Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag algemeen overleg IMF en Wereldbank

Datum nieuwsfeit: 18-07-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Verslag algemeen overleg imf en wereldbank

Gemaakt: 28-7-2000 tijd: 14:48


1


26234 Vergaderingen Interim Committee en Development Committee
nr. 15 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 18 juli 2000

De vaste commissies voor Financiën<1> en voor Buitenlandse Zaken<2> hebben op 21 juni 2000 overleg gevoerd met minister Zalm van Financiën en minister Herfkens voor Ontwikkelingssamenwerking over:


- de geannoteerde agenda van de vergaderingen van het Interim Committee en het Development Committee op 16 en 17 april 2000 (Kamerstuk 26234, nr. 11);


- de verslagen van de vergaderingen van de groep van tien, het Interim Committee en het Development Committee op 16 en 17 april 2000 (Kamerstuk 26234, nr. 13);


- de nota over politisering van IMF en Wereldbank (Kamerstuk 26234, nr. 12);


- kwijtschelding van commerciële schulden in het kader van het versoepelde HIPC-initiatief (Kamerstuk 26234, nr. 14).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Hessing (VVD) constateerde aan de hand van de stukken dat het vooral gaat om transparantie en toezicht. De standaarden en codes zoals die door het IMF en de BIB worden opgesteld, hebben daarbij een belangrijke preventieve werking. Een goed voorbeeld van toenemende transparantie vond hij het op internet publiceren van de interventies van de meeste deelnemers aan de vergadering van 16/17 april jl.

Surveillance blijft de belangrijkste taak van het IMF, zoals opnieuw is benadrukt op 16-17 april. Er leeft kennelijk enige bezorgdheid over het grote aantal nieuwe codes. Voorzover die bezorgdheid al terecht is, kan ze worden weggenomen door onderscheid te maken tussen echte standaarden en codes van IMF en BIB en aanbevelingen en adviezen van het Financial Stability Forum (FSF) voor o.a. hedge funds. Verheugd was hij over het meer uit de verf komen van de rol van de particuliere sector bij crisissituaties. Vooral het zoveel mogelijk in stand blijven van de investeringspositie van de particuliere sector zag hij als een forse stap vooruit. Verheugend vond hij ook dat nu wordt gewerkt aan de introductie van collective action clausules (CAC's). De Duitse lijn om de particuliere sector bij elke financiële crisis te betrekken, leek hem verstandig. Onderschrijft Nederland deze lijn?

Bij de term "onjuiste rapportage" op blz. 4 van stuk nr. 13 tekende hij aan dat het hier in feite gaat om rapportages die erop zijn gericht om het IMF te misleiden. Aan wat voor "verhoogde eisen" denken de bewindslieden in dit verband?

Het leek hem verstandig om bij het highly indebted poor countriesinitiatief (HIPC-initiatief, blz. 5) strak vast te houden aan de voorwaarden, in het bijzonder die inzake armoedebestrijding en structurele aanpassingen. Anders zal het snel gedaan zijn met het draagvlak voor schuldverlichting. Op dezelfde bladzijde had hij een opmerking aangetroffen over goudverkoop. Er zou toch alleen overgegaan worden tot herwaardering van de goudvoorraad?

Bij de gedachte dat in een aantal gevallen een interim-PRSP (inclusief een tijdpad voor een volledige PRSP) voldoende is, rijst direct de vraag wat er dan gebeurt wanneer het tijdpad niet wordt gehaald. Wordt er dan weer uitstel verleend? De gedachte van een interim-PRSP sprak hem ook niet aan omdat juist een volledig PRSP van groot belang is voor de ontwikkeling van het land zelf. Schuldverlichting zonder een volledige PRSP kan dan neerkomen op weggegooid geld. Onderlinge afstemming tussen de PRSP en het comprehensive development framework (CDF) leek ook hem van belang. Hoe wordt bevorderd dat deze snel tot stand komt?

Overigens wees hij erop dat al deze concepten ook nog operationeel moeten worden verwerkt in de ontwikkelingslanden. Hij vroeg zich af of de lasten daarvan niet te veel bij die landen komen te liggen.

Hij stemde in met de afzonderlijke brief over het HIPC-initiatief (stuk nr. 14) en de nota over politisering van IMF en Wereldbank (stuk nr. 12). De verscherping en verduidelijking van de scheiding tussen het werkveld van de Wereldbank en dat van het IMF had eveneens zijn instemming. Verder vroeg hij om een reactie op het recente advies van de Adviesraad voor internationale vraagstukken (AIV), getiteld "Enkele lessen uit de financiële crises van 1997 en 1998".

De heer Hoekema (D66) stelde een reactie op dit stuk ook prijs, maar volgens hem is het kabinet verplicht om een reactie op adviezen van de AIV te geven.

Bij de nota over politisering van IMF en Wereldbank vroeg hij of inderdaad (bijna) altijd stopzetting of opschorting van kredietverlening parallel loopt aan zorgen van de internationale gemeenschap over de politieke situatie in het betreffende land, zoals het geval was bij Bali-gate in Indonesië en de situatie in Oost-Timor. Heeft dit bijvoorbeeld ook voor Rusland gegolden?

Het leek hem van belang om artikel 1 van de IMF-statuten en de artikelen 1 en 4 van de articles of agreement van de Wereldbank te handhaven. In dit verband vroeg hij of de ruimere interpretatie van artikel 4 inzake good governance en de richtlijn van juli 1997 van de raad van bewindvoeders van het IMF over hetzelfde onderwerp echt hard zijn vastgelegd, zowel in juridische als in politieke zin.

Hij kon zich vinden in de lijn die is vastgelegd in de brief van 23 mei over het HIPC-initiatief. Hij ging ervan uit dat alles dat Nederland in dit verband in het verleden al heeft gedaan, onder de ODA valt en dat alles dat Nederland nog gaat doen, eveneens onder de nu verruimde ODA-middelen blijft vallen. Hij vroeg wel of de positieve houding van Nederland ook navolging krijgt bij andere landen. Er is nog een tekort van 5 mld. en hij vond dat dit geld toch vooral van andere landen dan Nederland zal moeten komen. Is er internationaal overleg hierover? Is er aanleiding om de afspraken die een jaar geleden in Keulen zijn gemaakt, te herbevestigen? Verder meende hij dat de gelden die nu voor het HIPC-initiatief worden ingezet, niet gekort mogen worden op de IDA-gelden en de concessionele activiteiten. Daar is overigens sprake van een mogelijk tekort op de korte en de middellange termijn. Wordt al gewerkt aan aanvulling van deze middelen?

Bij het verslag van de vergaderingen van 16 en 17 april (stuk nr. 13) vroeg hij of het raamwerk voor de private sector involvement al is uitgewerkt. Verder had hij in dit verslag de opmerking van een Afrikaanse minister gelezen dat de ontwikkelingslanden inmiddels worden overstroomd met codes en standaarden en dat het allemaal te veel wordt. Wordt het inderdaad allemaal te veel?

Hij wees er ten slotte op dat de PRSP's nu moeten worden opgesteld door de ontvangende landen, terwijl voorheen alles vanuit IMF en Wereldbank werd voorgeschreven. Dit betekent een belangrijke belasting voor die landen. Worden zij met het oog hierop nog enige tijd geholpen bij het opstellen van PRSP's?

De heer Vendrik (GroenLinks) zei eerst het jammer te vinden dat vandaag alleen teruggekeken kan worden op de vergaderingen van 16 en
17 april. Hij drong erop aan dat voortaan wordt geprobeerd om vooraf met de bewindslieden over dit soort vergaderingen te spreken, aan de hand van de geannoteerde agenda.

Bij de standaarden en codes wordt het probleem gesignaleerd dat het in veel landen aan institutionele capaciteit ontbreekt om deze op een behoorlijke wijze te implementeren. Hij vond dat verontrustend. Denkt het kabinet daar ook zo over en, zo ja, welke stappen zal het dan zetten om dit te verbeteren?

Op zichzelf is het verheugend dat een aantal landen extra bedragen voor het HIPC-initiatief hebben toegezegd, maar er is nog steeds een groot tekort. Hoe kan dat nu worden opgevuld? Hij had de indruk dat het nog niet zo vlot met het vernieuwde HIPC-initiatief en dat in de praktijk zeer weinig landen zich hiervoor kwalificeren. De materiële betekenis van dit initiatief is dus nog steeds zeer beperkt en hij had daar zorgen over.

Overigens had hij begrepen dat de PRSP's steeds belangrijker worden bij het krijgen van toegang tot het HIPC-initiatief. De Utsteingroep, waar de minister voor Ontwikkelingssamenwerking deel van uitmaakt, heeft weliswaar gesteld dat deze programma's geen al te grote rol mogen spelen omdat anders de toegang tot het HIPC-initiatief helemaal wordt geblokkeerd, maar daarmee waren de zorgen van de heer Vendrik nog niet weggenomen.

Uit de stukken had hij opgemaakt dat het IMF heeft aanbevolen dat westerse landen tariefconcessies doen aan ontwikkelingslanden waarmee een bijzondere hulprelatie bestaat of waar hulpprogramma's lopen. Hij vroeg of hij dit goed had begrepen en voegde daar de vraag aan toe, hoe Nederland op deze aanbeveling zal reageren. In de stukken had hij niets gelezen over bijvoorbeeld dumpingpraktijken in de landbouwsector, terwijl die juist de ontwikkelingslanden zozeer dwars zitten. Komen die praktijken nu inderdaad op de internationale agenda te staan?

Hij herhaalde zijn bij de plenaire bespreking van de voorjaarsnota gehouden pleidooi voor extra middelen voor kwijtschelding in het kader van EKI en voor het zoveel mogelijk buiten ODA houden van die middelen. Het kabinet wil extra middelen voor het HIPC-initiatief niet uit IDA-middelen halen, omdat dit ten koste zou gaan van dit zachte leningenloket en de heer Vendrik vond dat een soortgelijke redenering dan zou moeten gelden voor versnelde kwijtschelding van exportkredietschulden.

In dit verband deed hij de suggestie om het exportkredietbeleid direct te koppelen aan het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. Op dit moment is er een grote kloof tussen beide beleidsvelden, terwijl een koppeling toch in de rede ligt. In de praktijk gaat het immers bij beide beleidsvormen vaak om dezelfde landen: landen waarmee een hulprelatie bestaat, of landen waarbij het onduidelijk is of ze kredieten zullen terugbetalen, zodat het risico in de markt niet te verzekeren valt. Hij ging ervan uit dat bij een koppeling meerwaarde te behalen valt, al is het maar een verbetering van de consistentie van het Nederlandse beleid ten aanzien van de betrokken landen.

Ook de heer Koenders (PvdA) zou het op prijs stellen als voortaan weer voorafgaand aan vergaderingen van IMF en Wereldbank aan de hand van de agenda met het kabinet gesproken kan worden.

Hij was dankbaar voor de ondersteuning door het ministerie van de recente conferentie in Nederland met de president van de Wereldbank. Op zulke conferenties kan serieus met parlementen van gedachten worden gewisseld over de toekomst van de Wereldbank als ontwikkelingsorganisatie. IMF en Wereldbank zag hij als cruciale organisaties die zich nog echt interesseren voor wereldeconomie en ontwikkeling. Zulke organisaties zijn er nog maar weinig.

De passages in het verslag van de vergaderingen van 16 en 17 april over de rol van de Wereldbank bij de internationale handel vond hij niet helder. Naar aanleiding van de stelling dat de bank studies moet verrichten naar de belangen van ontwikkelingslanden, deed hij de suggestie dat Nederland het initiatief neemt voor een studie naar het Europese en het Amerikaanse landbouwbeleid en de gevolgen daarvoor voor ontwikkelingslanden.

Op het punt van de armoedefocus was hij langzamerhand het spoor bijster geraakt. In een vorig algemeen overleg is gesproken over de hoofdfuncties van IMF en Wereldbank en is geconcludeerd dat ESAF daar min of meer tussenin zit. Daarnaast gaat het nu om PRSP's en het CDF die volgens het verslag goed op elkaar moeten aansluiten, maar hij zou niet weten hoe dit bereikt zou kunnen worden, ook al omdat hij niet begreep wat het CDF precies inhoudt. Hij was voorstander van een zodanige macro-economische setting van de bemoeienis van het IMF dat het mogelijk wordt om langs een aantal lijnen armoede daadwerkelijk te verminderen, maar helderheid daarover was er voor hem nog niet.

In de Wereldbank is nu een discussie over globalisering gevoerd. Is inderdaad een medewerker van de bank ontslagen wegens een kritische benadering in die discussie? Zo ja, dan zou de heer Koenders dat kwalijk vinden.

Naar aanleiding van het verslag van de bijeenkomst van de groep van tien vroeg hij, of de renteopslag voor leningen aan opkomende economieën inderdaad is ingegeven door de verwachting bij de particuliere sector dat zij haar deel zal moeten dragen van een eventuele financiële crisis. In hoeverre bestaat er in dit verband overeenstemming dat niet gekozen dient te worden voor een case by case-approach ten aanzien van specifieke landen? Wordt er verder inderdaad alleen nog gestudeerd op mogelijke CAC's? Betekent de term "het IMF als aanjager van particuliere kredietverlening" dat het IMF zelf in crisissituaties met banken om de tafel gaat zitten? Bevordert Nederland herziening van het kapitaalakkoord?

Het FSF is het eens geworden over aanbevelingen op belangrijke punten: hedge funds en wisselmarkten, kapitaalstromen en offshore financiële centra. Om welke aanbevelingen gaat het hier en wie gaat die uitvoeren? Ziet het kabinet mogelijkheden om een initiatief te nemen tot oprichting van een soort bankwinkel, waar landen die moeite hebben met het daadwerkelijk implementeren van de nieuwe codes en standaarden, assistentie kunnen krijgen?

Hij was voorstander van extra schuldverlichting voor ontwikkelingslanden. Hij vroeg in dit verband, of in de toekomstige systematiek schuldverlichting van ontwikkelingslanden mee zou kunnen tellen als schuldreductie van de overheid.

De nota over politisering van IMF en Wereldbank vond hij goed, maar ook wel enigszins naïef. Zo was de opmerking over het parallel lopen van stopzetting of opschorting van kredietverlening aan zorgen over de politieke situatie of de mensenrechtensituatie, met als voorbeeld Bali-gate en Oost-Timor, voor hem niet bepaald overtuigend. Anderzijds is het goed dat nu uitgangspunten zijn vastgelegd. Hij zou graag zien dat bewindslieden proberen deze punten te operationaliseren en er steun voor te krijgen in de raden van bewindvoeders.

De heer De Haan (CDA) vond dat een aantal zaken in IMF- en Wereldbankkader wel redelijk lopen. Veel standpunten die Nederland in de vergaderingen heeft ingenomen, verdienen ook steun, zoals het beklemtonen van de belangrijke rol voor stand-by arrangements en de extended fund facility, terwijl faciliteiten als de supplemental reserve facility en de contingent credit line alleen in uitzonderlijke gevallen gebruikt zouden moeten worden. Wordt dit door Nederland uitgedragen standpunt onderschreven door andere landen, met name de grote? Vooral de Verenigde Staten hebben zich indertijd zeer sterk gemaakt voor de contingent credit line.

Ook hij vond dat de particuliere sector, d.w.z. de banken, betrokken moet blijven bij het oplossen van crises in de financiële sector. Het is nog niet zo eenvoudig om daar een goed evenwicht in te vinden. Enerzijds moet de banken niet te gemakkelijk faciliteiten worden geboden voor hun betrokkenheid, want daarmee wordt risicovol gedrag aangemoedigd, maar anderzijds moeten de faciliteiten ook weer niet te mager zijn omdat er dan geen bereidheid bij banken meer is om kredieten aan ontwikkelingslanden te verstrekken. Hoe staat het nu met de CAC's?

Hij had met teleurstelling begrepen dat er nog 5 mld. ontbreekt bij het HIPC-initiatief. Wel leek het hem alleen maar realistisch om ervan uit te gaan dat het hier beslist niet alleen om additioneel geld kan gaan, ook niet van Nederland.

Naar aanleiding van de zin op blz. 6 van het verslag van de vergaderingen dat de onderlinge afstemming van rol en functie van CDF en PRSP dringend ter hand genomen moet worden, vroeg hij zich met verbazing af, of IMF en Wereldbank elkaar inderdaad nog steeds niet op dit punt hebben kunnen vinden, hoewel hier al jaren over wordt gesproken. Hij drong erop aan dat Nederland hierover ter plekke harde woorden spreekt.

De paragraaf over handel en ontwikkeling (blz. 7) vond hij teleurstellend. Zo wordt alleen over de Uruguayronde gesproken. Is bij IMF en Wereldbank dan nog niet doorgedrongen dat er inmiddels een Seattleronde is gehouden die volledig is mislukt?

Antwoord van de ministers

De minister voor Ontwikkelingssamenwerking beklemtoonde dat het bij het HIPC-initiatief dient te gaan om geld dat additioneel aan IDA is. Nederland heeft zich er sterk voor ingezet dat het geen "bankrobbery" moet worden, in die zin dat het netto inkomen van de bank wordt afgeroomd om het HIPC-initiatief te betalen. Daarmee zou immers de jaarlijkse bijdrage aan IDA in gevaar komen. Inmiddels is er, mede dankzij de inspanningen van de Utsteincoalitie, vrijwel overeenstemming over een IDA-replenishment proces back-to-back, met fondsenwerving ten behoeve van het HIPC-initiatief. Daarmee wordt in ieder geval duidelijk wat de separate kosten van dit initiatief zijn en of het ten koste van IDA-geldstromen gaat. Verder wees zij erop dat in Nederland in het regeerakkoord is vastgelegd hoeveel procent van het BNP naar ODA gaat. Andere landen hebben die afspraak niet, waardoor bedragen die voor HIPC worden uitgetrokken echte additionele ODA-gelden zijn. Zo zijn de enige honderden miljoenen dollars waar het Amerikaanse Congres binnenkort over zal beslissen, additioneel aan de bestaande Amerikaanse inspanningen via US Aid.

Aansluitend hierop zei zij over het HIPC-initiatief dat Japan gastheer is van de komende G7-bijeenkomst en dat vooral dat land vindt dat een gastheer een bijeenkomst niet kan laten mislukken. Van die kant is dan ook inmiddels 200 mln. dollar toegezegd voor het HIPC-initiatief en ook andere landen hebben inmiddels beloften gedaan. De inspanningen van Nederland om dit initiatief vlot te trekken hebben dus al het nodige opgeleverd. Nederland heeft ook een initiatief genomen om zowel bij de Inter-Amerikaanse ontwikkelingsbank als de Afrikaanse ontwikkelingsbank het gat te gaan dichten en ook daar doet Nederland méér dan zou moeten, indien zo de zaak vlot getrokken kan worden.

Bij het punt van de onderlinge afstemming tussen CDF en PRSP gaat het niet in de eerste plaats om een tegenstelling tussen IMF en Wereldbank, al speelt dit wel enigszins, maar vooral om tegenstellingen tussen de afdeling op de Wereldbank die zich met het CDF bezighoudt en de afdeling die zich buigt over PRSP, mede in het kader van het HIPC-initiatief. De bewindsvrouwe zag wel een oplossing hiervoor, in die zin dat PRSP voor de landen die toegang hebben tot concessionele middelen, wordt beschouwd als de operationalisering van het CDF-concept, waarbij het erom gaat alle onderdelen van armoedebestrijding en good governance van het ontvangende land in één totaalbeeld op te nemen. Voor deze interpretatie begint er steun te komen binnen de Wereldbank en onder donoren. Bovendien is onlangs door het IMF de vice-president armoedebeleid van de Wereldbank aangetrokken om bij het IMF het PRGF vorm te geven en de ervaring heeft geleerd dat bureaucratische stammenstrijden vaak doorbroken worden door uitwisseling van stafleden.

De paragraaf handel en ontwikkeling (blz. 7 van het verslag van de vergaderingen) is inderdaad niet zo duidelijk geformuleerd. De Seattleronde is vooral mislukt door gebrek aan vertrouwen van de ontwikkelingslanden in een nieuwe ronde, wat te maken heeft met de grote problemen die zij ondervinden bij de implementatie van de uitkomsten van de Uruguayronde. Er is geen sprake van weerstand bij de Wereldbank; deze loopt juist vóór bij de Wereldhandelsorganisatie waar het gaat om het denken over handel en ontwikkeling. Verder stelde zij zich voor om het door haar gehouden betoog ook op internet te laten plaatsen, voorzover dat nog niet is gebeurd. Zij verwachtte van vooral de Wereldbank dat deze zich inzet voor de strijd tegen protectionisme jegens de derde wereld. De Wereldbank doet dat trouwens ook al een jaar of twintig en zij zag graag dat de bank daarmee doorgaat. De Wereldbank heeft ook het mandaat om op dit vlak de kar te trekken. De WTO heeft daar de capaciteit niet voor en is ook geen ontwikkelingsorganisatie.

Nederland maakt volop gebruik van de fraaie woorden die de presidenten van Wereldbank en IMF wijden aan de strijd tegen het protectionisme jegens de derde wereld, om in het kader van de Europese Unie steun te krijgen voor haar standpunten. Helaas zijn de zuidelijke EU-leden die in het algemeen wat meer protectionistisch zijn gesteld, in de praktijk niet zo gevoelig voor de argumenten van Wereldbank en IMF.

Interim-PRSP's zijn bedoeld voor die landen die al jarenlang hun huiswerk goed doen en reeds kwalificeerden voor de eerdere, minder vergaande versie van HIPC-schuldverlichting en het dus zeer verdienen om eindelijk schuldverlichting te krijgen, zoals Oeganda, Tanzania en Mozambique. Die landen behoren er niet onder te lijden dat de internationale gemeenschap weer nieuwe procedures heeft ontworpen, met alle uitstel van dien. De minister vond het verder positief dat de ontvangende landen nu zelf de verantwoordelijkheid voor het huiswerk moeten dragen. Daarmee krijgen zij een kans om te laten zien wat zij kunnen. Er kan natuurlijk hulp worden gegeven door donoren of multilaterale instellingen, maar dat moet pas gebeuren als de landen zelf daar uitdrukkelijk om vragen.

Het AIV-advies over de financiële crises van 1997 en 1998 zal van een schriftelijke reactie worden voorzien. Zelf vond zij dit niet het creatieve advies dat zij gehoopt had te zullen krijgen van de AIV.

In de praktijk valt stopzetting of opschorting van kredietverlening vaak samen met zorgen over de politieke situatie. Er is immers samenhang tussen een behoorlijk economisch beleid en de mate waarin mensenrechten worden geschonden en participatie van burgers wordt toegelaten. In dit verband wees zij er ter illustratie op dat wel met bijvoorbeeld Ethiopië en Oeganda heldere afspraken zijn gemaakt over een bepaalde bovengrens voor defensie-uitgaven, maar dat helaas steeds meer zogenaamde zelffinancierende oorlogen te zien zijn. Dat neemt niet weg dat ten aanzien van Ethiopië al ongeveer een jaar geleden in IMF- en Wereldbankkader is betoogd dat dit land geen cent meer mag krijgen, omdat de afspraken over defensie-uitgaven duidelijk doorbroken zijn.

In de afgelopen jaren is het punt van good governance bij IMF en Wereldbank steeds belangrijker geworden, in de context van transparantie van overheidsuitgaven en corruptiebestrijding. Daarnaast is inmiddels in het kader van IMF en Wereldbank onderbouwd dat participatie van burgers belangrijk is voor de kwaliteit van het economische beleid. Schending van mensenrechten, voorzover het niet gaat om een breed beleid van onderdrukking dat een relatie heeft met de sociaal-economische context, wordt op dit moment nog niet door IMF en Wereldbank als issue geaccepteerd. In dit verband wees de minister erop dat Nederlands als "kiesgroepleider" specifieke verantwoordelijkheden heeft en dat hier goed rekening mee gehouden moet worden als Nederland de zetels in de raden van bewindvoerders wil behouden. Anderzijds draagt Nederland actief de standpunten uit, hetgeen al vele jaren in duidelijker bewoordingen wordt gedaan dan vaak het geval is in andere internationale gremia.

Zij vond het een zegen dat in het Nederlandse regeerakkoord sprake is van een percentage van 0,8 naar internationale normen. Volgens die normen geldt kwijtschelding van exportkredietschulden wel als ODA, maar CDM niet. Gezien de 500 mln. extra in 2001 en 2002 leek het haar niet goed mogelijk om alsnog bij haar collega van Financiën te pleiten voor extra geld ten behoeve van schuldverlichting. Bovendien valt in
2000 eenvoudigweg geen extra geld meer uit te geven.
Zij beaamde dat er enig huiswerk moet worden verricht om toegang te krijgen tot het HIPC-initiatief. Zwaardere conditionaliteit is evenwel niet de bedoeling. Het opstellen van een PRSP betekent wel wat meer en vooral ander werk, maar door middel van de interim-PRSP's wordt voorkomen dat landen die het echt verdienen om nu schuldverlichting te krijgen, daar nog langer op zouden moeten wachten. Alles bij elkaar vond zij het beeld op dit vlak niet zo slecht.

Er is op dit moment nog geen duidelijk concept voor de conferentie in Amsterdam waar het wereldontwikkelingsrapport zal worden gepresenteerd. Het ministerie organiseert nu bijeenkomsten om tot invulling van het concept te komen. De essentie is hier niet dat een andersoortig macro-economisch beleid wordt gevraagd, maar dat bij de invulling van concrete maatregelen en de volgorde van die maatregelen meer rekening moet worden gehouden met de effecten van die maatregelen op specifieke groepen in de samenleving. Dat kan alleen per land worden ingevuld, want in ieder land is de situatie anders. De Wereldbank zal dan ook het nodige werk moeten verzetten om het IMF te informeren over de potentiële impact van de diverse maatregelen op specifieke groepen. Voor de hand ligt dat er voortaan door de internationale instellingen op wordt gelet dat in het kader van het betrachten van begrotingsdiscipline bepaalde begrotingssectoren worden beschermd, maar ook op het punt van liberaliseren en privatiseren valt per land het nodige te zeggen over de meest gewenste volgorde van maatregelen.

Overigens merkte zij op dat het tot nu toe maar zeer weinig landen lukt om de begroting te schonen van posten die niet met armoedebestrijding te maken hebben. Met het oog hierop vond zij dat IMF en Wereldbank op zichzelf streng mogen optreden ten opzichte van landen waar de politieke wil ontbreekt om zich volledig te richten op armoedebestrijding.

De genoemde medewerker van de Wereldbank heeft zélf ontslag genomen, maar dat neemt niet weg dat er bij Nederland een zekere bezorgdheid op dit punt leeft. Nederland zal dan ook goed blijven volgen of in de discussie over het wereldontwikkelingsrapport bepaalde ideeën wellicht niet aan bod komen door optreden van bovenaf. Een probleem is wel dat de economische literatuur zeer weinig houvast geeft over de effecten van globalisering op armoede.

De minister van Financiën zei dat het met de betrokkenheid van de particuliere financiële sector bij de oplossing van een mogelijke financiële crisis in sommige opzichten nog niet zo vlot gaat. Zo komt het voorlopig nog niet van instelling van een
debiteuren-crediteurenraad of van CAC's. Vooral dat laatste vond hij nogal teleurstellend. De bedoeling was dat de G10-landen daar bij wijze van goed voorbeeld mee zou beginnen. Voor die landen zou het ook weinig inspanning vergen, mede omdat het alleen zou gaan om CAC's voor leningen in vreemde valuta, zodat het voor bijvoorbeeld de Verenigde Staten de facto niets zou betekenen. Zelfs daar was echter geen bereidheid toe. Anderzijds zijn ook enige positieve ontwikkelingen te noemen, zoals het begin van een ordening in de case by casebenadering. In dat verband wordt nu door het IMF gewerkt aan een framework for private sector involvement, met een onderverdeling in o.a. omvang financieringsbehoefte, financieringsmogelijkheden IMF, vooruitzichten voor herstel van markttoegang en houdbaarheid van de schuldpositie. Hij vond dat hoopgevend. Verder had hij onlangs de jaarvergadering van het International Institute of Finance toegesproken en daarbij veel aandacht gegeven aan de private sector involvement. Hij zegde toe dit betoog aan de Kamer te doen toekomen. Nederland loopt, zo was zijn indruk, voorop met het propageren van private sector involvement.
Hij beaamde dat er een goed evenwicht moet worden gevonden, want als er te streng wordt opgetreden jegens de banken, wil geen bank meer geld lenen aan een ontwikkelingsland, terwijl anderzijds bij een te soepele opstelling van het IMF de banken in de praktijk te veel risico's zullen nemen, omdat ze toch de zekerheid hebben dat het IMF hen helpt als de nood aan de man komt. Uit de Aziëcrisis is de conclusie getrokken dat de opstelling toch iets strenger moet zijn en het gevolg daarvan is dan inderdaad dat de banken een wat hogere renteopslag leggen op leningen aan opkomende economieën.

Er is daadwerkelijk goud verkocht, maar het is op dezelfde dag weer teruggekocht, waarna de nieuwe waarde in de boeken is vastgelegd. Op die manier is gekomen tot een materiële herwaardering van de goudvoorraad.

Ook hij vond de term "onjuiste rapportage" eigenlijk iets te voorzichtig, want het gaat hier om een ernstige zaak. De reden hiervoor is misschien dat de Oekraïne tot dezelfde kiesgroep behoort als Nederland!

Hij zag het IMF nog steeds ook als aanjager van particuliere kredietverlening. Verder bevordert Nederland herziening van het kapitaalakkoord.

Hij zegde een korte notitie toe over de aanbevelingen van het FSF. Naar aanleiding van de vraag over een soort bankwinkel merkte hij op dat Nederland aan tal van landen technische assistentie verleent. De Nederlandsche Bank is op dat vlak zeer actief, vooral in de landen van de kiesgroep, maar is ook bereid om buiten die kiesgroep te helpen. Daarnaast zijn er bij IMF en Wereldbank faciliteiten voor technische assistentie aan landen die hulp nodig hebben. Overigens is een voordeel van de Aziëcrisis dat er nu veel nieuwe initiatieven zijn voor het verlenen van hulp bij het goed op orde brengen van de financiële sector.

Andere landen zijn nog niet door Nederland overtuigd geraakt van de risico's van het inzetten van een instrument als de contingent credit line, maar gelukkig is dit instrument in de praktijk nog nooit gebruikt.

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,

Van Gijzel

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,

De Boer

De griffier van de vaste commissie voor Financiën,

Janssen


1 Samenstelling:

Leden: Schutte (RPF/GPV), Reitsma (CDA), Witteveen-Hevinga (PvdA), Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Van Gijzel (PvdA), voorzitter, Voûte-Droste (VVD), De Vries (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Marijnissen (SP), Kamp (VVD), Giskes (D66), Crone (PvdA), Van Dijke (RPF/GPV), Bakker (D66), Hofstra (VVD), De Haan (CDA), ondervoorzitter, Vendrik (GroenLinks), Wijn (CDA), Stroeken (CDA), Remak (VVD), Van Beek (VVD), Balkenende (CDA), Kuijper (PvdA), Dijsselbloem (PvdA)

Plv. leden: Van der Vlies (SGP), Verburg (CDA), Koenders (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Smits (PvdA), Duijkers (PvdA), Balemans (VVD), Wilders (VVD), Van Oven (PvdA), De Wit (SP), Patijn (VVD); Schimmel (D66), Kalsbeek (PvdA), Hoekema (D66), Van Walsem (D66), Blok (VVD), Dankers (CDA), Rabbae (GroenLinks), Van den Akker (CDA), Hillen (CDA), Hessing (VVD), Weekers (VVD), Bijleveld-Schouten (CDA), Timmermans (PvdA), Hindriks (PvdA)


2 Samenstelling:

Leden: Blaauw (VVD), Weisglas (VVD), Van den Berg (SGP), Ter Veer (D66), Van Middelkoop (RPF/GPV), Valk (PvdA), Apostolou (PvdA), Hillen (CDA), Verhagen (CDA), ondervoorzitter, M.B. Vos (GroenLinks), Marijnissen (SP), Hessing (VVD), Hoekema (D66), Dijksma (PvdA), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Van den Doel (VVD), Koenders (PvdA), De Boer (PvdA), voorzitter, Timmermans (PvdA), Ross-van Dorp (CDA), Remak (VVD), Van der Knaap (CDA), Karimi (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Wilders (VVD)

Plv. leden: Dijkstal (VVD), Van Baalen (VVD), De Graaf (D66), Van 't Riet (D66), Rouvoet (RPF/GPV), Zijlstra (PvdA), Belinfante (PvdA), Visser-van Doorn (CDA), Eurlings (CDA), Harrewijn (GroenLinks), Van Bommel (SP), Cherribi (VVD), Scheltema-de Nie (D66), Gortzak (PvdA), De Haan (CDA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Albayrak (PvdA), Van Oven (PvdA), Feenstra (PvdA), Leers (CDA), Patijn (VVD), Van den Akker (CDA), Rosenmöller (GroenLinks), Duivesteijn (PvdA), Balemans (VVD)

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie