze aanpak op zijn merites te evalueren.

Bovendien veroorzaakt deze bepaling onevenredig veel onrust bij het bedrijfsleven met name het MKB.

A. Principiële problemen

a. de aanpak past niet in het systeem van de wet (t.b.s. van bedrijfsmiddelen past in box III; dat is het logisch gevolg van het gekozen systeem.

b. er wordt de facto een vermogenswinstbelasting ingevoerd in strijd met het dragende beginsel van de VRH en dan alleen nog voor één groep.
c. de fiscale neutraliteit komt in het gedrang.
d. strijd met het gelijkheidsbeginsel waarvoor geen rechtvaarding bestaat.

B. Praktische problemen


a. de calculerende burger slaat terug door alleen incourante c.q. kosten generende objecten ter beschikking te stellen aan de eigen BV;
b. starters en familiebedrijven worden het slachtoffer, doordat onherroepelijk minder zachte financiering ter beschikking komt vanuit de familiekring (men zal eerder kiezen voor box III en leasing dan voor box I);

c. in de uitvoeringsfeer komen grote problemen omdat alle ter beschikking gestelde activa opnieuw getaxeerd zullen moeten worden met alle onzekerheden en procedures van dien. Ik verwijs naar het antwoord op mijn vraag aan de Minister van Justitie over de WOZ en de achterstanden bij de gerechtshoven;

d. er komt gegarandeerd een grote hoeveelheid jurisprudentie over het gelijkheidsbeginsel; de onzekerheid die daarvan uitgaat hangt jaren boven de markt en zal ten kosten gaan van bedrijfsfinanciering van het MKB en voor starters;

e. emotionele overweging: het regeringsstandpunt wordt algemeen gezien als ondernemersvijandig en overkill.

C. Reactie van de bewindslieden

De keuze voor de regeling wordt als volgt verdedigd: (21):


a. het uitschakelen van ontgaanscontructies waarbij inkomsten worden getransformeerd in vermogenswinsten (deze uitholling is aanleiding voor gehele herziening);

b. daarom benadering langs de weg van de winstsystematiek (de oplossing van de VVD: uitschakeling van de risicofactor in de rente, compliceert nog verder zowel op wettelijk als op uitvoeringsvlak);
c. de winstsystematiek is ook nodig uit hoofde van voorkoming van misbruik (turbovorderingen). Daarom zijn vorderingen van de AB houden op de eigen BV onder de werking van het AB regime gebracht per 1/1/1997;

d. geen inbreuk, maar herstel van de fiscale neutraliteit (t.o.v. de IB-ondernemer)

e. voorkoming van een nagenoeg onbeheersbaar arbitrageproces.
Wij zijn de bewindslieden erkentelijk voor hun aanzet om van dit punt een discussie ten gronde te willen voeren (21-23).

De leden van de CDA fractie willen ook van hun kant gaarne een positieve bijdrage leveren aan de discussie:

Zij doen dit vanuit 2 invalshoeken:

a. overkill moet worden voorkomen.

b. misbruik moet worden voorkomen.

De waarborg tegen misbruik moet niet verward worden met een stellingname tegen arbitrage.

Het ligt in de natuur der zaken dat men zal proberen te arbitreren. De calculerende burger bestaat, de calculerende overheid ook (bijv. door meer nadruk te leggen op robuuste heffingen).

Het gaat er echter om dat de mogelijkheid tot arbitrage niet overwoekerd wordt door of verandert in misbruik of oneigenlijk gebruik.

Zolang men accepteert dat een ondernemer het recht heeft een rechtsvorm te kiezen die fiscaal anders wordt behandeld (zoals de BV), zullen er verschillen zijn met de zelfstandige IB ondernemer. Daar is niets mis mee, zolang er op armslength wordt gehandeld tussen aandeelhouder en vennootschap. Deze eis ligt reeds verankerd in het systeem van de wet en de jurisprudentie.

Of men kiest voor totale neutraliteit (BV wordt fiscaal transparant) of men kiest voor de normale behandeling van de gekozen rechtsvorm.

De bewindslieden durven kennelijke de eerste keuze nog niet aan en lokken daarmee in feit arbitrage uit. Het gevolg is een compromis waarbij omwille van de tariefkwestie is gekozen voor een gekunstelde, complexe en daardoor moeilijk uitvoerbare regeling, die ondernemers onvriendelijk overkomt.

D. Alternatief CDA-fractie

De CDA fractie geeft sterk de voorkeur aan heffing in Box III net zoals de VVD fractie. De leden van de CDA fractie hebben daarom overwogen of er wellicht nog een alternatief is.

Deze leden denken aan een meer evenwichtige en minder complexe regeling, waarbij enerzijds meer nadruk komt te liggen op een tariefsmatig evenwicht tussen aftrek bij de vennootschap tegen 35% en belastingheffing bij degene die het vermogen ter beschikking stelt en anderzijds het overkill element van de vermogenswinstbelasting tegen het progressieve tarief wordt geëlimineerd.

Daarbij wordt dan recht gedaan aan de vrees voor arbitrage die zou kunnen ontstaan indien de totale belastingheffing bij de ontvanger te laag is. Men zou dit verder kunnen beteugelen door te bepalen dat op een eenmaal gemaakte keuze niet mag worden teruggekomen

De CDA-fractie denkt aan de mogelijkheid om de netto inkomsten (exclusief vermogenswinsten) uit het ter beschikking gestelde vermogen te belasten naar het tarief van Box I, met dien verstande dat de winst bij vervreemding wordt belast in Box III, tenzij in dat jaar Box I een hoger bedrag aan belasting oplevert.

Dit betekent in de praktijk dat de huur van het bedrijfspand na aftrek operationele kosten progressief wordt belast (de huur is aftrekbaar in de BV tegen 35%). Het doel is dat de vermogenswinst valt buiten box I en dat het winstregime daarop niet van toepassing is. Dit komt er op neer dat in geval van verkoop de heffing in Box III prevaleert.

Een belangrijk bijkomende voordeel is, dat per 1/1/2001 geen taxatie hoeft plaats te vinden voor de step-up.

Wij merken nadrukkelijk op, dat een dergelijke aanpak niet op voorhand leidt tot een lagere belastingdruk bij aanmerkelijk-belanghouders, nu in de door de regering voorgestelde regeling onderhoudskosten, rentelasten, waardedalingen, en dergelijke aftrekbaar zijn tegen het tarief van box I.

Een dergelijke oplossing is eenvoudig, sluit tariefsarbitrage ter zake van de inkomsten uit (35% aftrek bij de vennootschap tegen 52% belastingheffing bij de aanmerkelijk-belanghouder) en doet ook ten minste gedeeltelijk recht aan het feit gelijkheidsbeginsel terzake van verhuurde (ter beschikking gestelde bedrijfsmiddelen), ongeacht door wie. Daarmee wordt ook de ernstige weeffout van de verkapte vermogenswinstbelasting tegen het progressieve tarief geëlimineerd

Men zal tegen kunnen werpen dat dit in strijd is met de box benadering. Naar de letter genomen misschien wel, maar naar de geest zeker niet. Inbreuken ten goede zijn toegestaan (2,5% aftrek in Box I voor de groenfondsen!!). De thans voorgestelde vermogenswinstbelasting in Box I (in geval van verkoop van het bedrijfsmiddel) is ook in strijd met de gekozen systematiek.

De CDA fractie doet dit tussenvoorstel vanuit de instelling dat de belastingwetgeving een positieve uitstraling moet hebben naar het MKB en de starters, rekeninghoudend met de zorgen van het kabinet, met name voor arbitrage.

Door deze oplossing zullen MKB en starters niet althans verstoken blijven van financiering vanuit de familiekring, op zich een belangrijke motor in MKB land en behoudt de DGA de mogelijkheid het aan de BV verhuurd pand mede te gebruiken in het kader van zijn oudedagsvoorziening.

IX. TOETSING OVERKILL

Een tweede toetsteen is het element van overkill. Wetgeving die dit soort betiteling uitlokt verdient nadere bezinning.

In onze schriftelijke bijdrage hebben wij een vrij groot aantal gevallen geïdentificeerd waarbij elementen van overkill zijn te constateren:

Ik roep in herinnering (in willekeurige volgorde):
1. Dividend stripping

2. Sur. Tax

3. Groenfondsen

4. Begrip uiteindelijke gerechtigde voor de dividendbelasting
5. Materiele fusie eis (Leur/Bloem)

6. verlies bij aanmerkelijk belang

7. Afschaffing bijzonder tarief

8. Afschaffing aftrekbare kosten van verwerving
9. Landbouwvrijstelling
10. Meetrekregeling
11. Sommige bepalingen m.b.t. verzekeringen
12. Man / vrouw firma

Een groot aantal van deze punten raakt het bedrijfsleven, met name het MKB en dit is zorgelijk.

Het doet ons genoegen op een aantal punten het begin van een tegemoetkomende benadering van de zijde van het kabinet te mogen constateren, althans een bereidheid hierover om van gedachten te wisselen met de Eerste Kamer!

Ik doel op met name op:

verlies aanmerkelijk belang

meetrekregeling

dividend stripping

Kunnen de bewindslieden aangeven wat de stand van zaken is in het overleg met de banken over dividend stripping?

Des te minder begrijpen wij waarom de bewindslieden zo krampachtig vasthouden aan hun standpunt inzake de materiele fusie eis (Leur-Bloem). Het zal ongetwijfeld leiden tot nieuwe jurisprudentie met tegelijkertijd jaren van onzekerheid voor de praktijk.

Hierna wil ik de belangrijkste knelpunten nogmaals in kaart brengen. Op de eigen woning en de groenfondsen kom ik apart terug.


1. Bijzondere tarieven

Van speciaal belang is de discussie over de bijzondere tarieven. Opnieuw een onderwerp, dat het bedrijfsleven (MKB) raakt. Het betreft hier met name de bijzondere tarieven bij staking en overlijden. Ook de andere fracties vragen aandacht voor dit punt (met name de VVD).

Het Kabinet rechtvaardigt de afschaffing mede met een beroep op overleg met het bedrijfsleven (extra middelen beter aan te wenden voor regelingen gericht op het voortbestaan en de versterking van het ondernemerschap).

Zo zeer als het op de weg ligt van het bedrijfsleven om op de komen voor versterking van het ondernemerschap ligt het op de weg van het Kabinet op te komen voor de zwakkere ondernemer. Deze worden de dupe van de afschaffing van de bijzondere tarieven.

Zoals reeds eerder gesteld is het op zich al onredelijk de stille reserve als gevolg van inflatoire waardestijging volledig te belasten tegen max. 52%.

De bewindslieden hebben een tegemoetkoming voorgesteld bij staking voor de oudere werknemer (in de magere vorm van een betalingsregeling).

Voorts noemen zij bij staking de doorschuiffaciliteit, de stakingslijfrente, de middelingsregeling en de 60%-waardering van de bedrijfswoning waarin de achtergebleven partner blijft wonen.

Deze faciliteiten kunnen een tegemoetkoming bieden maar dit hoeft niet (afhankelijk van de omstandigheden).

Hoe zouden de bewindslieden staan tegenover de gedachte een bijzonder tarief voor staking en overlijden in te voeren van bijvoorbeeld 30%, waarop alleen een beroep kan worden gedaan als de andere faciliteiten niet of niet volledig (kunnen) worden gebruikt? Het budgettaire belang van een dergelijke benadering is waarschijnlijk gering, het is eenvoudig te hanteren, het vormt geen inbreuk op het systeem (aannemende dat de bewindslieden zich niet willen beroepen op vereenvoudiging).


2. Verliesverrekening aanmerkelijke belang

De CDA fractie heeft in het voorlopig verslag reeds opgemaakt dat zij het een onbevredende uitkomst vinden dat AB verliezen niet kunnen worden verrekend met de IB uit Box0 I via een tax credit systeem (motie Schutte).

De bewindslieden menen, dat dit in strijd is met het boxen systeem. Wij brengen daar tegen in:

a. de bewindslieden merkten tijdens de TK behandeling op dat het nieuwe stelsel kwalificeert als een synthetisch stelsel met analytische elementen (TK 1999-2000, 26 727, nr. 7);
b. verliesverrekening via een tax credit systeem staat volledig los van een analytisch systeem, dat immers alleen bestaat uit een aparte grondslag en een apart tarief. Tax credit vindt plaats op een hoger niveau, nl. de belastingschuld;

c. bovendien hebben de bewindslieden zelf een deel van de grondslag van Box II naar Box I verhuisd (meesleepregeling) zonder zich te storen aan de strikte scheiding der boxen.

De CDA fractie meent, dat er mitsdien geen technische bezwaren zijn. Haar positie is in lijn met de collegas van de PvdA en VVD fractie Zij ondersteunen de gedachte dat een mogelijkheid wordt gecreëerd een verlies uit AB bij het einde van het AB (en dus het einde van Box II) te verrekenen via een belastingkorting met de belasting over het inkomen uit Box I en waarom ook niet box III). Wij merken wel op dat dit meer dan 1x per leven kan plaatsvinden! Wij onderstrepen dat daarmee geen belastingbesparende constructies mogen worden gecreëerd of dat daarvan oneigenlijk gebruik kan worden gemaakt en dat onbedoelde precedent werking moet worden voorkomen.


3. Meetrekregeling

Ook deze regeling toont element van overkill. Het betreft hier met name de omvang van de groep van familieleden, die op grond van deze regeling als gelieerde personen worden aangemerkt. De groep is zo breed gedefinieerd, dat er binnen deze groep veelal geen sprake zal zijn van samenwerking.

Het kabinet wil over de spanning die deze brede vangnet definitie oproept met de kamer debatteren. In het verslag heeft de CDA fractie een voorzet gedaan. Wij menen dat tenminste de familiegroep in art.
5.4.1.2.a feitelijk moet worden gelijk getrokken met de vergelijkbare regeling in 3.4.1.2. door het schrappen van de duurzaam gescheiden levende echtgenoot.

Wij menen dat de volgende stap dan zou moeten zijn dat ook de omschrijving in het AB regime (4.3.1. en 4.3.5) aangepast moeten worden.

Is het niet mogelijk dat te realiseren zonder in voorkomende gevallen het positieve belang voor de fiscale begeleiding van echtscheiding van AB houders te verliezen? (kabinet stelt: de keuze voor het formeel begrip echtgenoot, en de duurzaam gescheiden levende echtgenoot, een voortzetting is van de huidige AB regeling en speelt een rol bij de doorschuiffaciliteiten voor verkrijging krachtens het vermogensrecht).

Wij zien de reacties van de bewindslieden gaarne tegemoet.

X. TOETSING OVERGANGSRECHT

Het is de bewindslieden bekend dat deze leden zwaar hechten aan begrippen als terugwerkende kracht eerbiedigende werking en nakoming van toezeggingen.
Het is de plicht van deze Kamer om wetsvoorstellen te toetsen met name op doelmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid.

1. Waarde toezegging

De voorgestelde afschaffing van de aftrek premies van lijfrente polissen (pre-BH) was aanleiding voor de CDA fractie de waarde van de toezegging en de eerbiedigende werking aan de orde te stellen.

De bewindslieden wijzen in hun antwoord op een driedeling:


a. toezeggingen met een algemeen beleidsmatig of politiek karakter (die i.h.a. betrekking hebben op nog in de toekomst te nemen politieke besluitvorming;


b. een concrete toezegging, die de Staatssecretaris kan doen als medewetgever over in behandeling zijnde wetsvoorstellen; dit betreft meestal uitleg of nadere uitwerking van voorgestelde maatregelen en kan een rechtsvindingsfactor zijn voor de rechtelijke macht;

c. specifieke toezeggingen over de invoering van voorgestelde maatregelen in bepaalde specifieke gevallen (meestal in de vorm van concrete instructies aan de Belastingdienst waaraan belastingplichtigen vertrouwen kunnen ontlenen over de toepassing van de wet in dergelijke gevallen.

Wat er ook zij van deze onderverdeling, de bewindslieden stellen, dat een toezegging de wet niet te veranderen nooit een juridische strekking kan hebben.

Dat is hier echter niet aan de orde. Terzake van de afschaffing van de aftrek lijfrentepremies (pre-BH) is uitsluitend sprake van het nakomen van een toezegging t.z.v. eerbiedigende werking voor bestaande contracten.

Het nakomen van dergelijke toezeggingen laat onverlet het recht van het Kabinet de wet te wijzigen. In zon wijziging kan het handhaven van een toegezegde eerbiedigende werking zeer wel passen. In feite gebeurde dit ook bij de Brede Herwaardering in eerste ronde.


2. Eerbiedigende werking lijfrentepolissen (pre-BH)
Het nakomen van een toezegging klemt des te meer in dit speciale geval omdat de toezegging t.z.v. lijfrentepremies (van vóór Brede Herwaardering) dermate positief en zonder voorbehoud is gesteld, dat de burgers daaraan het vertrouwen mochten ontlenen, dat de fiscale afwikkeling van zon contract zo worden geëerbiedigd ongeacht de vraag of de wet later nog eens zou worden gewijzigd (de toezegging vond immers plaats in het kader van een wetswijziging!!).

De reactie van de bewindslieden raakt niet deze vierde variant. Wij vragen hun visie (en vernemen gaarne of, en zo ja, welke instructies destijds zijn uitgegaan naar de Belastingdienst over de fiscale behandeling van deze polissen.

Dit klemt temeer nu er te elfder uur een opinie is verschenen van de hand van Loyens Loeff die in onvoorwaardelijke termen aangeeft dat:
a. het standpunt van het kabinet in strijd is met het vertrouwens / gelijkheidsbeginsel;

b. de verwachting gerechtigd is dat de Belastingrechter een beroep op het vertrouwensbeginsel zal honoreren.

Dit is een nieuw feit, dat in de Tweede Kamer en tot op heden in deze Kamer niet mede in de overwegingen betrokken is geweest.

Het staat wel vast dat deze kwestie zal worden uitgevochten in rechten (al zou het maar zijn bij wijze van proefproces).

Dit betekent, dat de budgettaire opbrengst van de afschaffing in feite ter discussie staat.

De bewindslieden hebben te kennen gegeven niet op hun stellingname te willen terugkomen, mede uit budgettaire overwegingen.

Zou het ter voorkoming van procedures en onduidelijkheid en continue discussie over de betrouwbaarheid van de overheid niet mogelijk zijn op een andere inventieve wijze een stap voorwaarts te zetten in deze impasse.

Wij denken hier aan de mogelijkheid van het kabinet de Hoge Raad te vragen een (niet bindend) advies uit te brengen over de rechtsvraag in hoeverre toezeggingen over eerbiedigende werking van lopende contracten kunnen worden ingetrokken door latere nieuwe wetgeving, geabstraheerd van deze casus. Dit geeft op korte termijn een belangrijke indicatie en kan wellicht behulpzaam zijn een lange periode van rechtsonzekerheid te voorkomen.

XI. EIGEN WONING

Terzake van de eigen woning heeft de CDA fractie aandacht gevraagd voor een drietal knelpunten die inbreuk maken op de uitgangspunten in het Regeerakkoord óm de bestaande fiscale behandeling van de eigen woning voort te zetten.

onderhoudskosten, of verbeteringskosten gefinancierd met vreemd vermogen

bijgeleende rente over de periode t/m 31/12/2000

verlies volledige aftrek bij verhuizing.


1. Onderhoudsschulden

De bewindslieden bevestigen dat in de toekomst rente op leningen (hypothecair of niet) i.v.m. onderhoud en verbetering aftrekbaar blijft, mits gestaafd met schriftelijke bewijzen. Voor leningen die uiterlijk op 31 december 2000 zijn aangegaan, geldt dus geen bonnetjes bewaarplicht.

Vervolgens stellen de bewindslieden echter de voorwaarde dat deze leningen door de belastingdienst als zodanig zijn geaccepteerd. Deze acceptatie-eis blijkt echter in strijd met de huidige wet, die deze acceptatievoorwaarden niet stelt.

Ter voorkoming van onduidelijkheden en verschil in behandeling verzoeken wij daarom te bepalen bij wijze van uitvoeringsmaatregel, dat al deze aan de eigen woning toerekenbare schulden (voor onderhoud en verbetering) per 31/12/2000 geacht worden schulden te zijn die zijn aangegaan ter verwerving van de woning (zodat de rente dus integraal aftrekbaar is).


2. Bijgeleende rente periode 1/1/96 t/m 31/12/2000
Vanaf 1 januari 2001 kan de zgn. bijgeleende rente 1 niet meer in aftrek worden gebracht in Box I.

In art. 3.6.11. lid 8 van de Wet IB 2001 is namelijk een generieke bepaling opgenomen op grond waarvan op 31/12/95 bestaande hypothecaire schulden zonder nader bewijs worden aangemerkt als te zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning. De rente op deze schulden is geheel aftrekbaar, ongeacht de kwalificatie van de rente.

Deze bepaling ziet echter niet op bijgeleende rente d.m.v. een niet hypothecaire schuld.

Op basis van de huidige wet is een bijleenrenteschuld een schuld die volledig is toe te rekenen aan de eigen woning en wordt de bijleenrente gekwalificeerd als aftrekbare kostenrente.

Bijleenrente
Het Besluit van 7 juni 1987 / 3 mei 1998 ziet op bepaalde met name genoemde hypotheekvormen.

Waar het om gaat is het volgende.

Rente over een bijleenrenteschuld t.z.v. de eigen woning is zonder meer aftrekbaar. Dit is ook zo aangegeven in het Besluit van 11 mei 1998 (vraag A.15) en het Besluit van 14 april 1999.

M.b.t. de hier bedoelde rente geldt geen beperking m.b.t. de leenvorm (hypothecaire lening of andere leningvorm) en ook geen beperking m.b.t. de jaren waarop dit betrekking heeft (vóór of na 1996).

Het zou niet correct zijn deze bijleenrenteschuld m.i.v. 1/1/2001 in Box III te plaatsen.

Wij stellen dan ook voor te bepalen dat de hiervoor bedoelde bijleenrenteschuld (evenals de onderhouds/verbeteringsschulden) die per 31.12.2000 aanwezig zijn te betitelen als verwervingsschulden, bij wijze van uitvoeringsmaatregel.


3. Verlies volledige rente aftrek bij verhuizing
Art. 3.6.11 lid 8 wet IB 2001 stelt als voorwaarde dat de hypothecaire lening nog steeds betrekking dient te hebben op dezelfde woning om volledig aftrekbaar te zijn ongeacht de kwalificatie. Op grond van het Besluit van 7/6/87 moet echter bij verhuizing naar een andere woning hernieuwd gekeken moet worden naar de omvang van het geleende bedrag dat direct verband houdt met aankoop, onderhoud of verbetering van de eigen woning.
Bij verhuizing en oversluiting van de hypotheek treden i.h.a. geen complicaties op. Bij bijleen hypotheken is het echter niet altijd mogelijk of wenselijk de lopende lening af te lossen en een nieuwe lening af te sluiten.

In die gevallen zal de lopende lening in stand blijven en gekoppeld worden aan de nieuwe eigen woning, waardoor het t/m 31/12/95 bijgeleende bedrag niet meer onder de bescherming van art. 3.6.11. lid 8 valt.

De CDA fractie verzoekt de bewindslieden in deze bijzondere gevallen bij wijze van uitvoeringsmaatregel te bepalen, dat deze bijleenschulden niet worden uitgesloten van de bescherming van art.
3.6.11. lid 8.

XII. GROEN BELEGGEN

Een enkel landelijk dagblad mag gemeld hebben dat de staatssecretaris de burger in belangrijke mate is tegemoet gekomen, deze gedachte leeft zeker niet bij degenen die het dichtst betrokken zijn bij het groen beleggen

De voorstellen van de Staatssecretaris komen er op neer dat bij wijze van overgangsrecht de zittende houders van groen beleggen worden vrijgewaard van de VRH boven het maximum. Voorts wordt een nieuwe aftrekpost gecreëerd van 2,5% in Box 1. Geldt dit ook voor de huidige beleggers?

(NB het creëren van een boxvreemde aftrekpost in Box I geeft aan dat het Kabinet bereid is minder star te denken als het er op aankomt knelpunten op te lossen. Dit is winst, ook voor de discussie in dit huis!)

De kernvraag die resteert is echter: hebben de groenfondsen toekomst? Voor het groen beleggen wordt budgettair jaarlijks 75 mln. ingeruimd. Dit correspondeert met een totaal investeringsbedrag in groene projecten van NLG 3 miljard (de overheid rekent zelf met een belastingderving van 2,5%).

Groeipatroon
Van deze investeringsomvang van NLG 3 miljard is echter reeds 2,7% miljard ingevuld. Dus rest de groenfondsen nog slecht NLG 300 miljoen uitzettingsruimte, die naar verwachting binnen een half jaar zal zijn opgesoupeerd.

De groenfondsen pleiten voor een investeringsniveau van NLG 750 miljoen per jaar, hetgeen zou leiden tot een permanente kern van NLG 6 miljard. Dit correspondeert met een jaarlijks beslag van NLG 150 miljoen in de toekomst.

In de groene beleggingswereld heerst de gedachte dat een jaarlijkse groei van het budgettair beslag met NLG 25 miljoen tot een maximum NLG 150 miljoen correspondeert met dit initiatief.

Kunnen de bewindslieden aangeven of zij bereid zijn een dergelijk groeipatroon in het kabinet te bepleiten?

Maximum van NLG 100.004,--
De groenfondsen hebben een nadeel omdat zij binnen het maximum van NLG 100.004 moeten concurreren met andere categorieën maatschappelijke beleggingen die veelal een hoger rendement hebben (zoals Agaath en kapitaalverzekeringen voor studiekosten kinderen) en daardoor groen beleggers zullen verdringen.

Een oplossing zou kunnen zijn een splitsing aan te brengen in de categorie maatschappelijk beleggen, en wel enerzijds de maatschappelijk gerichte beleggingen (groen, ethisch / de weinig renderende kant) en anderzijds de meer ondernemersgerichte kant (film, Agaath), die redelijk renderen.
Wat is de visie van de bewindslieden?

XIII. VRIJWILLIGERSWERK

De CDA fractie heeft speciale aandacht gevraagd voor de fiscale faciliering van het vrijwilligerswerk.
Is het wetsvoorstel vooral afgestemd op een gericht arbeidsmarktbeleid, de CDA fractie meent dat ook nadrukkelijk rekening moet worden gehouden met de betekenis van onbetaalde zorg, opvoeding, mantelzorg en vrijwilligerswerk.

De CDA fractie heeft daarom verzocht de huidige belastingvrije vergoeding van NLG 1470 op te trekken tot NLG 2000 per jaar.

De bewindslieden zijn echter bezorgd dat een aanmerkelijke verhoging niet aan de orde kan zijn, omdat dan genieters van inkomsten uit arbeid een deel van hun beloning als kostenvergoeding willen aanmerken met een beroep op het gelijkheidsbeginsel en omdat dan het verband met de algemeen te maken maar ongetoetste kosten wordt losgelaten.

Het is bekend dat deze reserves bij vorige kabinetten niet bestonden. Waar het AKF tot onrealistische hoogte wordt opgevoerd, waardoor iedere band met reële algemeen te maken kosten werd verlaten (de jurisprudentie over de verhogingen van het AKF is bekend).

Wij wijzen er voorts op dat een dergelijke reserve kennelijk minder wordt gevoeld bijv. bij de 35% regeling!

Het komt ons echter voor dat het mogelijk moet zijn een hoger forfaitair bedrag als belastingvrije kostenvergoeding te realiseren, bijv. door het extra deel te bestempelen als een belastingvrije incentive ter bevordering van vrijwilligerswerk.

Voor een kabinet dat een extra boxvreemde aftrekpost kan creëren voor groen beleggen, dat cvs in films en zeeschepen bevordert en dat ethisch beleggen aantrekkelijk wil maken, zou het toch mogelijk moeten zijn een inventieve voor vrijwilligerswerk te realiseren die zich bijv. vertaalt in een hogere onbelaste kostenvergoeding, mits voorzien van een duidelijke afbakeningsgrenzen en van voldoende waarborgen tegen oneigenlijk gebruik.

De CDA fractie zou graag van de bewindslieden vernemen of zij bereid zijn bij het kabinet ten principale een fiscale tegemoetkoming voor het vrijwilligerswerk te bepleiten. Er speelt hier geen of slechts gering budgettair belang omdat de betalende instellingen zelf lang niet altijd Vpb-plichtig zijn.

XIV. INVOERING EN UITVOERING

I. Invoering

De leden van de CDA fractie wensen hun zorg uit te spreken over de problemen die zij voorzien met betrekking tot de invoering van de nieuwe wetgeving.

Wij constateren dat er nog een vier nieuwe wetsvoorstellen dit jaar zullen worden ingediend met het oog op de belastingherziening terwijl er nog twee in de TK aanhangig zijn.

Voorts moet nog een groot aantal onderwerpen worden meegenomen en uitgevoerd in het Wetsvoorstel technische aanpassingen (op dit moment 12).

De neerslag van de discussie in dit huis tot op heden geeft reeds aan dat deze lijst zal worden uitgebreid wellicht met nog meer inhoudelijke knelpunten.

Van alle departementen, maar ook van het bedrijfsleven en de overheidssector zullen de komende maanden grote inspanningen worden gevraagd. Er zal extra moeten worden geïnvesteerd in adequate voorlichting en assistentie

Wij zouden gaarne vernemen in detail wat de stand van zaken is welke tijdschemas zijn gesteld tav aanpassing van computerprogrammas bij het bedrijfsleven en ander overheidsinstanties (provincies en gemeenten daaronder begrepen) en hoe de haalbaarheid daarvan wordt ingeschat.


2. Uitvoering

In het kader van de uitvoering hebben wij kennis genomen van een schrijven van het Verbond van Verzekeraars aan de staatssecretaris
d.d. 27 april 2000 betreffende een aantal belangrijke uitvoeringsaspecten.

Het stoort ons dat wij in deze discussie worden betrokken. Deze uitvoeringsaspecten regarderen immers in eerste instantie het verkeer tussen Financiën en de verzekeringsmaatschappijen.

Indien deze reactie echter als een noodkreet moet worden geïnterpreteerd dan ligt dit anders, temeer omdat het een test case kan zijn hoe Financiën met de uitvoering omgaat.

Indien de stellingname in de brief juist is en het toegezegde overleg met het veld praktisch stil ligt, is er kennelijk iets anders aan de hand.

Wij verzoeken daarom de Staatssecretaris om opheldering, specifiek t.a.v. de knelpunten in de brief genoemd en meer in het algemeen ten aanzien van vergelijkbare vertragingen die wellicht spelen in andere overlegsituaties met andere uitvoeringsinstanties.

Wij brengen in dit verband in herinnering hoe moeizaam en traag de uitvoering van een simpele toezegging door Staatssecretaris Vermeend tav kapitaalverzekeringen met pensioenclausule is verlopen en dat dit slechts na herhaald rappelleren dezerzijds tot actie heeft geleid.

Voorzitter,
tot zover onze bijdrage in de eerste termijn. Wij zien met belangstelling de reactie van de bewindslieden tegemoet (eventueel schriftelijk). Afhankelijk daarvan zullen wij overwegen een of meer moties in te dienen om onze zienswijze te onderstrepen.



Begroting Defensie 2000

op dinsdag 11 april 2000 behandeld door het CDA - J. van Gennip

Inbreng

Veiligheid in de 21e eeuw.

Deze zomer is het tien jaar geleden, dat Irak Koeweit binnenviel. De eerste grote test na 1989, of agressie loonde en dus uiteindelijk niemand meer veilig was. De eerste grote test ook voor een wereldorde, waarin e e n supermogendheid het voor het zeggen had, en de eerste oorlog, die real time gevolgd kon worden op de televisie. Hoe groot was de schok voor de klassieke diplomaten in die stilste week van het jaar, op de grens van juli en augustus, die week, waarin de ene overgebleven dienstdoende minister de hele dag brieven naar zichzelf zat te schrijven, maar dan in onderscheiden verantwoordelijkheden, en waarin wij, s ochtends op de rand van ons bed, een uur voor de ministersstaf kijkend naar CNN een voorsprong toegeworpen kregen van tenminste 24 uur op de normale diplomatieke telegrammen, wij e n alle geïnteresseerde burgers.
Tien jaren, waarin de militairen en politici hun monopolie verloren van tijdsvoorsprong in informatievoorziening, waarin Rusland, toen nog twaalf maanden SU, als wereldmacht ineenschrompelde, tien jaren vooral, waarin de casualty want bij de nieuwe tijden horen nieuwe woorden, zoals we weten, een gezicht kreeg, en vanuit krijgsgevangenschap rechtstreeks, real time, tot het thuisfront sprak, vanuit Bagdad of vijf jaar later met hun kettingen in Bosnië tien jaren, waarin het Westen zijn superioriteit bevestigde niet met beter getrainde mannen of vrouwen maar met een volstrekt discongruente inzet van technologie, met een ogenschijnlijk risicoloze inzet tegenover tienduizenden, die nu onder woestijnzand of puinhopen liggen. Tien jaren geschiedenis is niet veel

Toch zijn het maar tien jaren, die de nieuwe defensienota vooruitkijkt, en dat is het nou, wat ons wat tegenvalt. Het is goed de lessen te trekken van die afgelopen tien jaren. En dan zijn het de lessen van die Golfoorlog, van Cambodja, van Bosnië en nog niet eens die van Kosovo. Dat tekent daarbij tezelfdertijd ook de grenzen: inzet op snel inzetbare, technologisch hoogwaardige, maar beperkt bemande eenheden; andere grenzen: de onwaarschijnlijkheid van inzet, waar het misschien vanuit dat humaniteitsprincipe het hardst nodig is: het Grote Merengebied, Sierra Leone. Daar zo is de teneur van de Defensie-nota moeten anderen eerst hun verantwoordelijkheid nemen, want tot de lessen behoort ook het echec in Somalië. Alles wijst erop dat zich ook in de komende jaren crises zullen voordoen, die om een vredesmacht zullen vragen, zegt de nota en de begroting van Defensie is gebouwd op die vooronderstelling. Maar is dat wel zo zeker? Ik zeg niet, dat het niet zo zal zijn, maar alles wijst erop. Alles? Zeker, lokale conflicten zullen blijven uitbreken, maar onze rol daarin is niet een op een, zou ik met het nieuwe taalgebruik in de defensiedebatten willen zeggen, al vraag ik de stenografen om het niet cijfermatig neer te schrijven; het is geen geheime code. Sommige inzetten sluiten we zelf uit: zeker na Srebrenica is het enthousiasme om ons te engageren in echte conflicten, die niet direct aan ons eigen belang raken, gering geworden en in veel andere conflicten, of er nou Koerden of Tsjetsenen, Tibetanen of Kasmiri bij betrokken zijn, zie ik ons nog niet zo welkom zijn. Humaniteit boven soevereiniteit luidde de verschrijving in de Defensie-nota, maar Poetin heeft andere instrumenten om zijn deur op slot te houden dan Milosovitsch, en de Chinezen een andere dan de Haitianen.

En daarom graag een nadere toelichting op die basisveronderstelling, want dat impliceert nogal wat: van bereidheid tot inzet onzerzijds en van een bepaalde geopolitieke analyse.

Maar er is nog iets anders. Ontwikkeling van moderne wapentechnologie vraagt lange termijn-denken. En ik weet niet, of de vooronderstellingen van geringere bedreiging van het eigen territoir over twintig jaar nog wel zo rooskleurig zullen zijn als nu. Tot hoever kan een Noord Koreaanse raket komen? Een Irakese straks? Hoe snel kan de groeiende welvaart van een aantal andere landen omgezet worden in een herstel van die congruentie van wapensystemen? En hoe chantabel is een zo hoogwaardige economie, die tezelfdertijd zo afhankelijk is van zijn electronische knooppunten; hoe kwetsbaar een urbane samenleving voor biologische en chemische aanvallen? En wat zijn de oorlogsaanleidingen van de toekomst: water, lebensraum, het vrije woord? En vooral die andere vraag, die zo gemakkelijk misverstaan wordt, maar desalniettemin in lange termijn-denken ook gesteld mag worden: hoe groot moet de technologisch e voorsprong bij de defensie zijn bij die volkeren, die niet bereid zijn vanwege psychologische redenen, of niet in staat zijn vanwege demografische om voldoende manschappen letterlijk in het geweer te brengen. Onzinvragen? Niet voor de Amerikanen tenminste: die lijken met hun nieuwe ballistische afgrendeling van hun territoir aan te voelen, dat er best eens binnen nu en twintig jaar een nieuwe territoriale dreiging zou kunnen ontstaan.
Wat vindt de regering daarvan?

Die langere termijn dan tien jaren heeft immers o.i. nogal wat consequenties:

Op de allereerste plaats is daar de vraag naar het niveau van de Europese defensietechnologie en onze wil tot aansluiting bij, of juist niet, de VS-star-wars-systemen. In ieder geval zijn het de Amerikanen zelf, die steen en been klagen over onze technologische achterstand. Vervolgens heeft het duidelijke consequenties voor onze relaties met Rusland. Ook wie de clash of civilisations luchtfietserij vindt, of zelfs discriminerend, kan niet om de geopolitieke realiteit heen, dat een coalitie met dit Rijk zeer hoog op de agenda van het Westen dient te staan, zonder dta dit een goedkeuring van shcending van mensenrechten mag inhouden.
Het heeft consequenties voor relatie- en samenwerkingsvormen met machtige naties op het Zuidelijk halfrond, van Indonesië tot Brazilië en Zuid Afrika tot Egypte. Soms is het hun en ons belang, dat legers daar in staat zijn de nationale integriteit in democratische pluriformiteit te garanderen; soms zijn zij onmisbaar bij regionale vredes- en humanitaire interventies. In dat perspectief ligt er op dit terrein ook een nieuwe relatie tussen ontwikkelingssamenwerking en defensie. In tijden van de Koude Oorlog was het bij ons not done om samenwerkingsrelaties met militairen in verband te brengen met OS; ik kan mij nu heel wat situaties voorstellen, waarin dat wel het geval zou kunnen zijn.
Maar natuurlijk, en dat is de brug naar de discussies, die we twee weken geleden hier bij het OS-debat gevoerd hebben, is die brug breder. Armoede en conflict zijn meer dan ooit gerelateerd, zo stelt de OESO vast. Conflict en vlucht ook, kun je eraan toevoegen en dat geeft dat gezamenlijk belang aan van conflictpreventie, armoedebestrijding en migratiebeperking. Maar als we het begrip ontwikkeling een horizontale dimensie durven geven, niet alleen armoedebestrijding, maar ook de uitbouw van een internationale orde van recht en welvaart, waarbij de overgrote meerderheid van de wereldbevolking een belang heeft, dan is ontwikkeling de beste garantie voor veiligheid.
En het heeft directe consequenties voor de Atlantische relatie. Ik sprak over een nieuwe Amerikaanse afrastering voor hun eigen veiligheid, waarbij ze ons niet meer nodig hebben. Ik spreek ook over de verhypothekering van de relaties door de handelstegenstellingen, nu zoveel gemakkelijker tot breuken leidend tot in tijden van een externe dreiging. Ik spreek vooral over de irritatie over al ons gepraat om geen andere term te gebruiken over een eigen Veiligheids- en Defensie Initiatief/Beraad, dat is niet erg, maar zonder dat we er iets meer voor willen betalen. Integendeel: we bezuinigen. Ook Nederland, en misschien kan de Regering het Nederlandse publiek nog wel wijs maken, dat we zulke goede maatjes met Mevr. Albright en met de heer Cohen zijn, maar wie in Washington niet helemaal vreemdeling is, weet wel beter.
De komende jaren staan we voor de gigantische opgave om de generatiewisseling in de Amerikaanse politiek en de veranderingen in de publieke opinie van de VS te binden aan een nieuwe Atlantische lotsverbondenheid, voorbij de herinneringen aan twee wereldoorlogen, voorbij zelfs met die aan de Koude Oorlog.


2. Werving in een overspannen arbeidsmarkt.
Maar daarmee komen we op het o.i. grootste actuele knelpunt voor defensie op dit moment, de werving. In een vergrijzende maatschappij hebben wij bij nu nog 180.000 schoolverlaters 6.000 nieuwe indiensttreders nodig, die ook nog een aantal jaren moeten blijven. Niemand kan zeggen, dat de opeenvolgende regeringen niet gewaarschuwd zijn voor de optimistische aannames bij de afschaffing van de opkomstplicht. In de boezem van de Cie-Meijer is dat in ieder geval wel gebeurd. In dat licht is het ook curieus, en niet alleen in dat licht, dat de minister van Defensie de Bondsrepubliek de laatste waarschuwing geeft, en wel over het niet omzetten van het dienstplichtigenleger in een beroeps. Weet de minister dan niet, dat een van de aarzelingen juist bij vele Duitse politici de vrees is, dat de omschakeling naar een vrijwilligers- en beroepsleger volstrekt onvoldoende geschikte gegadigden zal opleveren, en dat velen daarom bepleiten om een vorm van korte dienstplicht intact te houden? Maar ja, misschien vergistte de minister zich wel in het land, want in de Handelingen lees ik, dat hij het over de Britse minister Sharping had. Nou ja: er zitten ook zoveel socialisten op Defensie in Europa, dat ze misschien wat moeilijk uit elkaar te houden zijn. De staatssecretaris zet in op betere wervingstechnieken en dat onderschrijven wij.
Maar is het genoeg? Hebben zowel de instroom als de omvangrijke uitstroom, als de afval dertig procent bij de marine - niet een diepere oorzaak. Het CDA-rapport Nieuwe Wegen Vaste Waarden spreekt over de structurele onderwaardering van ambtenaren en werkers voor gemeenschappelijke voorzieningen in onze samenleving. Soms hangt dat met een cultuuromslag samen t.a.v. de overheids- en quartaire sector; soms met die eerder hier genoemde wet van Beaumont: in een snel oplopende economie kunnen de voorwaarden van de overheid die van de markt niet bijbenen, en in een krimpende economie moet de overheid het eerst bezuinigen. Een van de grote politieke keuzes van de komende jaren is het juist dat evenwicht te bewaren tussen het dienen van de overheid en van de markt.
Onze Fractie heeft waardering voor de creativiteit, waarmee wordt ingezet op employability, op opleidingen i.h.a., op werken aan het imago, maar toch twee dingen zullen de doorslag geven: de primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden e n de frequentie/duur van uitzendingen. En dan is er o.i. nog een ander wezenlijk aspect, dat uitstijgt boven mooie advertenties, promotiefilms en zelfs arbeidsvoorwaarden: wij moeten als samenleving de plaats van defensie, het dienen van veiligheid en vrede herwaarderen. De samenleving als geheel e n de politiek. Daarvoor is nodig een cultuur van defensiebereidheid, dus een helder concept van de functie en het belang van de defensie in de 21e eeuw, in dat verderreikend perspectief van opbouw en afdwinging zo nodig van een internationale rechtsorde, en in dat perspectief van de verdediging van territoriale belangen, bescherming vitale economische en technologische functies en het besef, dat ook na 1989 de waarden van democratie, waarheid en pluriformiteit iedere generatie opnieuw ook een militaire investering vragen, ook en juist in het tijdperk van de globalisering. De onderstreping daarvan is overigens niet alleen een taak van de minister van Defensie of Buitenlandse Zaken. De hele regering, inclusief de minister president, moet uitstralen het grote belang, dat zij hecht aan een nieuwe defensie van deze eeuw, voorbij de koppeling aan natie of aan anti-communisme.

Wat de werving zelf betreft, onderschrijft mijn Fractie de inzet om een brug te slaan tussen de ROCs en de feitelijke inlijving. Wij steunen de Staatssecretaris in diens afwijzing daarbij van de vergelijking van landen met kindsoldaten en ons systeem, dat wel die brug, maar niet de feitelijke inlijving en uitzending onder achttien jaar beoogt.

Ook hebben wij met genoegen geconstateerd, dat de Stas ook verder de suggestie van onze eigen defensienotitie wil onderzoeken om arrangementen met het bedrijfsleven te treffen, waardoor de BBTér nog in ieder geval een drietal jaren beschikbaar blijft als reservist. (en voegen wij eraan toe ook met de eigen overheid als werkgever).

Graag horen wij ook van de Stas, welke ervaringen worden opgedaan in wat wij nu maar zullen noemen de integratieopgave middels deze werkkring van allochtone jongeren. Wij realiseren ons, dat de Nederlandse situatie verschilt van de Amerikaanse, waar het leger een uiterst belangrijk kader voor integratie en anti-discriminatie is.

Er staat meer op het spel dan het puur vervullen van vacatures: het gaat om de vraag, of ook in de nieuwe demografische verhoudingen onze samenleving als geheel de voorwaarden schept, dat wij een jonge, krachtige defensie houden en daarmee ook onze eigen defensiewil demonstreren.


3. De uitzendingen.

Ik kom daarmee op de uitzendingenproblematiek zelf. Is het waar, dat 10% van de plaatsen niet vervuld wordt? Is het waar, dat het 1:3 ritme tot heel grote, zo niet onoverkomelijke moeilijkheden leidt bij de betrokkenen en bij hun nastaanden?

Maar bij het vele, wat daarover in de laatste drie-vier maanden gezegd is, zouden wij nog twee andere opmerkingen willen maken, en die liggen in de sfeer van het niet-materiële.

Wij zeggen het zonder plezier, maar vanuit onze Fractie, vanuit deze plaats is sedert het begin van de vredesoperaties erop aangedrongen meer aandacht te besteden aan de informatieven, de morele en de ethische toerusting van de uitgezondenen. Telkens werden wij gerustgesteld, maar telkens opnieuw moetsen wij constateren, dat de gevaren van een cultural choc onderschat werden, van de uitspraak er zijn geen good guys en geen bad guys tot de
ontredderinsverschijnselen. Bij vredesoperaties horen eigen weerbaarheids- en toerustingsprogrammas , passend in het huidige cultuurbeeld, zoals in de Koude Oorlog het ook ging om meer dan propaganda. Kan de regering nadere informatie geven over de opzet van die toerustingsprogrammas en toelichten, waarom de huidige opzet naar haar mening toereikend is. En het geldt niet alleen grondtroepen. Sedert de Eerste Wereldoorlog al blijkt, dat de inzet van discongruente wapensystemen - dus, kort door de bocht, technologisch superieure wapens tegenover relatief kwetsbare manschappen dat die inzet bij vele operatoren vroeger of later tot ethische problemen leidt, juist omdat er geen directe confrontatie met slachtoffers en tegenstanders is geweest. Ook deze operators moeten de ethische afwegingen van de inzet van die wapens zelf kunnen verinnerlijken.
Er is een tweede aspect aan die uitzendproblematiek, dat ik ook bij de uitgangspunten van het begin had kunnen behandelen, en dat is het ontwikkelen van alternatieven op Nederlandse uitzending. Het besluit om een conflict te laten escaleren, niet te beëindigen niet te voorkomen middels een vredesmissie of om grove
mensenrechtenschendingen te tolereren, vanwege gebrek aan inzetcapaciteit of vanwege te grote risicos of te geringe belangen kan en mag bij onze volkenrechtelijke opvattingen en in een globaliserende samenleving niet het laatste woord zijn. In de Defensienota wordt deze materie wel aangestipt, in het verband van de VN en in regionale benaderingen, maar wij moeten ons realiseren, dat bij onze uitgangspunten hoort de opbouw van mondiale of regionale interventiecapaciteiten en bereidheid. Wij willen de complexiteit en de gevoeligheid niet onderschatten, maar de situatie in het gebied van de Grote Meren, de burgeroorlogen in Soedan, Angola, Sierra Leone vragen een energieke en inventieve strategie van opbouw van interventiecapacaiteit en interventiebereidheid. Het passen voor onze beurt vraagt een alternatief, willen wij geloofwaardig blijven. .

4. De bezuinigingen.

Kosovo was er na het Regeeraccoord, het bewijs, dat links Europa mocht leveren, dat, eenmaal aan de macht, zelfs in combinatie met vroegere pacifisten en communisten, er bereidheid was tot hartelijke samenwerking in NATO-verband, zelfs tot daadwerkelijke oorlogsvoering. Zelfs de Eerste Kamerfractie van Groen Links heeft dit beeld niet kunnen doorbreken. Jammer voor hen, dat de bulk van de verantwoordelijkheid vorig jaar niet door christen democraten gedragen had moeten worden. Dat had nog eens mooie demonstraties opgeleverd. Nee, er is nu een buitengewoon interessante alliantie aan de overkant tussen de heer Harrewijn, ook wel de nieuwe hoofdaccountant van Defensie genoemd, en het CDA voor meer en beter. Het kan verkeren. Maar er is ook noodzaak voor meer en beter, en niet alleen vanwege de geschonden verkiezingsbelofte van de VVD.
Anderhalf miljard bezuinigen in vier jaar was niet genoeg. Bij de Voorjaarsnota van 1999 moest er nog eens 250 miljoen bij, en de 50 miljoen van de motie Dijkstal werd daarmee minder dan een sigaar uit eigen doos. Hoezo de pleidooien van de heer v.d. Doel van de VVD, dat het defensiebeleid met deze bezuinigingen op drijfzand werd gebouwd. Er zijn drie nieuwe redenen, waarom wij vinden, dat recht gedaan kan en moet worden aan de hoge prioriteit, die de ombouw van defensie naar de 21e eeuw in ons verkiezingsprogramma heeft. De eerste is de Balkan-ervaring, dat vredesoperaties veel duurder zijn dan gedacht in termen van mobilisering van manschappen als inzet van relevant hoogwaardig materieel. Om na Bosnië en vooral na Kosovo juist te gaan bezuinigen op de zo effectief gebleken en onze zo onderscheidende luchtmachtinzet is onbegrijpelijk. Om niet de consequenties te trekken van de consensus over de een op vieruitzendingen eveneens. De tweede reden heb ik al genoemd. Als onze inzet voor een Europese Veiligheids- en Defensie Beraad meer is dan wat woorden, meer is dan wegnemen van wat we voor de NAVO beschikbaar hadden, dan kost dat geld. De Petersburgtaken en de prioriteiten van Helsinki de relatief snelle inzet (binnen twee maanden) van 50.000 tot 60.000 manschappen ( wat een kleine aantallen eigenlijk, als je naar de cijfers van de staande legers van tien jaar geleden kijkt)-
Dat kost extra geld. Wij zullen de uitgebreide discussies over het EVDB in de afgelopen maanden niet herhalen. Alleen willen wij kwijt, dat we ons zorgen maken over de kwetsbaarheid van de modulenbenadering, ook al zien we geen andere oplossing; we willen de investeringen in de zg. robuustheid niet onderschatten en ook lessen van Kosovo de noodzaak van ondersteunende infra-structuur, en vooral we hebben te corrigeren ons zwalkend beleid t.a.v. het Euro-corps en de onduidelijkheden over het Duits Nederlandse Legercorps . Daarbij is het standpunt van de PvdA niet meer te volgen : eerst wijst de neigen nota en de uitspraak van Melkert in Die Welt , dat men ervan af wil en dan vraagt Zijlstra bij motie een versterking.(is het echt waar, dat de PvdA daarvan af wil?) Alles wijst in dezelfde richting: als we dit willen, moet er geld bij.
Maar de lakmoesproef voor de Coalitie zit m in de laatste reden: bij het regeerakkoord moest nog alles op alles gezet worden om de EMS-criteria te halen. De huidige situatie zal voor ons, de erfgenamen van Lubbers en Ruding, geen reden tot verspilling zijn, maar wel tot heroverweging van knelpunten. Voor het CDA is een minimale verhoging van 100 miljoen per jaar de absolute ondergrens voor een beetje geloofwaardigheid van een toekomstgericht en verantwoordelijk beleid. Onze Fractie sluit zich hierbij nadrukkelijk aan bij de indringende pleidooien van de CDA-Fractie in de Tweede Kamer, bij monde van de heer v.d. Knaap, zo indringend, dat de VVD-woordvoerder in zijn ontroering daarover kennelijk een motie indiende en daarbij op zon oncollegiale wijze de klokkeluider van deze problematiek maar vergat. Oudedagsvoorziening, scholing, infra-structuur, internationale gerechtigheid, natuur en milieu, zorg e n veiligheid, ook internationale veiligheid, hebben wat ons betreft hogere prioriteit nu dan het opvoeren van de individuele consumptie. Dat is de verantwoordelijkheid van de huidige politieke generatie, en wie die verantwoordelijkheid nu niet neemt, belast de toekomst op onverantwoordelijke wijze. Wij zijn bij de presentatie van ons verkiezingsprogramma op demagogische wijze daarop aangevallen, maar wij krijgen met de dag meer gelijk, helaas voor ons Wij nemen aan, en horen dat ook graag, dat de bewindslieden hun eisen bij de minister van Financiën hebben neergelegd. Wat vraagt Defensie bij de Voorjaarsnota?


5. Diversen.

De Nederlandse samenleving en defensie dus. Daar hoort ook bij de vraag naar de rol van de Nederlandse defensie-industrie. Dat gaat voor ons verder dan wat winstkansen. Soms juist niet, als het gaat over exporten naar onrustige gebieden, en voor een keer heb ik zelfs wel eens wat sympathie voor de voorzichtigheid van Groen Links en de noodzakelijke terughoudendheid m.b.t. infrastructurele militaire voorzieningen.
Maar wij vragen ons wel af, wat er is misgegaan tussen DAF en Defensie, als het gaat om de verdere ontwikkeling en productie van legervoertuigen, legervoertuigen, die aan de basis van DAF hebben gelegen en die een zeer goede reputatie hebben.
Van de Nederlandse naar de Europese Defensieindustrie. Als kennis en technologie de basis zijn voor de nieuwe economie, dan is het van belang niet aleen te denken aan technologie, die voortgedreven wordt door individuele consumentenvoorkeur, maar ook door collectieve doelstellingen. Dat is ook voor Europa van belang. DE afwezigheid van collectieve projecten is niet goed. Kunnen de bewindslieden nadere informatie verstrekken over de consequenties van de concentratie in de Europese Defensie-industrie en de stand van zaken rond de Eurofighter. Maar ik ga nog een stap verder: zou de regering nu, of op termijn, iets kunnen zeggen over de functie van de defensie-industrie in Midden Europa en zelfs verder. Hoe zit het met de bruikbaarheid van b.v. de Antonov-toestellen uit de Ukraïne?

Terug, naar een ander, boeiend nieuw aspect in de relatie samenleving-defensie:
De civiel-militaire samenwerking. Onze Fractie prijst de regering voor haar initiatieven en openheid. Wij respecteren ook de openheid van de militairen voor samenwerking met ontwikkelingsorganisaties, instellingen voor humanitaire hulp en vredesbewegingen. Het blijft een boeiend beeld om hoofdofficieren aan een tafel te zien zitten met voormalige aanvuurders van anti-NAVO-demonstraties, en het valt me wel eens op, dat de officieren daarbij zeker niet de minst flexibelen zijn. Inderdaad: defensie in de 21e eeuw vraagt nieuwe coalities, ook van dit soort, ook met de wereld van de ontwikkelingssamenwerking. Het is goed, dat er op nationaal niveau dit soort contacten zijn. Er is genoeg te bespreken, al was het alleen maar de vraag naar de coördinatie naar de specialisatie en de moeilijke kwesties van een overmaat aan donorgedreven initiatieven versus de reële behoeftes in het veld en de maximale benutting van lokaal potentieel. Het is goed die discussies te voeren met ook de vraag voor ogen, hoe de CIMIC-dimensie vorm kan krijgen op Europees niveau, in NAVO-verband en zelfs of juist in VN-verband.
We hopen, dat de gegroeide contacten consequenties zullen hebben voor concrete initiatieven, zoals een soort Nederlands Beraad voor Humanitaire Hulpverlening en internationaal voor de totstandkoming van een multidisciplinaire eenheid voor internationale noodhulp. Er is een grote behoefte aan een totaalvisie op humanitaire operaties, met hun follow up en op een duidelijk overzicht van de instrumenten voor een samenhangend flankerend beleid bij dit soort interventies. Wij horen graag van de regering nader, wat haar intenties zijn en haar agenda en wij worden graag in de toekomst op de hoogte gehouden.
Tot slot: in die totaalvisie hadden de ervaringen van Kosovo al een veel duidelijker plaats moeten innemen. Een aspect maar: tijdens de oorlog verklaarde de heer van Aartsen bijna dagelijks , dat de verhouding met de VS allerinningst was: net nog Madeleine gesproken. Als ik nu de kritische opmerkingen, zelfs van de Nederlandse regering lees terzake b.v. het gebrek aan bondgenootschappelijke gezamenlijke verantwoordelijkheid t.a.v. het uitzoeken van doelen, dan vrees ik, dat de minister van Buitenlandse Zaken vooral de voice mail van mevr. Albright aan de lijn heeft gekregen. Kosovo, niet bezwaard door specifiek Nederlandse traumas, maar wel vol van lessen, die een verre schaduw vooruitwerpen op voorwaarden, mogelijkheden en begrenzingen van humanitaire interventies. Wij hopen, dat Kosovo, meer dan het nu lijkt, brede en diepe aandacht in de Nederlandse afwegingen en orientaties zal gaan krijgen.

Intussen wensen wij de regering in haar streven naar nationale veiligheid en internationale stabiliteit in hun juist nieuwe, boeiende onderlinge verwevenheid, alle succes, in de hoop, dat de woorden vertaald worden in toereikende voorzieningen.



28 maart 2000

Eerste Kamer vraagt betere bescherming van rechten van mens tegenover Europese Unie

In een motie, ingediend door CDA-senator Hirsch Ballin, dringt de Eerste Kamer er bij de regering op aan in de Europese Raad het initiatief te nemen voor aansluiting van de Europese Unie bij het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Klachten over schendingen van de rechten van de mens kunnen volgens dit verdrag worden voorgelegd aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. Alle lidstaten zijn aangesloten bij dit verdrag.

Vandaag is de motie, die mee-ondertekend is door de woordvoerders van alle andere fracties in het debat over de begroting van Buitenlandse Zaken, met algemene stemmen aanvaard.
Nu steeds meer bevoegdheden naar de Europese Unie overgaan, ontstaat een gat in de bescherming van de rechten van de mens, aldus Hirsch Ballin in een toelichting. Klachten van burgers over de Europese richtlijnen en verordeningen kunnen tot nu toe niet door het Hof in Straatsburg worden beoordeeld. Ook voor de eenheid van rechtspraak is het belangrijk dat aansluiting bij het EVRM voorafgaat aan de vaststelling van een eigen Handvest van de grondrechten voor de Europese Unie waaraan nu wordt gewerkt.

Voor meer informatie: Fractiewoordvoerder Hirsch Ballin (dinsdag, tel. 070-3129200, woensdag, tel. 013-4668246)


Ontwikkeling van de internationale rechtsorde bijdrage Hirsch Ballin namens de CDA-fractie aan de behandeling van de begroting van Buitenlandse Zaken op 28 maart 2000


1. Het is een feit van ruime bekendheid dat de bewindslieden van Buitenlandse Zaken met een flinke ambitie tot vernieuwing aan hun taken begonnen zijn. Dat past bewindslieden ook, en daaraan doet niet af dat vernieuwingen altijd ook weerstanden kunnen oproepen. De begroting 2000, die wij vandaag bespreken, is de eerste waarvan minister Van Aartsen de voorbereiding samen met minister Herfkens en staatssecretaris Benschop geheel in eigen hand had. In vergelijking met de reputatie die hun vooruitgesneld was, verrast de matte toon in de toelichting. Die begint met twee zinnen die geen andere bedoelingen kunnen hebben dan ieder die nog in hoger sferen mocht zweven, weer stevig op de grond te zetten: Investeren in de internationale samenleving loont. Het Nederlandse beleid is idealistisch zonder illusies.
De openingszinnen van de paragrafen die op deze harde landing volgen, kun je eigenlijk zelfs geen open deuren noemen. Het zijn deuropeningen zonder deur. De Europese Unie is volop in beweging, Veiligheid is geen vanzelfsprekendheid, Op het gebied van de mensenrechten moet nog veel werk worden verzet, maar dan: De tegenstelling tussen Atlantici en Europeanen is achterhaald (pp. 6-7).
Bij die laatste zin willen wij even stilstaan. Het zal de minister niet zijn ontgaan dat op dit punt zijn reputatie een andere is dan het aan zijn voorganger toegeschreven buurlandenbeleid. Wij willen hem graag uitnodigen aan te geven wat hij wilde zeggen met deze nadrukkelijke uitspraak in de begrotingstoelichting voor 2000: De tegenstelling tussen Atlantici en Europeanen is achterhaald. Betekent dit dat er geen tegenstelling met zijn ambtsvoorganger was, of zit de tegenstelling juist daarin dat in het nieuwe beleid die tegenstelling ten grave wordt gedragen? Hoe moeten we de spanningen tussen de EU en de Verenigde Staten over de Europese veiligheids- en defensie-identiteit begrijpen als er volgens dezelfde passage afgezien van de handelspolitiek geen actuele antithese meer is? Waarop of waarnaar richt(te) Nederland zich in die tegenstelling over de EVDI? Wij zouden de minister willen uitnodigen de ontwikkeling in de oogpunt van de achterliggende opvattingen, van visie dus op de verhouding tot de VS inzake de nieuwe militaire taken in Europa en zijn omgeving. "Het tweede paarse kabinet ziet (...) geen reden tot zelfgenoegzaamheid", aldus de begrotingstoelichting op p. 7. De CDA-fractie wil het kabinet daarin graag ondersteunen. Er is in de internationale politiek veel te doen. Buitenlands beleid met een grote broek heeft geen zin, maar er zijn wel niches en bijzondere relaties waarin het Nederlandse buitenlandse beleid werkelijk verschil kan maken. Daarom willen wij in onze bijdrage tot het debat over de begroting van buitenlandse zaken nalopen hoe helder de hoofddoelstellingen van het buitenlands beleid van dit kabinet zijn uitgewerkt en van onze kant zorgen en suggesties voorleggen. De doelstellingen die het kabinet op p. 5 noemt zijn: "het bevorderen van de internationale rechtsorde en veiligheid, het nastreven van nationale belangen (waaronder de economische belangen) en het verminderen van internationale armoede door duurzame ontwikkeling". Daarop volgt de opsomming van een reeks "prioriteiten", die onder meer internationale ordening, mensenrechten, de transatlantische relatie en consulaire dienstverlening omvatten.


2. Ik begin met het onderwerp dat niet als het meest verheven deel van het beleid lijkt te worden beschouwd, maar wel belangrijk is: de consulaire bijstand. Wij lezen dat de regering het "belangrijk" vindt "dat de consulaire functie wordt versterkt: kwalitatief en kwantitatief." De regering rekent het tot haar taak samen met maatschappelijke organisaties - goed dat deze worden erkend en gewaardeerd - " de Nederlandse gedetineerden in het buitenland bij te staan in hun vaak erbarmelijke omstandigheden." Er zijn de laatste jaren nogal wat klachten geweest over een gebrek aan aandacht van de kant van consulaten en consulaire afdelingen. Wat wordt gedaan om de voorgenomen kwalitatieve en kwantitatieve verbeteringen te realiseren? Welke rol speelt kennis van penitentiaire onderwerpen in de opleiding voor de buitenlandse dienst? Is men bijvoorbeeld in staat om adequaat te reageren als "informele" sancties worden toegepast tegen gedetineerden die zich verstouten te klagen? Welke voorzieningen zijn er voor familieleden? En ondervindt de overdracht van executie van gevangenisstraffen nog steeds problemen? Tot op heden wordt deze consulaire bijstand aan gedetineerden gezien als een taak die los staat van het eigenlijk internationale beleid. Behandeling van klachten over schendingen van mensenrechten bijvoorbeeld in gevangenissen vormen bij Buitenlandse Zaken een andere rubriek. Is dat eigenlijk wel goed? Als het gaat om fundamentele rechten en vrijheden zijn Nederlandse gedetineerden niet de enigen die hulp en bescherming behoeven. Zouden bezoeken aan penitentiaire inrichtingen niet óók aanleiding moeten geven tot een beoordeling of het gevangeniswezen aan de internationaal-rechtelijke eisen voldoet, en zou dat niet een positief stimulerend effect kunnen hebben?


3. De bevordering van de internationale rechtsorde wordt als eerste doelstelling van het kabinetsbeleid genoemd. Dat ligt nogal voor de hand, want de Grondwet schrijft dat ook uitdrukkelijk voor (of eigenlijk het bevorderen van de ontwikkeling van de internationale rechtsorde, art. 90 Grondwet). Maar hoe wordt de daad bij het woord gevoegd? Wij lezen dat de regering van zichzelf vindt dat zij "hard (heeft) gewerkt om de zetel van het Internationaal Strafhof naar Nederland te krijgen." Zeker, het vorige kabinet en heel in het bijzonder ook de ambtenaren die Nederland zo'n toonaangevende rol in het onderhandelingsproces bezorgden verdienen alle lof dat de vestiging van de internationale straftribunalen in Den Haag dit voor de hand liggende maar daarom nog niet vanzelfsprekende vervolg heeft gekregen. Maar zou dit engagement niet na twintig maanden eens gevolgd moeten zijn door de aanbieding van het Statuut van het Internationaal Strafhof ter goedkeuring aan de Staten-Generaal? Het is ook wat zonderling als de minister nu in zijn brief van 17 maart ons vraagt het nog in te dienen voorstel voor de goedkeuringswet prioritair te behandelen, terwijl er van haar kant zo weinig prioriteit aan is gegeven. Het overzicht van verdragen bevat trouwens nog heel veel meer aanwijzingen dat er iets hapert bij de goedkeuring van verdragen. Ook voor het VN-Verdrag van 9 december 1994 inzake de veiligheid van VN-personeel wordt dit jaar pas goedkeuring gevraagd en dan meteen maar weer prioritair. Onze fractie zal graag meewerken aan een voorspoedige behandeling, maar vraagt wel uitdrukkelijk aan de minister of er eigenlijk wel voldoende organisatie en capaciteit is om voortgang te maken met de behandeling van zulke onderwerpen in het verkeer met de Staten-Generaal. Bij de behandeling van de Justitiebegroting hebben wij aangedrongen op het alsnog toetreden tot het 7de Protocol bij het EVRM; graag horen wij ook van deze minister hoe hij daartegenover staat. Bij die gelegenheid hebben wij ook aandacht gevraagd voor twee verdragen van de Raad van Europa. Het eerste was de Criminal Law Convention on Corruption van 27 januari 1999 (verdrag 173). Op dat moment had het Koninkrijk der Nederlanden als een der zeer weinige lidstaten van de Raad nog niet ondertekend, maar minister Korthals verzekerde ons desalniettemin dat daarover in mei advies zou worden gevraagd aan de Raad van State. Verdrag 174 van 4 november 1999 over de civielrechtelijke corruptie heeft een nog slechtere ondersteuning. Volgens de mededelingen van de Raad van Europa is de situatie nog steeds zo dat het Koninkrijk der Nederlanden op 1 maart beide verdragen nog niet had ondertekend. Zo zijn er meer voorbeelden, zoals het al op 4 april 1997 ondertekende biomedicine-verdrag met protocol; van 12 januari 1998, en onze na bijna een jaar nog onbeantwoorde vragen over de notitie over normenhiërarchie in het Europese recht. Graag horen wij straks over de stand van zaken bij deze onderwerpen, en, behalve een verklaring, ook wat de minister van plan is te doen om een adequate voortgang in de toekomst te bevorderen.


4. EU-Handvest voor de grondrechten. Sinds december vorig jaar werkt een 62-koppige "Conventie" aan een Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie; ik neem daaraan namens de Eerste Kamer deel, in goede samenwerking met collega Patijn uit de Tweede Kamer en collega Jurgens als plv. lid. Mijnheer de voorzitter, in dit verband wil ik de regering ook ermee complimenteren dat zij een
regeringsvertegenwoordiger heeft weten te vinden die zich absoluut niet opstelt als een tegenspeler van de parlementaire leden. We staan hier duidelijk voor de gezamenlijke taak bij te dragen aan de ontwikkeling van de Europese rechtsorde. Over de doelstellingen van dit project bestonden echter in het begin nogal wat misverstanden. Sommigen dachten dat het hier om nog weer een andere, voor de lidstaten verbindende verankering van de rechten van de mens zou gaan. Waar het om gaat is echter iets veel specifiekers, namelijk het dichten van het EU-gat in de Europese grondrechten-bescher-ming.De lidstaten zijn gebonden aan hun eigen constitutie en de daarvan deel uitmakende grondrechtenbescherming. Bovendien zijn alle lidstaten gebonden aan het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dat geldt ook als ze gemeenschaps- of unierecht uitvoeren. Het Verenigd Koninkrijk ondervond dit bijvoorbeeld toen het Europese Hof voor de rechten van de mens op 18 februari 1999 uitspraak deed inzake een klacht van de in Gibraltar woonachtig Britse staatsburger Matthews tegen het Verenigd Koninkrijk. De uitsluiting van inwoners van Gibraltar van het kiesrecht voor het Europese Parlement vormde een schending van het EVRM door de staat die de regeling toepaste, ook al was dit zo voorgeschreven in een Europese regeling. Maar als het gaat om de eigen besluiten en handelingen van de instellingen van de Europese Unie, dan zijn er geen constitutionele waarborgen van grondrechten en evenmin zijn de Unie of de Gemeenschappen partij bij het EVRM. Dat is wat ik net omschreef als het EU-gat in de grondrechtenbescherming. Natuurlijk, het Hof van Justitie van de EG oriënteert zich sinds lang op het EVRM en artikel 6 van het EU-Verdrag (art. F in de versie van Maastricht) bekrachtigt dit. Maar de voor de hand liggende verankering van de grondrechten via toetreding tot het EVRM is tot nu toe uitgebleven. In 1993/1994 is een poging gedaan dit recht te trekken, maar het Hof van Justitie oordeelde in zijn (rechtens bindende) advies van 28 maart 1996 dat daarvoor een verdragswijziging nodig zou zijn, voor te bereiden in een intergouvernementele conferentie. In de voorbereiding van het Verdrag van Amsterdam werd daarvoor nog geen ruimte gevonden, maar de ervaring bij het werk aan het handvest leert dat dit onderwerp niet langer terzijde gelegd mag worden. Toetreding van de Unie en de Gemeenschappen tot het EVRM zou de helderste en juridisch veruit de eenvoudigste manier zijn om het EU-gat te dichten. Dat doet niet af aan de mogelijkheid dat er in een Handvest als eigen constitutioneel document waarborgen worden gegeven die aanvullende betekenis hebben in relatie tot het EVRM, net zoals nationale grondwetten dat doen. Maar alleen zo kan worden voorkomen dat er uiteenlopende interpretaties van grondrechten gegeven blijven worden door de twee hoven. Daarom dringen wij er bij de regering op aan, een nieuw initiatief te nemen om te komen tot toetreding van de Europese Unie en de Europese Gemeenschappen tot het EVRM. Van de Gemeenschappen staat vast dat ze rechtspersoonlijkheid hebben; voor de Unie kan de procedure van artikel 24 EU-Verdrag worden gevolgd. Juridisch is de aansluiting bij het EVRM-systeem lang niet zo gecompliceerd als wel eens is gesuggereerd; het gaat immers uitsluitend om de eigen besluiten en handelingen van de Europese instellingen. Eigenlijk is het absurd dat deze binding - terwijl we de gelding van het EVRM in hoog tempo naar Midden- en Oost-Europa hebben uitgebreid - nog steeds niet tot stand is gebracht. Wij willen de regering vragen om de komende Europese Raad aan te grijpen voor een initiatief ten einde dit onderwerp te agenderen voor de IGC zodat toetreding tot het EVRM mogelijk wordt.


5. Een Conventie voor de democratie? Ik zei al er zijn wel niches en bijzondere relaties waarin het Nederlandse buitenlandse beleid werkelijk verschil kan maken. Een discussie in deze kamer over de relatie tussen Israël en Syrië in deze kamer zal niet zoveel verschil maken, maar juist in de ontwikkeling van de internationale rechtsorde kan een land zonder grote mogendheid te zijn met visie en deskundigheid iets op gang brengen. Collega Van Gennip zal er straks ook aandacht aan besteden wat onze relatie met Indonesië kan betekenen. Interdependency als kenmerk van de huidige internationale betrekkingen betekent dat ook een land als het onze een zinvolle rol kan spelen. De tijd dat Frankrijk en Duistland samen in Europa de leiding hadden, heeft om een aantal redenen plaats gemaakt voor veelzijdige relaties. De Franse president heeft daar onlangs nog uiting aan gegeven, en in dat nieuwe internationaal-politieke realisme past bijvoorbeeld ook dat Frankrijk zich duidelijker als actor in het Caribische gebied wil manifesteren. Wij vragen ons intussen af of het Nederlandse buitenlandse beleid wel voldoende op deze mogelijkheden bedacht is. Een beleid ter versterking van de rechten van de mens en de democratie kan immers van hieruit stimulansen krijgen; als ze zouden komen van de kant van een grote mogendheid zouden ze echter als onwenselijke poging tot hegemonie worden geïnterpreteerd. Mary Robinson, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de rechten van de mens, heeft eervorige week scherpe kritiek geuit op China inzake de eerbiediging van de rechten van de mens (vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst, vrijheid van vereniging. De gevolgen van de met harde hand gevolgde één-kind- politiek zijn vaak huiveringwekkend. Onlangs overleed een Chinese kardinaal die dertig jaar lang, tot op zeer hoge leeftijd, in de gevangenis had doorgebracht.
Wat er van de nieuwe mensenrechtenambassadeur wordt verwacht is niet erg duidelijk. Is zij vooral woordvoerder en verkenner voor de minister van Buitenlandse Zaken, of is het de bedoeling dat zij tot een internationaal gezaghebbende persoon uitgroeit? In de toelichting op de begroting wordt gezegd dat Nederland waar nodig en nuttig, in bilaterale contacten met landen vrijheid van godsdienst aan de orde zal stellen (p. 35), maar in antwoord op kamervragen van collega Verhagen van 26 januari jl. over de aanhoudende vervolging van kerkelijke ambtsdragers en gelovigen in China wordt slechts melding gemaakt van stappen in multilaterale overlegsituaties. Van beslissend belang voor de Nederlandse rol zal zijn hoe goed de mensenrechtenambassadeur toegang zal weten te vinden tot het geweten van de internationale samenleving.
Een van de redenen waarom wij zoveel waarde hechten aan de rechten van de mens is daarin gelegen dat een democratisch en deugdelijk bestuur zo de meeste kansen krijgt. De tijd is voorbij dat de staatsvorm als een louter interne aangelegenheid werd beschouwd en dus taboe was in de internationale betrekkingen. Democratie heeft niet overal precies dezelfde vorm, maar er is een aantal wezenlijke kenmerken die ook in landen die uit andere bronnen putten zoals landen met een moslim-meerderheid - worden gerealiseerd. Wij vragen ons af of de tijd niet rijp is voor een meer systematisch in het internationaal verkeer bespreekbaar maken van een aantal wezenlijke kenmerken van de democratische staatsvorm. Soms gaat het hier om burgerrechten en politieke rechten, zoals het kiesrecht en de vrijheden van meningsuiting en informatie, soms ook om institutionele vragen zoals die naar checks and balances, openbaarheid van bestuur en participatiemogelijkheden. Internationale waarnemingen bij verkiezingen zijn gemeengoed geworden. Deels uit eigen beweging, deels als resultaat van ontwikkelingen in de media zijn veel vroegere censuursystemen ontkracht. In de islamitische wereld komt met vallen en opstaan een democratische cultuur tot leven, die pluriformiteit accepteert en ruimte maakte voor vrouwen. President Wahid is van die verbinding van islam en democratie een lichtend voorbeeld. Zou de internationale rechtsorde niet verder kunnen worden versterkt door basisvereisten van een democratisch staatsbestel in een verdrag te verankeren en ten overstaan van bijvoorbeeld een toezichthoudende commissie bespreekbaar te maken? Aansluitend op ruim een halve eeuw van steeds steviger verandering van de rechten van de mens en de recentere, sinds begin jaren negentig opgekomen aandacht voor good governance, zie ik het moment naderen waarop een nieuwe stap kan worden gezet, namelijk de verankering van een aantal wezenlijke kenmerken van de democratische staatsvorm in een internationaal rechtelijk verbindende vorm. Een Conventie voor de democratie.
Mijnheer de voorzitter! Gedachten zoals ik die zojuist verwoordde zijn bedoeld als een nieuwe impuls in een beleid ter versterking van de internationale rechtsorde, waarvan de verwezenlijking behalve tijd ook geduld en vasthoudendheid vergt. Andere stappen, zoals de ratificatie van het Statuut voor het Internationaal Strafhof, de toetreding tot het 7de Protocol en de Biomedicine-conventie, hoeven niet op zich te laten wachten. Voor de toetreding van de EU/EG tot het EVRM geldt, dat er periculum in mora is. Eventueel zullen wij samen met andere fracties een kameruitspraak vragen. Met belangstelling zullen we de antwoorden van de kant van de regering beluisteren.

motie van het lid Hirsch Ballin c.s., voorgesteld bij de behandeling van de begroting van Buitenlandse Zaken in de Eerste Kamer op 28 maart 2000

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende, dat de totstandkoming van een Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie wordt voorbereid,

overwegende, dat alle lidstaten van de Europese Unie evenals alle kandidaat-lidstaten zijn aangesloten bij het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM);

overwegende, dat een hiervan gescheiden rechtsontwikkeling bij de grondrechtenbescherming ten aanzien van de instellingen van de Europese Unie onwenselijk is;

spreekt uit dat de eenheid van interpretatie van grondrechten door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens verzekerd moet zijn;

verzoekt de regering te bevorderen dat de Europese Unie en de Europese Gemeenschappen partij worden bij dit verdrag en daartoe in de eerstkomende Europese Raad initiatieven te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Hirsch Ballin
Roscam Abbing-Bos
Van Thijn
Zwerver
De Vries
Kohnstamm
Jurgens
Van Gennip
Bierman

Bijdrage aan het plenaire debat inzake Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2000

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie