Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Toelichting op wijziging Wet Belastingen op Milieugrondslag

Datum nieuwsfeit: 27-07-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: Toelichting op de wijzigingen van de Wet belastingen op


Mededeling 9. Toelichting op de wijzigingen van de Wet belastingen op milieugrondslag met ingang van 1 januari 2000 als gevolg van het Belastingplan 2000

DOMEIN VERBRUIKSBELASTINGEN

Besluit van 27 juli 2000, nr. CPP/2000/860 M

De Directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.


1. Inleiding

Met ingang van 1 januari 2000 is de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) op een aantal punten gewijzigd. Deze wijzigingen vloeien voort uit:


1. de Wet van 22 december 1999 houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. (belastingplan 2000), Stb. nr. 579. De wijzigingen hebben betrekking op de grondwaterbelasting, de afvalstoffenbelasting, de brandstoffenbelasting (BSB) en de regulerende energiebelasting (REB). Voorts wordt een nieuwe belasting ingevoerd: de belasting op leidingwater. Deze wijzigingswet is opgenomen in bijlage A bij deze mededeling.

Deze mededeling bevat een nadere toelichting op deze wijzigingen.


2. de Wet van 16 december 1999 houdende wijziging van de regulerende energiebelasting en de inkomstenbelasting met het oog op het bevorderen van energiezuining en milieuvriendelijk gedrag, Stb. 557. De wijzigingen hebben betrekking op de regulerende energiebelasting (REB) en hebben betrekking op de invoering van positieve prikkels voor huishoudens in de vorm van energiepremies die huishoudens kunnen verwerven indien een energiezuinig apparaat wordt aangeschaft of een energiebesparende maatregel aan de woning wordt getroffen. Zie voor een toelichting mededeling 10.


3. het voorstel van Wet tot wijziging van de regulerende energiebelasting in verband met het beëindigen van het nihiltarief voor verbruik van aardgas en minerale oliën door de glastuinbouw (zie voor een toelichting mededeling 11).

Als gevolg van de wijzigingen in de Wbm is ook het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag (Uitvoeringsbesluit) gewijzigd bij het Besluit van 23 december 1999, nr. WV 99/2066, Stb. 586 (bijlage B).

Ook de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag (Uitvoeringsregeling) is gewijzigd bij het Besluit van 22 december 1999, nr. WV 99/2255 M, Stcrt. nr. 250, en het Besluit van 22 december 1999, nr. WV 99/2257 M, Stcrt. nr. 251(bijlage C).


2. GOEDKEURING EUROPESE COMMISSIE

Bij brief van 26 oktober 1999 is de Europese Commissie geïnformeerd over de in het wetsvoorstel Belastingplan 2000 opgenomen wijzigingen in de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm). De wijziging in de brandstoffenbelasting en de REB die verband houden met de invoering van de zogenoemde raffinaderijvrijstelling zoals die ook voor de accijns geldt en de wijziging in de brandstoffenbelasting over de restbrandstoffen (het vervallen van artikel 21, eerste lid, onderdeel h, Wbm) zijn formeel als steunmaatregel bij de Commissie aangemeld. De Commissie heeft inmiddels laten weten tegen deze tegemoetkomende regelingen geen bezwaar te hebben. Deze wijzigingen zijn met ingang van 5 juli 2000 in werking getreden met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2000.

Met betrekking tot een aantal andere in de Wbm opgenomen tegemoetkomingen heeft de Commissie echter laten weten dat zij deze regelingen in het verleden weliswaar heeft goedgekeurd, maar dat door de in het Belastingplan 2000 opgenomen voorgestelde tariefverhogingen van de grondwaterbelasting, de afvalstoffenbelasting en de regulerende energiebelasting de steunomvang uit hoofde van deze regelingen zal toenemen. De Commissie is van mening dat het een wijziging van de steunmaatregelen betreft die formeel moet worden aangemeld om haar in staat te stellen het nieuwe steunregime te beoordelen. Het betreft hier de vrijstellingen voor spoelwater in de grondwaterbelasting, voor ontinktingsresidu in de afvalstoffenbelasting, het nihiltarief voor groene stroom en de bijzondere regeling voor
afvalverbrandingsinstallaties in de REB.

Bedoelde wijzigingen zijn inmiddels aangemeld. Mocht de Commissie negatief beslissen, dan is het noodzakelijk de wet zo spoedig mogelijk aan te passen. Met het oog daarop is in het Belastingplan 2000 artikel XXIII opgenomen op grond waarvan de desbetreffende regelingen in de Wbm bij ministeriële regeling met terugwerkende kracht tot 1 januari 2000 kunnen worden aangepast. Na plaatsing in de Staatscourant van een zodanige ministeriële regeling zal een wetsvoorstel worden ingediend, dat strekt tot vervanging van deze ministeriële regeling.

Het vorenstaande betekent dat de tegemoetkomingen:


- voor spoelwater in de grondwaterbelasting,

- voor ontinktingsresidu in de afvalstoffenbelasting,

- het nihiltarief voor groene stroom en


- de bijzondere regeling voor afvalverbrandingsinstallaties in de REB
slechts onder voorbehoud van goedkeuring door de Europese Commissie kunnen worden verleend en dat voor die tegemoetkomingen waarvoor de Commissie geen goedkeuring verleent, rekening gehouden moet worden met de mogelijkheid dat dan maatregelen worden getroffen die in overeenstemming zijn met de uiteindelijke beslissing van de Commissie, als gevolg waarvan mogelijk de belasting alsnog verschuldigd wordt.


3. JAARLIJKSE INDEXATIE

In artikel 37a van de Wbm is een bepaling opgenomen op grond waarvan de belastingen jaarlijks worden aangepast aan de inflatie (indexatie), voor de eerste maal met ingang van 1 januari 1999.

Op grond van de Bijstellingsregeling belastingen op milieugrondslag 2000 van 15 december 1999, nr. WV99/2199M, (Stcrt. van 22 -12-1999, nr. 247) zijn in de Wbm opgenomen bedragen voor de brandstoffenbelasting en de uraniumbelasting per 1 januari 2000 vervangen door nieuwe bedragen die zijn verkregen door vermenigvuldiging met de tabelcorrectiefactor die voor het kalenderjaar 2000 is vastgesteld op 1,017.

De tarieven voor de grondwaterbelasting, de afvalstoffenbelasting en de REB zijn reeds met het Belastingplan 2000 aangepast, waarbij al rekening is gehouden met de inflatie. In verband daarmee is bepaald dat genoemd artikel 37a voor de bedragen van die belastingen voor het jaar 2000 geen toepassing vindt.


4. BELASTINGEN OP MILIEUGRONDSLAG

In het Regeerakkoord is een verhoging van de belastingdruk op milieubelastende activiteiten (inclusief terugsluis bedrijven en positieve prikkels) van f 3,7 miljard afgesproken over een periode van 3 jaar. De daardoor ontstane budgettaire ruimte zal als onderdeel van een bredere herziening van het belastingstelsel worden aangewend voor een verlaging van de lastendruk op arbeid in de vorm van verlaging van de loon- en inkomstenbelasting. Deze verschuiving vindt plaats in drie
-zo mogelijke gelijke - stappen. Met ingang van 1 januari 1999 is de eerste tranche vergroening doorgevoerd. In het Belastingplan 2000 zijn voorstellen ter invulling van de tweede tranche vergroening gedaan.
De opbrengst als gevolg van de vergroening tweede tranche, inclusief de indexatie van milieubelastingen en de BTW over de verhoging van de energie- en milieubelastingen, bedraagt f 1,8 miljard. Een deel daarvan (f 1,1 miljard) ziet op de verhoging van de regulerende energiebelastingen c.a. Het andere deel ziet onder meer op de introductie van een algemene belasting op leidingwater in combinatie met het weer onder het verlaagde BTW-tarief brengen van water.


4.1. Grondwaterbelasting


4.1.1. Algemeen

In de grondwaterbelasting is de eerste stap gezet om het tarief voor eigen winners, dat de helft bedroeg van dat voor waterleidingbedrijven, op hetzelfde niveau te brengen als het tarief dat geldt voor onttrekkingen door waterleidingbedrijven. Voorts wordt een speciaal tarief geïntroduceerd voor de zogenoemde OEDI, een systeem waarbij oeverfiltratie (de OE) wordt gecombineerd met diepinfiltratie (de DI).


4.1.2. Eerste stap gelijktrekken tarief voor eigen winners
In de grondwaterbelasting wordt de eerste stap gezet om het tarief voor eigen winners, dat nu de helft bedraagt van dat voor waterleidingbedrijven, op hetzelfde niveau te brengen als het tarief dat geldt voor onttrekkingen door waterleidingbedrijven. De gelijkschakeling van het tarief gebeurt in twee gelijke stappen: in het Belastingplan 2000 is de eerste stap opgenomen, de tweede stap zal worden gerealiseerd per 1 januari 2001.

De wijziging van artikel 10 bewerkstelligt dat het tarief voor de eigen winner die vermindering krijgt wegens infiltratie, op hetzelfde niveau blijft als thans en zoals dat ook geldt voor de waterleidingbedrijven.


4.1.3. Speciaal tarief voor systeem van grondwateronttrekking waarbij oeverfiltratie wordt gevolgd door diepinfiltratie (OEDI)
In de grondwaterbelasting is uitvoering gegeven aan de bij de evaluatie van de bepalingen van de grondwaterbelasting en afvalstoffenbelasting vastgelegde aanbeveling om een stimulans te geven aan een van de alternatieve systemen van grondwaterwinning. Het betreft de OEDI, een systeem waarbij oeverfiltratie (de OE) wordt gecombineerd met diepinfiltratie (de DI). De combinatie van oeverfiltratie met diepinfiltratie is een vanuit milieuhygiënisch standpunt wenselijk alternatief voor directe grondwaterwinning. Zonder deze maatregel zou deze methode van grondwaterwinning zwaarder in de belastingheffing worden betrokken dan de directe grondwaterwinning. In het speciale tarief voor de OEDI komt tot uiting dat de winning van grondwater door middel van een OEDI minder bezwaarlijk is dan directe grondwaterwinning.

Het bijzondere tarief is van toepassing op de uiteindelijk door de OEDI onttrokken hoeveelheid grondwater. Geen belasting is verschuldigd over grondwater dat via oeverfiltratie is onttrokken en er wordt geen vermindering verleend wegens diepinfiltratie. De hoeveelheid grondwater die meer wordt onttrokken dan de hoeveelheid waarop diepinfiltratie wordt toegepast, moet echter worden belast met het normale tarief.

In verband met het vorenstaande is aan de begripsbepalingen de definitie toegevoegd van de OEDI als aparte categorie van winning van grondwater. De Minister van VROM beoordeelt aan de hand van bepaalde criteria of er sprake is van een OEDI. Hierbij kan ook de vergunning die de provincie verleent op grond van de Grondwaterwet en het Infiltratiebesluit een rol spelen. Op dit moment zijn nog geen OEDIs aangewezen.


4.1.4. Terugvoeren van water in de bodem bij koude- en warmte-opslag en retourbemaling

De aanpassing van artikel 8, onderdeel g, betreft het vervangen van de term infiltreren door de aanduiding terugvoeren. Bij de koude- en warmte-opslag circuleert het water in een gesloten systeem. Het is daarbij zorgvuldiger om de term terugvoeren te gebruiken. Infiltreren is een bijzondere vorm van het in de bodem brengen van water, waarvoor op grond van de Grondwaterwet speciale bepalingen gelden, die niet automatisch betrekking hebben op andere vormen waarbij water in de bodem wordt teruggevoerd.

In artikel 9, onderdeel c, is met betrekking tot retourbemaling dezelfde wijziging aangebracht als in artikel 8, onderdeel g, met betrekking tot de koude- en warmte-opslag. Ook bij retourbemaling is het zorgvuldiger te spreken van terugvoeren.


4.1.5. Tarieven grondwaterbelasting

De tarieven van de grondwaterbelasting zijn opgenomen in de artikelen 9 (tarief per kubieke meter) en 10 (vermindering als gevolg van infiltratie). Als gevolg van het Belastingplan 2000 en de bijstellingsregeling luiden die m.i.v. 1-1-2000 als volgt:

Artikel 9: Het tarief bedraagt per kubieke meter onttrokken grondwater:


a. voor onttrekkingen door waterleidingbedrijven f 0,3530

b. voor onttrekkingen door anderen f 0,2634
.


d. voor onttrekkingen van grondwater met behulp van een OEDI f 0,1142 voor zover de in een jaar onttrokken hoeveelheid grondwater de in dat jaar geïnfiltreerde hoeveelheid water niet overschrijdt, met dien verstande dat de onttrekking door middel van oevergrondwaterwinning en de infiltratie niet in aanmerking worden genomen.
Artikel 10: De in artikel 6, tweede lid, bedoelde vermindering bedraagt per kubieke meter geïnfiltreerd water:


a. voor infiltratie door waterleidingbedrijven f 0,2959

b. voor infiltratie door anderen f 0,2063.


4.2. Belasting op leidingwater


4.2.1. Inleiding

Naast de maatregelen in de grondwaterbelasting wordt in het nieuwe hoofdstuk IIA van de Wbm een nieuwe belasting geïntroduceerd: de belasting op leidingwater. Deze belasting dient ter vervanging van het per 1 januari 1999 ingevoerde algemene BTW-tarief op de levering van water. Bij de invoering van de eerste tranche vergroening vorig jaar in het Belastingplan 1999 is de levering van water onder het algemene tarief van 17,5% van de omzetbelasting gebracht. Op grond van een aangenomen amendement viel de eerste f 60 van de waterrekening onder het verlaagde BTW-tarief. Bij de behandeling van het Belastingplan 1999, maar ook daarna, is toegezegd om in de volgende tranches vergroening het uitgangspunt van een heffingsvrije voet nader te onderzoeken. Het uiteindelijke resultaat is dat de levering van water enerzijds weer onder het verlaagde BTW-tarief is gebracht en anderzijds in de Wbm een belasting op leidingwater is opgenomen. Het oorspronkelijke voorstel om op de verschuldigde belasting op leidingwater een belastingvermindering toe te passen in de vorm van een vast bedrag per aansluiting is komen te vervallen. Het tarief is dienovereenkomstig verlaagd.

De belasting op leidingwater is opgezet volgens dezelfde systematiek als de regulerende energiebelasting (REB). Er wordt aangesloten bij de hoeveelheid geleverde kubieke meter leidingwater per zelfstandige onroerende zaak. Circa tien percent van de onroerende zaken is (nog) niet bemeterd. Dit verschijnsel doet zich onder meer voor in Amsterdam, Rotterdam en enkele delen van Groningen. In deze gevallen wordt aangesloten bij het systeem dat waterleidingbedrijven hanteren voor de vaststelling van de waterrekening mede om uitvoeringstechnische redenen. De waterleidingbedrijven zelf brengen een abonnementstarief in rekening dat gebaseerd is op het aantal vierkante meters woonoppervlak of het aantal vertrekken, vanuit de gedachte dat daarmee een relatie gelegd kan worden met het verbruik. Door het in rekening gebrachte bedrag terug te rekenen naar een - fictieve - hoeveelheid geleverd water, wordt daarbij aangesloten.


4.2.2. Begripsomschrijvingen


4.2.2.1. Algemeen

Artikel 11a bevat de begripsomschrijvingen die van specifiek belang zijn voor de belasting op leidingwater. Voor de definities die betrekking hebben op water, is aansluiting gezocht bij de definities in de Waterleidingwet, zoals deze zullen luiden wanneer de Waterleidingwet is aangepast aan richtlijn nr. 98/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PbEG L 330). Het desbetreffende wetsvoorstel is inmiddels aangeboden aan de Kamer.


4.2.2.2. Leidingwater

Onder leidingwater wordt ingevolge artikel 11a, onderdeel a, verstaan water dat door een waterleidingbedrijf of een afzonderlijke watervoorziening aan derden ter beschikking wordt gesteld, al dan niet van drinkwaterkwaliteit. Deze definitie steunt weliswaar op de definitie van leidingwater in het hiervoor genoemde wetsvoorstel, maar is daaraan niet gelijk. Voor de belasting op leidingwater geldt, anders dan bij de Waterleidingwet, niet de beperking dat het moet gaan om water dat bestemd is voor menselijke consumptie. Leidingwater is elke soort water dat via een leiding wordt geleverd aan een verbruiker. Het gaat hier behalve om drinkwater dat direct geschikt is voor menselijke consumptie ook om andere soorten water, al dan niet van drinkwaterkwaliteit, die ook wel worden aangeduid als huishoudwater, grijs water of b-water. Ook kan gedacht worden aan warm tapwater dat geleverd wordt door een energiebedrijf of door de beheerder van het gebouw of terrein waarvan het warmwaterproductie- en distributiesysteem deel uitmaakt.


4.2.2.3. Waterleidingbedrijf

Voor de in onderdeel b opgenomen definitie van waterleidingbedrijf wordt verwezen naar de Waterleidingwet. Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van die wet wordt onder waterleidingbedrijf verstaan een bedrijf uitsluitend of mede bestemd tot openbare drinkwatervoorziening door levering van drinkwater aan verbruikers.


4.2.2.4. Afzonderlijke watervoorziening

Onder afzonderlijke watervoorziening wordt ingevolge artikel 11a, onderdeel c, verstaan een landgebonden voorziening, niet zijnde een waterleidingbedrijf, voor de winning of behandeling van water dat met behulp van een leiding of distributienet als leidingwater ter beschikking wordt gesteld. Als voorbeeld kunnen worden genoemd watervoorzieningen op campings en defensieterreinen.


4.2.2.5. Aansluiting

Onder aansluiting wordt ingevolge artikel 11a verstaan een aansluiting van een in Nederland gelegen onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met d, van de Wet waardering onroerende zaken (Wwoz) op het distributienet van een waterleidingbedrijf of van een afzonderlijke watervoorziening, waaruit leidingwater aan de verbruiker wordt geleverd. Deze definitie van het begrip aansluiting is grotendeels gelijkluidend aan die uit de regulerende energiebelasting. Ook voor de leidingwaterbelasting is de koppeling aan het begrip onroerende zaak uit de Wwoz een bruikbare afbakening. In de meeste gevallen gaat het om woningen, waarbij sprake is van één aansluiting op het waterleidingnet. In sommige gevallen kan er per locatie sprake zijn van meer dan één leveringspunt. Dit kan het geval zijn wanneer meer soorten water worden geleverd, bijvoorbeeld indien naast het gewone drinkwater ook grijs water, of huishoudwater wordt geleverd. In dat geval kan op grond van de definitie voor de toepassing van de wet sprake zijn van één aansluiting.


4.2.2.6. Particuliere installatie voor centrale watervoorziening
In onderdeel e van artikel 11a is de definitie van een particuliere installatie voor centrale watervoorziening opgenomen. Deze definitie is deels afgeleid van die uit het voorstel tot wijziging van de Waterleidingwet en voor het overige overgenomen van de definitie voor de installatie voor centrale blokverwarming uit de regulerende energiebelasting. Voor de belasting op leidingwater moet het gaan om een gemeenschappelijke voorziening voor de levering van water aan meer dan één onroerende zaak. Daarbij valt te denken aan woningen in een flatgebouw, of kantoren in een kantoorgebouw. In artikel 16, onderdeel c, van de Wet WOZ wordt deze categorie objecten afgebakend. Indien de aldus afgebakende objecten gebruik maken van dezelfde installatie die deze objecten van water voorziet, is er sprake van een particuliere installatie voor centrale watervoorziening.


4.2.3. Grondslag en belastingplicht

De belasting wordt geheven op leidingwater (artikel 11b). Het belastbare feit is de levering van leidingwater aan de verbruiker (art. 11c).

De levering van warmte door middel van water uit een installatie voor warmtekrachtkoppeling of een installatie voor blokverwarming valt niet onder de leidingwaterbelasting. Aangezien dit water uitsluitend dient om de woningen te verwarmen en derhalve de leiding niet verlaat, is er geen reden dit water te belasten met de leidingwaterbelasting.


4.2.4. Maximum van 300 kubieke meter

Een van de doelstellingen van de maatregel om water onder het algemene BTW-tarief te brengen (en daarmee voor de invoering van de belasting op leidingwater) is dat de belastingverzwaring, naast vergroening, beoogde een bijdrage te leveren aan de in het Regeerakkoord opgenomen verschuiving van 0,7 mld lastendruk van de inkomsten- en de loonbelasting naar andere (milieu)belastingen dan de energiebelastingen. Een verschuiving van de lastendruk van inkomsten- en loonbelasting betekent dat de nieuwe belasting tot voornamelijk huishoudelijk verbruik beperkt moet zijn, een
kleinverbruikersbelasting dus. In de BTW-regeling was dat bereikt doordat de BTW als zodanig voornamelijk op huishoudens drukt. Bij de belasting op leidingwater wordt dat effect bereikt door een maximaal volume van 300 kubieke meter per verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting waarover geheven wordt. Voorzover de belasting -onbedoeld- bij het bedrijfsleven terecht komt, wordt deze als onderdeel van de generieke terugsluismaatregelen naar het bedrijfsleven teruggesluisd.
Bij een installatie voor centrale watervoorziening gaat het om verbruikers die, indien zij een eigen aansluiting zouden hebben, de belasting van de leverancier doorberekend zouden krijgen over hun gebruik tot 300 kubieke meter. In het algemeen zullen deze verbruikers ieder afzonderlijk niet boven deze grens uitkomen. In het derde lid van artikel 11c, is bepaald dat de hoeveelheid van 300 kubieke meter niet van toepassing is op de levering van water ten behoeve van een installatie voor centrale watervoorziening. In beginsel wordt derhalve geheven over de totale hoeveelheid geleverd water, tenzij de exploitant van de installatie aan degene die het leidingwater heeft geleverd, een verklaring heeft overgelegd waarin opgaaf wordt gedaan van het aantal onroerende zaken dat door de installatie van water wordt voorzien. In dat geval wordt de belasting geheven over niet meer dan over een hoeveelheid die wordt berekend door het aantal onroerende zaken te vermenigvuldigen met 300 kubieke meter.


4.2.5. Verbruiksperiode van 12 maanden

De belasting wordt geheven over de hoeveelheid water die geleverd is tot ten hoogste een hoeveelheid van 300 kubieke meter per verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting. Dit omdat de jaarafrekening van de waterleidingbedrijven in het algemeen, net als bij de energiedistributiebedrijven, betrekking heeft op een verbruiksperiode van 12 maanden en niet op een kalenderjaar. Daarnaast is voorzien in een evenredige verlaging of verhoging van het maximum bij een verbruiksperiode korter of langer dan 12 maanden. Dit kan zich bij voorbeeld voordoen indien de meteropname niet plaatsvindt binnen een periode van twaalf maanden na de vorige meteropname of bij verhuizingen.


4.2.6. Belastingplichtige

In artikel 11d wordt degene aangewezen van wie de belasting wordt geheven. Belastingplichtige is degene die het leidingwater aan de verbruiker levert. Gelet op de definitie van leidingwater (water dat door een waterleidingbedrijf of een afzonderlijke watervoorziening aan derden ter beschikking wordt gesteld) zijn dat de waterleidingbedrijven dan wel de afzonderlijke watervoorzieningen.


4.2.7. Verbruiker

In de wet is geen begripsomschrijving opgenomen van wie als verbruiker moet worden aangemerkt. Zoals hiervoor aangegeven wordt de belasting geheven ter zake van de levering via een aansluiting aan de verbruiker. Onder aansluiting wordt ingevolge artikel 11a verstaan een aansluiting van een in Nederland gelegen onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met d, van de Wwoz op het distributienet van een waterleidingbedrijf of van een afzonderlijke watervoorziening, waaruit leidingwater aan de verbruiker wordt geleverd. Diegene wordt derhalve als verbruiker aangemerkt die op of binnen een bepaalde onroerende zaak het water via een leiding aangeleverd krijgt door een waterleidingbedrijf of een afzonderlijke watervoorziening. Verbruiker is zowel degene die dit aldus aangeleverde water ook daadwerkelijk zelf verbruikt als degene die het water, zonder dit een verdere behandeling te geven, doorlevert aan meer dan één andere onroerende zaken. In het laatste geval is hij aan te merken als een particuliere installatie voor centrale watervoorziening en dient de belasting te worden geheven over de totale aan hem geleverde hoeveelheid water. Er is voorzien in een regeling op grond waarvan rekening kan worden gehouden met het aantal onroerende zaken dat door particuliere installatie voor centrale watervoorziening van water wordt voorzien. Zie voor een toelichting onderdeel 4.2.4.

Als verbruiker worden niet aangemerkt afzonderlijke watervoorzieningen, die water aangeleverd krijgen van een waterleidingbedrijf of een andere afzonderlijke watervoorziening, voorzover zij dit water, na dit een behandeling te hebben gegeven, doorleveren aan anderen.

Twee voorbeelden ter verduidelijking.

Een frisdrankenproducent pompt zelf grondwater op. Voor een deel wordt dit aangewend voor de eigen productie, voor een deel wordt het verkocht (via een leiding) aan een verderop gelegen bedrijf.

De producent is aan te merken als een afzonderlijke watervoorziening. Hij wint immers grondwater en stelt dat via een leiding ter beschikking aan een andere verbruiker in een andere onroerende zaak. Voor het aldus geleverde water is hij belastingplichtig voor de leidingwaterbelasting. Voor het water dat hij eventueel met een tankwagen aflevert, is geen belasting verschuldigd, omdat in die situatie geen levering via een aansluiting plaats vindt. Het eigen verbruik van het door hemzelf opgepompte water is niet aan de belasting op leidingwater onderworpen.

Een waterleidingbedrijf levert koud water aan een distributiebedrijf. Het waterleidingbedrijf verkrijgt dit water uit grondwater en uit oppervlaktewater. Het distributiebedrijf verwarmt het water en levert dit warme water als tapwater aan bijvoorbeeld een ziekenhuis.

Het waterleidingbedrijf is een zelfstandig in de wet genoemd subject dat belastingplichtig is ter zake van de hoeveelheid water geleverd via een aansluiting aan een verbruiker.

Het distributiebedrijf is voor het water dat het, na dit een behandeling te hebben gegeven, doorlevert aan anderen, aan te merken als een afzonderlijke watervoorziening en niet als verbruiker.

Het waterleidingbedrijf is ter zake van de levering aan het distributiebedrijf derhalve geen belasting verschuldigd.

Het distributiebedrijf is ter zake van de levering aan het ziekenhuis de belasting verschuldigd.


4.2.8. Maatstaf van heffing

In artikel 11e, eerste lid, is bepaald dat de belasting wordt geheven per eenheid leidingwater gemeten in kubieke meters. Het tweede lid bevat een regeling voor de gevallen waarin de geleverde hoeveelheid niet per perceel bekend is omdat de aansluiting niet bemeterd is. Dit is onder andere het geval in Amsterdam, Rotterdam en enkele delen van Groningen. De desbetreffende waterleidingbedrijven brengen in dat geval een abonnementstarief in rekening, dat doorgaans zijn grondslag vindt in het aantal vertrekken of de oppervlakte van het perceel dat is aangesloten op de waterleiding. Dit in rekening gebrachte tarief wordt met behulp van de in dit lid opgenomen rekenregels herleid tot een hoeveelheid waarover de belasting wordt geheven.

Mocht de berekening leiden tot een hoeveelheid die groter is dan 300 kubieke meter per verbruiksperiode van 12 maanden, dan is artikel 11c, eerste lid, van toepassing en wordt de belasting beperkt tot 300 kubieke meter per zelfstandige onroerende zaak.


4.2.9. Tijdstip van verschuldigdheid

Voor de bepaling van het tijdstip waarop de belasting verschuldigd is, heeft de bepaling in de regulerende energiebelasting ter zake van de levering van gas en elektriciteit model gestaan. Dit houdt in dat de belasting in de gevallen waarin het waterleidingbedrijf een voorschotnota uitreikt, verschuldigd is op het tijdstip van het uitreiken daarvan. Bij de eindfactuur wordt het definitief verschuldigde bedrag vastgesteld, waarmee de bedragen van de voorschotnotas worden verrekend. In gevallen waarin geen sprake is van voorschotten, is de belasting verschuldigd bij de uitreiking van de factuur.


4.2.10. Tarief

Het tarief van de belasting op leidingwater bedraagt ingevolge artikel 11g f 0,285 per kubieke meter.


4.2.11. Vrijstellingen

In artikel 11h, eerste lid, is de vrijstelling opgenomen voor water dat geleverd wordt voor brandblussing door middel van noodvoorzieningen indien deze uitsluitend worden gebruikt in buitengewone omstandigheden.

Over het algemeen wordt het water dat via dergelijke noodvoorzieningen geleverd wordt voor brandblussing niet afzonderlijk in rekening gebracht, maar brengen de waterleidingbedrijven voor geplaatste brandkranen of andere blusvoorzieningen, zoals sprinklerinstallaties, een vast bedrag in rekening. Dit bedrag kan gebaseerd zijn op de beschikbaar gestelde volumestroom of pompcapaciteit. Het maakt hierbij niet uit of daadwerkelijk en in welke mate van de blusvoorziening gebruik is gemaakt. Omdat dergelijke blusvoorzieningen veelal zijn aangesloten op daartoe speciaal aangebrachte leidingen en niet in alle gevallen bemeterd zijn, kan de hoeveelheid gebruikt water niet worden vastgesteld. Hierbij wordt aangesloten door een vrijstelling op te nemen voor leidingwater dat met dit doel geleverd wordt. Wel dient de belastingplichtige op grond van artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit in zijn administratie aantekening te houden van de bedoelde buitengewone omstandigheden die zich hebben voorgedaan.


4.2.12. Teruggaafregelingen


4.2.12.1. Teruggaaf bij wanbetaling

In artikel 11i, eerste lid, is een bepaling opgenomen die erin voorziet dat op verzoek teruggaaf wordt verleend van de belasting ter zake van leveringen van water, voor zover de belastingplichtige van de afnemer ter zake van deze leveringen geen betaling ontvangt. Deze bepaling is identiek aan artikel 36m. Met betrekking tot het verzoek om teruggaaf bevatten het tweede tot en met vierde lid een aantal procedurele regels. Op grond van het vijfde en het zesde lid kunnen in het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag en in de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag nadere voorschriften worden gegeven. Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt. In artikel 4b van het Uitvoeringsbesluit is een soortgelijke bepaling als in artikel 8d voor de regulerende energiebelasting opgenomen. Dit betekent dat, ingeval de afnemer van leidingwater zijn waterrekening niet betaalt, de teruggaaf van de belasting op leidingwater aan de belastingplichtige plaatsvindt tegelijk met de terzake verleende teruggaaf van omzetbelasting. Artikel 4c van de Uitvoeringsregeling schrijft voor dat dat de administratie van degene die het verzoek om teruggaaf doet, zodanig moet zijn dat daarin op overzichtelijke wijze alle voor de vaststelling van het bedrag van de teruggaaf van belang zijnde gegevens zijn opgenomen.


4.2.12.2. Teruggaaf bij levering door twee of meer leveranciers
Artikel 11j bevat een teruggaafregeling op verzoek voor het geval er sprake is van twee of meer leveranciers en de hoeveelheid water die door hen samen in een verbruiksperiode van twaalf maanden is geleverd, meer is dan 300 kubieke meter. De teruggaaf gebeurt op verzoek van degene aan wie het water is geleverd.

Het derde lid verklaart het tweede tot en met zesde lid van artikel 11i van overeenkomstige toepassing. Op grond van die bepalingen gelden procedurele voorschriften en kunnen nadere regels bij algemene maatregel van bestuur en ministeriële regeling worden gesteld. Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt. In artikel 4c van het Uitvoeringsbesluit zijn de voorwaarden opgenomen voor de toepassing van de in artikel 11j, eerste lid, van de wet opgenomen teruggaafregeling voor de situatie waarin een afnemer meer dan één leverancier heeft en zijn totale verbruik meer dan 300 kubieke meter bedraagt. Het eerste lid van artikel 4c bepaalt dat het verzoek om teruggaaf kan worden ingediend na afloop van elke kalendermaand, maar dat het uiterlijk dient te worden gedaan binnen 13 weken na afloop van het kalenderjaar. Verbruikers die al in de loop van de verbruiksperiode van 12 maanden de bovengrens van 300 kubieke meter leidingwater overschrijden, hoeven dus niet met het verzoek om teruggaaf te wachten tot het einde van de verbruiksperiode. Het tweede lid bepaalt dat teruggaaf alleen wordt verleend indien de eindfacturen worden overgelegd. In artikel 4d van de Uitvoeringsregeling wordt voorgeschreven welke gegevens in het verzoek om teruggaaf dienen te zijn opgenomen.


4.2.13. Administratieve verplichtingen

Het eerste lid van artikel 11k bevat aanvullende administratieve verplichtingen voor de waterleidingbedrijven. Het is van belang dat de administratie zodanig is ingericht dat daaruit te allen tijde op te maken is aan wie voorschotnotas, eindfacturen en facturen zijn uitgereikt, en op welke grondslag deze gebaseerd zijn. Daarnaast dient uit de administratie ook te blijken dat de bepalingen over de in artikel 11c bedoelde hoeveelheidsgrens van 300 kubieke meter per jaar per aansluiting zijn toegepast. Op grond van het tweede lid zijn in de Uitvoeringsregeling nadere voorschriften opgenomen met betrekking tot de eisen waaraan de administratie moet voldoen.


4.2.14. Overgangsmaatregel

Voor de waterleidingbedrijven betekende de invoering van de belasting op leidingwater en het terugdraaien van de BTW-maatregel na één jaar dat binnen een zeer korte periode de programmatuur met het oog op de berekening van de verschuldigde belasting opnieuw aanpassing behoefde. Uiteraard leverde het millennium ook bij hen een extra slag in de automatisering op. Dat heeft tot gevolg gehad dat niet alle waterleidingbedrijven in staat waren hun administratie op 1 januari 2000 al zodanig aangepast te hebben, dat de nieuwe belasting op leidingwater geheel op formeel juiste wijze wordt aangegeven en betaald. In verband daarmee heb ik goedgekeurd dat de waterleidingbedrijven voor de periode 1 januari 2000 tot en met 31 maart 2000 de verschuldigde belasting op basis van een schatting op aangifte voldoen. Aan deze goedkeuring is de voorwaarde verbonden dat de definitieve afrekening van de in deze periode aangegeven belasting vóór 1 april 2001 wordt ingediend bij de bevoegde inspecteur. Uiteraard dienen de waterleidingbedrijven een en ander op overzichtelijke wijze in de administratie te verwerken. Voorts is daarbij gestipuleerd dat de waterleidingbedrijven hun klanten duidelijk informeren, over de wijze waarop de waterbelasting met ingang van 1 januari 2000 wordt doorberekend.


4.3. Afvalstoffenbelasting


4.3.1. Algemeen

De bepalingen met betrekking tot de afvalstoffenbelasting zijn op een aantal punten gewijzigd. De wijzigingen betreffen onder meer een wijziging van de definitie van afvalstoffen en een aanpassing van de belastinggrondslag in die zin dat voor brandbaar afval (waarvoor een hoger belastingtarief geldt) niet zozeer de benaming doorslaggevend is als wel de fysieke verschijningsvorm. Aan het definitieartikel worden toegevoegd definities van stoffen, preparaten, volumieke massa, percolaat en stortgas. Voorts wordt het tarief voor brandbaar afval verhoogd en wordt de zogenoemde in/uitmethode in de wet opgenomen.


4.3.2. Definities


4.3.2.1. Afvalstoffen

Bij de in 1996/1997 uitgevoerde evaluatie van de bepalingen van de grondwaterbelasting en de afvalstoffenbelasting is geconstateerd dat een aantal bepalingen in de afvalstoffenbelasting aanpassing behoefde. In verband daarmee wordt onder meer de definitie voor afvalstoffen (opgenomen in artikel 12, eerste lid) verruimd tot afvalstoffen in zin van de Wet milieubeheer. Door de verwijzing naar de Wet milieubeheer zonder verdere uitsplitsing naar categorieën is duidelijk dat er geen enkele beperking is wat soorten afval betreft. In de Wet Milieubeheer zijn afvalstoffen op dit moment gedefinieerd als: alle stoffen, preparaten of andere produkten, waarvan de houder zich - met het oog op de verwijdering daarvan - ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Begripsomschrijvingen van stoffen en preparaten zijn hierna opgenomen. Bij koninklijke boodschap van 25 juni 1999 is een wetsvoorstel aanhangig gemaakt (voorstel tot wijziging van de Wet milieubeheer (structuur verwijdering afvalstoffen), kamerstukken II 1998/99, 26 638, nrs. 1-3) waarin een betere terminologische aansluiting voor de definitie van afvalstoffen is opgenomen aan de Europese richtlijn op het gebied van afvalstoffen. De omschrijving van afvalstoffen komt te luiden: alle stoffen, preparaten of andere producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Ook deze definitie voldoet uitstekend voor de Wbm.

Het tweede lid van artikel 12 biedt de basis om bij algemene maatregel van bestuur aan te geven welke stoffen, preparaten en andere producten gelet op de toepassing waarvoor ze zijn bestemd, niet als afvalstoffen worden aangemerkt, ook al worden ze wel bij een inrichting afgegeven. De toepassing van deze materialen houdt verband met de ondersteunende processen (zoals de kantoorfunctie) en de kernprocessen van de inrichting (het bewerken en verwerken van afvalstoffen of het definitief verwijderen ervan). Deze goederen vervullen een functie in het bedrijfsproces van de inrichting. Te denken is aan materiaal voor de administratie, het kantoorgebouw, de weegbrug, het rollende materiaal, afdichtingsmateriaal, rioolbuizen enz. Het gaat dus niet om toepassingen die een vorm van verwerken zijn: zo zullen stoffen die verwerkt worden op een stortplaats en die deel gaan uitmaken van het eigenlijke stortlichaam, hoe nuttig zij ook worden toegepast (denk aan oude autobanden die als koker dienen voor het stortgas) nooit onder de uitzondering vallen. In artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit is nader aangegeven welke toepassing van stoffen, preparaten en andere producten binnen een inrichting geacht wordt hetzij verband te houden met de bedrijfsvoering, hetzij deel uit te maken van het bedrijfsproces.

De wijziging in de definitie van wat onder afvalstoffen moet worden verstaan en de daarbij gegeven toelichting heeft geleid tot een wijziging van het beleid zoals dat gevoerd werd vóór 1-1-2000. Vóór 1-1-2000 werd afvalstoffenbelasting geheven van alle afvalstoffen, dat wil zeggen van alle stoffen waarvan de houder zich wil of moet ontdoen en die hij daarom ter verwerking aan een inrichting aanbiedt. Het betrekken van bouw- of grondstoffen door een inrichting die dienen als bouwstoffen, viel buiten de belastingheffing. Voorwaarde was dan wel dat de houder van de inrichting voor die stoffen betaalde, hetgeen inhield dat er een reële positieve prijs moest zijn betaald. Belangrijk onderscheidend criterium of er - voor de toepassing van de Wbm - sprake was van afvalstoffen dan wel van bouwstoffen, was derhalve het feit of er een reële positieve prijs was betaald door de houder van de inrichting (dan werden de materialen aangemerkt als bouwstoffen: niet belast) dan wel dat de houder van de materialen deze materialen om niet of tegen betaling van een storttarief aan de inrichting aanbood (dan was er sprake van afvalstoffen: belast). Het criterium van de positieve prijs is met de nieuwe wetgeving komen te vervallen, zo is uitdrukkelijk in de memorie van toelichting op het Belastingplan 2000 aangegeven. Dit gevoegd bij het meer nadrukkelijk aansluiten bij het begrip afvalstoffen zoals opgenomen in de Wet milieubeheer en de omstandigheid dat ondanks de inkadering door recente Europese jurisprudentie nog niet in alle gevallen eenduidig bepaald kan worden of er sprake is van een afvalstof, leidt er toe dat thans de volgende gedragslijn geldt.

Een stortplaats is een inrichting voor de definitieve verwijdering van afvalstoffen. Derhalve kan ervan worden uitgegaan dat alle stoffen, preparaten en producten die aan de stortplaats worden aangeboden, afvalstoffen zijn, tenzij het gaat om materialen die door de stortplaats worden aangeschaft voor bedrijfsprocessen of investeringen, zoals het totstandbrengen van voorzieningen op de stortplaats. Voor zover het daarbij steenachtige materialen betreft, gaat het dan om alle materialen, die voldoen aan de normen van het Bouwstoffenbesluit, die als bouwmateriaal (met certificaat of partijkeuring) worden geleverd en die als bouwstof worden toegepast. Deze primaire en secundaire bouwstoffen, waaronder wordt verstaan bouwstoffen die voldoen aan het Bouwstoffenbesluit, worden derhalve niet als afvalstoffen aangemerkt. Bij primaire materialen gaat het bijvoorbeeld om schoon zand. Bij secundaire bouwstoffen betreft het de zogenoemde categorie I materialen (die zonder nadere voorziening mogen worden toegepast), de categorie II materialen (voor de toepassing waarvan een nadere voorziening vereist is) en de buitencategorie (waarvoor een dubbele voorziening vereist is). Dat van dergelijke materialen sprake is, moet blijken uit de bij deze materialen horende bescheiden.

De materialen die worden gebruikt in de toepassingen die in artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit zijn genoemd, worden in ieder geval niet als afvalstoffen aangemerkt.


4.3.2.2. Stoffen en preparaten

De definities van stoffen (chemische elementen en hun verbindingen zoals deze in de natuur voorkomen dan wel door menselijk toedoen worden voortgebracht) en preparaten (mengsels en oplossingen van stoffen) zijn ontleend aan de Wet milieugevaarlijke stoffen. Duidelijk is dat hieronder alle vaste, vloeibare en gasvormige goederen worden begrepen die maar voorkomen. Uiteraard vallen ook samenstellingen van stoffen en preparaten (welke in de milieuregelgeving wel afzonderlijk geduid worden als andere producten, maar in die regelgeving niet verder gedefinieerd zijn) hieronder.


4.3.2.3. Definief verwijderen, verwerken en bewerken
Met de wetswijziging wordt voorts overgegaan op nieuwere terminologie uit de milieuregelgeving en zal voortaan het begrip definitieve verwijdering worden gebruikt in plaats van het voorheen gebruikte begrip verwerking. Onder definitieve verwijdering wordt verstaan storten of verbranden van afvalstoffen, met uitzondering van verbranden waarbij de afvalstoffen in de eerste plaats als brandstof dienen of voor een andere wijze van energieopwekking.

De term verwerken wordt gereserveerd voor de situatie dat een stof of preparaat opgaat in een ander product, bijvoorbeeld gft-afval dat wordt verwerkt tot compost. Dit is weer anders dan bij het bewerken van een stof of preparaat. Dan wijzigt wel de uiterlijke verschijningsvorm, maar de fysieke samenstelling blijft ongewijzigd, zoals bij bouw- en sloopafval dat na bewerking resulteert in houtsnippers en puingranulaat. De nadere specificering van de begrippen is gewenst geacht onder meer in verband met de in artikel 18b opgenomen in/uit-methode.


4.3.2.4.Volumieke massa

Volumieke massa is de massa van een stof per volume-eenheid, of te wel het gewicht gerelateerd aan een bepaald volume, welk gegeven gevolg kan hebben voor het toe te passen tarief. Voorbeeld: het gewicht van een kubieke meter veren is lager dan dat van ijzer.


4.3.2.5. Percolaat

De definitie van percolaat is ontleend aan het Stortbesluit bodembescherming. Percolatiewater is water dat uit een stort treedt. Dit water is verontreinigd, omdat het in contact is geweest met gestorte afvalstoffen. Het betreft bijvoorbeeld neerslag die door afval heen stroomt en daarbij afvalstoffen opneemt, maar het kan ook een vloeistof zijn die gedurende een omzettingsproces uit de gestorte afvalstoffen sijpelt. Om de stortplaats beheersbaar te houden (dat wil zeggen de omvang van emissies beneden een vastgesteld niveau houden) dient het percolatiewater op grond van het Stortbesluit bodembescherming opgevangen en gezuiverd of afgevoerd te worden.


4.3.2.6. Stortgas

Stortgas is een brandbaar gas dat uit gestort afval wordt gewonnen. Op grond van het Stortbesluit bodembescherming worden in de vergunning van de stortplaats voorschriften opgenomen ter zake van de opvang en verwerking van het gas, dat onvermijdelijk ontstaat op een stortplaats waar organisch materiaal wordt gestort.


4.3.3. Grondslag en belastingplicht

In artikel 13 is de term verwerking vervangen door de term definitieve verwijdering. Bij de begripsomschrijvingen is deze wijziging toegelicht. Voorts is in het tweede lid van artikel 13 de uitzondering voor gft-afval als zodanig komen te vervallen.

Tevens is de regeling van het verhoudingsgetal, dat op verzoek van de belastingplichtige door de inspecteur kon worden vastgesteld met betrekking tot afvalstoffen die niet bestemd waren voor verwerking, vervallen. Daarvoor in de plaats gekomen is de in/uitmethode.


4.3.4. In/uitmethode

Zoals gezegd is de in/uitmethode in de plaats gekomen van de regeling van het verhoudingsgetal. Eerder uitgevoerde evaluatieonderzoeken hadden uitgewezen dat het bedrijfsleven daar geen gebruik van maakte. Hantering van het verhoudingsgetal dat op verzoek vooraf door de inspecteur moest worden vastgesteld en betrekking had op alle activiteiten op een stortplaats werd te weinig pragmatisch en te weinig flexibel gevonden. Het bedrijfsleven prefereerde de in/uitmethode op grond waarvan alle stoffen bij de afgifte aan de inrichting worden belast, terwijl voor die stoffen die de inrichting weer verlaten met het oog op hergebruik elders, de belasting op verzoek weer wordt teruggegeven. Door opneming in artikel 18b van de wet, wordt deze methode geformaliseerd. Volledigheidshalve wordt hier alvast gewezen op het feit dat aan de in/uitmethode nadelen kleven, die aanleiding zijn geweest voor een nader overleg met de branche om te komen tot de toepassing van een verhoudingsgetal per afvalstroom. Zie voor een toelichting onderdeel 4.3.5. hierna.

Het eerste lid van artikel 18 bepaalt dat de belasting op verzoek wordt teruggegeven voor stoffen of preparaten die de inrichting weer verlaten. Uit de keuze voor de woorden teruggaaf van belasting verleend is op te maken dat het moet gaan om belasting die eerst is betaald ter zake van de afgifte van de stoffen aan de inrichting. De stoffen en preparaten kunnen een bewerking of een verwerking hebben ondergaan. Na een bewerking zien de stoffen er wellicht anders uit, maar zijn qua samenstelling niet veranderd. Te denken is aan bouw- en sloopafval waarvan de stenen verpulverd zijn en het hout gesorteerd en geschaafd tot herbruikbare planken. Wanneer de stoffen een verwerking hebben ondergaan, is een nieuw product ontstaan en is niet altijd duidelijk welk deel van de belasting drukt op de weer uitgevoerde stoffen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij compost uit GFT-afval. Bij ministeriële regeling zullen rekenregels worden gesteld. Uiteraard zal uit de administratie voldoende duidelijk moeten blijken hoeveel afvalstoffenbelasting destijds is betaald voor de aangeboden partij afval waaruit de stoffen die de stortplaats weer verlaten, afkomstig zijn.

Op praktische gronden wordt geen teruggaaf verleend voor percolaat en stortgas dat de stortplaats weer verlaat, omdat het niet mogelijk is bij deze producten een corresponderende partij afval aan te wijzen waarover afvalstoffenbelasting is voldaan.


4.3.5. Specifiek verhoudingsgetal per stortplaats per afvalstroom
Deze in/uitmethode heeft pragmatische voordelen maar kent ook nadelige effecten, zoals financieringsnadeel. In een motie is de regering in verband daarmee gevraagd zodanige maatregelen te treffen dat de nadelige effecten zoveel mogelijk worden vermeden. Naar aanleiding daarvan heeft overleg plaatsgevonden met de afvalbranche. Dit overleg heeft geleid tot het voornemen om naast de in/uitmethode methode (de basismethode) ook het verhoudingsgetal weer op te nemen. Niet per stortplaats in totaal zoals voorheen, maar per afzonderlijke afvalstroom die op de stortplaats een be- of verwerking ondergaat als gevolg waarvan de stoffen in een andere verschijningsvorm of in een ander product de stortplaats weer verlaten. Toepassing van het verhoudingsgetal staat open voor alle afvalverwerkers waarvan de administratie aan bepaalde eisen voldoet. Het is dan de bedoeling dat afvalverwerkers per afzonderlijke afvalstroom die op de stortplaats een nadere be- of verwerking ondergaat, voorlopig aangifte doen voor dat deel dat naar verwachting als afvalstoffen op de stortplaats ter definitieve verwijdering zal achterblijven. Voor de bepaling van dat deel wordt gebruikgemaakt van de ervaringscijfers van de stortplaats van de periode voorafgaand aan de maand waarover aangifte moet worden gedaan. Na afloop van een jaar, wordt aan de hand van de reële cijfers definitief aangifte gedaan. Thans wordt nagegaan hoe de nader aan de administratie te stellen voorwaarden moeten worden geformuleerd en welke aanvullende controlemaatregelen moeten worden getroffen. Inmiddels is goedgekeurd dat de Belastingdienst met de individuele afvalverwerkers afspraken maakt om, vooruitlopend op realisering van de methode van het verhoudingsgetal, eventuele financieringsnadelen zoveel mogelijk weg te nemen.


4.3.6. Tarieven

Het (al hogere) tarief voor het storten van brandbaar afval is met ingang van 1 januari 2000 met f 75 per 1000 kg verhoogd. Met ingang van 1 januari 2001 volgt nog een verhoging met f 25. Hiermee wordt bereikt dat de kosten van het storten van brandbaar afval (verwerkingstarief plus afvalstoffenbelasting) ten minste even hoog zijn als die van het verbranden in een afvalverbrandingsinstallatie.

Met ingang van 1 januari 2000 is de heffingssystematiek van artikel 18 gewijzigd in die zin dat in beginsel voor het storten van alle afvalstoffen op grond van het eerste lid, het hoge tarief verschuldigd is (m.i.v. 1 januari 2000 f 141,66), tenzij (het tweede lid) een afvalstof expliciet is aangewezen of de aanbieder kan aantonen dat de volumieke massa van de afvalstof (de massa per volume-eenheid) boven een bepaalde waarde ligt. In dat geval is het lage tarief van f 27,29 per 1000 kg verschuldigd.


4.3.7. Laag tarief voor als niet brandbaar afval aangemerkte stoffen

4.3.7.1. Aangewezen stoffen

Als bijzondere afvalstoffen waarvoor het lage tarief geldt, zijn in het tweede lid van artikel 18 aangewezen de categorieën 17 en 21 van het Besluit stortverbod afvalstoffen (shredder en straalgrit). Deze zijn visueel herkenbaar en goed te traceren naar herkomst (geen mengpartij). Voorwaarde is dat er geen andere stoffen doorheen gemengd zijn.

Voorts betreft het de gevaarlijke afvalstoffen aangewezen in het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen, dat gebaseerd is op artikel 1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Dit betreft met name het niet-herbruikbare en niet-brandbare gevaarlijk afval, de zogenoemde C2- en C3-afvalstoffen. Het overige gevaarlijke afval wordt in de regel niet gestort, maar hergebruikt of verbrand. Deze C2- en C3-afvalstoffen mogen alleen worden gestort op een beperkt aantal stortplaatsen waarvan de vergunning dit expliciet toestaat. Op basis van artikel 10.34 van de Wet milieubeheer is degene die afvalstoffen vervoert verplicht een begeleidingsbrief bij zich te hebben. Deze brief bevat onder andere de gebruikelijke benaming en de hoeveelheid van afvalstoffen en deze dient te worden afgegeven aan de beheerder van de stortplaats. De ontvanger dient het in ontvangst nemen van gevaarlijk afval te melden op basis van artikel 10.33 van de Wet milieubeheer. Ook de afgever dient een melding te verrichten (artikel 10.31 van de Wet milieubeheer).


4.3.7.2. Afvalstoffen met volumieke massa van 1100 kg of meer
Voorts geldt het lage tarief voor afvalstoffen met een volumieke massa van 1100 kg of meer per kubieke meter. Naar verwachting zijn deze afvalstoffen alle onbrandbaar.


4.3.7.3. Vaststellen volumieke massa

Onder volumieke massa wordt verstaan het gewicht per volume-eenheid uitgedrukt in kilogram per kubieke meter. Dit wordt als volgt vastgesteld. Op grond van artikel 5a van de Uitvoeringsregeling, dienen de afvalstoffen waarvoor men het lage tarief wil zien toegepast, aangeboden te worden in containers, kipwagens of vaartuigen met een uniek registratienummer en een bekende inhoud in kubieke meters (zie voor een toelichting onderdeel 4.3.7.4. hierna). De stortplaatsexploitant weegt, alvorens een partij afvalstoffen te accepteren, het brutogewicht van het transportmiddel en de afvalstoffen. Nadat de afvalstoffen in de inrichting zijn gelost, wordt het lege transportmiddel wederom gewogen, het tarragewicht. Het verschil tussen bruto- en tarra-gewicht, nettogewicht, wordt gedeeld door het met het registratienummer van de container corresponderende volume. Een deling resulteert in de volumieke massa van de aangevoerde afvalstoffen. Er wordt derhalve steeds vanuit gegaan dat de container vol geladen is. Er vindt geen correctie plaats als dat niet het geval is.

Van belang bij de bepaling van de volumieke massa is dat het afval wordt aangeboden in de container en niet, al dan niet door toepassing van kunstgrepen, boven de container uitsteekt. De tekst van de Uitvoeringsregeling moet zeer letterlijk worden genomen. De basis van de regeling is immers dat dat het gewicht van de afvalstoffen gedeeld wordt door de inhoud van het afval, vertaald naar de inhoud van de container waarin het afval zich bevindt. Oorspronkelijk was ook voorzien in het voorschrijven van gesloten containers, maar op verzoek van de branche is deze eis komen te vervallen omdat de meeste containers die in gebruik zijn, daar niet aan voldoen.

Voor afvalstoffen met een volumieke massa van 1100 kg of meer per kubieke meter geldt het lage tarief. Tot dat criterium is gekomen omdat naar verwachting deze afvalstoffen alle onbrandbaar zijn, waardoor het lage tarief daarvoor gerechtvaardigd is. Inmiddels blijken in de handel perscontainers verkrijgbaar waarmee afvalstoffen, die eigenlijk op basis van hun gewicht (en aard van de stof) onder het hoge tarief zouden moeten vallen, zodanig in een container kunnen worden samengeperst, dat de volumieke massa boven de 1100 kg per kubieke meter komt. Letterlijke toepassing van de wet betekent dat op de aldus aan de inrichting ter definitieve verwijdering aangeboden afvalstoffen, het lage tarief van toepassing is. Thans wordt nagegaan of deze situatie aanleiding is om de wetgeving op dit punt aan te scherpen.


4.3.7.3. Gewaarmerkte containers

Controle op de volumieke massa vindt plaats doordat de containers waarin het afval wordt aangevoerd, geijkt moeten zijn en moeten zijn voorzien van een uniek registratienummer en gewaarmerkte volume aanduiding. Afvalstoffen die worden aangevoerd in containers die niet zijn voorzien van een uniek registratienummer worden aangemerkt als afvalstoffen met een volumieke massa van minder dan 1100 kg/m3. In een algemene maatregel van bestuur zullen nadere voorwaarden worden gesteld aan het gebruik van (geijkte) containers. In afwachting daarvan is in artikel 5a van de Uitvoeringsregeling een regeling getroffen met betrekking tot containers. Op grond daarvan mogen de eigenaren zelf - in afwachting van de definitieve regeling - het volume van de container opmeten en het (door de stortplaats af te geven) voorlopig registratienummer vermelden op een zelf te vervaardigen volumeplaat. De stortplaatsen geven zoals gezegd dat voorlopig registratienummer af. In dit voorlopig registratienummer moet herkenbaar zijn welke stortplaats het nummer heeft afgegeven. De stortplaatsen leggen een register aan waarin het registratienummer, het volume, de eigenaar en eventuele andere kenmerken van de container zijn vastgelegd.


4.4. Brandstoffenbelasting (BSB)


4.4.1. Algemeen

De wijzigingen betreffen o.m het opnemen van de zogenoemde raffinaderijvrijstelling, de heffing over de zogenoemde restbrandstoffen en het voorzien in een teruggaafbepaling voor belanghebbenden die aardgas van meer dan één leverancier betrekken. De tarieven zijn gewijzigd op grond van de Bijstellingsregeling belastingen op milieugrondslag 2000.


4.4.2. Raffinaderijvrijstelling

Het verbruik van minerale oliën als brandstof voor het vervaardigen van minerale oliën in een accijnsgoederenplaats is in de accijnswetgeving niet belast met accijns. Deze zogenoemde raffinaderijvrijstelling werd niet toegepast bij de heffing van de BSB en de REB. Voor de BSB werd dit bereikt door in artikel 21 de betreffende accijnsbepaling niet van toepassing te verklaren. Met andere woorden accijns was niet verschuldigd, de BSB wel. Deze handelwijze was gebaseerd op de gedachte dat, anders dan met betrekking tot de accijns het geval is, doel en strekking van BSB en REB meebrengen dat deze tevens wordt geheven bij vorenbedoeld gebruik van minerale oliën.

Recente Europese jurisprudentie (zaak C-346/97, Pb EG C 226/3) waarin werd geconcludeerd dat het lidstaten niet is toegestaan andere belastingen dan accijns te heffen van minerale olieproducten, in situaties dat vanwege het ontbreken van een belastbaar feit of vanwege een accijnsvrijstelling geen accijns verschuldigd is, is echter aanleiding geweest over te gaan tot aanpassing van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de heffing van BSB en REB over het verbruik van minerale oliën als brandstof voor het vervaardigen van minerale oliën in een accijnsgoederenplaats. Dit verbruik zal - conform de bij de heffing van accijns geldende handelwijze - niet langer worden belast met BSB en REB. Dit wordt bereikt door in het tweede lid van artikel 21 de bepaling dat artikel 2, vierde lid, van de Wet op de accijns geen toepassing vindt voor de BSB, te laten vervallen. De materiële gevolgen van deze wijziging zijn overigens gering. Dit vloeit voort uit de omstandigheid dat Nederland in de BSB sedert 1 juli 1994 een nihiltarief hanteert voor het merendeel van de brandstoffen die in de petrochemische industrie worden gebruikt. Dit nihiltarief heeft betrekking op zware stookolie en de zogenoemde restbrandstoffen.


4.4.3. Restbrandstoffen

In aansluiting op de hiervoor uiteengezette wijziging is met betrekking tot de heffing van BSB over de zogenoemde restbrandstoffen eveneens een wijziging doorgevoerd. Artikel 27, zesde lid, van de Wbm voorzag in een nihiltarief voor zware stookolie en voor de zogenoemde restbrandstoffen. Op grond van deze bepaling werden de volgende brandstoffen als restbrandstoffen aangemerkt: hoogovengas, cokesovengas, kolengas, raffinaderijgas alsmede petroleumcokes, vloeibare en gasvormige brandstoffen als bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel h, Wbm. Bij laatstbedoelde brandstoffen ging het om brandstoffen, die als restproduct zijn ontstaan in het productieproces en die vervolgens als brandstof worden gebruikt in inrichtingen voor de vervaardiging van aardolieproducten of chemische producten. Het betreft hier dus niet de in artikel 21, eerste lid, onderdelen a tot en met e, Wbm genoemde brandstoffen zoals gasolie, LPG of zware stookolie.

Hoogovengas, cokesovengas, kolengas en petroleumcokes zijn geen minerale olie in de zin van de Wet op de accijns. Voor raffinaderijgas en het merendeel van de hiervoor bedoelde vloeibare en gasvormige brandstoffen die worden gebruikt in de petrochemische industrie geldt, dat deze kunnen worden aangemerkt als minerale olie in de zin van de Wet op de accijns. De accijnswetgeving voorziet er in dat deze brandstoffen, voor zover ze worden gebruikt als brandstof voor het vervaardigen van minerale oliën, buiten de accijnsheffing blijven. Op grond daarvan kunnen ze - gelet op de eerder aangehaalde Europese jurisprudentie - ook niet worden belast met BSB. Door de toepassing van het nihiltarief worden zij feitelijk ook niet belast, zodat in zoverre een zelfde resultaat wordt bereikt. Het ligt echter voor de hand een met de accijnsheffing overeenkomende systematiek te hanteren
- ook al omdat het nihiltarief slechts een tijdelijke maatregel betreft (tot 1 januari 2003), door de vloeibare en gasvormige restbrandstoffen, die worden gebruikt in de petrochemische industrie, niet langer als belastbaar product te beschouwen. Dit betekent dat artikel 21, eerste lid, onderdeel h, Wbm zou worden beperkt tot petroleumcokes, gebruikt in de petrochemische industrie. Gelet op het relatief geringe belang van petroleumcokes binnen het totaal van de in onderdeel h bedoelde brandstoffen is er de voorkeur aan gegeven onderdeel h in zijn geheel te laten vervallen.

Samengevat houden de wijzigingen het volgende in. Minerale oliën - zoals gasolie of zware stookolie - zijn niet belast indien zij worden gebruikt als brandstof voor het vervaardigen van minerale oliën in een accijnsgoederenplaats.

De in artikel 21, eerste lid, onderdeel h, opgenomen restcategorie brandstoffen vervalt. Hoogovengas, cokesovengas, kolengas en raffinaderijgas blijven belastbare producten. Raffinaderijgas is belast tegen het in artikel 27, eerste lid, onderdeel i, Wbm genoemde tarief. Aangezien raffinaderijgas als minerale olie wordt aangemerkt, wordt het niet belast indien het wordt gebruikt als brandstof voor het vervaardigen van minerale oliën in een accijnsgoederenplaats.

Voor hoogovengas, cokesovengas en kolengas geldt op grond van artikel 27, zesde lid, Wbm tot 1 januari 2003 het nihiltarief, voor zover deze brandstoffen als brandstof worden gebruikt in de inrichting waarin zij zijn ontstaan. Indien zij niet binnen die inrichting worden gebruikt geldt het tarief genoemd in artikel 27, eerste lid, onderdeel i, Wbm.

Als gevolg van het vervallen van artikel 21, eerste lid, onderdeel h, kan het vierde lid van dit artikel eveneens vervallen. Dit bevatte het belastbare feit met betrekking tot de in het eerste lid, onderdeel h, bedoelde brandstoffen.

De Commissie heeft inmiddels laten weten tegen vorenbedoelde wijzigingen die verband houden met de invoering van de zogenoemde raffinaderijvrijstelling zoals die ook voor de accijns geldt en de wijziging in de brandstoffenbelasting over de restbrandstoffen (het vervallen van artikel 21, eerste lid, onderdeel h, Wbm) geen bezwaar te hebben. Bij Koninklijk Besluit van 16 juni 2000 (Stb. 269) is de ingangsdatum formeel met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2000 worden vastgesteld.


4.4.4. Tarieven

Op grond van de Bijstellingsregeling belastingen op milieugrondslag 2000 die uitvoering geeft aan het indexeringsvoorschrift neergelegd in artikel 37a, bedraagt met ingang van 1 januari 2000 het tarief voor:

art.27, eerste lid onderdeel:


a. ongelode lichte olie, per 1 000 L 26,07


b. gelode lichte olie, per 1 000 L 26,07


c. halfzware olie, per 1 000 L 28,56


d. gasolie, per 1 000 L 28,76


e. zware stookolie, per 1 000 kg 33,57


f. vloeibaar gemaakt petroleumgas, per 1 000 kg 34,34

g. kolen, per 1 000 kg 24,28

n.b. Indien de belasting van kolen, na inwilliging van een verzoek als bedoeld in artikel 27, zevende lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag, wordt uitgedrukt in zowel energie-inhoud als CO2-emissie bij verbranding van de kolen, bedragen de tarieven 0,4156 per gigajoule en f 5,1427 per 1 000 kg CO2.


h. hoogovengas, cokesovengas, kolengas en raffinaderijgas, per 1 000 gigajoule 245,90

j. aardgas, met een bovenste verbrandingswaarde van 35,17 megajoule, per Nm3 0,0224

n.b. Bij levering van meer dan 10 000 000 Nm3 aardgas per jaar aan een gebruiker bedraagt het tarief voor aardgas per Nm3 van het meerdere 0,0146

k. KV-gas, per 1 000 gigajoule 971,06


4.4.5. Heffing BSB over voorraden

De heffing van de brandstoffenbelasting over de voorraden per 1 januari 2000 (als gevolg van de tariefsverhoging) kan achterwege blijven.


4.4.6. Samenloop- en Teruggaafbepalingen

De brandstoffenbelasting kent voor aardgas een schijventarief (zie artikel 27, eerste lid, onderdeel j). Bij levering van meer dan 10 mln Nm3 aardgas per jaar aan een gebruiker geldt voor het meerdere een verlaagd tarief. Indien een gebruiker gas betrekt van de Gasunie (of van een andere binnenlandse leverancier) en daarnaast zelf rechtstreeks gas betrekt uit een ander land, is de verbruiker voor dit laatste zelf belastingplichtig op grond van artikel 24. In dit geval zal de binnenlandse leverancier het in artikel 27, eerste lid, onderdeel j, bedoelde tarief moeten toepassen. Teneinde te waarborgen dat de heffing van de BSB tot de juiste bedragen plaatsvindt, voorziet het nieuwe tweede lid van artikel 24 in een samenloopbepaling, vergelijkbaar met die in artikel 36c, zesde lid, Wbm voor de REB. De formulering aan het slot van het nieuwe tweede lid voorkomt dat de binnenlandse leverancier bij de toepassing van het schijventarief rekening zou moeten houden met de bij de verbruiker zelf in de heffing te betrekken hoeveelheid aardgas. De verbruiker dient in zijn aangifte voor de toepassing van het schijventarief zelf rekening te houden met de van een binnenlandse leverancier betrokken belaste hoeveelheden aardgas.

Het verlaagd tarief voor het verbruik boven de 10 mln Nm3 per jaar heeft ook gevolgen voor de situatie dat een afnemer meer dan één leverancier heeft en zijn verbruik hoger is dan 10 mln Nm3 per jaar. Het probleem is dan dat de verschillende leveranciers niet van elkaar weten hoeveel er geleverd wordt (of zelfs dat er geleverd wordt) en op welk moment de vorenbedoelde verbruiksgrens wordt overschreden. Gelet op het commerciële karakter van de geliberaliseerde markt ligt het ook niet voor de hand dat tussen de verschillende leveranciers op dit punt informatie zal worden uitgewisseld. Teneinde te waarborgen dat de heffing van de BSB tot de juiste bedragen plaatsvindt, dient elke leverancier het in artikel 27, eerste lid, onderdeel j, bedoelde tarief toe te passen als ware hij de enige leverancier. De verbruiker kan bij de Belastingdienst een verzoek om teruggaaf indienen voor de hoeveelheid aardgas boven de 10 mln m3 waarover het normale tarief is berekend (hoeveelheid maal het verschil tussen het normale en het gemitigeerde tarief). Dit verzoek kan worden ingediend zodra in de loop van het jaar de verbruiksgrens van 10 mln m3 wordt overschreden. De daartoe strekkende teruggaafbepaling is opgenomen in het nieuwe artikel 28a.


4.5. Uraniumbelasting

Op grond van de Bijstellingsregeling belastingen op milieugrondslag 2000 die uitvoering geeft aan het indexeringsvoorschrift neergelegd in artikel 37a wordt het tarief van de uraniumbelasting verhoogd van f 32,62 per gram naar f 33,17.


4.6. Regulerende energiebelasting


4.6.1. Algemeen
De wijzigingen betreffen o.m het opnemen van de zogenoemde raffinaderijvrijstelling en een verhoging van de tarieven. Daarnaast zijn enkele technische wijzigingen in deze belasting opgenomen die verband houden met de liberalisering van de energiemarkten.

4.6.2. Raffinaderijvrijstelling

Het verbruik van minerale oliën als brandstof voor het vervaardigen van minerale oliën in een accijnsgoederenplaats is in de accijnswetgeving niet belast met accijns. Deze zogenoemde raffinaderijvrijstelling werd niet toegepast bij de heffing van de BSB en de REB. Voor de REB werd dit bereikt door in artikel 36c, eerste lid, de betreffende accijnsbepaling niet van toepassing te verklaren. Zoals toegelicht bij de BSB is het wenselijk geoordeeld dit verbruik - conform de bij de heffing van accijns geldende handelwijze - niet langer te belasten met BSB en REB. Voor de REB wordt dit bereikt door in het eerste lid van artikel 36c de bepaling dat artikel 2, vierde lid, van de Wet op de accijns geen toepassing vindt voor de REB, te laten vervallen.


4.6.3. Amsterdam Power Exchange (APX)

In het kader van de liberalisering van de energiemarkten is vorig jaar de Amsterdam Power Exchange (APX) van start gegaan. De heffing van REB over de elektriciteit die via deze beurs wordt verhandeld, maakte een wetswijziging noodzakelijk. APX verhandelt elektriciteit op eigen naam, maar voor rekening en risico van een ander (producenten, energiedistributiebedrijven, grootverbruikers, handelaren). In feite treedt APX op als intermediair. De verkopende en de kopende partij zijn niet met elkaar bekend. De clearing-afdeling van APX verzorgt de dagelijkse geldstromen tussen de marktpartijen. Deze afdeling zal voor alle contracten de tegenpartij zijn. APX maakt ook zowel voor de verkoop als voor de inkoop facturen op. APX is voorts verantwoordelijk voor het verstrekken van gegevens aan de zogenoemde system operators. Dit zijn netbeheerders of andere organisaties die dagelijks van marktpartijen de programma's met betrekking tot de productie van de volgende dag ontvangen en zorg dragen voor de fysieke leveringen van elektriciteit. Op grond van de wet zou de verkopende partij de REB verschuldigd zijn over de elektriciteit die geleverd wordt aan de verbruiker. De verkoper - dit kan overigens ook een buitenlands bedrijf zijn - weet echter niet wie de afnemer is (en dus niet of die afnemer een verbruiker is) en weet dus ook niet of er belastingplicht ontstaat. Heffing van REB bij de verkoper is daarom niet mogelijk. Het ligt in de rede in dergelijke gevallen aan te sluiten bij de methode die in artikel 36c van de wet is neergelegd voor de heffing van REB indien aardgas en elektriciteit uit een ander land wordt verkregen door de verbruiker. Omdat de buitenlandse leverancier niet belastingplichtig is, wordt de heffing verlegd naar de verbruiker. Ook bij leveringen via de APX wordt de REB geheven van de verbruiker. Bij deze oplossing dienen verbruikers die elektriciteit hebben gekocht via de APX, zich bij de Belastingdienst te melden als belastingplichtige. Het zal hier in hoofdzaak gaan om de grotere verbruikers. Via de administratie van APX kan worden nagegaan of alle afnemers/verbruikers zich hebben gemeld.


4.6.4. Buitenlandse leverancier

Op grond van artikel 36c, vijfde lid, zoals dat voorheen luidde, was zowel het eigen verbruik van de winner/producent als het verbruik van rechtstreeks door de verbruiker uit andere landen betrokken aardgas of elektriciteit in de heffing betrokken. Aangezien in laatstbedoelde situatie eveneens sprake is van een levering - zij het door een buitenlandse leverancier - is de verlegging van de belastingplicht naar de verbruiker in deze specifieke gevallen nadrukkelijker vorm gegeven door daarvoor in het nieuwe vierde lid van artikel 36e een specifieke bepaling op te nemen, die bepaalt dat de heffing van de energiebelasting verlegd wordt naar de verbruiker, indien de leverancier niet in Nederland is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft.

Het oorspronkelijke artikel 36c, vijfde lid, ziet dan alleen nog op het eigen verbruik van de winner/producent van aardgas en elektriciteit, waaraan weer een bepaling is toegevoegd met betrekking tot de via de APX verhandelde elektriciteit (zie de toelichting bij APX hiervoor). Op grond van artikel 36e, derde lid, wordt de belasting in beide, in artikel 36c, vijfde lid, bedoelde, gevallen geheven van de verbruiker.


4.6.5. Samenloop- en teruggaafbepalingen

Verbruikers kunnen de benodigde elektriciteit en aardgas zelf produceren/winnen (het zogenoemde eigen verbruik), zelf rechtstreeks uit het buitenland betrekken, via de APX betrekken of afnemen van meer dan één binnenlandse leverancier.

Voor het eigen verbruik en voor het gas of elektriciteit dat hij zelf rechtstreeks betrekt uit een ander land of via de APX, is de verbruiker zelf belastingplichtig. Indien een verbruiker gas of elektriciteit betrekt van een binnenlandse leverancier moet de binnenlandse leverancier REB in rekening brengen (met inachtneming van het schijventarief en tot de bovengrenzen zijn bereikt). De samenloopbepalingen in artikel 36c, vijfde lid, (samenloop van eigen verbruik, betrekken via APX en betrekken van een binnenlandse leverancier) en artikel 36e, vijfde lid (samenloop betrekken van (meer dan) een binnenlandse leverancier en rechtstreeks betrekken van buitenlandse leverancier) waarborgen dat over de totale hoeveelheid niet meer verschuldigd wordt dan de belasting die zou zijn verschuldigd indien de totale hoeveelheid was betrokken van één leverancier. Het is echter de verbruiker zelf die moet zorgen dat ook daadwerkelijk de heffing van de REB tot de juiste bedragen geschiedt. De binnenlandse leveranciers moeten ingevolge artikel 36c, zesde lid, onderscheidenlijk artikel 36e, vijfde lid, REB in rekening brengen (met inachtneming van het schijventarief en tot de bovengrenzen zijn bereikt), zonder rekening te houden met de overige wijzen waarop de afnemer elektriciteit of gas heeft betrokken.

Indien een verbruiker zijn benodigde hoeveelheid elektriciteit of aardgas betrekt van meer dan één binnenlandse leverancier, dan kan hij voor de teveel betaalde belasting op grond van artikel 36l, vijfde lid en zesde lid, een verzoek om teruggaaf indienen. Dit verzoek kan worden ingediend zodra in de loop van het jaar de bovengrenzen worden overschreden.

In de situatie dat een verbruiker zelf aangifte moet doen voor elektriciteit en aardgas dat hij zelf produceert/wint, via de APX betrekt of zelf rechtstreeks van een buitenlandse leverancier betrekt, moet hij in die aangifte zelf rekening houden met de, in voorkomend geval, van binnenlandse leveranciers betrokken - en belaste - hoeveelheden aardgas en elektriciteit. Blijkt dat hem per saldo meer in rekening is gebracht dan het geval zou zijn geweest indien hij zijn totale benodigde hoeveelheid elektriciteit of aardgas van één binnenlandse leverancier zou hebben betrokken, dan kan hij ook hij voor de te veel betaalde belasting op grond van artikel 36l, vijfde lid en zesde lid, een verzoek om teruggaaf indienen.


4.6.6. Tarieven

Bij de in het Regeerakkoord voorziene herziening van het belastingstelsel speelt verschuiving en vergroening een belangrijke rol. Verhoging van de energiebelastingen maakt deel uit van het beleid gericht op CO2-reductie en energiebesparing. In lijn met het Regeerakkoord is voorgesteld de verhoging van de milieubelastingen en de daarbij behorende compensatie vanaf 1 januari 1999 gefaseerd (in drie stappen) in te voeren. Met ingang van 1 januari 2000 is de tweede tranche van de tariefsverhoging ingezet. Met inachtneming van de voorwaarden in het Regeerakkoord inzake de omvang van de budgettaire opbrengst, de verdeling daarvan over huishoudens en bedrijven, en de inkomenseffecten, is voor de tweede tranche een variant uitgewerkt waarin elektriciteit ten opzichte van aardgas zwaarder wordt belast (3:7) dan thans het geval is (1:3).

Met betrekking tot de tarieven voor halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas wordt nog het volgende opgemerkt. Evenals in 1999 wordt een uniform tarief toegepast op het verbruik tot de maximale hoeveelheden genoemd in artikel 36l Wbm. Uitgangspunt voor de bepaling van de hoogte van de in het eerste lid, onderdelen a, b en c, op te nemen tarieven is het met ingang van 1 januari 2000 geldende tarief voor aardgas voor het verbruik tot 5000 m3 (in casu de schijf met hoogste tarief). Op de aldus met inachtneming van de milieugrondslag berekende tarieven is vervolgens - evenals in 1999 - een korting toegepast ter beperking van de macrolastenverzwaring, die een gevolg is van het feit dat deze tarieven gelden voor het volledige belaste verbruik. Dit leidt, na toepassing van de indexatie, tot de volgende tarieven: voor halfzware olie f 174,30 per 1000 L, voor gasolie f 175,60 per 1000 L en voor vloeibaar gemaakt petroleumgas f 207,80 per 1000 kg.

Vorenstaande leidt tot de volgende tarieven:

Met ingang van 1 januari 2000 bedraagt het tarief voor:


a. halfzware olie, per 1000 L f 174,30;

b. gasolie, per 1000 L f 175,60;


c. vloeibaar gemaakt petroleumgas, per 1000 kilogram f 207,80;

d. aardgas met een bovenste verbrandingswaarde van 35,17 megajoule,
voor dat gedeelte van de geleverde hoeveelheid per verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting dat:


- niet hoger is dan 5000 m3, per m3 f 0,2082;

- hoger is dan 5000 m3, maar niet hoger dan 170 000 m3, per m3 f 0,1144;


- hoger is dan 170 000 m3, per m3 f 0,0154;

e. elektriciteit voor dat gedeelte van de geleverde hoeveelheid per verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting dat:

- niet hoger is dan 10 000 kWh, per kWh f 0,0820;

- hoger is dan 10 000 kWh, maar niet hoger dan 50 000 kWh, per kWh f 0,0354;


- hoger is dan 50 000 kWh, per kWh f 0,0048
Bij blokverwarming is sprake van warmtelevering aan woningen of vergelijkbare verbruikers. Het gaat hierbij om verbruikers met een zodanig verbruik dat ze bij gebruik van een eigen cv-ketel, het tarief zouden moeten betalen dat geldt voor het verbruik van aardgas tot een hoeveelheid van 5 000 m3 .

In het zevende lid van artikel 36i Wbm wordt daarom bepaald dat voor de totale hoeveelheid aardgas die wordt geleverd aan een installatie voor blokverwarming het tarief f 0,2082 bedraagt (dit is het tarief dat van toepassing is voor het verbruik van aardgas tot 5 000).


4.6.7. Heffing REB over voorraden per 1 januari 2000
De heffing van de REB over de voorraden per 1 januari 2000 (als gevolg van de tariefsverhoging) kan achterwege blijven.


4.6.8. Teruggaaf

In artikel 36l zijn drie nieuwe teruggaafregelingen opgenomen.

De eerste - in het nieuwe vijfde en zesde lid opgenomen - regeling ziet op de situatie waarin met betrekking tot aardgas en elektriciteit sprake is van meer dan één leverancier. Een toelichting daarop is opgenomen onder het kopje samenloop- en teruggaafbepalingen hiervoor.

De tweede - in het nieuwe zevende en achtste lid opgenomen - teruggaafregeling heeft betrekking op onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard. Alleen gebouwen die hoofdzakelijk worden gebruikt voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard komen in aanmerking. Dit onderscheidend criterium speelt ook een rol in de krachtens de Gemeentewet geheven onroerende-zaakbelastingen. De teruggaaf bedraagt 50% van de verschuldigde energiebelasting. Weliswaar is het treffen van ingrijpende energiebesparende voorzieningen in veel gevallen moeilijk, maar dit wil niet zeggen dat energiebesparing in het geheel niet mogelijk is. Op deze wijze blijft van de REB ten dele een prikkel uitgaan tot energiebesparing. Een toelichting op deze teruggaafregeling is opgenomen in mededeling 13.

Tot slot is in artikel 36l, elfde lid, een bepaling opgenomen op grond waarvan bij ministeriële regeling de hiervoor bedoelde teruggaafregeling eveneens zal worden toegepast op andere non-profitinstellingen. Het betreft instellingen die zich bezighouden met maatschappelijke, sociale of culturele activiteiten. Instellingen op het gebied van gezondheidszorg en onderwijs worden hiervan uitgesloten, aangezien zij reeds op andere wijze - via de prijsbijstelling - worden gecompenseerd. De sportsector is eveneens uitgesloten, omdat deze sector reeds wordt gecompenseerd via de toevoeging van f 30 mln aan de begroting van het ministerie van VWS.

In de ministeriële regeling zullen een aantal uitvoeringsaspecten worden opgenomen. Aan de in de ministeriële regeling op te nemen bepalingen zal terugwerkende kracht worden verleend tot 1 januari 2000. Deze regeling zal in een aparte mededeling worden toegelicht zodra de ministeriële regeling gereed is.


4.6.9. Administratieve verplichtingen

Artikel 36n, eerste lid, bevat aanvullende administratieve verplichtingen voor de energiebedrijven. Op grond van artikel 36n, tweede lid, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing bij toepassing van artikel 36c, vijfde lid. In laatstbedoelde situatie wordt de belasting geheven van de verbruiker. Ingevolge het nieuwe vierde lid van artikel 36e wordt de heffing in de daar beschreven gevallen verlegd naar de verbruiker. Door het ingevolge dit onderdeel gewijzigde tweede lid van artikel 36n gelden de aanvullende administratieve verplichtingen ook voor de in artikel 36e bedoelde verbruiker.


4.6.10. Bijzondere regeling voor op duurzame wijze geproduceerde energie


4.6.10.1. Koppeling stimulans aan het tarief van de tweede schijf
Artikel 36o bevat een regeling die gericht is op de bevordering van duurzame energie met behulp van de energiebelasting. Met ingang van 1 januari 1999 is de omvang van de stimulans (vooralsnog) gekoppeld aan het tarief dat geldt voor het verbruik tussen 5000 en 170 000 m3 respectievelijk tussen 10 000 en 50 000 kWh. Tot die datum was de stimulans gelijk aan het toen geldende uniforme tarief. In afwachting van de afronding van een studie naar de noodzaak van verdere stimulering van de diverse vormen van duurzame energie wordt de omvang van de stimulans ook in de tweede tranche gekoppeld aan de tarieven voor aardgas en elektriciteit van de tweede schijf.


4.6.10.2. 100% biomassa-installaties

In het nieuwe vierde lid van artikel 36o is een tegemoetkomende regeling opgenomen voor installaties waarin uitsluitend biomassa wordt omgezet in elektriciteit en warmte. Deze regeling is overigens nog niet van toepassing. De inwerkingtreding van deze bepaling is afhankelijk van de goedkeuring van de Europese Commissie. Indien de Commissie haar goedkeuring verleent, zal de ingangsdatum met terugwerkende kracht op 1 januari 2000 worden vastgesteld.

Bij de invoering van de REB was geen voorziening opgenomen voor warmte die is opgewekt met duurzame energiebronnen. De overweging daarbij was dat indien voor warmte geen REB-gelden worden geïnd, er ook geen gelden worden gegenereerd, die kunnen worden doorgesluisd naar de producent van de duurzame warmte. In de praktijk blijkt dat dit niet bedoelde consequenties heeft voor met name installaties waarin uitsluitend biomassa wordt omgezet in elektriciteit en warmte (de 100 % biomassa-installaties). Voor de opgewekte elektriciteit was wel voorzien in een bijzondere regeling, voor de opgewekte warmte niet. Daardoor zullen investeerders hun installaties vooral dimensioneren op het produceren van elektriciteit, waarbij warmte verloren gaat. Vanuit energetisch opzicht is dit niet optimaal, omdat zo in feite energie verloren gaat. Bovendien leidt een REB-vergoeding voor warmte tot een extra verbetering van de financiële rentabiliteit hetgeen tevens een extra stimulering betekent voor de ontwikkeling van dit soort installaties. De regeling ziet op installaties waarmee zowel elektriciteit als warmte wordt opgewekt. Inmiddels blijkt dat er ook biomassa-installaties worden ontwikkeld waarmee de biomassa alleen in warmte wordt omgezet. De in het vierde lid van artikel 36o opgenomen regeling is, indien aan de overige voorwaarden wordt voldaan, ook op die installaties van toepassing.

Met nadruk wordt er op gewezen dat het moet gaan om 100 % biomassa-installaties waarin geen andere stoffen dan biomassa worden verbrand. Iedere inzet van andere brandstoffen zoals fossiele brandstoffen (bijvoorbeeld kolen of aardgas) of kunststoffen (bijvoorbeeld MDF-korrels), volgtijdelijk of gelijktijdig, heeft tot gevolg dat de regeling niet van toepassing is.

Op grond van de in het vierde lid opgenomen regeling wordt een vergoeding verleend voor de geproduceerde hoeveelheid warmte uit 100% biomassa-installaties. Dat geschiedt door de in de eerste lid van dat artikel opgenomen vermindering van energiebelasting van overeenkomstige toepassing te verklaren op (duurzame) warmte opgewekt door 100 % biomassa-installaties. De vergoeding is gebaseerd op de hoeveelheid bespaarde fossiele energie, in dit geval aardgas. Deze berekening leidt tot een vergoeding van f 3,54 per GJ geproduceerde warmte.

Deze bijzondere regeling is, evenals de in het eerste lid opgenomen regeling, (en de in artikel 36r opgenomen regeling) een regelingen waarbij de tegemoetkoming wordt gerealiseerd door middel van een vermindering op de verschuldigde belasting. Dat betekent dat deze regelingen alleen effect sorteren indien:


a. degene die de belastingvermindering toepast ook belasting verschuldigd is (hij moet dus belastingplichtig zijn ter zake van de levering - van aardgas of elektriciteit - aan een verbruiker of ter zake van het eigen verbruik) èn


b. het bedrag van de verschuldigde belasting voldoende hoog is om daarop het volledige bedrag van de belasting die samenhangt met de hoeveelheid duurzame energie in mindering te brengen.

4.6.11. Bijzondere regeling in de energiebelasting voor afvalverbrandingsinstallaties

Artikel 36r bevat een bijzondere regeling in de energiebelasting voor afvalverbrandingsinstallaties (AVIs). Na de totstandkoming van een convenant met de sector is artikel 36r op 1 augustus 1999 in werking getreden. Evenals voor de in artikel 36o opgenomen regeling geldt ook voor de onderhavige regeling dat de omvang van de stimulans vooralsnog is gekoppeld aan het tarief voor elektriciteit van de tweede schijf. Zoals eerder opgemerkt kan deze tegemoetkoming slechts onder voorbehoud van goedkeuring door de Europese Commissie worden verleend.

Indien een AVI de door haar opgewekte elektriciteit niet levert aan een energiebedrijf, maar deze elektriciteit zelf verbruikt, is de AVI belastingplichtig op grond van artikel 36c, vijfde lid, Wbm. Op grond van laatstbedoelde bepaling wordt het eigen verbruik als een levering aangemerkt. De AVI zal de over de verbruikte hoeveelheid elektriciteit verschuldigde REB op aangifte moeten voldoen. De in artikel 36r opgenomen faciliteit is op deze belasting eveneens van toepassing.

Voor de volledigheid wordt hierbij opgemerkt dat toepassing van vorenbedoelde bepalingen er niet toe kan leiden dat de AVI ter zake van dit eigen verbruik per saldo belasting terugkrijgt. De wet spreekt immers over een vermindering op de verschuldigde belasting. Zie in dit verband ook het in artikel 36r, derde lid, van overeenkomstige toepassing verklaarde derde lid van artikel 36o Wbm.

Indien bijvoorbeeld een AVI een eigen verbruik heeft van 15 mln kWh per jaar, is zij over dit verbruik een bedrag aan REB verschuldigd van f 49 930 (toepassing van het schijventarief, met inachtneming van de belastingvrije voet van 800 kWh en de bovengrens van 10 mln kWh).

Toepassing van artikel 36r op dit verbruik leidt in beginsel tot een vermindering van f 177 000 (50% * 10 mln * f 0,0354). Aangezien de verschuldigde belasting ter zake van het eigen verbruik echter f 49 930 bedraagt, is de vermindering van belasting eveneens f 49 930.

Indien de AVI 15 mln kWh elektriciteit rechtstreeks levert aan een verbruiker is de AVI eveneens belastingplichtig voor de REB. Het vorenstaande is dan van overeenkomstige toepassing.

Indien de AVI elektriciteit levert aan een energiebedrijf en het energiebedrijf de elektriciteit levert aan zijn afnemers, is het energiebedrijf de belastingplichtige voor de REB. Hij brengt aan zijn afnemers REB in rekening en voldoet deze belasting op aangifte aan de belastingdienst. Het energiebedrijf mag op de door hem verschuldigde belasting de in artikel 36r bedoelde vermindering toepassen. Indien de AVI in vorenbedoeld voorbeeld, naast een eigen verbruik van 15 mln kWh, bij voorbeeld 20 mln kWh levert aan het energiebedrijf, bedraagt de vermindering f 354 000 (50% * 20 mln * f 0,0354). Het energiebedrijf mag de vermindering uiteraard slechts toepassen indien dit bedrag wordt doorgegeven aan de AVI. De in beide hiervoor genoemde situaties optredende beperking van de vermindering is hier niet aan de orde, aangezien, naar te verwachten is, tegenover de door de AVI aan het energiebedrijf geleverde hoeveelheden elektriciteit voldoende, door het energiebedrijf aan zijn afnemers geleverde, belaste hoeveelheden staan (zie het in artikel 36r, derde lid, van overeenkomstige toepassing verklaarde derde lid van artikel 36o Wbm).

DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN,

namens deze,

DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,

Mw. Mr. J. Thunnissen

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie