Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag algemeen overleg inzake diervoeder en BSE-gevallen

Datum nieuwsfeit: 17-07-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Verslag algemeen overleg inzake diervoeder, bse-gevallen etc
Gemaakt: 28-7-2000 tijd: 15:31


1


26991 Voedselveiligheid

nr. 28 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 17 juli 2000

De vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij<1> en de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport<2> hebben op 28 juni 2000 overleg gevoerd met staatssecretaris Faber van Landbouw, Visserij en Natuurbeheer over:


- de brief van de staatssecretaris van LNV d.d. 8 oktober 1999 inzake de voortgangsrapportage herijking diervoederbeleid;

- de brief van de staatssecretaris van LNV d.d. 18 januari 2000 inzake SRM-kadavers;


- de brief van de staatssecretaris van LNV d.d. 21 januari 2000 inzake beleidsvoornemen diervoeder (LNV-00-65);


- de brief van de staatssecretaris van LNV d.d. 10 mei 2000 inzake handel in mengvoeders en de oprichting van de EVA;

- de brief van de minister van LNV d.d. 5 juni 2000 inzake Ierse BSE-gevallen (24668, nr. 34);


- de brief van de staatssecretaris van LNV d.d. 16 juni 2000 inzake beleidsbesluit diervoeder;


- de brieven van de minister van VWS inzake de Destructiewet van 26 juni en van 27 juni 2000.

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Oplaat (VVD) constateerde dat in het diervoederbeleid het voorzorgsprincipe centraal wordt gesteld dat de eisen voor de grondstoffen worden aangescherpt en de kwaliteitswaarborging wordt versterkt. Hierbij is steun uit de diervoedersector en van andere organisaties uit de dierlijke productiekolom van groot belang. De verantwoordelijkheid voor de veiligheid van diervoerders ligt primair bij de ondernemers zelf. De overheid stelt de randvoorwaarden en ziet erop toe dat de gewenste aanscherping wordt gerealiseerd.

Nederland is een grote speler in de internationale landbouwsector, zodat hier allerlei goederenstromen van veevoeder en veevoedergrondstoffen samenkomen. De overheidsmaatregelen moeten zijn afgestemd op deze positie op het internationale toneel. De eisen voor veevoer worden wereldwijd drastisch aangescherpt naar aanleiding van afspraken die twee weken geleden in Kopenhagen zijn gemaakt door de codex alimentarius commissie.

Als er een verbod is op het verwerken van swill en diermeel in veevoer, is de vraag hoe de import van deze producten aan de grens wordt tegengehouden. Bij de Nederlandse consument wordt een gevoel van schijnveiligheid gecreëerd, omdat de voedselveiligheid feitelijk niet wordt verbeterd, terwijl de Nederlandse agribusiness met de kosten ervan wordt opgezadeld. Het is goed dat de Nederlandse veevoederindustrie vooroploopt met het beleid inzake GMP(Good Manufacturing Practice) en HACCP(Hazard Analysis Critical Control Point), maar de rekening van 75 mln. voor voedselveiligheid moet niet eenzijdig bij het bedrijfsleven worden gelegd. Deze moet voor rekening van de overheid komen, zolang de rest van Europa nog niet zo ver is. De voedselveiligheid is er ook niet mee gediend, als deze sector ten onder gaat.

Bij het gebruik van zuivere grondstoffen lijkt de overheid ook te kiezen voor schijnoplossingen. De veevoederindustrie maakt grotendeels gebruik van producten uit de natuur, die grillig is. In een partij tarwe kan bijvoorbeeld al schimmel ontstaan door het bloeien van een plant. Het is niet mogelijk om vruchtenjam te maken zonder insectenresten te vermalen. Als dit wegmengen bij producten voor humane consumptie wordt toegestaan, is het inconsequent om het te verbieden bij producten voor diervoeders.

Bij de Destructiewet is te zien wat het gevolg is van te ambitieuze wetgeving bij het aanbieden van kadavers. De VVD-fractie heeft wel voor deze wet gestemd, maar ook gewaarschuwd voor ontduiking ervan. De minister heeft erkend dat er lekverliezen zijn en besloten om mogelijkheden te onderzoeken om de destructie anders te financieren.

De veevoermarkt is een krimpende markt, waar boeren tot het laatste dubbeltje onderhandelen. Als de kosten voor Nederlandse bedrijven stijgen, wordt de parallelimport van veevoer en eindproducten des te aantrekkelijker. De vraag is of het spanningsveld tussen overheid en bedrijfsleven beheersbaar is. De heer Oplaat vroeg of de overheid in overleg treedt met de ketenpartijen bij het veevoer om vooruitlopend op Brusselse besluitvorming tot afspraken op vrijwillige basis te komen, als de gewenste regelgeving niet haalbaar blijkt te zijn.

De VVD-fractie stemde in met het voorstel om het swillverbod te moderniseren en uit te breiden tot alle categorieën dieren, maar zij vroeg zich af of dit wel te handhaven is.

De heer Oplaat vroeg om niet alleen aandacht te besteden aan de producenten, maar ook aan de consumenten, omdat voedselveiligheid ook kan inhouden dat er voorlichting wordt gegeven over hygiëne op het aanrecht en de koelkast. De Gezondheidsraad en de pluimveesector hebben hiervoor een waarschuwing op vlees voorgesteld.

De heer Waalkens (PvdA) merkte op dat in de diervoedersector inspanningen worden gepleegd om de controle op de grondstoffen te vergroten. De voedselveiligheid kan worden vergroot en de aansprakelijkheid kan worden geregeld, als deze keten goed in kaart is gebracht. Bij dit beleid is een heldere scheiding nodig van de verantwoordelijkheden van overheid en bedrijfsleven. Deze kan worden bevorderd door een aanspreekpunt voor voedselveiligheid op te zetten, zoals het bureau Berenschot heeft geadviseerd. Vanuit dat aanspreekpunt moeten duidelijke lijnen worden uitgezet naar de Rijksdienst voor de keuring van vee en vlees, de Keuringsdienst van waren en de AID.

In het beleidsbesluit diervoeder staat het voorzorgsprincipe centraal. Het uitgangspunt is "bij twijfel niet inhalen". Bij calamiteiten moeten eerst preventieve maatregelen met een brede werking worden genomen. In het algemeen zijn de producenten aansprakelijk voor de producten die zij op de markt brengen. Het voorzorgsprincipe kan hierbij juridische consequenties hebben, ook op het vlak van de proportionaliteit.

Binnen Europa wordt gestreefd naar harmonisatie van beleid, maar er is toch sprake van een kopgroep en een groep landen die in slow motion achter de richtlijnen aanloopt. De landen in de kopgroep moeten geen vertraging ondervinden van de landen die onvoldoende mee kunnen komen. De Nederlandse wetgeving loopt niet altijd voorop, want er zijn nog wel problemen bij de implementatie van sommige EG-richtlijnen.

De heer Waalkens stemde in met het "nee, tenzijprincipe" bij de stofgerichte benadering. Er zijn drie categorieën in het beleidsbesluit. In de eerste categorie worden geen risico's aanwezig geacht. Bij de tweede categorie is alles verboden, omdat er onevenredige risico's zijn. De vraag is hoe swill en de andere producten in deze categorie worden verwerkt. Bij de derde categorie moeten de producenten aantonen dat er geen risico's zijn. Welke normen worden hierbij toegepast? Er moet een evenwichtige, fatsoenlijke risico-evaluatie plaatsvinden, die is verankerd in de EVA en in de nationale wetgeving.

Bij de Destructiewet is het van belang dat er op termijn een verbod komt op het bijmengen van hoogrisicomateriaal bij de verwerking tot diermeel. In het debat over voedselveiligheid gaat het niet alleen om objectieve veiligheid, maar ook om de subjectieve beleving van consumenten dat het eten dat zij op hun bord krijgen, veilig is. Daar past het verwerken van kadavers tot diermeel niet in.

Er is commotie ontstaan over de financiële lasten die voortkomen uit de wijziging van de Destructiewet. Bovendien zijn er volgens de brief van 27 juni grote lekverliezen opgetreden in de categorie schapen en lammeren. De heer Waalkens was van mening dat er geen gescheiden ophaalsysteem moet zijn, maar één systeem om alle kadavers linea recta naar de verbrandingsovens te brengen. Het uitgangspunt bij de financiering is dat de vervuiler betaalt. Er vindt nog discussie plaats over de tarieven die het destructiebedrijf Rendac met de ministeries van VWS en LNV moet vaststellen. De accountants zijn nog bezig om de tarieven vast te stellen voor de aanbieders van materialen, die met terugwerkende kracht tot maart zullen gelden. De heer Waalkens stemde ermee in dat de minister van VWS ruimte heeft geboden aan de sector om voorstellen te doen voor een alternatieve financieringsmethode, mits deze kostendekkend is.

De heer Meijer (CDA) legde de nadruk op de noodzaak van harmonisatie binnen Europa, omdat de concurrentiepositie anders in het geding komt. Versterking van de controle, onder andere aan de grens en handhaving van een verbod op bepaalde grondstoffen heeft grote personele en financiële consequenties. Ten tijde van de dioxinecrisis heeft de Europese Commissie een vernietigend oordeel geveld over de situatie in Nederlandse vetsmelterijen. Daarna werd in een rapport van het bureau Berenschot geconcludeerd dat er moet worden gestreefd naar betere coördinatie en informatie-uitwisseling tussen de controlerende instanties. Wanneer wordt het Europees verbod op het wegmengen in veevoeder verwacht?

Het is van belang dat de HACCP-benadering wordt vastgelegd in Europese regelgeving. Bepaalde categorieën vetten die een gevaar opleveren voor de volksgezondheid, moeten worden verboden, maar dan moet er ook controle plaatsvinden op waar die vetstromen naartoe gaan. Alternatieve verwerking of afvoer ervan leveren extra kosten op voor de sector. De veevoederbranche krijgt te maken met extra kosten, omdat zij vetvervangers moet gebruiken. De heer Meijer vroeg naar de resultaten van de risicoanalyse en de termijn waarop hierover overeenstemming in Brussel is te verwachten.

Bij de toelaatbaarheid zijn verschillende categorieën vastgesteld. De "nee, tenzijcategorie" vormt de grote uitzondering op de Europese regelgeving en is daarmee de meest kwetsbare categorie. Onder welke categorie vallen de restproducten van fabrikanten van koekjes of gebak? Dit is zeer onschuldig materiaal, waar veel eiwit in zit. Het wordt door sommige veevoederproducenten gebruikt, omdat zij dan minder andere grondstoffen hoeven te gebruiken. De heer Meijer was van mening dat het heel waardevol kan zijn om restproducten uit andere industrieën te verbruiken in het veevoer.

Het is van belang om te komen tot een goede
verantwoordelijkheidsverdeling, waarbij de overheid de kaders vaststelt, terwijl de sectoren de uitvoering ter hand nemen en daarop afgerekend worden. De PBO's dienen wel voldoende instrumenten te hebben, ook in de zin van sancties, om deze taak adequaat uit te voeren. De financiële consequenties hiervan zijn nog niet geheel duidelijk. Er wordt structureel 5 mln. vrijgemaakt om het toezicht te versterken. Van de sector wordt het grootste deel van de inspanningen verwacht. De kosten worden grotendeels gedragen door het bedrijfsleven, maar de overheid maakt zich er op deze manier wel makkelijk van af.

De heer Meijer merkte op dat de reacties van de LTO, het PVV, het productschap voor margarine, vetten en oliën, de pluimveeverwerkende industrie (NEPLUVI), de organisatie van graanhandelaren, het productschap diervoeder en de overleggroep producenten natte veevoeders zeer kritisch zijn. Zij voelen zich gesteld voor een nodeloze kostenverhoging op emotionele gronden, waarbij sprake is van gejojo met het voorzorgsprincipe en voorbij wordt gegaan aan het probleem van de importen. De heer Meijer vroeg of de staatssecretaris deze reacties wilde betrekken bij haar voornemens, zodat er niet alleen tegemoet wordt gekomen aan consumer concerns, maar ook aan company concerns.

Het is nog niet gelukt om helemaal orde op zaken te stellen, gezien de brief van de minister van LNV van 5 juni jl. over Ierse BSE-gevallen. Er zijn berichten dat de overheid heeft geprobeerd deze zaak in de doofpot te stoppen. Er moet controle zijn op wat er binnen wordt gehaald, maar het is in veel gevallen onmogelijk om goede waarborgen te geven, zolang er geen Europees verbod op invoer van destructiemateriaal is.

Een eenzijdig verbod op het verwerken van kadavers is moeilijk te dragen voor het bedrijfsleven. Dit leidt tot een lastenverhoging van
75 mln. per jaar, terwijl de marges in deze sector niet groot zijn. Deze structurele kostenverhoging voor het verbranden van kadavers kan illegale praktijken, zoals het dumpen van dode geiten en schapen, in de hand werken. Bij de behandeling van de Destructiewet is gewezen op de monopoliepositie van Rendac. Minister Borst heeft haar zorgen geuit over de consequenties van het doorberekenen van de kosten aan de ondernemers. De heer Meijer vroeg om het rapport over lekverliezen nog een keer apart te bespreken. Hij merkte op dat in de motie-Eisses-Timmerman een overgangstermijn van vijf jaar, met gedeelde financiering, is voorgesteld.

Bij het diervoederbeleid is er een categorie van primaire, plantaardige producten en grondstoffen die ontstaan als restproduct van industriële bereiding van voedselproducten uit landbouwgewassen. Deze geeft geen problemen. Er is een categorie van grondstoffen waarvan het gebruik zonder meer is verboden, zoals mest, swill, resten van siergewassen, slib, biermassa of bepaalde vetstromen. Bij de derde categorie, de "nee, tenzijcategorie", kan niet zonder meer worden aangenomen dat de grondstoffen te allen tijde vrij zijn van ongewenste componenten. Welke producten vallen hieronder? Een van de conclusies van de risicoanalyse is dat risico's bij gekanaliseerd en gecontroleerd verwerken en bij de handhaving van het verbod niet uitgesloten kunnen worden. Daarom wordt het verbod gehandhaafd en de controle geïntensiveerd.

De heer Meijer merkte op dat de grenzen van het redelijke wel in acht moeten worden genomen. Volgens allerlei deskundigen is het voedsel veiliger dan ooit. Er moet nog nadere discussie plaatsvinden over het "nee, tenzijprincipe". De staatssecretaris heeft gezegd dat het niet alleen gaat om voedselveiligheid, maar ook om het bereiken van meer maatschappelijke acceptatie en het wegnemen van een gevoel van onbehagen bij de consument. Gezien de geringe financiële bijdrage van het rijk, zijn het imago en de consumer concerns vooral een aangelegenheid voor de sector zelf.

De heer Van der Vlies (SGP) merkte op dat het vertrouwen van consumenten in voedselveiligheid is geschokt door de dioxineaffaire en andere incidenten bij de overgang tussen de agrarische sector en de humane sector in de voedselketen. Het voorzorgsbeginsel is een belangrijk onderdeel van het beleid op dit gebied. Het organiseren van gezaghebbende acties, bij voorkeur in internationaal verband, is van belang om het consumentenvertrouwen in stand te houden, maar de primaire verantwoordelijkheid voor de veiligheid van diervoeders ligt bij de ondernemers.

De heer Van der Vlies vroeg wat deze sector op korte termijn kan verwerken, gelet op de concurrentiekracht en de internationale omgeving, de interactie tussen ge- en verboden, de controle en de handhaafbaarheid. Het is duidelijk dat er wat moet gebeuren, maar verschillende organisaties hebben gewaarschuwd dat Nederland zich te ver van de omgeving verwijderd door te kiezen voor het "nee, tenzijprincipe". Als Nederland voorop loopt op de omgeving, wordt de import gevoeliger en controle aan de grens meer noodzakelijk.

De destructie van kadavers kan een probleem vormen voor de houders van kleinere diersoorten, zoals schapen, lammeren en geiten. Als er hoge tarieven worden ingevoerd in vergelijking met de waarde van het dier, kan dat leiden tot vluchtgedrag door kadavers clandestien te dumpen. De minister van VWS heeft de sector gevraagd voorstellen te doen voor een andere financiering. Er zijn voorstellen gedaan om de frequentie van het ophalen en daarmee de kosten terug te brengen, maar dat kan ertoe leiden dat kadavers een week of langer in een koelcel moeten worden bewaard. De handhaafbaarheid van de Destructiewet is een groot punt. Op een boerenerf is het moeilijk te controleren of er kadavers worden begraven.

Uit de brief van 26 juni van de staatssecretaris blijkt dat er in België twee dieren zijn geslacht, waarbij naar verwachting niets aan de hand is. Toch schuilt hierin een risico dat geëlimineerd moet worden. Er komt nog een brief over de aanscherping van de EG-richtlijn over controle op controle. Er zijn grote verschillen tussen de controlesystemen in de lidstaten, maar zij moeten gelijkwaardig zijn.

De heer Poppe (SP) merkte op dat de schakel tussen diervoeders en humane voeding eigenlijk alleen het dier is. Het Landbouweconomisch instituut heeft in een rapport geconcludeerd dat ongeveer 38% van de mensen op het platteland onder de armoedegrens leven, terwijl deze mensen hun brood moeten verdienen door voedsel te produceren. Als er heel weinig inkomen komt uit een bedrijf, moet er op alle extra kosten worden bezuinigd, zoals op het verwijderen van kadavers of risicomateriaal. In de stad zijn er allerlei ontheffingen bij gemeentelijke tarieven voor mensen met lage inkomens. De heer Poppe vroeg of er een ontheffing of een lager tarief mogelijk is voor mensen met een laag inkomen die kadavers moeten laten verwijderen.

De tarieven worden bepaald door Rendac, een BV van de zuidelijke land- en tuinbouworganisatie. Er is een motie-Poppe aangenomen dat niet Rendac, maar het bedrijf dat de kadavers verwerkt, deze moet ophalen. De uitvoering van die motie kan tariefverhogend werken. Als de kadavers met dezelfde wagen worden opgehaald, kan specifiek risicomateriaal worden gemengd met gewoon materiaal.

Met de diervoeders wordt nog steeds gerommeld, omdat er mogelijkheden worden gezocht voor een zo rendabel mogelijke bedrijfsvoering. Hoe wordt gecontroleerd welke restproducten in het diervoeder terechtkomen? Daarnaast is de import een probleem. Bij vetsmelterijen wordt er gekeken naar de zuurgraad en naar de polymeren. Als het vet niet te heet is geweest, wordt het gebruikt als grondstof in de diervoederindustrie. Bij een bezoek aan zo'n vetsmelterij stond er een grote tankwagen dierlijk vet uit Ierland te lossen, een restproduct uit een kustvaarder die in Amsterdam was gelost.

In het hele tracé kunnen fouten worden gemaakt: bij de inzamelaars, de verwerkers in de eerste lijn, bij de verwerkers in de tweede lijn die er misschien nog wat bijmengen en daarna bij de eindverwerkers die er diervoeder van maken dat via een handelaar naar de boeren gaat. Het productschap en de bewindslieden komen met goede voorstellen, maar in de afvalverwerkende industrie komen de onderwereld en de bovenwereld bij elkaar, als het gaat om reststoffen. Er is ook wel eens citruspulp geweest die met dioxine verontreinigd bleek te zijn en in een centrale verbrand moest worden. Er kunnen ook genetisch gemodificeerde voedingsgewassen, zoals soja en maïs, door diervoeders worden gemengd. De heer Poppe vroeg of bekend is in welke mate dit voorkomt en wat de effecten ervan zijn op dieren en mensen. Vooral runderen hebben een kwetsbare gezondheid en spijsvertering, wat nog wordt versterkt door de hoge productie.

Al die grondstoffen moeten worden gecontroleerd en daarvoor moet men terug naar de bron. De mengvoederindustrie die een grondstof zoals vloeibare vetten inneemt, moet met laadpapieren kunnen aantonen waar deze vandaan is gekomen, zodat de weg terug gevolgd kan worden, net als bij gevaarlijk afval moet gebeuren door de Milieu-inspectie- en opsporingsdienst (MIOD).

Er is een steekproefsgewijze controle nodig naar de kwaliteit van zelfgeproduceerde voeding, zoals kuil, bijvoorbeeld door de veterinaire dienst. Er zijn grote kwaliteitsverschillen tussen kuilen, die te maken hebben met de manier van kuilen, het gebruikte gewas, de grondsoort en het klimaat. Bij een natte zomer kan er schimmel in komen. Dat kan weer effect hebben op de gezondheid van de dieren en de kwaliteit van de diervoeding. De heer Poppe vroeg de staatssecretaris of hierop controle kan plaatsvinden, vooral in kwetsbare gebieden.

Bij swill kan gemakkelijk vermenging plaatsvinden. De heer Poppe vroeg de staatssecretaris of zij middelen heeft om de herkomst van de grondstoffen te controleren, waarbij ook moet worden nagegaan of er virussen of bacteriën in zitten.

De heer Ter Veer (D66) herinnerde eraan dat de financiële gevolgen en de schade aan het consumentenvertrouwen en aan het imago niet te overzien zijn als er iets fout gaat, zoals bij de dioxine in de melkveehouderij. Uit de berichtgeving over de laatste PCB-affaire blijkt dat er nu snel wordt opgetreden tegen dit soort gerommel.

De verantwoordelijkheid ligt bij het bedrijfsleven, dat volgens het voorzorgsprincipe zorgvuldig dient te werken. Bij de kaderwet diervoeders wordt geprobeerd te komen tot een integrale, sluitende ketenbewaking van merkproducten die met garanties zijn omkleed. Het idee "van zaadje tot karbonaadje" kan de verkoop bevorderen. Nederland loopt hiermee misschien voorop, maar dat kan ook als een sterk punt worden gezien. De Nederlandse veehouder zal zich dan wel twee keer bedenken, voordat hij een ramsjpartij veevoer uit de omringende landen laat komen. De heer Ter Veer vroeg hoe wordt gecontroleerd dat er geen zuiveringsslib of gerecycled vet in veevoer wordt verwerkt of wordt geïmporteerd.

De regering delegeert de uitvoering aan de productschappen. Het bedrijfsleven moet daarbij wel meewerken. Net als bij melkveehouders die geen melk meer kunnen leveren, wanneer zij niet aan de KKM-voorwaarden (ketenkwaliteit melk)voldoen, moet het mogelijk zijn dat de productschappen diervoerders en vee en vlees tegen bedrijven aan het begin van de keten zeggen dat zij zich aan de normen moeten houden. Uiteindelijk moet dit weer gecontroleerd worden door de regering. De vraag is of de keuringsdienst van waren, de Rijksdienst vee en vlees en de AID voldoende mankracht hebben, zodat zij prioriteit kunnen geven aan een sluitende, geloofwaardige aanpak. Hierbij is het samenspel met de Keuringsdienst diervoedersector (KDD) van groot belang.

Er is besloten om te komen tot een verbod op het vervoederen van swill, omdat risico's hierbij niet uit te sluiten zijn. In de zomer zijn er veel etensresten die afkomstig zijn van de catering bij de vliegtuigen. Hoe vindt de controle plaats in deze moeilijke periode?

Tegen alle verwachtingen in komt er een verbod op het vervoederen van kadavers. Tot voor kort was hier unaniem verzet tegen, maar nu is het in Nederland verboden en dat zal ook in Europa gebeuren. De kadavers moeten nu worden verbrand. Rendac heeft hiervoor een veel te ingewikkeld systeem ontwikkeld, misschien omdat het een soort "bad loser" is die zijn huid duur wil verkopen. Er zijn ingewikkelde brieven verstuurd dat er twee soorten dode dieren zijn die de boeren aan de weg mogen leggen en moeten merken. Als zij verkeerd merken, kunnen zij aansprakelijk worden gesteld voor de schade, als beide soorten in dezelfde vrachtwagen komen en verkeerd worden afgevoerd. De simpelste oplossing is om alle kadavers in één wagen rechtstreeks naar de verbrandingsoven te laten afvoeren.

De heer Ter Veer was van mening dat dit proces te traag verloopt en dat bij de onderhandelingen met Rendac duidelijk moet zijn dat dit bedrijf geen monopoliepositie dient te hebben, maar dat de AVR of andere afvalverwerkende bedrijven deze taak ook kunnen oppakken, omdat hierbij veel geld omgaat. Er kan een ophaalsysteem worden ontwikkeld, met een maalderij voordat het de oven in gaat, terwijl er wat natte swill bij wordt gemengd.

Om te voorkomen dat schapen in een kanaal worden gedumpt in plaats van te worden aangeboden als afval stelde de heer Ter Veer voor dat de staatssecretaris met de LTO een systeem ontwikkelt met een heffing per geslacht dier. Hierdoor ontstaat een omslagpot waaruit het ophalen van kadavers kan worden gefinancierd. Een bedrijf met veel dode dieren hoeft het opruimen daarvan dan niet uit de eigen portemonnee te betalen, maar dat wordt uit de omslag betaald. Er is dan wel schade omdat die dieren dood zijn gegaan, maar geen financiële prikkel om deze dieren niet aan de weg te leggen.

De heer Ter Veer vroeg of er al een paardencrematorium is en hoe gestorven paarden daarheen vervoerd kunnen worden. In Engeland schijnt wel een paardencrematorium te zijn, maar het vervoer daarheen is dan weer een probleem.

Het antwoord van de regering

De staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij deelde mee dat met het beleidsbesluit diervoeder, reeds aangekondigd in de nota "Kracht en kwaliteit", wordt beoogd om de kwaliteit van het diervoer te verbeteren op grond van het voorzorgsbeginsel. De consument heeft er belang bij dat het stelsel van voedselproductie op een veilige manier is ingericht. Het voedsel is misschien veiliger dan het ooit is geweest, maar er hebben zich incidenten voorgedaan met dioxine in citruspulp en in Belgisch vet waar lering uit getrokken moet worden, omdat zij grote financiële consequenties hebben gehad voor de primaire sector, de mengvoederfabrikanten, de verwerkende industrie en voor de overheid.

De beleidsmaatregelen moeten erop gericht zijn om het vertrouwen van de consument te herstellen en de kans op incidenten zo klein mogelijk te maken, ook al is een leven zonder risico's niet mogelijk. Hierbij gaat het om de manier waarop de productieketen is ingericht en de eisen en de normen die door de overheid worden gesteld aan de dierlijke producten die aan het begin van de productieketen van het voedsel zitten.

Een belangrijk aspect bij de uitwerking van het beleid is een heldere verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en bedrijfsleven. De staatssecretaris merkte op dat de overheid de eigen normen en regels veel duidelijker dan tot nu toe moet controleren. Er zijn allerlei instanties voor onderzoek, toezicht en controle. De samenwerking tussen deze instanties wordt ook verbeterd. Bij de controle is van groot belang wat door het bedrijfsleven zelf wordt gedaan, maar de verantwoordelijkheid hiervoor is een publieke taak. Er vindt nog overleg plaats met het productschap over de uitwerking hiervan door de KDD.

Het is van groot belang om onderscheid te maken tussen afvalproducten die als zodanig behandeld dienen te worden en waardevolle reststoffen die voor diervoeder kunnen worden gebruikt. Een complicerende factor bij de incidenten was dat de grondstoffen uit allerlei landen afkomstig zijn. Omdat er nog te veel risico is dat er verontreinigingen voorkomen, moet de productie stringenter worden gecontroleerd, ook wat betreft het logistieke traject.

Er zijn drie categorieën grondstoffen bij de verwerking tot diervoeder. Over de stoffen in de categorieën ja of nee is discussie niet nodig. Bij de derde categorie is voor gebruik in diervoeder duidelijkheid nodig over de risico's Bij een aantal stoffen, zoals restproducten bij een fabriek van koekjes en gebak, kan na een nadere analyse worden gezegd dat zij waardevolle restproducten zijn die in de "ja-categorie" vallen. De bewijslast bij de stoffen in de categorie met enig risico, dat nader bestudeerd moet worden, ligt bij het bedrijfsleven, terwijl de overheid moet zeggen of deze stof kan worden gebruikt. Hierover komt aan het eind van het jaar meer duidelijkheid.

Hoewel over het voorzorgsbeginsel niet tot achter de komma duidelijkheid is te krijgen, is het toch een belangrijk principe. Het bewijs van mogelijke risico's is niet altijd sluitend, wetenschappelijk te geven, maar bij een aannemelijk risico, waarvoor concrete aanwijzingen voorhanden zijn, wordt uit voorzorg gehandeld.

Het is begrijpelijk dat over bepaalde onderdelen van het beleid, zoals swill, kadavers of de hoogte van de kosten, kritische geluiden komen, maar over het algemeen is er grote bereidheid bij het bedrijfsleven om gezamenlijk te komen tot een evenwichtige invulling van het diervoederbeleid en van het voorzorgsbeginsel. Het productschap diervoeder heeft een plan van aanpak opgesteld, waarin de HACCP-eisen zijn verwerkt en denkt mee over de inrichting van controlesystemen. De mengvoederindustrie heeft voorgesteld om te komen tot een platform van bedrijfsleven en overheid om de zaken te bespreken, niet alleen in rustige tijden, maar ook in tijden van nood. Dat er een goede verstandhouding is met het bedrijfsleven blijkt ook uit het feit dat de staatssecretaris het beleidsbesluit heeft gepresenteerd als gast van een mengvoederfabrikant, in aanwezigheid van de voorzitter van de NeVeDi, die heeft bevestigd dat de veevoederfabrikanten hiermee uit de voeten kunnen.

De staatssecretaris onderstreepte dat de overheid in een crisissituatie invulling moet kunnen geven aan haar zelfstandige verantwoordelijkheid, gelet op het consumentenvertrouwen. Als de overheid bepaalde maatregelen moet nemen, kan zij niet wachten tot er consensus binnen het platform ontstaat. Als het platform in vredestijd goed functioneert, is de kans groot dat men het er in een crisissituatie over eens is wat wijsheid is.

Op de nadere vraag of bepaalde bedrijven moeten worden uitgesloten van het leveren van grondstoffen, antwoordde de staatssecretaris dat dit een kwestie van uitwerking van het beleidsbesluit is. Hierover vindt overleg plaats met het bedrijfsleven. In het bovenste segment van de sector worden eisen gesteld aan en kwalificaties gevraagd van de grondstoffenleveranciers en zij worden eruit gegooid wanneer zij daar niet aan voldoen. De staatssecretaris was van mening dat op deze manier de verantwoordelijkheid binnen de keten bij de sector zelf kan worden gelegd.

Het uitgangspunt is dat de grondstoffen van onbesproken kwaliteit moeten zijn. Als er bepaalde normen worden gesteld voor grondstoffen, kan niet worden gezegd dat er kan worden weggemengd, omdat het in het eindproduct misschien nog wel meevalt. Omdat het risico van incidenten moet worden uitgesloten, is dat niet meer aan de orde. Er worden normen ontwikkeld voor verontreinigende stoffen om risico's bij gebruik in diervoeder uit te sluiten. Als men na bijmenging onder die norm komt, kunnen er toch incidenten ontstaan door het gebruik van die risicovolle stoffen, wanneer wordt toegestaan dat risicovolle stoffen die een te hoge norm hebben, worden weggemengd.

Voor een groot aantal schadelijke stoffen waarmee de grondstoffen verontreinigd kunnen zijn, zoals arseen, lood, cadmium, residuen van bestrijdingsmiddelen en schadelijke stoffen die van nature in organisch materiaal aanwezig kunnen zijn, zijn de normen vastgelegd in regelgeving van de Europese Unie.

De commissie risicovolle voedermiddelen is van mening dat er gerichter moet worden gewerkt aan aanvullende normstelling voor schadelijke stoffen zoals PCB's en myxotoxines. Het Productschap diervoeder heeft hiervoor al normen opgesteld en deze zijn in Brussel aangeboden ter notificatie. De goedkeuring neemt een aantal maanden in beslag. Daarna treden deze normen in werking. In het Witboek Voedselveiligheid staan ook veel maatregelen op dit gebied, waarbij bepaalde data zijn vermeld. Binnen een à twee jaar worden deze normen ingevuld en deze maatregelen uitgevoerd.

Als het gaat om de kwaliteit van het voedsel, is er helemaal geen bezwaar tegen om voorop te lopen. Waarschijnlijk loopt Nederland ook niet voorop, want sommige landen, zoals de Scandinavische landen en België, zijn veel actiever bij het nemen van verantwoordelijkheid door strenge maatregelen. De onderdelen van de verwerkende industrie die rechtstreeks met de consument te maken hebben, vinden veelal dat het in België beter gaat dan in Nederland, omdat het beleid volgens hen niet duidelijk en niet streng genoeg kan zijn.

Het verbod op het gebruik van swill in diervoeder is staand beleid. Er heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de vraag hoe verstandig het is om swill buiten diervoeder te laten en of de handhaving het noodzakelijk maakt om dat op een andere wijze aan te pakken. De rapporten hierover hebben geleid tot de conclusie dat swill op bredere schaal verboden moet worden. Gebleken is dat zowel in de situatie van gekanaliseeerd en gecontroleerd verwerken van swill, als bij handhaving van het swillverbod risico's niet kunnen worden uigesloten. Daarom heeft de staatssecretaris besloten om de regels van het bestaande verbod aan te scherpen. Ook bij een gekanaliseerde verwerking van de enorme hoeveelheden etensresten die bij vliegtuigen, restaurants, verzorgingstehuizen, ziekenhuizen en kazernes overblijven, is er een risico dat er schadelijke elementen in zitten. Om dit risico zo klein mogelijk te maken, is het noodzakelijk om de handhaving aan te scherpen door een algeheel verbod.

Het swillverbod is nu ondergebracht bij de Veewet. Bij de modernisering ervan wordt het overgebracht naar de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren dan wel naar de Kaderwet diervoeder, zodat er op grond van de Wet economische delicten zwaardere sancties kunnen worden ingezet bij eventuele overtredingen.

De handhaving wordt vereenvoudigd door de bestaande verbodsregeling voor veehouderijbedrijven uit te breiden tot een verbod op het voorhanden hebben van swill op bedrijven die grondstoffen gebruiken bij de bereiding van diervoer. Het vervoederverbod van swill dat nu alleen nog geldt voor varkens, pluimvee en rundvee, wordt uitgebreid tot alle diercategorieën, dus bijvoorbeeld ook het pet food en nertsen. Nertsen maken weliswaar geen onderdeel uit van de voedselketen, maar uit het oogpunt van handhaving kan de verleiding bestaan om swill dan ook ergens anders voor te gebruiken. In overleg met het ministerie van VROM wordt nagegaan of de afvalstoffenregeling kan worden gebruikt om het vervoederen van swill te voorkomen. Met deze beleidsintensiveringen kan het swillverbod effectiever worden aangepakt.

Op de nadere vraag van de heer Meijer of het slachtafval van visafslagen en kippenslachterijen dat bij pelsdierhouderijen wordt gebruikt, ook als swill wordt gezien, antwoordde de staatssecretaris dat het hierbij niet gaat om voedselresten die al zijn verwerkt en vervolgens weer in de keten terechtkomen. Regelrecht slachtafval kan worden beschouwd als materiaal met een laag risico en mag dus wel gebruikt worden.

Bij de herziening van de Destructiewet is de motie-Poppe/Ter Veer aangenomen over het verwerken van kadavers in diervoeder. De staatssecretaris had hierover gezegd dat deze prematuur was en bij de nota over diervoeder zou worden betrokken. Alles overziend is de conclusie dat het verstandig is om kadavers niet meer toe te staan als onderdeel van diervoer. De reactie van sommige onderdelen van het bedrijfsleven is dat dit te ver gaat, omdat er geen wetenschappelijke onderbouwing voor is. Daar staat tegenover dat men rekening moet houden met consumer concern, het voorzorgsbeginsel en het imago van de diervoedersector. Het algehele verbod op de verwerking van kadavers in diervoer is wel degelijk gebaseerd op een wetenschappelijk advies, waarin een benadering wordt gegeven van hoeveel gevaar dit oplevert. Op grond van emotionele en de ethische argumenten werd geconcludeerd dat het verstandig is om dit niet meer toe te laten.

Het uitgangspunt van de recente wijziging van de Destructiewet is dat de verwerking, het ophalen en de destructie van dit soort hoogrisicomateriaal voor rekening is van degene die het aanlevert. Volgens sommigen in de sector is de prijs die hiervoor betaald moet worden, 75 mln., te hoog, maar andere primaire producenten van diervoeder vinden het van groot belang dat kadavers niet meer worden vervoederd.

Een punt van zorg hierbij is dat dit grote consequenties heeft voor een individuele boer, ertoe kunnen leiden dat er de hand mee wordt gelicht. De minister van VWS en de staatssecretaris zullen op basis van daartoe van het bedrijfsleven te ontvangen voorstellen voor alternatieve (kostendekkende) financiering, overleg voeren met de sector om binnen het kader van de wet met alternatieve voorstellen voor de tariefstructuur te komen. Het voorstel om te komen tot een heffing per geslacht dier kan hierbij worden betrokken door het bedrijfsleven.

De staatssecretaris verwachtte dat er medio volgend jaar een Europese regeling is. Als deze er dan nog niet is, is een moment van bezinning in overleg met de Kamer mogelijk. De sector moet voorbereid zijn op het implementeren van dit voornemen, dat wil zeggen dat er voldoende vernietigingscapaciteit moet zijn. De uitgangspunten bij het beleid zijn dat het Europees wordt geregeld en dat het wordt betaald door het bedrijfsleven.

De staatssecretaris bevestigde dat alle veehouders in april 2000 een brief hebben gekregen van HR Service Nederland BV dat de SRM-kosten op grond van de nieuwe Destructiewet voor rekening van de bedrijven komen en niet van de overheid. De tarieven moeten door Rendac met terugwerkende kracht tot 3 maart worden vastgesteld. De accountantsdienst van het ministerie van VWS onderzoekt jaarlijks de kosten van destructiebedrijven van het ophalen en vernietigen van SRM, maar de laatste gegevens van Rendac zijn pas half juni ontvangen. Er wordt een protocol gemaakt om te zorgen dat deze onwenselijke gang van zaken niet meer voorkomt. De tarieven moeten worden vastgesteld in het jaar voorafgaand aan het jaar waarin zij moeten gelden. De tarieven moeten worden verhoogd, omdat de aanpassing van de wet waardoor SRM-materiaal voor rekening van de aanbieder komt, hierin doorwerkt, maar de systematiek is niet anders dan in andere jaren.

De vaststelling van de tarieven valt onder de verantwoordelijkheid van de minister van VWS, die hierover overleg voert met de bewindslieden van LNV. Naar verwachting kan het onderzoek half juli worden afgerond. Het voornemen tot instemming wordt schriftelijk medegedeeld aan beide Kamers der Staten-Generaal. Deze instemming mag niet eerder worden verleend dan nadat vier weken zijn verstreken na die mededeling. Rekening houdend met het zomerreces zal de tariefstelling niet voor half september plaatsvinden.

Naar aanleiding van de motie-Poppe/Ter Veer heeft het bureau DHV onderzoek gedaan naar de vraag of het mogelijk is om kadavers niet meer via de destructiebedrijven, maar op een andere manier naar de afvalverbranding te vervoeren. Dat onderzoek wordt spoedig afgerond. De minister zal naar aanleiding daarvan met een voorstel komen.

De staatssecretaris noemde als voorlopige conclusies van dat onderzoek dat inzameling door een ander bedrijf dan Rendac mogelijk is, omdat zeven verbranders van afval en zuiveringsslib zijn geïnteresseerd in het verbranden van SRM. Verwerking door directe verbranding bleek mogelijk te zijn. Directe verbranding na de inzameling kan voldoende zekerheid bieden over de scheiding van SRM en ander dierlijk afval. De investeringen die nodig zijn om de installaties van zo'n bedrijf op te zetten en om de kadavers voor te bereiden in de productieketen, kunnen leiden tot hogere kosten in de beginfase. Als de kosten van directe verbranding onderhevig zijn aan marktwerking en de monopoliepositie van Rendac minder sterk is, zullen de kosten van directe verbranding op den duur lager worden.

In dat rapport kan ook de vraag aan de orde komen of directe verbranding van kadavers leidt tot capaciteitsverlies bij de verwerkende industrie en of dat mag worden ondervangen door kadavers uit het buitenland te importeren om te verwerken tot diermeel. Thans is het binnen de EU reeds verboden om kadavers van dieren uit- en in te voeren. Als er een Europees verbod is om kadavers te gebruiken als grondstof voor diervoer, is er waarschijnlijk geen interessante markt meer voor welk bedrijf dan ook om dat nog te doen.

Er zijn een groot aantal maatregelen genomen om de kwaliteit van vet bestemd voor diervoerder te waarborgen. In juni vorig jaar is een dioxinenorm vastgesteld voor vet dat is bestemd voor diervoer. Medio vorig jaar hebben de AID en de RVV een intensief programma opgezet voor de administratieve controle in de vetketen en op de aanwezigheid van dioxine, PCB's en zware metalen in voedervet. In januari is de regelgeving aangescherpt. Inmiddels is er een verplichting om gebruikt frituurvet dat is bestemd voor diervoer, eerst te onderzoeken op PCB's. Het is verboden om vet dat in het land van herkomst is verboden, zoals het Belgisch frituurvet, te importeren en te gebruiken in diervoer. Er is een inspanning van de hele sector om de kwaliteitswaarborging in de voedervetketen te versterken. Erkende diervoederbedrijven mogen slechts vet afnemen van vetrecyclers die een GMP-erkenning hebben. Bij de controle op al deze maatregelen om de kwaliteit van frituurvetten te waarborgen wordt intensief samengewerkt door de inspectie milieuhygiëne en de keuringsdienst voor de diervoedersector.

Het verhaal doet de ronde dat een leverancier van veevoeder geen ruchtbaarheid wilde geven aan BSE en dat het ministerie van LNV de Kamer daarom niet had ingelicht, maar dat is niet het geval. In de tijd van de varkenspestepidemie hebben zich twee gevallen van BSE voorgedaan bij Ierse runderen van Nederlandse herkomst. Deze gevallen zijn in beperkte kring veterinair afgehandeld. De achterliggende gedachte was dat het Nederlandse parlement hierover niet hoefde te worden geïnformeerd, omdat het ging om Ierse gevallen. Een BSE-geval in Engeland is in 1999 wel breder besproken en daarover is de Kamer geïnformeerd. Er is sprake van voortschrijdend inzicht in hoe daarmee om te gaan.

De wijziging waardoor het mogelijk wordt om paarden te cremeren, is in procedure. Er wordt een algemene maatregel van bestuur ontworpen, zodat deze mogelijkheid over enige maanden wordt gerealiseerd. De staatssecretaris zegde toe schriftelijk informatie te geven over de voorwaarden voor transport van kadavers, zodat zij in de tussentijd eventueel in Engeland gecremeerd kunnen worden.

Bij volksgezondheid wordt ook aandacht besteed aan de voorlichting aan de consument over voedselveiligheid, omdat het aanrecht, de koelkast of vaatdoekjes een bron van contaminatie kunnen vormen. De staatssecretaris zegde toe dat zij hierover nader overleg voert met de minister van VWS.

De juridische consequenties van het voorzorgsbeginsel zullen nog aan de orde komen in het platform voor overleg met het bedrijfsleven. Dit is niet helemaal af te dichten in de kaderwet en hierbij zullen ook elementen van proportionaliteit aan de orde moeten komen.

De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

Ter Veer

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Essers

De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

Van Overbeeke


1 Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), ondervoorzitter, Swildens-Rozendaal (PvdA), Ter Veer (D66), voorzitter, Witteveen-Hevinga (PvdA), Feenstra (PvdA), M.B. Vos (GroenLinks), Stellingwerf (RPF/GPV), Poppe (SP), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Augusteijn-Esser (D66), Klein Molekamp (VVD), Passtoors (VVD), Eisses-Timmerman (CDA), Th.A.M. Meijer (CDA), Schreijer-Pierik (CDA), Oplaat (VVD), Hermann (GroenLinks), Geluk (VVD), Udo (VVD), Waalkens (PvdA), Schoenmakers (PvdA), Herrebrugh (PvdA), Atsma (CDA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Dijsselbloem (PvdA)

Plv. leden: Van Vliet (D66), Van Zuijlen (PvdA), Ravestein (D66), Zijlstra (PvdA), Albayrak (PvdA), Van der Steenhoven (GroenLinks), Van Middelkoop (RPF/GPV), Kant (SP), Mosterd (CDA), Scheltema-de Nie (D66), Verbugt (VVD), Cornielje (VVD), Buijs (CDA), Rietkerk (CDA), Reitsma (CDA), Patijn (VVD), Karimi (GroenLinks), Kamp (VVD), O.P.G. Vos (VVD), Belinfante (PvdA), Dijksma (PvdA), De Boer (PvdA), Van Wijmen (CDA), Te Veldhuis (VVD), Duivesteijn (PvdA)


2 Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Swildens-Rozendaal (PvdA), ondervoorzitter, Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Rouvoet (RPF/GPV), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Oudkerk (PvdA), Rijpstra (VVD), Lambrechts (D66), Essers (VVD), voorzitter, Dankers (CDA), Van Vliet (D66), Van Blerck-Woerdman (VVD), Passtoors (VVD), Eisses-Timmerman (CDA), Arib (PvdA), Spoelman (PvdA), Hermann (GroenLinks), Kant (SP), Gortzak (PvdA) Buijs (CDA), E. Meijer (VVD), Van der Hoek (PvdA), Blok (VVD), Atsma (CDA)

Plv. leden: Van 't Riet (D66), Rehwinkel (PvdA), Eurlings (CDA), Apostolou (PvdA), Schutte (RPF/GPV), Van Gent (GroenLinks), Noorman-den Uyl (PvdA), Weekers (VVD), Ravestein (D66), Örgü (VVD), Van de Camp (CDA), Schimmel (D66), Terpstra (VVD), Udo (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Duijkers (PvdA), Smits (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Marijnissen (SP), Belinfante (PvdA), Ross-van Dorp (CDA), O.P.G. Vos (VVD), Hamer (PvdA), Cherribi (VVD), Th.A.M. Meijer (CDA)

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie