Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Vaststelling begroting ministerie van VWS

Datum nieuwsfeit: 17-07-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

vso bewonersbijdragen awbz-instellingen

Gemaakt: 20-7-2000 tijd: 14:2


24


26800 XVI Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2000

nr. 114 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 17 juli 2000

In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport*) bleek er bij enkele fracties behoefte te bestaan een aantal vragen ter beantwoording voor te leggen aan de bewindsvrouwen van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over haar brief van 29 maart 2000 inzake het eindrapport Bewonersbijdragen AWBZ-instellingen van het College voor zorgverzekeringen (CVZ) (VWS00-491).

Deze vragen zijn, met de door de bewindsvrouwen bij brief van17 juli
2000 toegezonden antwoorden hieronder afgedrukt.
De voorzitter van de commissie,

Essers

De griffier van de commissie,

Teunissen
Vragen PvdA-fractie 1. De staatssecretaris geeft aan dat het CVZ de taak heeft de zorgkantoren te informeren over de interpretatie over wat tot de verstrekkingen behoort en wat niet. Bij wie ligt de verantwoordelijkheid de verzekerden over deze zaken onafhankelijk te informeren? Op welke wijze wordt dit momenteel vorm gegeven? Bent u van mening dat dit afdoende is? Zo nee, welke maatregelen treft u om deze informatie beter onder de aandacht van de bewoners te brengen? Bij wie ligt de eindverantwoordelijkheid over het wel of niet nakomen van de uitvoering van de aanbevelingen? Antwoord: In eerste aanleg verstrekt de gecontracteerde, toegelaten instelling waartoe de verzekerde zich naar vrije keuze heeft gewend, de informatie over de op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) te verlenen zorg aan de verzekerde. Daarnaast hebben de uitvoeringsorganen AWBZ, op wie ingevolge artikel 6, tweede lid, van de AWBZ de zorgplicht rust, de taak ervoor te zorgen dat de verzekerden goed worden geïnformeerd. De verbindingskantoren, de zogenoemde zorgkantoren, voeren deze taak uit namens de uitvoeringsorganen AWBZ. Zoals wij in de brief van 29 maart 2000, Z/VU-2049848, hebben aangegeven, heeft het College voor zorgverzekeringen (CVZ) een taak in het bekend maken van zijn en onze interpretatie over wat tot de verstrekking behoort. Deze taak vloeit voort uit artikel 1m van de Ziekenfondswet. Het CVZ heeft op 17 mei
2000, op ons verzoek, de zorgkantoren door middel van een circulaire over de interpretatie geïnformeerd. Een afschrift van deze circulaire treft u bijgaand aan **). De zorgkantoren nemen deze informatie mee in de afspraken met de instellingen. Zoals wij in de brief hebben aangegeven, moet het zorgkantoor zijn toezicht op de juiste naleving van het gesloten contract met de instellingen intensiveren. Het zorgkantoor kan deze taak waarmaken doordat de instelling zich moet verantwoorden in de uitvoeringsverslagen. Verder zijn wij van plan er voor zorg te dragen dat er een duidelijke brochure komt met een voor bewoners begrijpelijke uitleg wat onder de verstrekking valt. Het is onze bedoeling dat deze brochure dit jaar ter uitreiking aan de bewoners gereed is. De eindverantwoordelijkheid voor de goede uitvoering ligt bij ons. 2. Zullen de instellingen over het lopende kalenderjaar reeds een uitvoeringsverslag uitbrengen aan de zorgkantoren? Zo nee, welke maatregelen kunt u treffen om deze verslagen met ingang van dit kalenderjaar nog in te voeren? Antwoord: Dat de instellingen reeds dit jaar een uitvoeringsverslag zoals wij bedoelen, zullen uitbrengen, kan niet worden verwacht. Er moeten immers eerst afspraken gemaakt worden over de eventuele extra producten en diensten, de bewonersbijdrage en de wijze van uitvoering daarvan. 3. Wanneer zal de CVZ rapporteren over de monitoring van de uitvoeringverslagen door de zorgkantoren? Antwoord: Blijkens de circulaire van het CVZ zal de Commissie toezicht uitvoeringsorganisatie (CTU) van het CVZ de wijze waarop de zorgkantoren de controle op de uitvoering van de verstrekking door de instellingen verrichten in het jaarlijks onderzoek bij de zorgkantoren meenemen. 4. Hoe verhoudt zich de opstelling van u in voorliggende brief, waarin wordt aangegeven dat de instellingen uitvoeringsverslagen moeten gaan indienen bij de zorgkantoren, die deze beoordelen, tot berichten in de media dat u zelf met een complete lijst komt? Is deze lijst aanvullend op het invoeren van uitvoeringsverslagen of komt in plaats ervan? Antwoord: In het antwoord op vraag 1 hebben wij uitgelegd dat wij zorg zullen dragen dat er een brochure voor de bewoners komt. Daarvoor maken wij gebruik van de lijst die het CVZ heeft opgesteld. Immers, zoals wij in onze brief hebben aangegeven, nemen wij de lijst die het CVZ heeft opgesteld en waarin is aangegeven wat wel of niet onder de verstrekking valt, over. Het is verder deze lijst die door middel van een circulaire van het CVZ aan de zorgkantoren bekend gemaakt is. Uit de uitvoeringsverslagen moet blijken of de verstrekking overeenkomstig die lijst wordt uitgevoerd. De lijst van het CVZ is dus niet aanvullend, maar vormt de basis voor de brochure en de uitvoeringsverslagen. 5. Op welke wijze worden cliënten en patiënten ingelicht over producten en diensten die wel of niet tot de verstrekking behoren? Is er sprake van een voorlichtingcampagne? Worden ouderenbonden, cliënten-, patiënten- en consumentenorganisaties hierbij betrokken? Zo nee, waarom niet? Antwoord: Zoals hiervoor is aangegeven, komt er een brochure waarin aangegeven wordt wat onder de verstrekking valt. Verder is het in eerste instantie de instelling die de bewoner informeert over de door de instelling te leveren zorg. De cliëntenraad en de desbetreffende instelling zullen afspraken moeten gaan maken over de extra producten en diensten die niet tot de verstrekking behoren en welke prijs daarvoor gevraagd wordt. Cliënten en patiënten worden daarover door de cliëntenraad en de instelling geïnformeerd. Nieuwe cliënten en patiënten mogen, zoals wij hebben aangegeven, bij de intake daarover slechts in informatieve zin worden geïnformeerd. De beslissing of zij wel of niet meedoen, hoeven zij pas na de opname te nemen. In onze brief hebben wij aangegeven dat wij de desbetreffende koepelorganisaties in overweging zullen geven in overleg met de cliëntenorganisaties protocollen op te stellen over de vrijwillig af te nemen producten en diensten. Inmiddels hebben wij de Stichting Landelijke Koepel Familieraden GGZ, de Stichting Landelijke Patiënten- en Bewonersraden in GGZ, GGZ Nederland, de Federatie van Ouderverenigingen, de Landelijke Organisaties Cliëntenraden Ouderenzorg, de Federatie Nederlandse Gehandicaptenraad, het Werkverband Organisaties van Chronisch Zieken, de Nederlandse Patiënten en Consumenten Federatie, Arcares, het Coördinatieorgaan Samenwerkende Ouderenorganisaties, de Stichting Landelijke Steunpunt Cliëntenraden voorzieningscentra Gehandicapten en de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland schriftelijk daarover benaderd. De door u bedoelde organisaties zijn dus bij deze aangelegenheid betrokken. Het CVZ heeft in zijn circulaire aangegeven faciliterend te willen optreden bij het tot stand brengen van deze protocollen. 6. Kunt u inzicht geven in de systematiek van de berekening van de inkomensverbetering die bij de uitvoering van de motie Melkert gehanteerd wordt? Kunt u hierbij rekenvoorbeelden geven van de vormgeving van de aftrekposten voor het vaststellen van het bijdrageplichtige inkomen voor resp. Wajongers, bijstandsgerechtigden en AOW-ers die op zak- en kleedgeld zijn aangewezen? Betekent de gekozen systematiek dat bewoners van AWBZ-instellingen met een bijstanduitkering (die niet bijdrageplichtig zijn) geen inkomensverbetering zullen krijgen als resultante van de uitvoering van de motie Melkert? Zo ja, welke maatregelen gaat u en/of het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid treffen om voor mensen met een bijstandsuitkering alsnog de in de motie gevraagde inkomensverbetering te verwezenlijken? Met betrekking tot de aanbeveling van het CVZ om i.v.m. de financiële gevolgen van de vermaatschappelijking en normalisatie van de zorg tot bezinning te komen over de hoogte van het zak- en kleedgeld, wordt verwezen naar de uitvoering door het kabinet van de motie Melkert. Wat zijn de gevolgen van deze uitvoering voor de hoogte van het percentage zak- en kleedgeld als dat wordt berekend aan de hand van de bijstandsnorm? Is er sprake van een ophoging van dit percentage? Zo ja, hoeveel is deze ophoging? Zo nee, kunt u motiveren waarom niet is gekozen voor een ophoging? Deelt u de mening dat verhoging van het zak- en kleedgeld nodig is, omdat het huidige percentage is gebaseerd op een verouderd bestedingspatroon van 65-plussers, terwijl de huidige bewoners van AWBZ-instellingen (zowel jonger als ouder dan 65 jaar) veel meer dan vroeger voor kosten (onder meer vervoerskosten) komen te staan i.v.m. het volwaardig participeren in de samenleving? Antwoord: Bij het verbeteren van het vrij besteedbaar inkomen (dat is het inkomen na het betalen van de hoge intramurale AWBZ-bijdrage) is de gebruikelijke systematiek gehanteerd. Deze houdt in dat de aftrekposten zijn verhoogd. Het betreft een verhoging van f 50,- per maand voor alleenstaanden en f 31,12 voor gehuwden. Concreet betekent dit dat verzekerden die de hoge intramurale bijdrage betalen dit bedrag per maand extra overhouden. Verzekerden van 65 jaar en ouder krijgen dit bedrag al vanaf 1 juli 1999, de overige verzekerden houden dit per 1 juli 2000 extra over. Deze concrete verhoging is natuurlijk alleen maar aan de orde als er niet meer dan trendmatige veranderingen in de situatie van de verzekerde optreden. Bijvoorbeeld, als er forse inkomensverhogingen, forse rente- of dividendinkomsten in het berekeningsjaar hebben plaatsgevonden, kan dat een extra verhoging van de bijdrage betekenen, zodat de verzekerde minder extra overhoudt. Een beperkte groep verzekerden die alleen bijstand ontvangt krachtens artikel 31 van de Algemene bijstandswet, heeft geen bijdrageplichtig inkomen in de zin van het Bijdragebesluit zorg en betaalt derhalve de hoge intramurale bijdrage niet. Deze verzekerden profiteren dus niet van deze verhoging. De uitkering krachtens artikel 31 van de Algemene bijstandswet betreft het zogenoemde zak- en kleedgeld. Dit zak- en kleedgeld bedraagt een bepaald percentage van de bijstandsuitkering die mensen ontvangen die gewoon thuis wonen. De bijstandsnorm voor mensen die in een instelling verblijven, gaat er vanuit dat voor hen reeds voorzien is in een aantal belangrijke algemene bestaanskosten die personen die een zelfstandige huishouding voeren, wel zelf moeten betalen. Aangezien, zoals hiervoor is aangegeven, deze groep niet profiteert, zijn de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en wij overeengekomen dat er een budgetonderzoek plaatsvindt naar de hoogte van het zak- en kleedgeld op grond van artikel 31 van de Algemene bijstandswet. Op basis hiervan zal vervolgens een beslissing genomen worden.

Er is dus geen sprake van een ophoging met een percentage, omdat gekozen is voor dezelfde vaste bedragen die gelden voor verzekerden van 65 jaar en ouder sinds 1 juli 1999. Wij kunnen voor de bewoners van AWBZ-instellingen alleen maar iets regelen via de eigen bijdragen AWBZ. Een andere mogelijkheid van "inkomensverbetering" bij AWBZ-bewoners hebben wij niet. Wij kunnen er alleen maar voor zorgen dat het bijdrageplichtige inkomen lager wordt. Het bijdrageplichtige inkomen wordt berekend aan de hand van optel- en aftrekposten. Dus óf de optelposten moeten worden verlaagd, óf de aftrekposten moeten worden verhoogd, wil het bijdrapeplichtige inkomen, en daardoor de bijdrage, lager worden.

De mening dat de huidige bewoners van AWBZ-instellingen veel meer dan vroeger voor kosten komen te staan, delen wij niet. Wij zijn verder van mening dat het vrij besteedbaar inkomen nu zodanig is dat volwaardig kan worden geparticipeerd aan de samenleving, voor zover de gezondheidssituatie van de verzekerde dat toelaat. Vragen VVD-fractie 7. Waarom heeft u gekozen voor de ingewikkelde route om het CVZ te vragen via een circulaire aan de zorgkantoren bekendheid te geven aan zijn interpretatie over wat tot de verstrekking behoort en aan het feit dat deze interpretatie door u wordt onderschreven, in plaats van rechtstreeks en nog eens helder aan de brancheorganisaties, koepelorganisaties van
cliënten/consumenten en aan het CVZ te laten weten wat per sector tot de verstrekking AWBZ behoort? Antwoord: Omdat dat een taak van het CVZ is. Het CVZ heeft immers de taak op landelijk niveau de uitvoering van de AWBZ door uitvoeringsorganen te coördineren en te bewaken. Echter, zoals wij hiervoor al hebben aangegeven, zullen wij zelf zorgdragen voor een brochure voor de verzekerden. 8. Wat moet het zorgkantoor, zonder juridische status, aanvangen na het ontvangen van de circulaire van het CVZ over de interpretatie van het CVZ en het feit dat deze interpretatie door de bewindslieden wordt onderschreven? Moeten de zorgkantoren elk op zich de instelling in hun regio aanschrijven, en moeten de instellingen dit dan weer aan hun brancheorganisatie doorgeven? Moeten de zorgkantoren dan zelf elk voor zich in hun regio de cliënten/consumenten organisaties inlichten? Achten de bewindsvrouwen dit niet een extra verbureaucratisering van de taken die de zorgkantoren in toenemende mate op hun bordje geschoven krijgen? Antwoord: In de eerste plaats moeten de zogenoemde zorgkantoren, dat zijn de verbindingskantoren als bedoeld in artikel
1, onder c, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering, op de hoogte gesteld worden van de inhoud van de verstrekking. De zorgkantoren sluiten namens de uitvoeringsorganen AWBZ overeenkomsten met instellingen die de AWBZ-zorg verlenen. Het zorgkantoor moet nagaan of het gesloten contract met de instellingen juist wordt nageleefd. Zoals wij in onze brief hebben aangegeven, willen wij dat het zorgkantoor hier nog meer aandacht aan gaat besteden. De instellingen verantwoorden zich met betrekking tot de AWBZ-verstrekking in de uitvoeringsverslagen. Verder geven zij daarin verslag over de uitvoering van de vrijwillige producten en diensten en de vrijwillige bewonersbijdrage daarvoor. Zij hoeven dus niet de brancheorganisaties aan te schrijven. De
cliënten/patiëntenraad van de instelling maakt zelf samen met de instelling afspraken over de vrijwillige producten en diensten en de gevraagde kostenvergoeding daarvoor. In onze brief hebben wij aangegeven dat wij de desbetreffende koepel(branche)organisaties in overweging zullen geven in overleg met de cliëntenorganisaties protocollen op te stellen over de vrijwillig te nemen producten en diensten. Dit hebben wij, zoals hiervoor is aangegeven, inmiddels gedaan. Het gaat dus niet om een extra verbureaucratisering, maar om verantwoordelijkheden en bevoegdheden te leggen daar waar die horen.
9. Kan, indien toch zou worden besloten tot deze extra taak van de zorgkantoren in ieder geval worden gekozen voor een standaardformulering naar instellingen, branche- en koepelorganisaties, opdat de verschillende communicaties van 31 zorgkantoren niet weer een veelvoud van 31 verschillende interpretaties oplevert? Antwoord: De AWBZ-verstrekking moet uniform worden uitgevoerd, in die zin dat er geen verschillen per sector zijn. Daarvoor dient de landelijke lijst van producten en diensten die onder de verstrekking vallen. Verder achten wij het van belang dat er protocollen worden opgesteld tussen brancheorganisaties en cliëntenorganisaties over de vrijwillige producten en diensten en de daarvoor gevraagde bewonersbijdrage. Daarmee wordt per sector een uniforme handelswijze bereikt. Wat niet uniform mag en kan zijn, is welke afspraken tussen de cliënten/patiëntenraad en de instelling worden gemaakt over de producten en diensten zelf. Immers, dat is een aangelegenheid van de cliënten/patiënten en de instelling zelf. De cliënten/patiënten gaan zelf over de besteding van hun vrij besteedbaar inkomen.

10. Waarom is niet overwogen tot de route zoals beschreven in vraag 7 met een monitoring en toetsing op hoofdlijnen door de Inspectie voor de Volksgezondheid, die daartoe qua logistiek en menskracht over toereikende middelen moet kunnen beschikken? Antwoord: Omdat het gaat over wat wel en niet tot de AWBZ-verstrekking behoort. Het is namelijk zo dat de zorgkantoren op grond van de AWBZ overeenkomsten sluiten met toegelaten instellingen die de AWBZ-verstrekking leveren, ten einde aan de wettelijke zorgplicht te voldoen. Het is dus het zorgkantoor dat het aanspreekpunt is voor de verzekerde over de inhoud en de omvang van zijn aanspraak op AWBZ-zorg. Het zorgkantoor moet verder nagaan of het gesloten contract met de instellingen juist wordt nageleefd. Het CVZ heeft als wettelijke taak de uitvoeringsorganen AWBZ, de zorgkantoren, de instellingen die de AWBZ zorg verlenen en verzekerden te informeren omtrent beleid op het terrein van onder meer de AWBZ-verzekering. Het College signaleert verder gevraagd en ongevraagd feitelijke ontwikkelingen op het terrein van de AWBZ-verzekering. Het CVZ heeft voorts de CTU die belast is met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens wet bepaalde door de uitvoeringsorganen. Gelet op deze verantwoordelijkheden is gekozen voor een routing via de zorgkantoren, het CVZ en de CTU. 11. Kunnen de bewindsvrouwen in ieder geval ten aanzien van 'voeding' helder maken dat de instelling regelmatig dient te controleren dat er niet van ondervoeding sprake is (zie recente verontrustende berichten van de diëtistenbranche over ondervoeding van zorgafhankelijke mensen)? Antwoord: Op de instelling rust de plicht gekwalificeerde zorg te leveren en daarbij ook ervoor zorg te dragen dat de patiënt voeding krijgt die hij gelet op zijn gezondheidsproblemen nodig heeft. In feite gaat het hier om gekwalificeerde zorg in de zin van de Kwaliteitswet zorginstellingen. 12. Kan bevestigd worden dat vrije huisartsenkeuze blijft bestaan voor verzorgingshuizen, ook bij de overgang naar een regelrechte AWBZ-financiering? Antwoord: Op deze kwestie is ingegaan in de voortgangsrapportage modernisering ouderenzorg die u separaat heeft ontvangen. Vragen CDA-fractie 13. Wie of welk orgaan moet de praktijk van de verstrekking (en de daarmee samen-hangende bewonersbijdragen gaan monitoren? Antwoord: Het zorgkantoor gaat in het kader van het contract dat hij met de instelling heeft gesloten na of de AWBZ-verstrekking wordt geleverd. De praktijk van de verstrekking per instelling wordt dus door het zorgkantoor gemonitord. De CTU neemt dit aspect mee in haar jaarlijks onderzoek bij de zorgkantoren. De instelling verantwoordt zich in het uitvoeringsverslag. Zij geeft daarin verslag van de uitvoering van de verstrekking en de vrijwillige bewonersbijdrage. Via het uitvoeringsverslag worden beide zaken in samenhang gebracht. 14. Wordt voor de monitoringsactiviteiten ook een passend budget ter beschikking gesteld? Kan het antwoord worden gemotiveerd? Antwoord: Nee, dit behoort tot de reguliere taken van de zorgkantoren en de CTU van het CVZ. 15. Wie of welk orgaan is uiteindelijk verantwoordelijk voor en aanspreekbaar op een juiste toepassing van de verstrekking en op welke wijze? Antwoord: De zorgkantoren zijn verantwoordelijk voor de juiste uitvoering van de verstrekking. De toegelaten instellingen moeten hun contract met de zorgkantoren nakomen. De CTU houdt toezicht op de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de AWBZ-verzekering. Het CVZ bevordert de rechtmatige en doelmatige uitvoering. 16. Indien een cliënten- c.q. bewonersraad van een AWBZ-instelling niet tot overeenstemming kan komen met de directie van een instelling over de bewonersbijdragen, tot wie kunnen zij zich dan wenden? Antwoord: Als zij niet tot overeenstemming kunnen komen, kunnen zij het geschil voorleggen aan de Commissie vertrouwenslieden (een geschillencommissie). 17. Hoe zal in de praktijk worden omgegaan met een bewoner die, bijvoorbeeld naar de pedicure wordt verwezen voor normale persoonlijke verzorging omdat personeel van de instelling daar niet aan toe komt, maar waarvoor achteraf tóch kosten in rekening worden gebracht? Antwoord: De bewoner moet deze rekening niet betalen. Gelet op de gemaakte afspraken tussen de cliënten- c.q, bewonersraad en de instelling over de te leveren producten en diensten en de bewonersbijdrage daarvoor, weet de bewoner ook dat deze kosten niet in rekening mogen worden gebracht. De instelling weet dat inmiddels ook. 18. Waaruit bestaan concreet de verschillen in aard en omvang van de bewonersbijdragen tussen de verschillende sectoren in de gezondheidszorg? Antwoord: Dit is niet concreet aan te geven, aangezien dit afhangt van de afspraken tussen de cliënten- c.q, bewonersraad van de instelling en de directie van de instelling. Dit kan niet alleen per sector, maar ook per individuele instelling binnen de sectoren verschillen, omdat op grond van de Wet medezeggenschap zorginstellingen een dergelijke aangelegenheid door de directie met de eigen cliëntenraad dient te worden besproken. 19. Bent u bereid, en zo ja wanneer, een duidelijke grens te trekken tussen dagbesteding en ontspanning? Zo neen, waarom niet? Antwoord: Als dagbesteding onderdeel uitmaakt van de behandeling is het duidelijk dat deze onder de aanspraak valt. Indien de instelling van mening is dat een bepaalde vorm van dagbesteding niet tot de aanspraak hoort, kan de verzekerde zich wenden tot het zorgkantoor. Vervolgens kan hij bij een geschil met het zorgkantoor op grond van de Algemene wet bestuursrecht in bezwaar en beroep gaan. 20. Op welke wijze wordt het budget van de AWBZ-instellingen in overeenstemming gebracht met de toegenomen zorgzwaarte van de bewoners (incontinentiemateriaal, waskosten)? Antwoord: In de beleidsregels, die worden vastgesteld door het College tarieven gezondheidszorg (CTG), kan rekening worden gehouden met de zorgzwaarte. De voorbereiding van de beleidsregels geschiedt in kamers binnen het CTG waar partijen vertegenwoordigd zijn. 21. Hoe beoordeelt u het advies over de verstrekking van tandheelkundige hulp en huisarts buiten de instelling die door de bewoner zelf betaald moet worden in relatie tot de vrije (huis)artsenkeuze van bewoners van AWBZ-instellingen? Op welke wijze bent u voornemens de vrije (huis)artsenkeuze veilig te stellen? Antwoord: Indien het verblijf in de instelling geen tandheelkundige hulp en medische behandeling omvat, is er sprake van vrije tandartsen- en artsenkeuze. In andere gevallen bepaalt de instelling welke tandarts of arts de hulp aan de bewoners van de AWBZ-instelling verleent. 22. Bent u voornemens (financieel) tegemoet te komen aan verzekerden die er door de bijstelling van het handelen van de instellingen (financieel) nadelig worden beïnvloed? Kan het antwoord worden gemotiveerd? Antwoord: Nee, wij zijn niet voornemens om een financiële tegemoetkoming te geven voor de kosten van producten en diensten die instellingen tot nu toe onverplicht aan verzekerden hebben verstrekt en waar de verzekerde dus onbedoeld voordeel van hebben genoten. 23. Wat is uw reactie op het door het CVZ in overweging gegevene over de hoogte van het zak- en kleedgeld? Wanneer treedt u met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overleg, en wat zal daarbij uw inzet zijn? Antwoord: Ter uitvoering van de motie Melkert is het vrij besteedbaar inkomen van verzekerden die in een AWBZ-instelling of verzorgingshuis verblijven en de hoge intramurale bijdrage betalen, verhoogd. Dit is gebeurd door aftrekposten die worden toegepast bij de vaststelling van de hoogte van de hoge intramurale bijdrage te verhogen met f 50,- per maand voor alleenstaanden en f 31,12 voor gehuwden. Deze verhoging heeft voor verzekerden van 65 jaar en ouder plaatsgevonden per 1 juli
1999 en vindt voor verzekerden jonger dan 65 jaar plaats per 1 juli
2000. Voor zover maatregelen op dit terrein door ons te nemen zijn, hebben wij deze getroffen. Wij kunnen deze verbetering alleen regelen via de AWBZ-bijdragen. Een beperkte groep verzekerden die alleen bijstand ontvangt krachtens artikel 31 van de Algemene bijstandswet, heeft geen bijdrageplichtig inkomen in de zin van het Bijdragebesluit zorg en betaalt derhalve de hoge intramurale bijdrage niet. Deze verzekerden profiteren dus niet van deze verhoging. Zoals wij in het antwoord op vraag 6 hebben aangegeven, zijn de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en wij overeengekomen dat er een budgetonderzoek plaatsvindt naar de hoogte van het zak- en kleedgeld op grond van artikel 31 van de Algemene bijstandswet. 24. Hoe beoordeelt u de constatering van het CVZ dat de vermaatschappelijking en normalisatie van de zorg financiële gevolgen heeft en welke financiële consequenties verbindt u daaraan? Antwoord: Het kabinet heeft de nodige inkomensmaatregelen getroffen. Voor zover die voor het Bijdragebesluit zorg relevant zijn, hebben wij ervoor gezorgd dat die ook doorwerken in de bijdrageregeling. Vragen D66-fractie 25. Hoe vindt de monitoring plaats omtrent de verstrekkingen in AWBZ-instellingen? Hebben zorgkantoren de mogelijkheid om op te treden tegen instellingen die de regels anders uitleggen dan de interpretatie van het CVZ? Zo ja, welke? Antwoord: Deze monitoring vindt plaats doordat het zorgkantoor nagaat of de instelling de overeenkomst waarin geregeld is dat de instelling de AWBZ-zorg levert, nakomt. Het zorgkantoor kan van de instelling nakoming van de overeenkomst eisen. Verder bevatten de overeenkomsten op grond van de uitkomst van overleg onderscheidenlijk de modelovereenkomst een geschillenregeling voor geschillen tussen het zorgkantoor en de instelling. Als ultieme remedie bestaat de mogelijkheid van opzegging of ontbinding van de overeenkomst. 26. Wordt bij de monitoring van instellingen ook de cliëntenraden van zorginstellingen gevraagd om haar mening over de keuzevrijheid, de verstrekkingen en de bijdragen van bewoners? Zo niet, hoe worden bewoners dan gehoord? Antwoord: Op grond dat de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen dient de directie van de instelling overleg te voeren met de cliëntenraad van die instelling over voedingsaangelegenheden van algemene aard, algemeen beleid op het gebied van de veiligheid, gezondheid en hygiëne, de geestelijke verzorging, maatschappelijke bijstand aan en de recreatie- en ontspanningsmogelijkheden voor cliënten. 27. Kunnen de bewindsvrouwen uitleggen hoe de keuzevrijheid van individuele bewoners om wel of niet mee te doen aan zaken die niet tot de verstrekking behoren wordt gewaarborgd, gezien de vrijblijvendheid omtrent het opstellen van een protocol? Antwoord: Dit wordt gewaarborgd omdat het gaat om zaken ten aanzien waarvan de bewoners zelf beslissen of zij daar wel of niet aan mee doen. 28. Waarom wordt het opstellen van het protocol door instellingen in samenwerking met cliëntenraden niet verplicht gesteld? Antwoord: Omdat het gaat om vrijwillige zaken waar de overheid niet over gaat. 29. Hoe wordt opgetreden en welke mogelijkheden zijn er tegen individuele instellingen die de keuzevrijheid van bewoners onvoldoende in acht nemen? Antwoord: Aangezien het hier gaat om aspecten die ook behoren tot het aandachtsgebied van de cliëntenraad, ligt het voor de hand dat de cliëntenraad de directie hier op aanspreekt. Vragen GroenLinksfractie 30. In het rapport van het CVZ wordt geconstateerd dat er grote verschillen zijn per instelling over wat er tot de voeding gerekend mag worden. Ook zijn er grote verschillen in de bewonersbijdragen, en die mogen niet 'onaanvaardbaar groot worden'. Vinden de bewindsvrouwen het een taak van het ministerie van VWS om zo groot mogelijke duidelijkheid te verschaffen over wat minimaal tot de voeding gerekend kan worden, en duidelijk vast te leggen welke voedingselementen voor eigen rekening komen? Antwoord: Uitgangspunt is dat normale gezonde voeding tot de verstrekking behoort. Uit de lijst van het CVZ blijkt dat het gaat om eten, drinken, maaltijden en tussendoortjes. 31. Het CVZ gaat in een circulaire vastleggen welke producten en diensten tot de instellingsverstrekkingen behoren, en deze onder de aandacht van de instellingen brengen. Rekent u het tot uw taak de toepassing en naleving van deze circulaire te monitoren? Zo ja, hoe zal dit worden vorm gegeven? Antwoord: Ja. De CTU van het CVZ zal dit dan ook in haar jaarlijks onderzoek naar het functioneren van zorgkantoren meenemen en ons daarover informeren. 32. Cliëntenraden krijgen een belangrijke taak in het maken van afspraken over de diensten en producten die niet tot de verstrekking behoren. Zullen de cliëntenraden op een of andere wijze door u worden ondersteund in het maken van dergelijke afspraken met directies? Antwoord: Het gaat hier om allereerst om een eigen verantwoordelijkheid van de cliëntenraad en de instelling. Door de bekendheid die wij en het CVZ daaraan hebben gegeven, hebben wij bevorderd dat cliëntenraden daadwerkelijk hun verantwoordelijkheid oppakken en afspraken gaan maken. Verder heeft het CVZ in zijn circulaire aangegeven faciliterend te zullen optreden bij het tot stand brengen van de protocollen. Het gaat bij de protocollen om verduidelijking en uniformering van de procedures en het betrekken van cliëntenraden bij de aard, omvang en kosten van de producten en diensten die niet tot de verstrekking horen. Door middel van de protocollen wordt de positie van de cliëntenraad in het maken van de afspraken over de diensten en producten die niet tot de verstrekking verstevigd en verduidelijkt. Wij achten dit een belangrijke ondersteuning van de cliëntenraden bij deze taak. 33. Kan worden toegelicht hoe het zak- en kleedgeld wordt vastgesteld? Is het mogelijk een overzicht te geven van de hoogte van het zak- en kleedgeld na uitvoering van de motie Melkert; uitgesplitst naar instelling? Antwoord: Het zak- en kleedgeld van verzekerden die de hoge intramurale eigen bijdrage betalen, betreft het vrij besteedbaar inkomen (het netto inkomen na aftrek van de eigen bijdrage). De hoogte van de eigen bijdrage wordt vastgesteld aan de hand van de regels bij en krachtens het Bijdragebesluit zorg. Verder is er een klein aantal bewoners dat alleen een bijstandsuitkering als bedoeld in artikel 31 van de Algemene bijstandswet ontvangt. De hoogte hiervan wordt door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vastgesteld Het is niet mogelijk om het gevraagde overzicht te geven. Wat het vrij besteedbaar inkomen per 1 juli 2000 van de individuele verzekerden wordt, hangt af van de individuele inkomenssituatie. Op dit moment is nog niet exact te berekenen wat per 1 juli 2000 het vrij besteedbaar inkomen van personen die de hoge intramurale bijdrage betalen en alleen een AOW-uitkering ontvangen dan wel personen met een inkomen op het sociaal minimum, zal zijn. De definitieve netto bedragen voor de sociale minima per 1 juli 2000 zijn namelijk nog niet bekend. Gelet op de verhoging van de aftrekposten met f 50,- per maand voor alleenstaanden en f 31,12 per maand voor gehuwden kan wel globaal gesteld worden dat de verzekerden van 65 jaar en ouder dit bedrag sinds 1 juli 1999 per maand extra overhouden. Voor verzekerden jonger dan 65 jaar geldt dit vanaf 1 juli 2000. Dit is natuurlijk alleen maar aan de orde als er niet meer dan trendmatige veranderingen in de situatie van de verzekerde optreden. Bijvoorbeeld, als er forse inkomensverhogingen, forse rente- of dividendinkomsten in het berekeningsjaar hebben plaatsgevonden, kan dat een extra verhoging van de bijdrage betekenen, zodat de verzekerde minder extra overhoudt. 34. Bent u voornemens ook onderzoek uit te voeren naar de bewonersbijdragen in verzorgingshuizen? Antwoord: Op dit moment is het verblijf in een verzorgingshuis nog geen AWBZ-verstrekking. Als dat het geval is, zal ik het CVZ vragen de lijst aan te vullen en geldt hetgeen in onze brief is gesteld ook voor deze nieuwe AWBZ-instellingen. Overigens is de brancheorganisatie van verpleeg- en verzorgingshuizen, Arcares, al betrokken bij deze aangelegenheid, zoals wij in ons antwoord op vraag 5 hebben aangegeven. Vragen SP-fractie 35. Het CVZ wijst erop dat de staatssecretaris beslist over wat tot de verstrekking behoort. De staatssecretaris vraagt het CVZ via een circulaire aan de zorgkantoren bekendheid te geven aan zijn interpretatie van de producten en diensten die per sector tot de AWBZ-verstrekking behoren. In hoeverre zijn de instellingen hieraan gehouden en welke maatregelen kunnen worden genomen indien zij dat niet doen? Kan de Kamer deze circulaires ook toegestuurd krijgen? Antwoord: De toegelaten instellingen moeten in het kader van hun overeenkomsten met zorgkantoren de AWBZ-verstrekking leveren. Op basis van hun contract zijn zij gehouden de volledige verstrekking te leveren. Het zorgkantoor gaat na of de instelling de overeenkomst nakomt. Het zorgkantoor kan van de instelling nakoming van de overeenkomst eisen. Verder bevatten de overeenkomsten op grond van de uitkomst van overleg onderscheidenlijk de modelovereenkomst een geschillenregeling voor geschillen tussen het zorgkantoor en de instelling. Als ultieme remedie bestaat de mogelijkheid van opzegging of ontbinding van de overeenkomst. Het CVZ heeft op 17 mei 2000 de circulaire verstuurd. Een afschrift treft u bijgaand aan. 36. Op welke manier gaat u bevorderen dat cliëntenraden van instellingen ook daadwerkelijk betrokken worden bij het vaststellen van de aangeboden producten en diensten die niet tot de verstrekking behoren? Geldt dit ook voor de inhoud van aangeboden producten en diensten die wel tot de verstrekking behoren? Antwoord: Gezien de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen maakt de cliëntenraad van de instelling afspraken over de producten en diensten die niet tot de verstrekking behoren met de directie van de instelling. Dat geldt niet voor de aangeboden producten en diensten die wel tot de verstrekking behoren. Door de bekendheid die wij en het CVZ aan deze kwestie hebben gegeven, hebben wij bevorderd dat cliëntenraden daadwerkelijk hun verantwoordelijkheid oppakken en afspraken gaan maken. 37. Het CVZ wijst erop dat het verkleinen van de diversiteit kan leiden tot voor- en nadelen voor de verzekerde. De verzekerde moet bijvoorbeeld gaan betalen voor zaken waarvoor dit eerder niet nodig was. Kan dit in de monitoring worden betrokken? Antwoord: De ook door de kamer gewenste uniformering betekent inderdaad dat verzekerden moeten gaan betalen voor zaken waarvoor dit eerder niet het geval was. Het omgekeerde geldt echter ook. Een vergelijking waarop in de vraag wordt gedoeld, kan niet bij de monitoring worden betrokken. Dan zou er eerst een gedetailleerde nulmeting plaats moeten vinden en vervolgens zou een vergelijking per instelling moeten plaatsvinden. Daarmee is veel tijd gemoeid. In plaats daarvan achten wij het gewenst dat zo snel mogelijk tot uniformering wordt gekomen en dat via de monitoring duidelijk wordt dat deze uniformering tot stand komt. Wij geven prioriteit aan het zo snel mogelijk beëindigen van de situatie dat zaken die tot de verstrekking behoren in rekening bij de bewoner worden gebracht 38. In hoeverre is er de laatste jaren sprake geweest van een toename van betalingen voor producten en diensten die weliswaar nu niet tot de verstrekking blijken te behoren maar eerder wel verstrekt werden door de instelling ofwel van een afname van aangeboden producten en diensten? (samenvatting) Antwoord: Dat is niet bekend. 39. Het CVZ spreekt over een indicatieve minimale lijst over wat tot de voeding moet worden geregeld. Zou dit niet eerder een lijst dienen te zijn voor gezonde voeding en kunnen hier landelijke richtlijnen voor worden opgesteld? Antwoord: De Gezondheidsraad geeft aan hoe een gezonde voeding in termen van voedingstoffen samengesteld moet zijn. Het voedingscentrum vertaalt deze voedingsstoffen in voedingsmiddelen en informeert burgers en intermediairen daarover. 40. De instelling is vrij een aantal kosten voor haar rekening te nemen, zoals kosten voor recreatie en ontspanning. Deelt u de mening dat vanwege de schaarste van financiële middelen de instellingen dan nog weinig zouden kunnen doen voor hun bewoners? Deelt u voorts de mening dat, indien bewoners deze kosten zelf moeten betalen, dit een forse aanslag op het zakgeld kan betekenen? Antwoord: Daar is de instelling niet zonder meer vrij in. Immers, de instelling ontvangt uit de AWBZ middelen om AWBZ-zorg te verstrekken. Zo schrijft het CVZ in zijn rapport terecht dat het aanbieden van uitstapjes niet ten koste mag gaan van de AWBZ-verstrekking. Het zelf betalen, betekent inderdaad een aanslag op het zak- en kleedgeld van de verzekerde. Of dat fors is, hangt af van de aard van de recreatie en ontspanning. Het zak- en kleedgeld is echter juist ook voor dit soort zaken bedoeld. 41. Wat is uw reactie op de opmerking van het CVZ dat de waskosten die niet tot de verstrekking behoren een forse aanslag doen op het zak- en kleedgeld en dat het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij de berekening van het zak- en kleedgeld geen rekening heeft gehouden met de waskosten? Antwoord:

Zoals wij in het antwoord op vraag 6 hebben aangegeven, zijn de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en wij overeengekomen dat er een budgetonderzoek plaatsvindt naar de hoogte van het zak- en kleedgeld op grond van artikel 31 van de Algemene bijstandswet.

Verder is ook in dat antwoord en in de brief van 16 maart 2000, DBO-CB-U-2056103, aangegeven dat het vrij besteedbaar inkomen (het netto inkomen minus de eigen bijdrage) van verzekerden die voor het verblijf de hoge inkomensafhankelijke intramurale AWBZ-bijdrage betalen, is verhoogd.


42.

Wanneer wordt over de onduidelijkheid over de verzekering van een elektrische rolstoel een einde gemaakt?

Antwoord:

Het gaat niet zozeer om de elektrische rolstoel, die zit in de verstrekking, maar om het recht op een tweede rolstoel. De regeling om de aanspraak met een tweede rolstoel uit te breiden, is inmiddels vastgesteld en bij brief van 19 juni 2000, Z/VU-2074579, aan de Voorzitter van de Tweede Kamer toegezonden.


43.

Het CVZ beveelt aan de hoogte van het zak- en kleedgeld te heroverwegen, mede in verband met de vermaatschappelijking en normalisatie van de zorg. De brief gaat daar niet op in maar wijst op de uitvoering van de motie Melkert. Dit geldt voor mensen die jonger zijn dan 65 jaar en wel een verhoging van 50 respectievelijk 31 gulden voor alleenstaanden respectievelijk gehuwden. De 65-plussers zouden al eerder compensatie hebben gekregen. Indien dat het geval is, hoeveel bedraagt deze precies? Bent u van mening dat dit voldoende is om volwaardig deel te nemen aan maatschappelijke activiteiten?

Antwoord:

De brief gaat er niet op in omdat wij daarvoor op 16 maart 2000, DBO-CB-U-2056103, een aparte brief hebben gestuurd. De compensatie aan verzekerden van 65 jaar en ouder is overigens even hoog.

Wij zijn van mening dat het vrij besteedbaar inkomen nu dusdanig is dat volwaardig deelgenomen kan worden aan maatschappelijke activiteiten.


44.

Kunt u een globaal overzicht geven van de zak- en kleedgelden voor
65-plussers en 65-minners, inclusief de verbeteringen en compensaties en de uitgaven die hiervan gedaan moeten worden, eventueel per sector?
Antwoord:

Het is niet mogelijk om het gevraagde overzicht te geven. Wat het vrij besteedbaar inkomen per 1 juli 2000 van de individuele verzekerden wordt, hangt van de individuele inkomenssituatie.

Gelet op de verhoging van de aftrekposten met f 50,- per maand voor alleenstaanden en f 31,12 per maand voor gehuwden kan wel globaal gesteld worden dat de verzekerden van 65 jaar en ouder dit bedrag sinds 1 juli 1999 per maand extra overhouden. Voor verzekerden jonger dan 65 jaar geldt dit vanaf 1 juli 2000. Dit is natuurlijk alleen maar aan de orde als er niet meer dan trendmatige veranderingen in de situatie van de verzekerde optreden. Bijvoorbeeld, als er forse inkomensverhogingen, forse rente- of dividendinkomsten in het berekeningsjaar hebben plaatsgevonden, kan dat een extra verhoging van de bijdrage betekenen, zodat de verzekerde minder extra overhoudt.


45.

Hoe denkt u over de aanbeveling van het CVZ om een verantwoordingsplicht van instellingen aan de zorgkantoren in te stellen?

Antwoord:

Wij hebben die aanbeveling van het CVZ in onze brief onderschreven. Dat is op zich ook niet nieuw. Instellingen moeten, gezien hun contractuele relatie met zorgkantoren, zich over de uitvoering van de verstrekking aan zorgkantoren verantwoorden. Wij hebben dan ook het voorstel van het CVZ dat instellingen komen met uitvoeringsverslagen onderschreven. Door die uitvoeringsverslagen wordt niet alleen verantwoording afgelegd, maar wordt tevens transparant gemaakt hoe de verstrekking wordt uitgevoerd.

Samenstelling:

Leden:

Plv. leden:

Van der Vlies (SGP)

Swildens-Rozendaal (PvdA),

ondervoorzitter

Bijleveld-Schouten (CDA)

Middel (PvdA)

Rouvoet (RPF)

Oedayraj Singh Varma

(GroenLinks)

Oudkerk (PvdA)

Rijpstra (VVD)

Lambrechts (D66)

Essers (VVD), voorzitter

Dankers (CDA)

Van Vliet (D66)

Van Blerck-Woerdman

(VVD)

Passtoors (VVD)

Eisses-Timmerman (CDA)

Spoelman (PvdA)

Hermann (GL)

Kant (SP)

Gortzak (PvdA)

Buijs (CDA)

E. Meijer (VVD)

Van der Hoek (PvdA)

Blok (VVD)

Arib (PvdA)

Atsma (CDA)

Van 't Riet (D66)

Rehwinkel (PvdA)

Eurlings (CDA)

Apostolou (PvdA)

Schutte (GPV)

Van Gent (GroenLinks)

Noorman-den Uyl (PvdA)

Weekers (VVD)

Ravestein (D66)

Orgü (VVD)

Van de Camp (CDA)

Schimmel (D66)

Terpstra (VVD)

Udo (VVD)

Visser-van Doorn (CDA)

Smits (PvdA)

Harrewijn (GroenLinks)

Marijnissen (SP)

Belinfante (PvdA)

Ross-van Dorp (CDA)

O.P.G. Vos (VVD)

Hamer (PvdA)

Cherribi (VVD)

Duijkers (PvdA)

Th.A.M. Meijer (CDA)


**) Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie
Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie