Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Tweede-kamervragen over fiscale behandeling zomerfeesten

Datum nieuwsfeit: 18-07-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: VRAGEN AAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN VAN DE LEDEN VAN


Persberichtnr.

00/160

Den Haag

18 juli 2000

VRAGEN AAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN VAN DE LEDEN VAN DE TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL REITSMA EN SCHREIJER-PIERIK OVER DE FISCALE BEHANDELING VAN ZOMERFEESTEN

VRAGEN:


1.

Is het u bekend dat in vele dorpen in de regio Twente jaarlijks grote zomerfeesten worden georganiseerd, waarbij honderden vrijwilligers zich inzetten en dat daarbij talrijke verenigingen en organisaties profiteren via giften van de organiserende stichtingen?


2.

Is het u bekend dat de stichtingen die deze zomerfeesten organiseren sinds dit jaar worden aangeslagen voor de BTW en de vennootschapsbelasting?


3.

Kunt u uitleggen waarom dit opeens moet gebeuren?


4.

Erkent u dat deze belastingaanslagen het einde kunnen betekenen van de jaarlijkse zomerfeesten in de regio Twente en dat vele verenigingen en organisatie daarvan de dupe zullen worden?


5.

Bent u bereid hiervoor een oplossing te zoeken? Zo ja, in welke richting denkt u dan?
ANTWOORDEN:


1.

Ja.

2 en 3.

Op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel v, van de Wet op de omzetbelasting 1968 is vrijgesteld van BTW de fondswerving door bepaalde verenigingen en instellingen die ook voor hun primaire activiteiten zijn vrijgesteld, zoals sportverenigingen en bepaalde, aangewezen sociaal-culturele instellingen. Ter voorkoming van concurrentieverstoring geldt als voorwaarde dat de ontvangsten voor fondswervende leveringen niet meer mogen bedragen dan 150.000 per jaar en die voor diensten niet meer dan 50.000 per jaar (bij sportverenigingen 70.000).

Naast deze wettelijke vrijstelling voor fondswerving is goedgekeurd dat ook andere verenigingen of instellingen op recreatief of sociaal-cultureel terrein, de vrijstelling voor fondswerving - binnen dezelfde grenzen - kunnen toepassen. Het gaat dan om niet-commerciële verenigingen en instellingen, die geen beroep kunnen doen op een wettelijke vrijstelling. De vrijgestelde fondswerving betreft dan bijvoorbeeld de entreegelden voor uitvoeringen van amateurtoneelverenigingen of voor lokale tentoonstellingen van kleindierenverenigingen.

De BTW-vrijstelling geldt in beginsel alleen voor fondswervende activiteiten van de desbetreffende

vereniging of instelling zelf; de rechtsgrond voor deze vrijstelling is immers verbonden aan de vrijstelling voor de primaire activiteiten van de vereniging of instelling. Goedgekeurd is echter dat ook een organisatie die de fondswerving voor een concrete vereniging of instelling als hiervoor bedoeld op zich neemt (hierna: de steunstichting) de BTW-vrijstelling mag toepassen. De aan de vrijstelling verbonden omzetgrenzen ( 150.000 en 50.000, respectievelijk 70.000) gelden dan voor de fondswervende activiteiten van de vereniging of instelling en de steunstichting samen. Om te benadrukken dat de vrijgestelde fondswerving van die steunstichting eigenlijk de fondswerving van de betrokken vereniging of instelling zelf betreft, is de goedkeuring aan bepaalde voorwaarden gebonden. Het moet bijvoorbeeld voor het publiek steeds duidelijk zijn welke (bijzondere) activiteiten van de vereniging of instelling met de opbrengst worden ondersteund.

Met deze regelingen is getracht optimaal gebruik te maken van de ruimte die het communautaire recht in dezen biedt. Daaraan zijn echter beperkingen verbonden. Zo geldt de restrictie dat de vrijstelling uitsluitend betrekking kan hebben op een beperkt aantal handelingen per jaar, die noch doorlopend, noch langdurig zijn. Daarnaast mag de vrijstelling niet leiden tot concurrentieverstoring ten opzichte van commerciële ondernemers.
In verband hiermee is van de vrijstelling uitgesloten het verlenen van toegang tot (en het verstrekken van spijzen en dranken tijdens) grotere evenementen, dat wil zeggen evenementen die worden georganiseerd voor een ruimere kring van bezoekers dan de leden van de vereniging of evenementen waarvoor artiesten worden aangetrokken om het evenement op te luisteren, zoals dorpsfeesten, muziek- en volksdansfestivals enz. Het bezoeken van of deelnemen aan dergelijke evenementen vormt een consumptieve besteding die op grond van de vigerende wettelijke bepalingen in de heffing van omzetbelasting dient te worden betrokken. Hierbij kan het oogmerk van de organisatoren van deze evenementen - het steunen van goede-doel-activiteiten - niet van doorslaggevende betekenis zijn bij de heffing van BTW.
Met stichtingen die zomerfeesten organiseren in de regio Twente, met name Enschede en omgeving, waren door de belastingdiensteenheid Enschede aparte afspraken gemaakt. Kort gezegd hielden die afspraken in dat die stichtingen voor al hun activiteiten waren vrijgesteld, ongeacht de daarmee behaalde omzetten, mits de opbrengsten ten goede kwamen aan sportverenigingen en organisaties van sociale en culturele aard. Bij de begunstigde sportverenigingen en organisaties telden de opbrengsten vervolgens mee bij de beoordeling of de eigen vrijstellingsgrenzen werden overschreden. Onder de vrijgestelde activiteiten die in het kader van de zomerfeesten werden georganiseerd, vielen onder meer een kermis, een popconcert, straattheater, de verkoop van spijzen en dranken en de verhuur van marktkramen. De omzetten lagen tussen 200.000 en 700.000 per jaar per organiserende stichting.

Aangezien deze afspraken niet passen binnen de hiervoor beschreven algemeen geldende regelingen, zowel wat betreft de aard en de schaalgrootte van de activiteiten van de betrokken stichtingen als de omstandigheid dat de fondswerving niet met één enkele begunstigde vereniging of instelling is te identificeren, was de inspecteur genoodzaakt om deze afspraken op te zeggen. De inspecteur heeft dit gedaan in het najaar 1999 met ingang van 1 januari 2000. Vanaf die datum gelden de algemene regelingen voor fondswerving ook voor de stichtingen in Enschede en omgeving.

Voor de vennootschapsbelasting heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat de doelstelling van de stichtingen onder het besluit van 9 april 1999 (DB99/1333) valt. Dit heeft tot gevolg dat bij het toetsen van de door de stichtingen behaalde winst aan de wettelijke criteria voor vrijstelling, fictieve kosten van vrijwilligers in aanmerking genomen worden. Naar het zich laat aanzien behoeft er derhalve geen vennootschapsbelasting te worden betaald.

4 en 5.

Er is geen reden om aan te nemen dat de algemeen geldende BTW-vrijstellingen voor fondswerving niet ook voor de fondswerving in Enschede en omgeving toereikend zouden zijn, zelfs wanneer het batig exploitatiesaldo van de jaarlijkse zomerfeesten in deze regio lager zal uitvallen dan voorheen het geval was. Gelet op de hiervoor weergegeven beperkingen in het communautaire recht op dit terrein, is er ook niet de ruimte om de huidige vrijstellingsregelingen voor fondswerving zodanig uit te breiden dat de zomerfeesten buiten de BTW-heffing zouden kunnen blijven.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie