Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Voorstel wijziging wet justitiële gegevens

Datum nieuwsfeit: 18-07-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

gew voorstel van wet inz wet justitiele gegevens
Gemaakt: 18-7-2000 tijd: 16:17


19


24 797

Wijziging van de regels betreffende de verwerking van justitiële gegevens en het stellen van regels met betrekking tot de verwerking van personeelsgegevens in persoonsdossiers (Wet justitiële gegevens)

Nr. 10

GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET

Ontvangen 18 juli 2000

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is nieuwe regels met betrekking tot het verwerken van justitiële gegevens en het stellen van regels met betrekking tot de verwerking van justitiële gegevens in persoonsdossiers en de verklaring omtrent het gedrag vast te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
TITEL 1. DEFINITIES Artikel 1 In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: a. justitiële gegevens of gegevens: bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven gegevens omtrent natuurlijke personen en rechtspersonen inzake de toepassing van het strafrecht of de strafvordering; b. persoonsdossier: een dossier waarin zijn opgenomen de aan rechterlijke autoriteiten uitgebrachte rapporten over onderzoeken naar het gedrag of de levensomstandigheden van een natuurlijk persoon in verband met tegen hem aanhangige strafzaken, de tenuitvoerlegging van aan hem opgelegde straffen of maatregelen of zijn reclassering; c. rechtspersoon: een rechtspersoon als bedoeld in boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede de daarmee gelijkgestelde organisaties als bedoeld in artikel
51, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht; d. justitiële documentatie: een samenhangende verzameling van op verschillende personen betrekking hebbende justitiële gegevens die langs geautomatiseerde weg wordt gevoerd; e. documentatie persoonsdossiers: een samenhangende verzameling van op verschillende personen betrekking hebbende persoonsdossiers die langs geautomatiseerde weg wordt gevoerd of met het oog op een doeltreffende raadpleging van die gegevens systematisch is aangelegd; f. persoonsgegeven, verwerking van persoonsgegevens, betrokkene, het College bescherming persoonsgegevens en het verstrekken van persoonsgegevens: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet bescherming persoonsgegevens; g. Onze Minister: Onze Minister van Justitie. TITEL 2. DE VERWERKING VAN JUSTITIËLE GEGEVENS AFDELING 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 2 1. Onze Minister verwerkt in de justiële documentatie justitiële gegevens ten behoeve van een goede strafrechtspleging. 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden de gegevens aangewezen die als justitiële gegevens worden aangemerkt. 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt de wijze bepaald waarop de justitiële gegevens worden verkregen. Artikel 3 Onze Minister treft de nodige maatregelen opdat de justitiële gegevens, gelet op de de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, juist en nauwkeurig zijn. Hij verbetert de gegevens indien hem blijkt dat deze onjuist of onvolledig zijn. Artikel 4 1. Justitiële gegevens worden uit de justitiële documentatie verwijderd na verloop van twintig jaren of na het overlijden van de betrokken persoon. 2. De termijn vangt aan op de dag volgende op die waarop de zaak, waarvan de justitiële gegevens zijn verwerkt, onherroepelijk is afgedaan. 3. Indien de onherroepelijke afdoening van de zaak niet is gemeld, vangt de termijn aan op de dag waarop de gegevens betreffende de zaak in de jusititiële documentatie zijn vastgelegd. Artikel 5 1. De in artikel 4, eerste lid, genoemde termijn wordt verlengd met de bij de uitspraak bepaalde duur van de opgelegde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf indien deze drie jaren te boven gaat alsmede met de duur van de terbeschikkingstelling of van de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. 2. Indien het eerste lid van toepassing is, wordt de termijn bovendien verlengd met tien jaren indien op het misdrijf naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld. 3. De gegevens worden in elk geval verwijderd indien sedert de geboortedag van de betrokken persoon tachtig jaren zijn verstreken. Artikel 6


1. Gegevens omtrent overtredingen worden na verloop van vijf jaren verwijderd.


2. Indien evenwel een vrijheidsstraf - anders dan vervangende hechtenis - of in plaats daarvan de straf van het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte is opgelegd, bedraagt de termijn tien jaren.


3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing indien een rechtspersoon wegens een overtreding is veroordeeld tot een geldboete van de derde of een hogere categorie.


4. Artikel 4, tweede en derde lid, is van toepassing. Artikel 7 1. Onze Minister legt passende technische en organisatorische maatregelen ten uitvoer om de justitiële gegevens te beveiligen tegen verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking. Deze maatregelen garanderen, rekening houdend met de stand van de techniek en de kosten van de tenuitvoerlegging, een passend beveiligsniveau gelet op de risico's die de verwerking en de aard van de justitiële gegevens met zich brengen. 2. Artikel 49, eerste tot en met derde lid, en artikel 50, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn van overeenkomstige toepassing. AFDELING 2. HET VERSTREKKEN VAN JUSTITIËLE GEGEVENS Artikel 8 1. Ten behoeve van de rechtspleging worden justitiële gegevens verstrekt aan Nederlandse rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren van Aruba en de Nederlandse Antillen. 2. Ten behoeve van de strafrechtspleging worden justitiële gegevens verstrekt aan Onze Minister. 3. Aan personen of instanties, aan wie ingevolge artikel 37 van de Wet op de economische delicten dezelfde bevoegdheid als die bij artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht aan de officier van justitie is toegekend, worden ten behoeve van de uitoefening van die bevoegdheid justitiële gegevens met betrekking tot economische delicten verstrekt. 4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent het verstrekken van justitiële gegevens aan de in het eerste, tweede en derde lid genoemde personen of instanties, alsmede omtrent de daarbij te stellen voorwaarden aan het gebruik daarvan. 5. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welke gegevens ingevolge het internationale recht worden verstrekt aan andere rechterlijke ambtenaren dan bedoeld in het eerste lid dan wel aan andere autoriteiten. Het vierde lid is van toepassing. Artikel 9 1. Indien een zwaarwegend algemeen belang dit vordert en voorzover dit voor een goede taakuitoefening van degene aan wie justitiële gegevens worden verstrekt noodzakelijk is, kunnen bij algemene maatregel van bestuur personen of instanties die met een publieke taak zijn belast, worden aangewezen aan wie justitiële gegevens kunnen worden verstrekt. Daarbij kunnen nadere voorschriften worden gegeven in verband met de verwerking en verdere verwerking. 2. Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, worden de justitiële gegevens die zijn verstrekt niet voor een ander doel gebruikt dan waarvoor zij zijn verstrekt. Artikel
10 1. Behoudens het bepaalde in artikel 12 worden aan de in artikel 9 bedoelde personen of instanties slechts gegevens verstrekt betreffende onherroepelijke veroordelingen wegens misdrijf waarbij een straf, al dan niet tezamen met een maatregel, is opgelegd, en wegens overtreding indien daarbij vrijheidsstraf - anders dan vervangende - is opgelegd. Met een veroordeling wordt gelijkgesteld een rechterlijke beslissing waarbij een maatregel als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd. 2. Geen gegevens worden verstrekt indien: a. na het gegrond bevinden van de aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegane einduitspraak deze wordt vernietigd en geen straf of maatregel is opgelegd, b. na het onherroepelijk worden van de uitspraak vier jaren zijn verstreken, of c. de veroordeling door een andere dan een Nederlandse rechter is gewezen wegens een feit dat naar Nederlands recht geen misdrijf oplevert, tenzij ingevolge deze veroordeling in Nederland vrijheidsstraf - anders dan vervangende - moet worden ondergaan. 3. De termijn bedoeld in het tweede lid, onder b, beloopt acht jaren indien bij de veroordeling een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf dan wel een voorwaardelijke vrijheidsstraf waarvan later de gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging is bevolen, is opgelegd. 4. De termijn wordt verlengd met de bij de uitspraak bepaalde duur van de opgelegde vrijheidsstraf met uitzondering van de straf of het gedeelte daarvan dat voorwaardelijk is opgelegd en ten aanzien waarvan de gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging later niet is bevolen. 5. De termijn wordt mede verlengd met de duur van de verlenging van de proeftijd van een voorwaardelijke veroordeling en met de termijn van de verlenging van de terbeschikkingstelling. 6. De termijnen eindigen niet zolang de termijn met betrekking tot enige andere onherroepelijke veroordeling als bedoeld in het eerste lid, niet is geëindigd. 7. Met een opgelegde vrijheidsstraf wordt gelijkgesteld de vrijheidsstraf die de rechter heeft overwogen op te leggen en in de plaats waarvan de straf van het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte is opgelegd. 8. Ingeval van tenuitvoerlegging in Nederland van een veroordeling door een andere dan de Nederlandse rechter gewezen vangt de in het tweede lid, onder b, en het derde lid, bedoelde termijn aan op de dag na die, waarop die veroordeling onherroepelijk is geworden. De duur van de termijn wordt bepaald aan de hand van de bij de uitspraak of beslissing, krachtens welke de bovenbedoelde veroordeling in Nederland kan worden ten uitvoer gelegd, opgelegde of uitvoerbaar geworden straf of maatregel. Artikel 11 1. Aan de in artikel 9 bedoelde personen of instanties worden gegevens verstrekt betreffende onherroepelijke veroordelingen van rechtspersonen wegens enige overtreding, indien daarbij een geldboete is opgelegd van de derde of een hogere categorie. 2. Geen gegevens worden verstrekt indien: a. na het gegrond bevinden van de aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegane einduitspraak deze wordt vernietigd en geen straf of maatregel is opgelegd, of b. na het onherroepelijk worden van de uitspraak vier jaren zijn verstreken. 3. De termijn bedoeld in het tweede lid, onder b, beloopt acht jaren indien is veroordeeld tot onvoorwaardelijke betaling van een geldboete dan wel tot voorwaardelijke betaling van een geldboete waarvan later de gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging is bevolen. 4. De termijn wordt mede verlengd met de duur van de verlenging van de proeftijd van een voorwaardelijke veroordeling. 5. De termijnen eindigen niet zolang de termijn met betrekking tot enige andere onherroepelijke veroordeling als bedoeld in het eerste lid van artikel 10 en het eerste lid van 11 niet is geëindigd. Artikel 12 1. Met betrekking tot personen ten aanzien van wie recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met
77gg van het Wetboek van Strafrecht, worden aan de in artikel 9 bedoelde personen of instanties slechts gegevens verstrekt, indien de veroordeelde tijdens het begaan van het strafbare feit de leeftijd van zestien jaren had bereikt, de veroordeling onherroepelijk is en is gewezen wegens een misdrijf en daarbij, al dan niet tezamen met andere straffen of maatregelen, is opgelegd: a. jeugddetentie, anders dan vervangende; b. geldboete van meer dan tweehonderdvijftig gulden; c. een alternatieve sanctie met een duur van meer dan veertig uren of d. plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. 2. Geen gegevens worden verstrekt indien: a. na het gegrond bevinden van de aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegane einduitspraak deze wordt vernietigd en geen straf of maatregel is opgelegd, b. de veroordeling door een andere dan een Nederlandse rechter is gewezen wegens een feit dat naar Nederlands recht geen misdrijf oplevert, tenzij ingevolge deze veroordeling in Nederland de in het eerste lid genoemde straffen of maatregelen moeten worden ondergaan, of c. de rechter met toepassing van artikel 77x, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht heeft bepaald, dat de straf of maatregel geheel niet zal worden tenuitvoergelegd en de tenuitvoerlegging later niet alsnog voor het geheel of een deel is bevolen. 3. Geen gegevens worden verstrekt indien na het onherroepelijk worden van de veroordeling twee jaren zijn verstreken tenzij jeugddetentie, anders dan vervangende, of plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd. In dat geval bedraagt de termijn vier jaren. 4. De termijn bedoeld in het derde lid, wordt verlengd met de bij de uitspraak bepaalde duur van de opgelegde jeugddetentie met uitzondering van de straf of het gedeelte daarvan dat voorwaardelijk is opgelegd en ten aanzien waarvan de gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging later niet is bevolen. 5. De termijn wordt mede verlengd met de duur van de verlenging van de proeftijd van een voorwaardelijke veroordeling. 6. Onverminderd het bepaalde in het derde lid kunnen over een veroordeling waarbij de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd gegevens worden verstrekt zolang de plaatsing niet onvoorwaardelijk is beëindigd. 7. De termijnen eindigen niet zolang de termijn met betrekking tot enige andere onherroepelijke veroordeling als bedoeld in het eerste lid, niet is geëindigd. Artikel 13 1. Indien een zwaarwegend algemeen belang dit vordert en voorzover dit voor een goede taakuitoefening van degene aan wie justitiële gegevens worden verstrekt noodzakelijk is, kunnen bij algemene maatregel van bestuur personen of instanties als bedoeld in artikel 9 worden aangewezen aan wie meer gegevens kunnen worden verstrekt dan genoemd in de artikelen 10, 11 en 12. Daarbij wordt tevens bepaald welke gegevens worden verstrekt. Tevens kunnen nadere voorschriften worden gegeven in verband met de verwerking en verdere verwerking. 2. Het tweede lid van artikel 9 is van toepassing. Artikel 14 1. Indien een zwaarwegend algemeen belang dit vordert en voorzover dit voor bijzondere doeleinden noodzakelijk is, kan Onze Minister in bijzondere gevallen toestemming geven tot het verstrekken van daartoe omschreven justitiële gegevens overeenkomstig door hem te geven voorschriften en onder door hem te stellen voorwaarden. Van zijn desbetreffend besluit zendt hij een afschrift aan het College bescherming persoonsgegevens. 2. Tenzij Onze Minister anders bepaald, worden de justitiële gegevens die zijn verstrekt niet voor een ander doel gebruikt dan waarvoor zij zijn verstrekt. 3. Onze Minister kan voorschriften geven in verband met de verwerking en verdere verwerking. Artikel 15 Behoudens ontheffing van Onze Minister, kunnen ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek desgevraagd slechts justitiële gegevens worden verstrekt in zodanige vorm dat herleiding tot individuele natuurlijke personen redelijkerwijs wordt voorkomen. Onze Minister kan voorwaarden verbinden aan de verwerking en verdere verwerking van deze gegevens. Artikel 16 1. De verstrekking van justitiële gegevens kan geschieden door middel van telecommunicatie. 2. De justitiële gegevens, die overeenkomstig het eerste lid worden verstrekt, worden door degene die deze gegevens ontvangt niet op geautomatiseerde wijze vastgelegd of vermenigvuldigd, tenzij dit noodzakelijk is voor de uitvoering van een daartoe door Onze Minister goedgekeurde, bepaalde taak. Onze Minister legt passende technische en organisatorische maatregelen ten uitvoer. 3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels ter beveiliging van de persoonlijke levenssfeer met betrekking tot de geautomatiseerde gegevensverstrekking worden gesteld. 4. Onze Minister doet jaarlijks mededeling aan dhet College bescherming persoonsgegevens van de namen van de personen of organisaties aan wie overeenkomstig het eerste lid justitiële gegevens zijn verstrekt. Tevens wordt melding gemaakt van het aantal verzoeken van deze personen of organisaties. Artikel
16a Voor het verstrekken van justitiële gegevens, als bedoeld in de artikelen 9, 13, 14 en 15, kan een kostenvergoeding worden verlangd die niet hoger mag zijn dan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag. AFDELING 3. RECHTEN VAN DE BETROKKENE OP KENNISNEMING EN VERBETERING Artikel 17 1. Onze Minister deelt een ieder op diens verzoek binnen vier weken mede of en zo ja welke deze persoon betreffende gegevens in de justitiële documentatie zijn vastgelegd. 2. Hij doet daarbij geen mededelingen in schriftelijke vorm, tenzij hij weigert een mededeling te doen. 3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het verzoek en de wijze van kennisneming Artikel 18 1. Elke verstrekking van justitiële gegevens overeenkomstig de artikelen
9, 13 en 14 wordt vastgelegd en ten minste gedurende één jaar bewaard. 2. Onze Minister deelt een ieder op diens verzoek schriftelijk binnen vier weken mede of hem betreffende gegevens in het jaar voorafgaande aan het verzoek overeenkomstig de artikelen 9, 13 en
14 zijn verstrekt. Artikel 19 1. Bij de behandeling van verzoeken als bedoeld in de artikelen 17 en 18 draagt Onze Minister zorg voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van de verzoeker. 2. De verzoeken worden ten aanzien van minderjarigen die de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt, en ten aanzien van onder curatele gestelden gedaan door hun wettelijke vertegenwoordigers. De betrokken mededeling geschiedt eveneens aan de wettelijke vertegenwoordigers. 3. Verzoeken ten aanzien van rechtspersonen worden gedaan door een vertegenwoordiger van de rechtspersoon. 4. De verzoeken kunnen tevens worden gedaan door een advocaat aan wie de betrokkene een bijzondere machtiging heeft verleend met het oog op de uitoefening van zijn rechten krachtens deze wet en die het verzoek uitsluitend doet met de bedoeling de belangen van zijn cliënt te behartigen. De betrokken mededeling geschiedt aan de advocaat. Bij ministeriële regeling kunnen aan de bijzondere machtiging nadere eisen worden gesteld. Artikel 20 Een mededeling als bedoeld in artikel
17, eerste lid, en artikel 18, tweede lid, blijft achterwege voorzover dit noodzakelijk is in het belang van de veiligheid van de staat. Artikel 21 1. Degene aan wie overeenkomstig artikel 17 kennis is gegeven van hem betreffende justitiële gegevens, kan Onze Minister schriftelijk verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen, indien deze feitelijk onjuist, voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen. 2. Onze Minister bericht de verzoeker binnen vier weken na ontvangst van het verzoek schriftelijk of, dan wel in hoeverre, hij daaraan voldoet. Het eerste lid van artikel 37 Wet bescherming persoonsgegevens is van overeenkomstige toepassing. 3. Onze Minister draagt zorg dat een beslissing tot verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd. Artikel 22 1. Een beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 17, 18 of 21 geldt als een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. 2. De artikelen 47 en 48 van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 23 1. Indien Onze Minister justitiële gegevens heeft verbeterd, aangevuld, verwijderd of afgeschermd doet hij aan de in artikel 8, vijfde lid, 9, 13 en 14 bedoelde personen of instanties aan wie in het jaar voorafgaand aan het verzoek en in de sinds dat verzoek verstreken periode de betrokken gegevens zijn verstrekt, zo spoedig mogelijk mededeling van deze verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming, tenzij dit onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost. 2. Onze Minister deelt aan de verzoeker en voorzover van toepassing aan de wettelijk vertegenwoordiger, desgevraagd mede aan wie hij de mededeling heeft gedaan. Artikel 24 1. Onze Minister kan voor een mededeling als bedoeld in artikel 17 of 18 een vergoeding van kosten verlangen die niet hoger is dan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag. Daarbij wordt tevens de wijze van betaling bepaald. 2. De vergoeding wordt teruggegeven in geval Onze Minister op verzoek van de betrokkene, op aanbeveling van het College bescherming persoonsgegevens of op bevel van de rechter tot verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming is overgegaan of wanneer het verzoek moet worden geweigerd ingevolge artikel 20. Artikel 24a 1. Degene over wie één of meer justitiële gegevens zijn verwerkt kan bij Onze Minister verzet hiertegen aantekenen wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden. 2. Onze Minister beoordeelt, gehoord het openbaar ministerie, binnen vier weken na ontvangst van het verzet of het verzet gerechtvaardigd is. Indien het verzet gerechtvaardigd is, beëindigt hij terstond de verwerking. 3. Artikel 24 is van overeenkomstige toepassing. AFDELING 4. BEPALINGEN BETREFFENDE HET TOEZICHT Artikel 25 1. Het College bescherming persoonsgegevens ziet toe op de verwerking van justitiële gegevens overeenkomstig het bij en krachtens deze wet bepaalde. 2. De artikelen 51, tweede lid, 60 en 61 van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn van overeenkomstige toepassing. AFDELING 5. DE VERKLARING OMTRENT HET GEDRAG Artikel 26 (vervallen) Artikel 27 Een verklaring omtrent het gedrag is een verklaring van Onze Minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke of rechtspersoon. De verklaring bevat geen andere mededelingen. Artikel
28 De beslissing omtrent de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag geldt als een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 29 1. De aanvraag om afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk persoon wordt ingediend bij de burgemeester van de gemeente, waar de aanvrager op het tijdstip van de aanvraag als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens. In alle andere gevallen wordt de aanvraag ingediend bij Onze Minister. 2. De burgemeester en Onze Minister onderzoeken de volledigheid van de bij de aanvraag verstrekte gegevens en verschaffen zich de nodige zekerheid over de identiteit van de aanvrager. 3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere eisen worden gesteld ter uitvoering van het tweede lid. 4. De burgemeester zendt de aanvraag terstond door aan Onze Minister. Artikel 29a 1. De burgemeester kan binnen tien dagen na de dag waarop bij hem de aanvraag is ingediend adviseren over de afgifte van die verklaring. 2. Ten behoeve van de advisering worden aan de burgemeester ter beschikking gesteld alle justitiële gegevens uit de justitiële documentatie met uitzondering van de gegevens waarover op grond van artikel 20 geen mededeling kan worden gedaan aan de verzoeker, die gebruik maakt van zijn recht, als bedoeld in artikel 17, eerste lid, alsmede de gegevens uit de politieregisters, bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet politieregisters met betrekking tot de aanvrager. 3. De justitiële gegevens en de gegevens uit de politieregisters die zijn verstrekt worden niet voor een ander doel gebruikt dan waarvoor zij zijn verstrekt. Artikel 30 1. De aanvraag tot het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk persoon bevat de voornamen en de geboortedatum van de aanvrager, alsmede een omschrijving van het doel, waarvoor de afgifte van de verklaring wordt gevraagd. 2. Indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtspersoon, bevat zij de naam van de rechtspersoon en het inschrijvingsnummer van de Kamers van Koophandel, of, indien geen inschrijving heeft plaatsgevonden in het handelsregister, de naam, de rechtsvorm en de statutaire, of bij ontstentenis daarvan, de feitelijke vestigingsplaats van deze rechtspersoon alsmede de naam, het adres en de geboortedatum van ieder van de bestuurders, vennoten, maten of beheerders en de naam van degene die de aanvraag doet. 3. Bij de aanvraag wordt overgelegd een schriftelijke opgave van degene te wiens behoeve de verklaring wordt verzocht van het risico voor de samenleving dat in het geding is. Artikel 31 De aanvraag wordt ingediend door degene omtrent wiens gedrag een verklaring wordt gevraagd of door een vertegenwoordiger van de rechtspersoon omtrent wiens gedrag een verklaring wordt gevraagd. Artikel 31a 1. Onze Minister neemt de aanvraag niet in behandeling, indien een onderzoek naar het gedrag van de aanvrager kennelijk niet noodzakelijk is om, gelet op het doel van de aanvraag, een risico voor de samenleving te beperken. 2. Onze Minister stelt de burgemeester, bedoeld in artikel
29, eerste lid, terstond in kennis van de beslissing tot het niet in behandeling nemen van de aanvraag. Artikel 32 1. Onze Minister weigert de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag indien, in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan. 2. Indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtspersoon betrekt Onze Minister mede in zijn oordeel de justitiële gegevens met betrekking tot strafbare feiten op naam van de rechtspersoon en van ieder van de bestuurders, vennoten, maten of beheerders van die rechtspersoon alsmede de gegevens met betrekking tot strafbare feiten waaraan artikel 51, tweede lid, onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht ten grondslag heeft gelegen. 3. Onze Minister betrekt niet in zijn oordeel de justitiële gegevens met betrekking tot de strafbare feiten die zijn afgedaan met een onherroepelijke vrijspraak. Artikel 33 1. Onze Minister kan bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk persoon kennis nemen van met betrekking tot de aanvrager vermelde justitiële gegevens in de justitiële documentatie met uitzondering van de gegevens waarover op grond van artikel 20 geen mededeling kan worden gedaan aan de verzoeker, die gebruik maakt van zijn recht, als bedoeld in artikel 17, eerste lid alsmede van gegevens uit de politieregisters, bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet politieregisters. 2. Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, kan Onze Minister bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een rechtspersoon kennis nemen van met betrekking tot de betrokkenen, bedoeld in artikel
32, vermelde justitiële gegevens in de justitiële documentatie, gegevens uit de politieregisters, bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet politieregisters alsmede gegevens uit de documentatie vennootschappen bij Onze Minister. 3. Voorzover dat voor een goede oordeelsvorming noodzakelijk is, kan Onze Minister inlichtingen omtrent betrokkene inwinnen bij het openbaar ministerie en bij instellingen die op grond van artikel 4, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1995 bevoegd zijn om reclasseringswerkzaamheden te verrichten. 4. De justitiële gegevens en de gegevens uit de politieregisters die zijn verstrekt worden niet voor een ander doel gebruikt dan waarvoor zij zijn verstrekt. Artikel 34 (vervallen) Artikel 35 1. Onze Minister beslist op de aanvraag met betrekking tot de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk persoon binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. 2. Indien de verklaring omtrent het gedrag wordt afgegeven, zijn de artikelen 3:8 en 3:50 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. 3. Alvorens te beslissen stelt Onze Minister de burgemeester in de gelegenheid om, gelet op zijn advies, zijn mening kenbaar te maken. 4. De bekendmaking geschiedt door tussenkomst van de burgemeester. Artikel 35a 1. Onze Minister beslist op de aanvraag met betrekking tot de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een rechtspersoon binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. 2. Alvorens te beslissen tot weigering van de afgifte, stelt Onze Minister degene van wie een of meer gegevens als bedoeld in het tweede lid van artikel 33, ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing, in de gelegenheid om binnen twee weken een verzoek als bedoeld in artikel 21 van deze wet of artikel 22 van de Wet politieregisters dan wel artikel 36 van de Wet bescherming persoonsgegevens te doen. 3. De termijn voor het geven van de beschikking, bedoeld in het eerste lid, wordt opgeschort met ingang van de dag waarop Onze Minister de gelegenheid heeft geboden tot het doen van een verzoek en tot de dag waarop een schriftelijke mededeling is gedaan dat geen verzoek zal worden ingediend of twee weken zijn verstreken dan wel tot de dag waarop de procedure naar aanleiding van een verzoek is beëindigd. 4. De aanvrager van de verklaring wordt in kennis gesteld van de opschorting. Artikel 36 (vervallen) Artikel 37 1. Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot afgifte van een verklaring omtrent het gedrag kunnen de burgemeester en Onze Minister een vergoeding van kosten verlangen. 2. De kostenvergoedingen zijn niet hoger dan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag. 3. Voorzover de aanvragen zijn ingediend bij de burgemeester, zijn de gemeenten ter zake van de afgifte van de verklaring door Onze Minister een bij ministeriële regeling vastgestelde vergoeding verschuldigd aan Onze Minister. 4. Bij ministeriële regeling worden regels vastgesteld met betrekking tot de wijze van afdracht van de vergoeding, bedoeld in het derde lid. TITEL 3. DE PERSOONSDOSSIERS Artikel 38 1. Onze Minister verwerkt persoonsgegevens in persoonsdossiers in de documentatie persoonsdossiers met als doel de bevordering van een juiste toepassing van het strafrecht. 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt de wijze bepaald waarop de rapporten die het persoonsdossier vormen worden verkregen. 3. De artikelen 3 en 7 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 39 (vervallen) Artikel 40 1. Een rapport in een persoonsdossier wordt verwijderd na verloop van tien jaren. De termijn vangt aan op de dag van sluiting van het rapport. 2. Indien de straf of maatregel de duur van tien jaren te boven gaat, is de termijn, bedoeld in het eerste lid, gelijk aan de duur van de aan de betrokken persoon in de strafzaak waarop het rapport betrekking heeft, opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel krachtens het strafrecht. 3. Een persoonsdossier wordt in elk geval verwijderd zodra de betrokken persoon is overleden of sedert zijn geboortedag tachtig jaren zijn verstreken. Artikel 40a


1. Onze Minister kan afschriften van de in een persoonsdossier opgenomen rapporten gebruiken ten behoeve van de behandeling van een gratieverzoek of met het oog op het onderzoek, bedoeld in artikel 27.

2. Onze Minister verstrekt ten behoeve van een goede rechtspleging, de vervolging en berechting van strafbare feiten, de tenuitvoerlegging van straffen of maatregelen en het geven van advies over een gratieverzoek desgevraagd afschriften van de in een persoonsdossier opgenomen rapporten aan:

a. Nederlandse rechterlijke ambtenaren;

b. rechterlijke ambtenaren van Aruba en de Nederlandse Antillen;

c. andere dan de onder a en b genoemde rechterlijke ambtenaren, voorzover de Minister van Justitie dat bepaalt.


3. Onze Minister verstrekt ten behoeve van de selectie of bejegening desgevraagd afschriften van de in een persoonsdossier opgenomen rapporten aan de penitentiaire consulenten en de hoofden van de inrichtingen waar de aan een persoon opgelegde straf of maatregel wordt ten uitvoer gelegd.


4. Onze Minister verstrekt ten behoeve van het voorbereiden van enig rapport of het uitoefenen van enig toezicht desgevraagd afschriften van de in een persoonsdossier opgenomen rapporten aan:
a. de directeuren van de stichting en de reclasseringsinstellingen, bedoeld in artikel 1, onder b en c van de Reclasseringsregeling 1995;

b. de reclasseringswerkers, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1995;

c. de directeur of ressortsdirecteur van de raad voor de kinderbescherming.


5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere personen of instanties worden aangewezen aan wie ten behoeve van een juiste toepassing van het strafrecht afschriften van rapporten uit een persoonsdossier kunnen worden verstrekt. Daarbij kan tevens worden bepaald van welke rapporten afschriften worden verstrekt. Tevens kunnen nadere voorschriften worden gegeven in verband met de verstrekking.


6. Behoudens ontheffing van Onze Minister, kunnen ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek desgevraagd afschriften uit rapporten uit een persoonsdossier worden verstrekt in zodanige vorm dat herleiding tot individuele natuurlijke personen redelijkerwijs wordt voorkomen. Onze Minister kan voorwaarden verbinden aan de verstrekking van deze gegevens.
Artikel 40b 1. Onze Minister deelt een ieder op diens verzoek binnen vier weken mede of en zo ja welke deze persoon betreffende rapporten in de persoonsdossiers in de documentatie persoonsdossiers zijn opgenomen. 2. Hij doet daarbij geen mededelingen in schriftelijke vorm, tenzij hij weigert een mededeling te doen. 3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het verzoek en de wijze van kennisneming. Artikel 40c 1. Elke verstrekking van afschriften van rapporten uit persoonsdossiers, overeenkomstig artikel 40 wordt vastgelegd en ten minste gedurende één jaar bewaard. 2. Onze Minister deelt een ieder op diens verzoek schriftelijk binnen vier weken mede of hem betreffende afschriften van rapporten uit de persoonsdossiers in het jaar voorafgaande aan het verzoek overeenkomstig artikel 40a zijn verstrekt. Artikel 40d Op de behandeling van verzoeken als bedoeld in het eerste lid van artikel 40b en het tweede lid van artikel 40c is artikel 19 van overeenkomstige toepassing. Artikel 40e 1. Degene aan wie overeenkomstig artikel 40b kennis is gegeven van hem betreffende rapporten, kan Onze Minister schriftelijk verzoeken de persoonsgegevens in deze rapporten te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen, indien deze feitelijk onjuist, voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen. 2. Het tweede en derde lid van artikel 21 zijn van toepassing. Artikel 40f 1. Een beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 40c of 40e geldt als een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. 2. De artikelen 47 en 48 van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 40g 1. Indien Onze Minister persoonsgegevens in rapporten uit een persoonsdossiers heeft verbeterd, aangevuld, verwijderd of afgeschermd doet hij aan de in artikel 40a bedoelde personen of instanties aan wie in het jaar voorafgaand aan het verzoek en in de sinds dat verzoek verstreken periode de betrokken persoonsgegevens zijn verstrekt, zo spoedig mogelijk mededeling van deze verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming, tenzij dit onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost. 2. Het tweede lid van artikel 23 is van overeenkomstige toepassing. Artikel 40h 1. Onze Minister kan voor een mededeling als bedoeld in artikel 40b of 40c een vergoeding van kosten verlangen die niet hoger is dan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag. Daarbij wordt tevens de wijze van betaling bepaald. 2. De vergoeding wordt teruggegeven in geval Onze Minister op verzoek van de betrokkene, op aanbeveling van de College bescherming persoonsgegevens of op bevel van de rechter tot verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming is overgegaan. Artikel 40i 1. Degene over wie één of meer persoonsgegevens in persoonsdossiers zijn verwerkt kan bij Onze Minister verzet hiertegen aantekenen wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden. 2. Onze Minister beoordeelt, gehoord het openbaar ministerie en de instelling die het rapport heeft opgemaakt, binnen vier weken na ontvangst van het verzet of het verzet gerechtvaardigd is. Indien het verzet gerechtvaardigd is, beëindigt hij terstond de verwerking.
3. Artikel 40h is van overeenkomstige toepassing. Artikel 40j Artikel
25 is van overeenkomstige toepassing op de verwerking van persoonsgegevens in persoonsdossiers. TITEL 4. SLOTBEPALINGEN Artikel
41 1. Een ieder die krachtens deze wet de beschikking krijgt over gegevens met betrekking tot een derde, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voorzover een bij of krachtens deze wet gegeven voorschrift mededelingen toelaat, dan wel de uitvoering van de taak met het oog waarop de gegevens zijn verstrekt tot het ter kennis brengen daarvan noodzaakt. 2. Artikel 272, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is niet van toepassing Artikel 42 De Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955, 395) wordt ingetrokken. Artikel 43 (vervallen) Artikel 44 (vervallen) Artikel 45 In artikel 17, vierde lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten wordt "Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955, 395) zijn geregistreerd of ten aanzien waarvan ingevolge artikel 36" vervangen door: Wet justitiële gegevens zijn geregistreerd of ten aanzien waarvan ingevolge artikel 41. Artikel 46 In artikel 2, tweede lid, van de Advocatenwet worden de woorden "Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955,
395)" vervangen door: Wet justitiële gegevens. Artikel 47 In artikel 19 van de Wet tarieven in strafzaken vervalt de zinsnede: voor zaken aangeboden op grond van artikel 30 van de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag,. Artikel 48 (vervallen) Artikel 49 In artikel 33 en 37d, telkenmale eerste lid, onder a, van de Wet op het voortgezet onderwijs worden de woorden "Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955, 395)" vervangen door: Wet justitiële documentatie. Artikel 50 In artikel 3, eerste lid, onder a, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs worden de woorden "Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955,
395)" vervangen door: Wet justitiële documentatie. Artikel 51 In het eerste lid, onder a, van artikel 3, van de Wet op het primair onderwijs wordt "Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955, 395)" vervangen door: Wet justitiële gegevens. Artikel 52 In artikel 8 van de Wet op de erkende onderwijsinstellingen worden de woorden "Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955, 395)" vervangen door: Wet justitiële gegevens. Artikel 53 In het eerste lid, onder a, van artikel 4.2.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs wordt 'Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag' vervangen door: Wet justitiële gegevens. Artikel 54 In artikel 7, eerste lid, onder a, van de Algemene wet erkenning
EG-hoger-onderwijsdiploma's worden de woorden "Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955, 395)" vervangen door: Wet justitiële gegevens. Artikel 55 In artikel 9, eerste lid, van de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen worden de woorden "Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955,
395)" vervangen door: Wet justitiële gegevens. Artikel 56 De Wet van 6 mei 1878, Stb 30, houdende bepalingen omtrent de beëedigde vertalers wordt als volgt gewijzigd: 1. In artikel 1 wordt de zinsnede 'en een getuigschrift overlegt van goed zedelijk gedrag, afgegeven door de burgemeester en wethouders der gemeente of gemeenten waar hij gedurende de twee laatste jaren heeft gewoond' vervangen door: en een verklaring omtrent het gedrag, als bedoeld in artikel 27 van de Wet justitiële gegevens, overlegt. 2. In artikel 2 wordt de zinsnede 'en een getuigschrift overleggen van goed zedelijk gedrag, afgegeven door de burgemeester en wethouders der gemeente of gemeenten waar zij gedurende de twee laatste jaren hebben gewoond' vervangen door: en een verklaring omtrent het gedrag, als bedoeld in artikel 27 van de Wet justitiële gegevens, overleggen. Artikel 57 In artikel 11, eerste lid, van de Wet van 11 mei 1956, Stb. 242, houdende enige regelen betreffende het gebruik van de Friese taal wordt de zinsnede "wanneer hij een getuigschrift overlegt van goed zedelijk gedrag, afgegeven door burgemeester en wethouders der gemeente of gemeenten waar hij gedurende de laatste twee jaren heeft gewoond." vervangen door: wanneer hij een verklaring omtrent het gedrag, als bedoeld in artikel 27 van de Wet justitiële gegevens, overlegt. Artikel 57a Het eerste lid van artikel 15 van de Wet politieregisters wordt als volgt gewijzigd: 1. In onderdeel b, onder 1º, wordt na 'voor' ingevoegd: de advisering omtrent. 2. Er wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma een onderdeel d toegevoegd, luidende: d. de Minister van Justitie voorzover hij deze behoeft voor de afgifte van de verklaringen omtrent het gedrag. Artikel 57b De Wet veiligheidsonderzoeken wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid, onder a, van artikel 7 wordt ' justitiële inlichtingen' vervangen door: justitiële gegevens en wordt 'Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag' vervangen door: Wet justitiële gegevens. 2. In het vierde lid, onder a, van artikel
13 wordt ' justitiële inlichtingen' vervangen door: justitiële gegevens en wordt 'Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag' vervangen door: Wet justitiële gegevens. Artikel 57c In het eerste lid, onder a, van artikel 29a van de Spoorwegwet wordt 'met het oog op de vergunning verleende verklaring als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag' vervangen door: met het oog op de vergunning verleende verklaring als bedoeld in artikel 27 van de Wet justitiële gegevens. Artikel 57d De Wet bescherming persoonsgegevens wordt als volgt gewijzigd: 1. In het tweede lid, onder e, van artikel 2 wordt 'Wet justitiële
documentatie' vervangen door: Wet justitiële gegevens. 2. In het eerste lid van artikel 22 wordt 'Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag' vervangen door: Wet justitiële gegevens. Artikel
57e In het tweede lid, onder c, sub 1 van artikel 6, van de Wet op het notarisambt wordt 'de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag' vervangen door: de Wet justitiële gegevens. Artikel 57f Indien het bij koninklijke boodschap van 11 november 1999 ingediende voorstel van wet, houdende regels inzake de bevordering van integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur met betrekking tot beschikkingen of overheidsopdrachten (Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur) (26 883) eerder tot wet wordt verheven en in werking treedt dan het onderhavige wetsvoorstel komt het tweede onderdeel van artikel 57a als volgt te luiden: 2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma wordt een nieuw onderdeel toegevoegd, luidende: e. de Minister van Justitie voorzover hij deze behoeft voor de afgifte van de verklaringen omtrent het gedrag. Artikel 58 Aan de in artikel 9 bedoelde personen of instanties worden tevens de justitiële gegevens over minderjarigen verstrekt die overeenkomstig de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Wet van 7 juli 1994 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en andere wetten in verband met de herziening van het strafrecht voor jeugdigen (Stb. 528) waren opgenomen in het strafregister. Artikel 58a Onze Minister van Justitie zendt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel 58b Indien voor het moment van inwerkingtreding van deze wet een aanvraag om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk persoon is gedaan, zijn op de behandeling van de aanvraag en de daaruit voortvloeiende procedures de bepalingen van toepassing zoals die luiden voor inwerkingtreding van deze wet. Artikel 59 Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel 60 Deze wet kan worden aangehaald als: Wet justitiële gegevens. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Gegeven

De Minister van Justitie,

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie