Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoord kamervragen Defensie Milieubeleidsnota 2000

Datum nieuwsfeit: 16-08-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief Defensie antwoorden inzake de defensie milieubeleids nota 2000

Gemaakt: 22-8-2000 tijd: 16:15

Aan de Voorzitter van de vaste commissie voor Defensie


16 augustus 2000

Mede namens de minister van VROM bied ik u hierbij de antwoorden aan op de schriftelijke vragen over de Defensie Milieubeleidsnota 2000. De vragen zijn door de vaste Kamercommissies voor Defensie en VROM gesteld en zijn opgenomen in de Besluitenlijst van de vergadering van de commissies van 20 april 2000. De antwoorden met betrekking tot natuur (7,8,56,57,58,59,60 en 68) zijn mede namens de staatssecretaris van LNV.

DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE,

H.A.L. van HoofH.A.L. van Hoof


20

Antwoorden op vragen van de Vaste Commissies van VROM en Defensie over de Defensie Milieubeleidsnota 2000 Antwoorden op vragen van de Vaste Commissies van VROM en Defensie over de Defensie Milieubeleidsnota 2000


1.

De resultaten van de evaluatie van het DMPM en de conclusies en aanbevelingen uit het rapport van de Algemene Rekenkamer zijn ter harte genomen bij de opstelling van de DMB 2000. Het Ministerie van Defensie loopt hierdoor feitelijk 10 jaar achter in haar milieubeleid vergeleken met gelijksoortige organisaties en bedrijven. Is de regering voornemens de komende vier jaar de 10 jaar achterstand in te halen? Of is er slechts sprake van stabilisatie van de achterstand? (Blz. 3)

Antwoord:

De gevolgtrekking in uw vraag kan ik niet de mijne maken. Defensie heeft de constateringen, zoals ze staan verwoord in het Algemene Rekenkamerrapport `Geluidhinder´ en de evaluatienotitie DMPM, bij de opstelling van de DMB 2000 ter harte genomen. Uw suggestie deel ik dan ook niet: met de DMB 2000 is het milieubeleid van het ministerie van Defensie in lijn met zowel het rijksmilieubeleid als de, internationale, Kyoto-doelstellingen.


2.

Is het de bedoeling dat op termijn de gehele defensieorganisatie de ISO 14001-norm haalt? Zo ja, wanneer moet dit het geval zijn? (Blz. 3)

Antwoord:

Ja. Volgens de DMB 2000 moeten voor 1 januari 2003 de milieuzorgsystemen van de defensieonderdelen certificeerbaar zijn volgens de ISO 14001-norm.


3.

Is de doelstelling voor geluid niet te mager gezien de inkrimping van de krijgsmacht waardoor op zich al een daling verwacht mag worden, gezien het nationale milieubeleid dat een forse verbetering van de leefbaarheid en reductie van de geluidsbelasting tot doel heeft en gezien het feit dat zelfs een groeisector als het verkeer zijn geluidsbelasting omlaag moet brengen? (Blz. 5)

Antwoord:

De doelstelling voor geluid is in lijn met het NMP3 dat stelt dat «Het doel voor hinder (stabilisatie ten opzichte van 1985 zowel in 2000 als in 2010) blijft richtinggevend voor beleidsinspanningen op het gebied van geluid». Zoals in de DMB 2000 staat aangegeven zal Defensie de ontwikkelingen op het gebied van geluid, zoals die haar beslag krijgen in de opvolger van het NMP 3, volgen.


4.

Wanneer is in 2000 het eerste gevalideerde overzicht van de belasting van het milieu door Defensie te verwachten? (Blz. 9)

Antwoord:

Het milieujaarverslag 1999 wordt in de herfst van 2000 verwacht. Hierin zullen nog niet alle aspecten van de onderscheidenlijke defensieonderdelen gevalideerd zijn weergegeven. Een volledig gevalideerd overzicht zal, conform de doelstelling in de DMB 2000, aan het begin van 2002 worden aangeboden aan de Kamer.


5.

Uit het Defensie Meerjarenplan Milieu (DMPM) is gebleken dat er op het gebied van Defensie weinig werd gemeten en geregistreerd. In de huidige nota wordt op veel fronten verbetering aangekondigd. Kan aangegeven worden in hoeverre de daartoe benodigde deskundigheid bij het Ministerie c.q. de krijgsmachtdelen aanwezig is?

Antwoord:

In de afgelopen periode 1993-2000 is binnen Defensie gewerkt aan een kwantitatief meet- en registratiesysteem, de zogenaamde ´Formats Milieugegevens Defensie´. Deze formats zijn in nauwe samenspraak met de milieuexperts bij Defensie tot stand gekomen:

CROMD (Coördinator Ruimtelijke Ordening en Milieu Defensie): centrale coördinatie van het milieubeleid bij Defensie.

DEFAC (Defensie Accountantsdienst): gestart met het verifiëren van de milieugegevens. Hiervoor is één medewerker vrijgesteld van andere taken. Naar behoefte kan deze medewerker een beroep doen op enkele andere medewerkers die op milieugebied zijn bijgeschoold.

DGM (Directoraat-Generaal Materieel): inbreng van expertise op het gebied van roerende goederen en milieugevaarlijke stoffen. Er is een milieuaanspreekpunt gecreëerd.

DGW&T (Dienst Gebouwen Werken & Terreinen): expertise aanwezig op het gebied van onroerend goed (zoals energie behoefte, duurzame bouwmaterialen, enz.), natuur en milieu. Op decentraal niveau wordt, onder andere via het geven van Duurzaam Bouwen cursussen, de expertise vergroot.

Krijgsmachtdelen: specifieke kennis van milieuaspecten bij de bedrijfsvoering van de krijgsmachtdelen ingebracht door de milieucoördinatoren ondersteund door stafleden en specialisten op de eenheden. Functionarissen die milieutaken hebben, moeten een opleiding of cursus volgen.

Daarnaast is het RIVM als deskundige instantie op dit gebied geconsulteerd.


6.

Indien de benodigde deskundigheid niet bij Defensie aanwezig is, welke maatregelen is de regering dan voornemens te nemen en welke budgettaire consequenties zijn daaraan verbonden? (Blz. 11)

Antwoord:

Voorshands wordt er van uit gegaan dat er voldoende deskundigheid bij Defensie aanwezig is om inhoud te geven aan het realiseren van de beleidsdoelen in de DMB 2000. Er zijn enkele onderdelen van beleid die de komende periode extra aandacht zullen krijgen. Naast de bestaande milieugelden zijn er voor de komende jaren extra beleidsintensiveringsgelden voor milieu gereserveerd op de defensiebegroting. Dit is een structureel jaarlijks bedrag oplopend tot Mf 20 in 2003 welke met name zal worden ingezet voor het realiseren van duurzame energie en energie-efficiency. Ook wordt een deel van dit geld ingezet voor kennisintensivering. Indien noodzakelijk zal Defensie hiervoor expertise binnenhalen.


7.

Kunnen voorbeelden worden gegeven van Europese regelgeving waarbij niet voldoende rekening is gehouden met de belangen van Defensie? Hebben deze Europese regels gevolgen voor de operationele inzetbaarheid van de krijgsmacht?

Antwoord:

De Europese regelgeving kent een aantal richtlijnen die beogen primair de belangen van natuur of water te dienen. Concreet gaat het hier bijvoorbeeld om de Vogelrichtlijn (1979), de Habitatrichtlijn (1992) en de concept Kaderrichtlijn Water. De Vogel- en Habitatrichtlijn zijn al in werking getreden. Bij de aanwijzing van gebieden op basis van deze richtlijnen kan geen afweging worden gemaakt ten opzichte van andere maatschappelijke belangen, waaronder die van Defensie. Wel kennen de richtlijnen algemene uitzonderingsgronden. Voor de aangewezen gebieden geldt een strenger beschermingsregime dan voor de aanwijzing. Voor de toekomst betekent dit dat voor nieuwe projecten of plannen de maatschappelijke noodzaak moet worden aangetoond, aangetoond moet zijn dat er geen alternatieven aanwezig zijn en compensatie dient plaats te vinden. Er bestaat hierdoor geen zekerheid dat toekomstige veranderingen in materieel of optreden zonder meer op de huidige terreinen kunnen worden geaccommodeerd. Dit betreft met name de Veluwe en het Waddengebied. Tot nu toe heeft dit geen gevolgen gehad voor de operationele inzetbaarheid.


8.

Worden bij de projecten in NAVO-verband die tot doel hebben de spanning tussen militaire activiteiten en milieu- en natuurbelangen te verminderen ook de nieuwe NAVO-partners in Oost-Europa betrokken? Kan een globaal overzicht van deze NAVO-activiteiten worden gegeven? (Blz.
13)

Antwoord:

In het kader van de Euro-Atlantische partnerschapraad worden partners betrokken bij NAVO activiteiten, ook activiteiten op het gebied van natuur en milieu. Het belangrijkste platform daarvoor is de CCMS (Committee on the Challenges of Modern Society). De nieuwe NAVO-partners in Oost-Europa beslissen zelf bij welke projecten zij betrokken willen zijn en ook hoever hun betrokkenheid moet reiken.

De volgende projecten lopen, of zijn zeer recentelijk afgerond:

NATO-CCMS Pilot Study on Environmental Management Systems in the Military Sector. Dit onderzoek is in maart 2000 afgerond. Er deden 27 landen aan mee. Nederland was initiatiefnemer tot de studie en leverde ook één van de twee voorzitters en voerde het secretariaat.

Workshop on implementation of Environmental Management Systems in the Military Sector. Nederland organiseert deze workshop samen met Zweden en Zwitserland. De workshop is bedoeld als vervolg op de bovengenoemde Pilot Study en zal begin 2001 in Zwitserland worden gehouden.

Seminar on Sustainable Building in Military Infrastructure. Nederland heeft dit seminar samen met Canada georganiseerd. Het seminar is gehouden op 14 -17 maart 2000 in Rijswijk. Op het seminar zijn de mogelijkheden voor Duurzaam Bouwen (DUBO) bij militaire infrastructuur op internationaal niveau verkend.

· Nederland levert de voorzitter voor AC 313 werkgroep (NATO-Group on acquisition practices) waarin wordt gewerkt aan een richtlijn voor de aanschaf van milieuvriendelijk Defensiematerieel. Deze NAVO-groep staat open voor nieuwe NAVO-partners in Oost-Europa.

· NATO CCMS Follow Up Programme on Aircraft Noise. In de periode
2000-2001 zullen enkele eindrapporten van deelstudies verschijnen.
· CCMS-study naar de milieuvoordelen voor de inzet van simulatoren bij de krijgsmacht.

Naast bovenstaande voorbeelden zijn er nog tal van studies waarbij partners betrokken zijn en Nederland niet.


9.

Is operationele inzetbaarheid daadwerkelijk zo'n onwrikbaar gegeven? De wijze van uitoefening van taken is toch anders dan de operationele inzetbaarheid? Als taken op andere wijze worden uitgevoerd kan er vaak milieuwinst geboekt worden. (Blz. 13)

Antwoord:

Ja, de Defensienota is de operationele inzetbaarheid een onwrikbaar gegeven. Om de geoefendheid van de krijgsmacht te waarborgen dient zo realistisch mogelijk geoefend te worden. Dit vereist een hoge mate van operationele inzetbaarheid en getraindheid van het personeel om de effectiviteit en effiëncy zo veel mogelijk te waarborgen. Hiermee wordt getracht de veiligheid en de overlevingskansen van het personeel zo optimaal mogelijk te krijgen. Beleidsmatig wordt ervan uitgegaan dat binnen dit kader zo (milieu-) efficiënt en effectief mogelijk wordt geoefend.


10.

In welke gevallen kan bij uitzendingen van eenheden en oefeningen in het buitenland van de Nederlandse milieunormen worden afgeweken? Gelden bij defensieactiviteiten in het buitenland minder scherpe milieuregels en wat is hierbij de norm, mede met het oog op de arbeidsomstandigheden van het defensiepersoneel? (Blz. 13)

Antwoord:

Zie vraag 11


11.

Kan de regering aangeven hoe zij milieuschade bij internationale interventies tot een minimum probeert te beperken? (Blz. 13)

Antwoord:

De algemene regel bij optreden in het buitenland (uitzendingen en oefeningen) is dat minimaal de Nederlandse milieuregelgeving geldt, tenzij de regelgeving in het land waar de Nederlandse militairen op dat moment verblijven nog strenger is. Dan gelden de strengste normen. Deze regel komt onder druk te staan in het hogere deel van het interventie-geweldsspectrum. Ten aanzien van de ARBO-wetgeving geldt dat het streven is deze zoveel mogelijk na te leven, maar dat dat niet in alle omstandigheden mogelijk is, gegeven de taakstelling van Defensie.


12.

In hoeverre spelen milieuaspecten een rol bij de uiteindelijke beslissing over aanschaf van materieel, met name in verhouding tot andere overwegingen als prijs, kwaliteit en veiligheid voor personeel? (Blz. 15)

Antwoord:

Milieuaspecten spelen in het materieelkeuze proces een vergelijkbare rol als de overige eisen.


13.

Bij de aanschaf van zowel militair materieel als facilitaire goederen worden milieuaspecten in beschouwing genomen. Bestaat hieromtrent een standaardprocedure zodat tot een evenwichtige afweging kan worden gekomen? (Blz. 15)

Antwoord:

Ja.


14.

Is het met een iets grotere ambitie niet mogelijk de beoogde milieuzorgsystemen in 2002 i.p.v. 2003 gereed te hebben? (blz. 17)

Antwoord:

Nee. Het defensiebreed invoeren van een certificeerbaar milieuzorgsysteem voor 1 januari 2003 is, gezien de omvang en diversiteit van de processen bij Defensie, reeds een zeer ambitieuze doelstelling.


15.

De «Formats Milieugegevens Defensie» worden centraal beheerd, maar zijn de centrale bestanden met betrekking tot het milieubeheer ook niet noodzakelijk om op decentraal niveau tot een goed milieubeleid te komen? (Blz. 17)

Antwoord:

Ja. De centraal vastgestelde formats dienen juist ter uniforme registratie van milieugegevens op elk niveau van de organisatie.


16.

Hoe zijn de Formats Milieugegevens Defensie tot stand gekomen? (Blz.
17)

Antwoord:

De Coördinator Ruimtelijke Ordening en Milieu Defensie (CROMD) heeft het totstandkomen van de Formats Milieugegevens Defensie geïnitieerd en gecoördineerd. De totstandkoming zelf is in een werkgroep gebeurd waarin vertegenwoordigers van de CROMD en de krijgsmachtdelen zitting hadden. Nadat overeenstemming was bereikt zijn de Formats Milieugegevens Defensie door de CROMD vastgesteld.


17.

In 1999 was het voor het eerst mogelijk een gekwalificeerd overzicht van de belasting van het milieu door Defensie te geven. Waarom is dit overzicht niet in de beleidsnota opgenomen? Kan de regering dit overzicht aan de Kamer ter beschikking stellen? (Blz. 17)

Antwoord:

Bij brief nr. MG1999003538, d.d. 29 november 1999, is de Kamer voor de eerste maal op de hoogte gebracht van de globale kwantitatieve milieubelasting door Defensie. Dit betrof het jaar 1998, vallend buiten het referentiekader van de DMB 2000.


18.

Alleen door Defensie rechtstreeks veroorzaakte belasting van het milieu wordt gemeten. Maar in de nota wordt ook geschetst dat met betrekking tot afval rijksbreed de volgende voorkeur geldt: preventie, hergebruik en definitieve verwijdering. Hoe probeert Defensie een bijdrage te leveren aan minder milieubelasting door toeleveranciers, bijvoorbeeld door minder materiaalgebruik?

Antwoord:

Bij de aanschaf van materieel wordt steeds meer aandacht besteed aan energieverbruik, de mogelijkheden voor hergebruik en het vermijden van schadelijke stoffen die bij verwijdering een grote milieubelasting met zich meebrengen. Voorts worden in toenemende mate eisen gesteld aan milieuzorgsystemen bij leveranciers (ISO 14001).


19.

Zijn er kwalitatieve gegevens over de mate van milieuontlasting door het gebruik van simulatoren bij opleidingen en oefeningen? (blz. 19)

Antwoord:

Uit studies die zijn verricht naar de inzet van simulatoren blijkt dat de geoefendheid wordt bevorderd en dat voor een deel de simulatoren als substituut kunnen gelden. Als we spreken over opleidingen en oefeningen is het van belang onderscheid te maken tussen inzet van simulatoren bij de training van individuen en groepen: vooral bij individuele trainingen, zoals bij schietoefeningen kunnen simulatoren als een goed substituut fungeren voor een deel van de schietoefeningen.


20.

Hoe wordt de levensduurkostenanalyse kwantitatief bepaald en in het Defensie Materieelkeuze Proces betrokken? (Blz. 19)

Antwoord:

In elke fase van het Defensie Materieelkeuzeproces wordt een levensduurkostenanalyse uitgevoerd volgens een vaste voorgeschreven methodiek. Als kosten die zijn gerelateerd aan milieuaspecten kunnen worden genoemd de kosten van verbruiksmiddelen zoals energie, oliën en smeermiddelen en afstotingskosten of -opbrengsten. Bij de bepaling van de verder in het keuzeproces mee te nemen productalternatieven vormen de levensduurkosten één van de belangrijkste keuzecriteria.


21.

Wat wordt vervolgens met het bestand van milieugegevens van producten gedaan? (Blz. 19)

Antwoord:

Inkopers kunnen zich overheidsbreed op de hoogte stellen van milieugegevens van verschillende producten en productgroepen en mede op grond hiervan de productalternatieven bepalen. Overigens is dit bestand nog in opbouw en, omdat het voor algemeen gebruik is bedoeld, bevat het geen gegevens over specifiek militaire goederen.


22.

In NAVO-verband wordt een richtlijn opgesteld over milieugericht inkopen. Wanneer wordt deze richtlijn verwacht, en kunnen nu alvast de contouren van deze richtlijn geschetst worden? (Blz. 19)

Antwoord:

Definitieve uitgave van de richtlijn wordt begin 2001 verwacht. Doel van de richtlijn is een handreiking te bieden voor milieuafwegingen bij samenwerkingsprojecten in NAVO-verband. Het gaat daarbij om een inventarisatie van de milieubelasting van de verschillende productalternatieven gedurende de gehele levensduur (gebruik en emissie van schadelijke stoffen, geluid, afvalbeheer tijdens de exploitatiefase, energieverbruik etc.). Voorts wordt aandacht besteed aan eisen die aan leveranciers gesteld kunnen worden, zoals de implementatie van een milieuzorgsysteem.


23.

Hoe kijkt de regering, naast het aanbrengen van isolatie bij bestaande gebouwen, hergebruik van grondstoffen en integraal waterbeheer tegen zonnepanelen en warmtenet aan bij Defensie? (Blz. 21)

Antwoord:

De invoering van duurzame energie en de verbetering van de energie-efficiency bij (met name) het onroerend goed zijn speerpunten van beleid de komende jaren (zie blz. 25 van de nota). Hiertoe is Mf
50 extra geprogrammeerd in de periode 2000-2003, die onder meer zal worden besteed aan onderzoek en realisatie van zonnepanelen en warmtenetten.


24.

Kan aangegeven worden hoe vaak periodieke milieu-audits worden uitgevoerd? (Blz. 21)

Antwoord:

Zie vraag 25


25.

Wat is de planning met betrekking tot het uitvoeren van milieu-audits en milieubeleidsevaluaties? Hoe wordt de Kamer van de voortgang van deze beleidsevaluaties op de hoogte gehouden? (Blz. 21)

Antwoord:

Defensie richt zich naar de ISO-14001 norm voor milieuzorgsystemen, die minimaal 1 audit per 3 jaar voorschrijft. Bij een certificeerbaar milieuzorgsysteem zal dit dan ook moeten gebeuren.

De milieuaudit voor de Koninklijke marechaussee is voor het milieuverslag 1999 reeds door de Defensie Accountantsdienst ter hand genomen. De KM zal vanaf oktober 2000 interne milieuaudits uitvoeren. Met de overige beleidsterreinen vindt thans overleg plaats over het uitvoeren van milieuaudits.

Aan het eind van 2004 zal het Ministerie van Defensie een milieubeleidevaluatie uitvoeren naar de DMB 2000. De resultaten hiervan zullen aan de Kamer worden gerapporteerd.


26.

Wat wordt verstaan onder «
¼..op andere wijze op peil houden van geoefendheid van het personeel¼.»? Vallen oefeningen in het buitenland hieronder? Zo ja, in hoeverre is hier dan sprake van verplaatsen van het probleem buiten de grenzen van Nederland? (Blz. 25)

Antwoord

Hieronder wordt verstaan het gebruik van simulatoren en de gewijzigde inhoud van sommige binnen- en buitenlandse oefeningen die verband houden met vredesoperaties. Er is hierbij geen sprake van het verplaatsen van milieuproblematiek naar het buitenland.


27.

Denkt de regering in de toekomst (na 2004) tot een grotere reductie van verzuring door SO2 en NOx te kunnen komen? (Blz. 25)

Antwoord:

Dat is op dit moment niet bekend: de planhorizon van de DMB 2000 loopt tot en met 2004.


28.

Wanneer kan de defensieorganisatie wel omschakelen op katalysatoren? Komt er een plan om bij groot onderhoud of update van materiaal alsnog om te schakelen naar katalysatoren? (Blz. 25)

Antwoord:

Voor dieselmotoren zijn pas zeer recent katalysatoren ontwikkeld. Het inbouwen van katalysatoren in bestaand materieel is technisch zeer complex en, indien dit al mogelijk is, uiterst kostbaar. Er bestaan dan ook vooralsnog geen plannen om bestaand materieel te voorzien van katalysatoren.


29.

Wordt er bij de aanschaf van nieuw materiaal op gelet dat katalysatoren wel mogelijk zijn? (Blz. 25)

Antwoord:

Ja, nieuw materieel moet voldoen aan de meest recente normen voor uitlaatgasemissie, of, voor zover technisch mogelijk, reeds aan normen waarvan bekend is dat deze in de toekomst van kracht zullen worden.


30.

In de nota wordt gesteld dat de regering geen goede meetmethoden heeft om de uitstoot van vluchtige organische stoffen vast te stellen; desalniettemin wordt gesteld dat de defensieorganisatie 1 procent van de totale uitstoot voor haar rekening neemt. Hoe kan dit worden gesteld als men niet in staat is die uitstoot op adequate wijze te meten? (Blz. 25)

Antwoord:

De VOS-emissie is geschat door het aandeel van het brandstofverbruik van Defensie te vermeerderen met de geschatte VOS-emissie bij overige bedrijfsactiviteiten als schoonmaak, lijmen en verven. Genoemd percentage geeft een globale indruk van het aandeel van Defensie in de totale Nederlandse VOS-emissie.


31.

Moet bij de beoordeling of Defensie aan de Rijksdoelstellingen voor Verandering van Klimaat heeft voldaan niet eerst verdisconteerd worden dat de krijgsmacht is ingekrompen? Als dat gedaan is hoe luidt dan het oordeel over de prestaties van Defensie? (Blz. 25)

Antwoord:

Ja. Rekening houdend met de inkrimping, is de energie-efficiëntie (CO2-uitstoot) bij het onroerend goed van Defensie tussen 1989 en 1997 gedaald met zo'n 20%.


32.

Betekent het feit dat niet kan worden bezuinigd op brandstofgebruik zonder de geoefendheid van de taakuitvoering van Defensie aan te tasten, dat bij het huidige brandstofgebruik van roerende goederen geen efficiencywinst meer kan worden geboekt ? (Blz. 25)

Antwoord:

Nee. Defensie zal onderzoeken of het mogelijk is om toch te voldoen aan de 0,6% energie-efficiency verbeteringsdoelstelling voor roerende goederen zoals die in het rijksbeleid is vastgelegd


33.

Defensie verbruikt momenteel ongeveer 0,4 procent van het totale Nederlandse energieverbruik. Hiervan wordt slechts een verwaarloosbaar gedeelte duurzaam opgewekt. Hoeveel procent van het totale energieverbruik door Defensie wordt duurzaam opgewekt? Hoe denkt defensie in 2004 4% duurzame energie te realiseren? Hoe gaat dit gefinancierd worden? Koopt Defensie op dit moment ook groene stroom in? Zo ja, hoe groot is dit percentage t.o.v. het totale energieverbruik door defensie? (Blz. 25)

Antwoord:

Om de doelstelling van 4% duurzame energie in 2004 te realiseren, zal Defensie de nadruk leggen op de inzet van grootschalige duurzame technieken. Dit betreft het toepassen van windenergie, zonne-energie en zo mogelijk biomassa. Op dit moment wordt maar 0,4 promille duurzame energie bij onroerend goed opgewekt door middel van ± dertig zonneboilers en twee kleine windmolens.

De financiering van de doelstelling van de 4% duurzame energie komt ten laste van de begrotingspost infrastructuur en van de extra milieugelden voor beleidsintensivering milieu.

Alleen het Kerndepartement koopt op dit moment groene stroom in. Het gaat hier dan om 10 % van het warmtegebruik van dit Departement. Ten opzichte van het totale energiegebruik bij onroerend goed wordt daarmee 0,8 promille groene stroom ingekocht.


34.

Kan de bijdrage aan de CO2 reductie gekwantificeerd worden? (Blz. 27)

Antwoord

Ja. In de brief nr. MG1999003538 van 29 november 1999 aan de Kamer wordt in de bijlage een kwantitatief overzicht gegeven van onder meer kooldioxide. Ten opzichte van 1997 is er in 1998 een daling van ongeveer 10% opgetreden: van ongeveer 850.000.000 kg in 1997 naar ongeveer 770.000.000 kg in 1998.


35.

Kan een nadere uitwerking worden gegeven van het «niet haalbaar zijn van de rijksdoelstelling voor ernstige hinder? (Blz. 27)

Antwoord:

Zie vraag 38


36.

Welke vormen van ernstige hinder acht de regering onvermijdbaar?

Antwoord:

Zie vraag 38


37.

Defensie acht de rijksdoelstelling voor ernstige hinder niet haalbaar. Waarom niet? (Blz. 27)

Antwoord:

Zie vraag 38


38.

Welke consequenties heeft het overschrijden van de rijksdoelstelling «geen ernstige hinder» voor Defensie? (Blz. 27)

Antwoord:

Verschillende defensieactiviteiten gaan onvermijdelijk gepaard met geluidsemissie. Voorbeelden zijn het (laag)vliegen, oefenen, schieten, activiteiten in werkplaatsen, enz. Om vast te kunnen stellen of er sprake is van hinder moet een hindermaat voorhanden zijn. Voor enkele van deze activiteiten is het mogelijk gebleken de geluidsbelasting in kaart te brengen door middel van zoneringen. Het betreft het starten en landen op luchtvaartterreinen en bepaalde grootschalige activiteiten met een industrieelachtig karakter. Voor andere activiteiten wordt bezien of het mogelijk is tot een hindermaat en eventueel tot een zonering te komen. Bij enkele activiteiten wordt een beperking van de geluidsbelasting nagestreefd via gebruiksmaatregelen in tijd en plaats.

Ten aanzien van de vastgestelde hinder is ingevolge de Luchtvaartwet de grenswaarde van de geluidszone voor luchtvaartterreinen vastgesteld op 35 Kosteneenheden. Deze waarde komt overeen met een waarde voor de ondervonden ernstige geluidhinder van 20 à 25%. Ingevolge de Wet geluidhinder / Wet milieubeheer is de grenswaarde voor gezoneerde terreinen en inrichtingen als bedoeld in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en Vergunningenbesluit Milieubeheer 50 dB(A, Letmaal). Bij een dergelijke waarde is in geval van industrielawaai conform de ´Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van VROM´ sprake van 10% ernstig gehinderden. Alleen al om deze redenen is de rijksdoelstelling ´geen ernstige geluidgehinderden´ niet haalbaar. Dit heeft vooralsnog geen consequenties voor Defensie. In de opvolger van het NMP 3 zullen nieuwe doelstellingen op het gebied van geluid volgen.


39.

Waarom is er voor veel activiteiten (nog) geen wettelijke maat voorhanden om geluidshinder die eventueel wordt veroorzaakt te bepalen? Wanneer denkt de regering dat dit wel mogelijk zal zijn?

Antwoord:

Vanwege het ontbreken van eenduidige en algemeen wetenschappelijk onderbouwde en aanvaarde onderzoeksgegevens zijn niet voor alle geluidssoorten dosismaten en berekeningsmethoden voor geluidsbelasting alsmede dosis-effect-relaties voorhanden, dan wel is (nog) niet besloten dat het wenselijk en of noodzakelijk is een geluidsbelastingbeoordeling daarvoor vast te stellen.

Voor de ontwikkelde methodiek ter bepaling van de hinderrelevante geluidsbelasting ten gevolge van militaire schietactiviteiten wordt nagestreefd om uiterlijk 2001 een formalisering door inbedding in wettelijke regelgeving te realiseren.


40.

Wanneer is meer duidelijkheid te verwachten over eventuele maatregelen tegen geluidshinder door defensieactiviteiten zoals aangekondigd met betrekking tot het Structuurschema Militaire Terreinen? (Blz. 29)

Antwoord:

In deel 1 van het SMT-2, welke naar verwachting eind 2000 voor publicatie gereed zal zijn, zal nader worden ingegaan op geluidshinder door defensieactiviteiten.


41.

Waar acht de regering een overschrijding van het geluidshinderniveau van 1985 noodzakelijk en waarom? (Blz. 29)

Antwoord:

Op dit moment worden binnen de geldigheidsduur van de DMB 2000 geen situaties voorzien waarin het noodzakelijk zou zijn de geluidszones Luchtvaartwet rondom militaire luchtvaartterreinen te vergroten. In de verdere toekomst is het echter niet geheel uit te sluiten dat zich in een enkel geval zo'n situatie voordoet.


42.

De regering stelt zich (conform rijksbeleid) ten doel om het niveau van geluidshinder niet te laten stijgen (t.o.v. 1985). Hoe werd in
1985 geluidshinder gemeten en geschiedt dat nu nog op dezelfde wijze? (Blz. 29)

Antwoord:

In 1985 is het Structuurschema Militaire Terreinen vastgesteld. Daarmee zijn tevens de indicatieve geluidszones voor de geluidsbelasting van startende en landende vliegtuigen voor de militaire lucht-vaart-terreinen vastgelegd. In het SMT is het aantal woningen van het bestaande bouwbestand binnen deze geluidszones vermeld. Deze geluidszones zijn berekend volgens de geldende Kosteneenheden-systematiek en zijn vervolgens ingebracht in de procedure tot zone-vast-stelling ingevolge de Luchtvaartwet.

De hindersituatie binnen deze geluidszones wordt afgeleid van de geluidsbelasting binnen de zone, rekening houdend met het effect van de maatregelen in het kader van het geluidisolatieprogramma. Sedert
1985 is deze bepalingsmethodiek niet gewijzigd.

43.

Is het inmiddels duidelijk of de zienswijze van de regering (dat de geldende wet- en regelgeving toestaat dat op sommige plaatsen van het geluidhinderniveau van 1985 zou mogen worden overschreden mits dit elders wordt gecompenseerd) juist is? (Blz. 29)

Antwoord:

Ja, naast de Wet geluidhinder biedt de Luchtvaartwet de mogelijkheid om, voorzover noodzakelijk, een geluidszone te vergroten.


44.

In hoeverre zijn er concrete maatregelen genomen om de geluidsoverlast bij de Noordkop van Texel te verminderen? Welke afspraken zijn met de betreffende gemeente en de betrokken organisaties gemaakt? (Blz. 29)

Antwoord:

Maatregelen die genomen zijn om de geluidsoverlast op de Noordkop van Texel te verminderen, zijn de volgende.

De Nederlandse vakantieperiodes worden zoveel mogelijk ontzien.

Bij het uitvliegen van de range wordt niet gevlogen binnen 1 nautische mijl uit de kust van Texel. Deze afstand wordt door een baken gemarkeerd. Wanneer de vlieger daarvan afwijkt wordt corrigerend opgetreden; bij herhaling wordt de vlieger van de range verwijderd.

De volgende afspraken zijn met de gemeente gemaakt:

Bij het uitvoeren van live-bombing op de Vliehors is op Texel een liaisonofficier van de Klu aanwezig. Deze heeft de bevoegdheid om, naar aanleiding van een verzoek van het gemeentebestuur, de oefening stil te leggen.

Het schietprogramma van het CSK van de Koninklijke Landmacht zal door de Commandant van het CSK tweemaal per jaar worden bekendgesteld.

Er is een klachtenregeling over geluidsoverlast als gevolg van de activiteiten op de Vliehors (schietrange en CSK). Klachten kunnen worden ingediend bij het nummer van de Afdeling Voorlichting van de Vliegbasis Leeuwarden en bij het algemene klachtennummer van de Klu.

Bovengenoemde regelingen en afspraken zijn al enige tijd van kracht. Er wordt thans overlegd om tot een convenant te komen waarin onder meer een periodiek overleg wordt gestructureerd.


45

Waarom is niet gekozen voor een ambitieuzere doelstelling dan het niet laten stijgen van geluidshinder bij gezoneerde terreinen en vergunde inrichtingen? (Blz. 31)

Antwoord:

Op basis van de vastgelegde belegging en het gebruik van de militaire luchtvaartterreinen zijn de geluidszones als weergave van de geluidsbelasting door startende en landende vliegtuigen ingevolge de Luchtvaartwet vastgelegd dan wel vastgesteld. Met een ongewijzigde belegging en ongewijzigde taakstelling voor Defensie is er geen mogelijkheid de geluidszones te verkleinen. Naar aanleiding van de mededeling van de VS dat de COB-status van de vliegbasis Soesterberg kan komen te vervallen zal een onderzoek worden gestart om te bezien welke aanpassing aan de geluidszone van deze vliegbasis mogelijk is.

Voor de inrichtingen als bedoeld in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en Vergunningenbesluit Milieubeheer zijn in vervolg op de zonevaststelling de door de Wet geluidhinder / Wet milieubeheer voorgeschreven sanerings-onderzoeken uitgevoerd. De daaruit resulterende (en door de Minister van VROM vastgestelde / vast te stellen) saneringsprogramma's zijn, voor de periode van de DMB 2000, het uiterst haalbare. Er zijn met de huidige taakstelling momenteel geen mogelijkheden om een verdere vermindering van de geluidsbelasting voor deze inrichtingen te bereiken.

Rondom de inrichtingen die vergunningsplichtig zijn in het kader van Wet Milieubeheer zal na actualisatie van het vergunningenbestand sprake zijn van een door het bevoegd gezag acceptabel geachte toegelaten geluidbelasting die gebaseerd is op het ALARA-principe (As Low As Reasonably Achievable).


46.

Onder welk regime vallen radioactieve stoffen? Onder welk beleidsgebied vallen deze stoffen? (Blz. 31)

Antwoord:

Radioactieve materialen vallen onder het regime van de Kernenergiewet en de hiervan afgeleide regelgeving. Deze regelgeving is gericht op bescherming van zowel mens als milieu. Waar het gaat om het werken met radioactieve stoffen zijn tevens de bepalingen van de arbeidsomstandighedenwet van toepassing. Radioactieve stoffen bij Defensie vallen onder het militair geneeskundig beleidsgebied.


47.

Hoe zal de Kamer op de hoogte worden gehouden van de voortgang van het defensiebeleid inzake inventarisatie en uitfasering van milieugevaarlijke stoffen? (Blz. 31)

Antwoord:

In de periodiek aan de Kamer toe te zenden rapportage over de voortgang van het milieubeleid, zal aandacht worden geschonken aan de inventarisatie en uitfasering van milieugevaarlijke stoffen.


48.

Op bladzijde 31 staat aangegeven dat zodra de registratie van een van de 23 milieugevaarlijke (prioritaire) stoffen gereed is, een register zal worden opgesteld waarin staat aangegeven in welke artikelen of toepassingen de 23 milieugevaarlijke stoffen voorkomen. Kan dit register aan de Kamer worden overlegd?

Antwoord:

Teneinde inzicht te kunnen hebben in het gebruik en de toepassing van milieugevaarlijke stoffen, bestaat het voornemen defensiebreed een geautomatiseerd informatiesysteem in te voeren. De basis voor dit systeem is het recent ten behoeve van de Koninklijke marine ontwikkelde Processen Registratie en Informatie Systeem Chemische Arbeidsveiligheid en Milieu (PRISCAM). Het systeem legt een relatie tussen de milieu- en / of arbokritische activiteit, de gevaarlijke stoffen die daarbij worden toegepast, de (gevaarlijke) afvalstoffen die vrijkomen en het personeel dat werkzaam is in de vermelde activiteit. Gedacht wordt de gebruikers via het Defensie intranet toegang te geven tot het PRISCAM. Voor gebruikers die geen toegang tot het Defensie intranet bezitten, zal de informatie uit het PRISCAM aangeleverd worden op CD-ROM. De Kamer kan op deze wijze kennis nemen van de inhoud van het PRISCAM.


49.

Lukt het de regering vóór 2005 de bodemverontreiniging van defensieterreinen in kaart te brengen? (blz. 33)

Antwoord:

Ja, met de doelstelling uit het NMP3 (het voor 2005 landsdekkend in kaart brengen van bodemverontreinigingen) wordt rekening gehouden in de planning van de bodemonderzoeken. Alle verdachte locaties zullen voor 2005 ten minste oriënterend zijn onderzocht.


50.

Kan een overzicht worden verschaft van alle defensieterreinen waarop sprake is van bodemvervuiling en een daaraan verbonden indicatie van de schoonmaakkosten en tijdsplanning hiervan? (Blz. 34)

Antwoord:

Ja. Defensie neemt deel in de werkgroep "Uitvoering Gedragslijnen Bodemverontreiniging in Staatseigendommen", waar diverse departementen aan deelnemen. Deze werkgroep komt jaarlijks met een "Meerjarenprogramma Bodemsanering Staatseigendommen" dat door het ministerie van VROM aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. Hierin staan per departement de kosten en planningen opgenomen voor de komende vijf jaren voor onderzoeken en saneringen. In de bijlagen staat per object en verontreinigingslocatie weergegeven wat de planning en kosten zijn. Een dergelijk overzicht kan ook worden verschaft voor de planning en kosten voor de periode tot 2010.


51.

Met betrekking tot afval dient het hergebruikspercentage in 2010, 80 procent te bedragen. Hoe hoog is thans het hergebruikspercentage bij Defensie?

Antwoord:

Conform het Rijksbeleid streeft Defensie naar het scheiden van haar afvalstromen in Gevaarlijk afval, Bouw- en Sloopafval, GFT, Papier, en de restfractie teneinde de afvalverwerkers zo veel mogelijk in staat te stellen het hergebruikpercentage te halen. Voor de gehele Defensieorganisatie kan op dit moment geen percentage worden genoemd. Defensie zal met haar afvalverwerkers afspraken maken om op termijn inzicht te krijgen in het hergebruikpercentage.

Overigens is hergebruik, conform de op pagina 18 van de DMB 2000 aangegeven ´Meetveld Milieubelasting Defensie´, de primaire verantwoordelijkheid van de afvalverwerkers. Het gescheiden aanleveren van afval valt onder de verantwoordelijkheid van de Defensieorganisatie.


52.

Wat wordt verstaan onder gevaarlijk afval? Is de totale productie van gevaarlijk afval van 7000 ton op jaarbasis? Zo ja, varieert deze productie ook per jaar? (Blz. 37)

Antwoord:

Defensie beschouwt onder gevaarlijke afval het afval dat onder het ´Besluit Aanwijzing Gevaarlijke Afvalstoffen´ (BAGA) valt. In 1998 was de totale productie van gevaarlijk afval bij Defensie 7000 ton. Aangezien meerjaren gegevens ontbreken kan niet aangegeven worden of dit jaarlijks varieert. De inschatting is dat deze productie redelijk constant is.


53.

Wat wordt precies verstaan onder: «Er wordt slechts beperkt geloosd op open water»? (Blz. 37)

Antwoord:

Verreweg de meeste lozingen van afvalwater vinden op het openbare riool plaats. Op vijf loospunten vinden deze plaats op defensie-afvalwaterzuiveringsinstallaties. Op de volgende Defensielocaties vinden lozingen op open water plaats:

Marine Vliegkamp Valkenburg

Oude gedeelte vliegbasis Eindhoven (na zuivering)

Enkele deelstromen van de Vliegbasis Woensdrecht

Enkele deelstromen van de Vliegbasis Gilze Rijen

Marinekazerne Vlissingen

Fort Crevecoeur ´s Hertogenbosch

Genmaj. De Ruiter van Steveninkkazerne Oirschot

MC De Rips-Oploo

Joost Dourleinkazerne Texel

Harssens schiereiland Den Helder

Schietterrein Breezanddijk Wonseradeel

Nieuwe Haventerrein Den Helder

OBC (Opslagcomplex voor Brandstoffen en Chemicaliën) Den Helder

NBCD/BV (School voor nucleaire, biologische, chemische beveiliging, damagecontrol en bedrijfsveiligsaspecten) Den Helder

Vliegbasis Leeuwarden

Vliegbasis Twenthe

Magazijnen Complex Veenhuizen

Johan Willem Friso kazerne Assen

Johannes Post kazerne Havelte

Pomss (Prepositioned Organizational Materiel Storage Sites) Coevorden


54.

Kan worden toegezegd dat na de inventarisatie een kwantitatief doel voor afvalreductie zal worden opgesteld (bijvoorbeeld 20% minder afval in 2005 en 50% minder storting)? (Blz. 37)

Antwoord:

Onder aan pagina 37 staat reeds geformuleerd dat Defensie nog in de planperiode een kwantitatieve afvaldoelstelling zal formuleren.


55.

Hoe wordt vorm gegeven aan het afvalbeleid bij vredesmissies en buitenlandse oefeningen? (Blz. 37)

Antwoord:

Ter voorbereiding op vredesmissies dan wel buitenlandse oefeningen op het land wordt een verkenning uitgevoerd. Onderdeel hiervan is dat men zich op de hoogte stelt van de relevante milieuwetgeving alsmede de regelingen en mogelijkheden voor afvoer van afval ter plaatse.

Ten aanzien van afval aan boord van marineschepen hanteert de Koninklijke Marine het Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Verdrag van Londen, 1973). In lijn hiermee zijn op de schepen de afvaldeelstromen gescheiden, opslagvoorzieningen getroffen en lenswaterreinigers geplaatst.


56.

Beheert Defensie zelf de natuur op defensieterreinen? Is hiervoor deskundigheid bij Defensie aanwezig of worden voor het beheer overeenkomsten met andere organisaties gesloten? Zo ja, welke? (Blz.
39)

Antwoord:

Ja. Het terreinbeheer wordt verzorgd door de Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen, binnen welke organisatie voldoende deskundigheid aanwezig is op het gebied van natuurbeheer en ecologie.

Er zijn geen overeenkomsten gesloten, maar er wordt nauw samengewerkt met het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV). Enerzijds omvat deze samenwerking het leveren van specifieke deskundigheid vanuit het Expertisecentrum LNV, voorheen Informatie en KennisCentrum-Natuurbeheer (IKC-N) van LNV met als doel de natuurfunctie van de defensieterreinen te vergroten, een en ander passend binnen het natuurbeleid van LNV. Anderzijds omvat de samenwerking een gezamenlijke uitvoering van de inventarisatie en monitoring van de op de defensieterreinen aanwezige flora en fauna. Ook dit geschiedt vanuit het Expertisecentrum LNV. De hierbij verzamelde gegevens vormen de basis van de ecologische waardering van de defensieterreinen en van het te voeren beheer. Ze geven ook informatie aangaande de invloeden op flora en fauna als gevolg van het gebruik van de defensieterreinen.


57.

Wordt op gelijke wijze rekening gehouden met natuurwaarden bij vredesmissies en oefeningen in het buitenland? Hoe krijgt dat vorm?

Defensie beheert zelf geen terreinen in het buitenland. Bij oefenen in het buitenland wordt, net als in Nederland, zo min mogelijk schade aangebracht. Bij vredesmissies wordt niet op afgebakende terreinen geopereerd. Hier geldt dat het doel van de missie voorop staat, uiteraard ook weer met het streven naar minimale schade aan de natuurwaarden.


58.

Is de regering bereid mee te werken aan het uitplaatsen van militaire oefenterreinen in het kader van het bevorderen van de natuurwaarde van de Ecologische Hoofdstructuur? (Blz. 39)

Antwoord:

Of en in hoeverre het zinvol is om militaire terreinen uit te plaatsen uit de Ecologische Hoofdstructuur wordt bezien in het kader van het Structuurschema Militaire Terreinen.


59.

Wordt in de strijd tegen verdroging ook actie ondernomen om het grondwaterpeil te verhogen? (Blz. 41)

Antwoord:

Bij de inrichting en beheer van defensieterreinen wordt hier steeds meer rekening mee gehouden. Inmiddels zijn er al vele voorbeelden van gerealiseerde praktijksituaties met maatregelen om het grondwaterpeil te verhogen. Enkele voorbeelden zijn het graven van vennen voor opvang regenwater van startbanen, infiltratie van regenwater van daken in de grond in plaats van afvoeren, aanleg van stuwen voor het verhogen van sloot- en grondwaterpeilen en het dempen van sloten zodat minder regenwater wordt afgevoerd.

In het kader van de strijd tegen verdroging is zeer recent binnen Defensie een brochure uitgebracht, «Defensie & Water, voorbeelden van integraal waterbeheer», met als doel om ideeën hieromtrent aan te leveren bij de inrichting en beheer van defensieterreinen.


60.

Welke mogelijkheden ziet de regering om natuurgebieden in het algemeen en in het bijzonder de Razende Bol niet langer als oefenterrein (de marine houdt er schietoefeningen) te gebruiken? (Blz. 41)

Antwoord:

Vrijwel alle oefen- en schietgebieden zijn van oudsher gelegen in natuurgebieden. De militaire status en het militair gebruik hebben aan de huidige natuurwaarden bijgedragen. Uitgangspunt daarbij is dat natuurbeheer en militair gebruik over het algemeen goed samengaan. Alternatieven buiten natuurgebieden zijn op korte termijn slechts te vinden in landbouwgebieden. De combinatie van het aantal benodigde hectaren en de dichte bebouwingsgraad in Nederland, maakt dat slechts enkele gebieden in aanmerking komen. De relatief geringe ruimte voor natuur en infrastructuur, de te voeren procedures, het krappe regionaal draagvlak en de hoge kosten maken dat de regering op korte termijn in het algemeen weinig mogelijkheden tot uitplaatsing ziet. In het SMT-2 (Structuurschema Militaire Terreinen), welke aan het eind van 2000 verschijnt, zal nader op uitplaatsingen worden ingegaan.


61.

Kan worden aangegeven hoeveel de totale uitgaven van het ministerie van Defensie m.b.t. milieumaatregelen, inclusief de extra kosten als gevolg van het gebruik van milieuvriendelijk materieel, bedragen?

Antwoord:

De totale milieu-uitgaven van Defensie zijn in extenso niet bekend. Wel wordt, in het kader van het milieuprogramma van VROM jaarlijks opgegeven wat de uitgaven aan de grote milieuprojecten zijn geweest en wat planmatig wordt voorzien.


62.

Wat wordt bedoeld met «onevenredige administratieve inspanningen»? Wat zijn de kosten die hiermee gemoeid zouden zijn? (Blz. 45)

Antwoord:

Om de milieukosten apart zichtbaar te maken, moet voor elk type materieel en elke hulpstof bekeken worden wat de milieuaspecten zijn en hoeveel meerkosten dit ten opzichte van milieuonvriendelijke technologieën met zich meebrengt. Ook zal elke keer en periodiek moeten worden gedefinieerd wat de stand van de techniek is. Immers, wat gisteren revolutionair was, is morgen «normaal» geworden en mag dan niet meer gelden als milieukosten.


63.

Voor uitvoering van de Defensie Milieubeleidsnota 2000 is vanaf 2000 5 miljoen gulden extra opgenomen. Kan per doelstelling aangegeven worden hoeveel van dit extra geld ingezet zal worden en op welke manier? (Blz. 45)

Antwoord:

De gelden voor beleidsintensivering milieu zullen in hoofdzaak worden besteed aan projecten voor duurzame energie en energie-efficiency. Reden hiervoor is dat voor het thema energie en luchtverontreiniging de komende jaren de grootste inspanningen voor Defensie noodzakelijk zullen zijn. Hieronder volgt het overzicht van de ´Beleidsintensivering DMB 2000´ voor begrotingsjaar 2001.

Onderdeel

Projecten 2001Projecten 2001

Gehonoreerd bedrag in fl.

CO

Integraal Waterbeheer: ontwikkeling systematiek op locatieniveau


200.000,-
CO

Actief Bodembeheer: ontwikkeling systematiek op locatieniveau


500.000,-
CO

Duurzame Energie & Energie Efficiëncy: kennisontwikkeling en draagvlakverbreeding binnen Defensie


300.000,-
CO

Natuurbeheer: inventarisatie natuurwaarden Defensie


500.000,-
CO / KL

Windenergie: studie naar de mogelijkheden bij / op Defensieterreinen


300.000,-
KM

Warmtepompen: ter vervanging van oude ketels


250.000,-
KM

Windenergie: plaatsing catavent i.h.k.v. ´voorbeeldtraject´


50.000,-
KM

Aardwarmte: toepassen van aardwarmte in het warmtenet van het Nieuwe Haventerrein in Den Helder


100.000,-
KM

Waterbesparing: verbetering van het koelwatersysteem, o.a. door gebruik van zoutwater, op dok6 van de Rijkswerf


300.000,-
KM

WKK restwarmte: restwarmte voor de nieuwbouw officierenlegering


400.000,-
KM

WKK restwarmte: restwarmte voor verwarming van de operationele school en voormalig NATO pol (petrol, oil and lubricants) depot


700.000,-
KM

Waterbesparing / -zuivering: zuiveren van afvalwater en gebruiken voor beregening en wassen voertuigen op Marine Basis Parera


350.000,-
KL

Windenergie: plaatsing extra windturbines op Strijpsche Kampen


1.750.000,-
KL

Energie efficiency roerend goed: onderzoek naar mogelijkheden toepassen van cruise-controls bij dpaus


250.000,-
KL

Zonne-energie in zwembaden: 4 zwembaden voorzien van zonneboiler-installaties en PV-panelen


1.300.000,-
KL

Windenergie: plaatsing catavents (horizontale windturbines)


200.000,-
KL

Zon- / windenergie: plaatsen van soluvents (lichtmasten op wind en zon) op diverse KL-locaties


350.000,-
KL

Zonne-energie: vooronderzoek naar de mogelijkheden voor toepassing van ´energie uit wegdek´


75.000,-
Klu

Windenergie: plaatsing nieuwe windturbine op Vliegbasis Leeuwarden


300.000,-
Klu

Energie efficiency: toepassen WKK-restwarmte op De Peel


800.000,-
Klu

Windenergie: vervanging twee bestaande windturbines op Vliegbasis Leeuwarden


575.000,-
Kmar

Energie efficiency: uitvoeren CO2-reductieplan roerend goed, o.a. aanpassingen in voertuigen


300.000,-
Kmar

Zonne-energie: plaatsen zonnecollectoren op Kmar-locatie Soestdijk


150.000,-
Defensie

Totaal

fl. 10.000.000,-


64.

Wie is binnen Defensie verantwoordelijk voor het integreren van milieubeleid in het opleidingsplan van Defensie? Is voor deze opleidingen ook financiële ruimte beschikbaar? (Blz. 45)

Antwoord:

Voor het realiseren van de DMB-doelen zijn de bevelhebbers, de Commandant DICO en de Secretaris Generaal verantwoordelijk. Zij dienen er op toe te zien of milieu voldoende wordt geïntegreerd in de onderscheidenlijke opleidingsplannen. Het navenant financiële middelen beschikbaar stellen hiervoor is ook hun verantwoordelijkheid.


65.

Defensie stelt zich ten doel uiterlijk in 2002 de inventarisatie naar de aanwezigheid van de 23 milieugevaarlijke stoffen gereed te hebben. In de bijlage «lijst van milieugevaarlijke stoffen» wordt asbest als nummer één genoemd. Als toepassingen worden genoemd: isolatiemateriaal, rem en frictiematerialen. «Defensiebrede inventarisatie is afgerond, sanering is gestart.» Wat wordt bedoeld met voorgaande formulering? Is de aanwezigheid van asbesthoudende isolatiematerialen, rem- en frictiematerialen bij defensie geïnventariseerd, of is inventarisatie gedaan naar de aanwezigheid van asbest bij defensie in zijn geheel?

Antwoord:

De genoemde toepassingen van de gevaarlijke stoffen betreffen slechts voorbeelden. Bij Defensie heeft een inventarisatie plaatsgevonden naar asbesttoepassingen in zowel roerende- als onroerende zaken. Omtrent de inventarisatie naar asbest in roerende goederen is uw Kamer geïnformeerd middels de «Tussenrapportage asbest bij Defensie» (TK
1997-1998, 25 323 nr. 9). Recent is u door de Staatssecretaris in een brief van 22 februari 2000, nummer P/1999008424 het resultaat van de asbestinventarisatie onroerend goed bij Defensie aangeboden.


22


66.

In de nota wordt een groot aantal beleidsmaatregelen aangekondigd met betrekking tot het opzetten van milieubeheerssystemen, maatregelen ter verbetering van het milieu en andere beleidsvoornemens die allen gemeen hebben dat zij beslag leggen op begrotingsmiddelen. Is het gegeven de omvang van de aangekondigde maatregelen mogelijk deze binnen de defensiebegroting op te vangen, zoals in de nota aangegeven wordt? Zo ja, op welke plaats in de begroting wordt voor dit beleid de ruimte gevonden?

Antwoord:

Het uitgangspunt van milieuzorgsystemen is integratie van milieu in de normale bedrijfsvoering. Dat geldt ook financieel. Milieumaatregelen van welke aard ook, dienen dus in de normale begroting ingepast te worden. Dit neemt niet weg dat bij intensivering van het milieubeleid een extra financiële impuls nodig kan zijn. Daarom is in art. 1.25 van de begroting vanaf 2000 een extra bedrag opgenomen voor beleidsintensivering milieu. Dit bedrag begint met 5 miljoen gulden en gaat jaarlijks in stappen van 5 miljoen gulden omhoog naar jaarlijks
20 miljoen gulden extra voor milieu. Gezien de ambitieuze doelstelling op het gebied van CO2 reductie zal het extra geld voornamelijk voor dit doel worden ingezet.


67.

Hoe denkt de regering over «benchmarking» (internationale vergelijking) van het defensie-milieubeleid?

Antwoord:

Benchmarking is een onderwerp dat, ook internationaal, nog onontgonnen terrein is. Niet in de laatste plaats omdat in het buitenland veelal minder kwantitatief bekend is over de milieubelasting van Defensie dan in Nederland. Wel kan nu alvast gesteld worden dat benchmarking van de totale defensieorganisatie moeilijke methodologische problemen met zich mee zal brengen. Geen enkele defensieorganisatie heeft dezelfde taakstelling, dezelfde samenstelling, dezelfde omvang, dezelfde fysische en klimatologische omstandigheden, enzovoorts. Het lijkt voorlopig niet mogelijk om al deze uiteenlopende factoren bij een internationale vergelijking te elimineren.


68.

Hoe worden natuur- en milieuorganisaties betrokken bij de DMB?

Antwoord:

Bij de totstandkoming van de DMB 2000 is met diverse natuur- en milieuorganisaties overleg geweest. Opmerkingen die in dit kader zijn gemaakt zijn meegenomen bij de uiteindelijke totstandkoming.

Bij de verdere uitvoering van het milieubeleid zullen de natuur- en milieuorganisaties op de daarvoor gebruikelijke wijze worden geïnformeerd en, indien dat noodzakelijk is, worden geraadpleegd.


69.

In hoeverre wordt er binnen de NAVO rekening gehouden met milieurichtlijnen (verordeningen) van de Europese (EU) bondgenoten? (algemene vraag)

Antwoord:

Op dit moment wordt, formeel gezien, binnen de NAVO geen rekening gehouden met milieurichtlijnen van de EU. Dit is een taak van de lidstaten die tevens lid zijn van de EU. Lidstaten kunnen overigens de consequenties van EU-regelgeving binnen de NAVO wel aan de orde stellen.


70.

Hoe is het milieubeleid ten aanzien van keuze, gebruik en opruimen van munitie?

Antwoord:

Voor de keuze van munitie geldt hetzelfde beleid als voor de keuze van andere producten; milieueisen vormen evenals andere eisen een keuzecriterium. De technologische ontwikkelingen bij munitie worden op de voet gevolgd, zoals loodarme munitie, afbreekbare munitie en inslagschade aan bomen beperkende munitie. Het merendeel van de verschoten kleinkaliber oefenmunitie wordt opgevangen in kogelvangers. Deze worden regelmatig afgegraven en verwerkt door recyclingbedrijven.


71.

Hoe staat de Nederlandse regering tegenover het gebruik van verarmd uranium in munitie en wapensystemen?

Antwoord

De Nederlandse Defensie beschikt niet over munitie waarin verarmd uranium is toegepast. In de vliegtuigtypes KDC-10 en C-130H-30, gestationeerd op de vliegbasis Eindhoven, is fabrieksmatig verarmd uranium als contragewicht aangebracht.


72.

Naast de genoemde terreinen van energiegebruik, gevaarlijke stoffen, afval e.d. valt dan ook te denken aan milieuschade als gevolg van gewapend optreden. Is er een speciaal milieubeleid voor vredesmissies?

Antwoord

Bij de inzet van militaire middelen, waarbij gewapend moet worden opgetreden, dient er telkens een afweging te worden gemaakt met het te bereiken doel en de gevolgen daarvan. Dit aspect ligt vast in het zogeheten proportionaliteitsbeginsel.

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie