Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoorden kamervragen aanbevelingen opsporingsmethoden

Datum nieuwsfeit: 17-08-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

lijst vr-antw aanbevelingen opsporingsmethoden
Gemaakt: 30-8-2000 tijd: 14:2


13

26 269 Uitvoering aanbevelingen enquêtecommissie opsporingsmethoden

Nr. 31 Lijst van vragen en antwoorden

Vastgesteld 17 augustus 2000

Bij brief van 25 april 2000 (26 269, nr. 28) heeft de Minister van Justitie de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van enkele aanbevelingen inzake het rapport van de Tijdelijke Commissie Evaluatie Opsporingsmethoden (TCEO).

De vaste commissie voor Justitie *) heeft naar aanleiding van deze brief de navolgende vragen aan de regering gesteld.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

Van Heemst

De griffier voor dit verslag,

Fenijn

2. Bespreking stand van zaken aanbeveling

Vraag 1. Welke aanpassingen van de regeling met betrekking tot de relatieve competentie zijn er gewenst? Zijn hier problemen mee, zo ja welke?

Vraag 2. Kan de regering een toelichting geven op de argumenten van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en het College van procureurs-generaal, die een nadere wettelijke omschrijving van de coördinerend rechter-commissaris wensen? Wat zou de aanpassing van de regeling van relatieve competentie van het Wetboek van Strafvordering behelzen? Zal met deze aanpassing de benodigde stroomlijning worden bereikt?

Op 7 juli 2000 heb ik een ontwerp wetsvoorstel aangaande de relatieve competentie ter advisering gestuurd aan de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, het College van procureurs-generaal en de Nederlandse Orde van Advocaten. Ik ontvang voor 1 oktober van dit jaar van deze instanties advies.

Volgens de gewone procedure wordt het wetsvoorstel na de advisering door de Raad van State bij de Tweede Kamer ingediend. Ik stel voor de discussie met uw Kamer over dit onderwerp in dat kader voort te zetten.

Bij brief van 25 april 2000 (TK 1999/2000, 26269 nr 28) is reeds aan uw Kamer meegedeeld welke opvatting ik over het onderwerp coördinerend rechter-commissaris ben toegedaan.

Vraag 3. Wat zijn de resultaten van de gesprekken met de juridische beroepsgroepen (notarissen en advocaten) over het voorstel van de Europese Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van Ministers met betrekking tot de melding van (verdachte) financiële transacties in het kader van de bestrijding van het witwassen?

In de constructieve gesprekken met de beroepsorganisaties van advocaten en notarissen is gesproken over de opportuniteit, de begrenzing en de moge-lijke wijze van uitvoering van de te verwachten invoering van een meldplicht voor ongebruikelijk financiële transacties. De opvattingen van de beroeps-organisaties worden door de Nederlandse delegatie die de onderhandelingen over de voorstellen tot wijziging van de Richtlijn witwassen voert, betrokken bij haar standpuntbepaling. Het overleg wordt, in afwachting van de afronding van de onderhandelingen in Brussel, voortgezet indien één van de betrokken partijen dat wenst, bijvoorbeeld omdat de onderhandelingen een wending nemen die bij de delegatie leidt tot de behoefte een beroepsgroep te consulteren. Afgesproken is voorts dat de uitvoering van de herziene Richtlijn Witwassen in samenspraak met beroepsorganisaties zal plaatshebben.

Vraag 4. Welk tijdpad heeft de regering voor ogen als het gaat om het (afronden van het) overleg met betrokkenen en het zoeken naar een betere oplossing voor de praktijk met betrekking tot geheimhouding? Welke oplossingen heeft de regering voor ogen als wordt gesproken over een betere praktijk met betrekking tot de geheimhouding?

Vraag 5. Betekent de zinsnede: «indien de uitkomsten van de gesprekken daartoe aanleiding geven» dat de mogelijkheid bestaat dat de Kamer eventueel niet wordt geïnformeerd?

Vraag 6. Waneer zullen de gesprekken met de beroepsgroepen zijn afgerond?

Vraag 8. Op welke termijn verwacht de regering een uitwerking van opties als een intermediair gremium of een wettelijke of tuchtrechtelijke regeling met betrekking tot het medisch beroepsgeheim.

Met betrekking tot de geheimhoudingsplicht in relatie tot het medisch beroepsgeheim deel ik u het volgende mee. Zoals eerder aan uw Kamer werd bericht, zijn de eerste gesprekken met betrokkenen gevoerd. In die gesprekken zijn knelpunten zoals die in de praktijk worden ervaren en mogelijke oplossingsrichtingen geïnventariseerd. Op basis van de uitkomsten van deze gesprekken zal op mijn initiatief nader overleg plaatsvinden. Vaststaat dat er al mogelijkheden voor de arts bestaan om in veel gevallen de vraag te beantwoorden of en wanneer hij de zwijgplicht kan doorbreken. Er zijn echter ook gevallen waarin een duidelijke oplossing nog niet voorhanden is. Naast het voortgezet overleg met betrokkenen, ligt het in de rede nader onderzoek te doen naar de vraag of de huidige stand van zaken, gezien de wettelijke regelingen, literatuur, jurisprudentie, voldoende houvast aan de verschillende belanghebbenden biedt voor een goede, verantwoorde afweging van belangen. Naast de uitkomst van gesprekken met betrokkenen, zal dit onderzoek inzicht kunnen bieden in mogelijke belemmeringen / knelpunten en -indien van toepassing- oplossingen. Ik verwacht dat ik de resultaten van de voortgezette gesprekken en van het genoemde onderzoek medio 2001 aan Uw Kamer zal kunnen melden.

Vraag 7. Hoe denkt de regering over criteria met betrekking tot het doorbreken van de geheimhoudingsplicht voor een aantal juridische beroepsgroepen bij andere delicten dan (verdachte) financiële transacties? Wat zijn de vorderingen op dit gebied?

Een inbreuk op een vertrouwelijkheidsbeginsel dient afgewogen te worden tegen het daarmee te dienen belang. Daarbij zal rekening gehouden moeten worden met de bijzondere positie die de juridische beroepen in het rechtsverkeer innemen. In het kader van de melding van ongebruikelijke cq. verdachte transacties wordt bezien in hoeverre advocaten, notarissen en accountants aan een gespecificeerde meldplicht onderworpen dienen te worden omdat zij in hun beroepsuitoefening op grond van hun deskundigheid betrokken kunnen raken bij het witwassen van geld. Wat de positie van advocaten daarbij betreft, wijs ik in dit verband op het recht op een fair trial en het recht op rechtsbijstand zoals neergelegd in artikel 6 EVRM. Uit deze rechten volgt - zo blijkt uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens - dat het contact tussen een advocaat en zijn cliënt in beginsel vertrouwelijk is. Deze vertrouwelijkheid beperkt zich niet slechts tot de bijstand in een juridische procedure in strikte zin, maar strekt zich ook uit tot alle bijstand en advies die daarmee samenhangt. Ik ben van oordeel dat deze vertrouwelijkheidsrelatie, zoals die uitdrukking vindt in art. 6 EVRM, ook bij invoering van een meldplicht moet worden gerespecteerd.

Ik zie voor juridische beroepsgroepen geen aanleiding om in de regelgeving voor andere misdrijven inbreuken op het vertrouwelijkheidsbeginsel vast te leggen. Dergelijke inbreuken brengen de beroepsuitoefenaar al snel in een positie waarin hij handelt in strijd met andere beroepsverplichtingen. Dat neemt niet weg dat ook geheimhouders met een juridisch beroep, in geval zij kennisnemen van een (voorgenomen) misdrijf, met de noodzaak van een belangenafweging tussen de handhaving van de geheimhouding en het belang van een doorbreking daarvan geconfronteerd kunnen worden. Net als dit voor medici het geval is zullen zij in die situaties een persoonlijke afweging moeten maken over de door hen te volgen gedragslijn.

Vraag 9 Is de regering bereid de (concept-)CIE regeling naar de Kamer te zenden alvorens deze in werking treedt?

Vraag 12. Is de regering bereid de conceptregeling over de samenwerking, werkzaamheden en inrichting van de Criminele Inlichtingen Eenheid, in elk geval tegelijk met de beantwoording van deze vragen, naar de kamer te sturen? Wordt in deze regeling ook een nauwkeurige afbakening van de bevoegdheden neergelegd.

De concept CIE-regeling is op 22 juni jl. ter consultatie gestuurd naar de Registratiekamer, het Korpsbeheerdersberaad en de Raad van Hoofd-commissarissen. Bij de totstandkoming van het nu voorliggende concept zijn vertegenwoordigers van het openbaar ministerie, de politie, Koninklijke marechaussee, bijzondere opsporingsdiensten en de politieministeries betrokken geweest.

In deze situatie, waarin ik nog in afwachting ben van op- en aanmerkingen, ligt het niet voor de hand de conceptregeling aan uw Kamer te sturen. Zodra de regeling definitief is vastgesteld zal ik een exemplaar aan de Kamer doen toekomen. In de CIE-regeling en de daarbij behorende toelichting wordt vanzelfsprekend een uiteenzetting gegeven van de taken van de criminele inlichtingeneenheden.

Vraag 10. Hoe luidt de reactie op en de eerste ervaring met hoofdstuk
1.3 van het Handboek voor de Opsporingspraktijk vanuit de praktijk?
Uit de contacten tussen de helpdesk en de parketten blijkt dat de beperkingen die voortvloeien uit het `verbod op doorlaten' zoals geformuleerd in artikel 126ff Wetboek van Strafvordering in de praktijk in acht worden genomen. Gelet op het zeer geringe aantal zaken dat aan het College van procureurs-generaal is voorgelegd, wordt ook ten aanzien van de mogelijkheid tot het afzien van inbeslagneming op grond van zwaarwegende opsporingsbelangen uiterste terughoudendheid betracht (artikel 126 ff, tweede en derde lid juncto 140a Wetboek van Strafvordering).

Aan de helpdesk is aan aantal vragen voorgelegd met betrekking tot de hantering van het verbod op doorlaten tijdens de uitoefening van de bevoegdheid tot stelselmatige informatie-inwinning, pseudo-koop of infiltratie door een opsporingsambtenaar. Tijdens de uitoefening van genoemde bevoegdheden kan het namelijk voorkomen dat de als zodanig niet herkenbare opsporingsambtenaar stuit op de vindplaats van voor de gezondheid schadelijke of voor de veiligheid gevaarlijke voorwerpen, bijvoorbeeld een vuurwapen dat door de verdachte wordt gedragen of de aanwezigheid van een voorraad verdovende middelen. De opsporingsambtenaar zal in dergelijke situaties veelal niet direct tot inbeslagneming kunnen overgaan vanwege onaanvaardbare risico's voor zijn eigen veiligheid. Er is in een dergelijke situatie geen sprake van `doorlaten' omdat het voor de opsporingsambtenaar redelijkerwijs niet mogelijk is tot inbeslagneming over te gaan.

Nadat de opsporingsambtenaar de plaats waar hij voorwerpen heeft waargenomen heeft verlaten, zal - indien het mogelijk moet worden geacht alsnog controle over de desbetreffende voorwerpen te verkrijgen
- in beginsel direct tot inbeslagneming moeten worden overgegaan. Indien in het belang van het onderzoek uitstel van de inbeslagneming geïndiceerd is of indien op grond van een zwaarwegend opsporingsbelang van inbeslagneming zou moeten worden afgezien, moeten de procedures zoals omschreven in het Handboek voor de Opsporingspraktijk worden gevolgd.

Voor eventueel uitstel van inbeslagneming in het belang van het onderzoek is toestemming van de officier van justitie vereist. Tevens is het noodzakelijk dat de controle op de desbetreffende voorwerpen wordt gewaarborgd, zodat op een later tijdstip tot inbeslagneming kan worden overgegaan.

Voor afzien van inbeslagneming op grond van zwaarwegend opsporingsbelang is, ingevolge het tweede lid van artikel 126ff Wetboek van Strafvordering, een bevel van de officier van justitie vereist, dat slechts kan worden gegeven nadat de hoofdofficier van justitie de Centrale Toetsingscommissie, het College van procureurs-generaal en de minister van Justitie daarvoor toestemming hebben verleend.

Vraag 11. Wat is de stand van zaken met betrekking tot de initiatieven op decentraal niveau in ABRIO-verband? Welke initiatieven worden er ontplooid en wat zijn de uitkomsten hiervan?

Vraag 13. Op welke termijn verwacht de regering dat de implementatie van aanbeveling 33 is voltooid?

In de periode 1999 tot maart 2000 hebben werkgroepen in het kader van het ABRIO-project de werkprocessen en producten voor de thema's overvallen, kinderporno, mensenhandel en zware criminaliteit in kaart gebracht (1e tranche). Op basis hiervan is een eerste beschrijving (1.0) van een algemeen model van de structuur van het rechercheproces tot stand gekomen: het Referentiekader Werkprocessen Opsporing en Vervolging (RWOV). In 2000 en 2001 zullen o.m. de thema's kapitaaldelict (zeden en moord) voertuig- en woningcriminaliteit volgens dezelfde methode uitgewerkt worden (2e tranche). Onder meer op basis hiervan zal het RWOV verder voltooid worden.

De selectie van onderzoeken valt uiteen in drie processtappen te weten inname van informatie, screening/filtering alsmede de processtap kiezen en vaststellen van een zaak. Deze laatste processtap is reeds beschreven in het RWOV 1.0. Bij de verdere bewerking van deze versie zal de procesbeschrijving aangevuld worden met de genoemde processtappen informatie-inname en screening/filtering.

Ten behoeve van verdere uniformering van selectie van zaken zijn (of zullen) per processtap standaarden van producten (worden) beschreven. Een voorbeeld waaraan thans wordt gewerkt is de beschrijving van de wijze waarop een dadergroep in kaart wordt gebracht en de rol die deze beschrijving speelt bij de besluitvorming om een zaak aan te pakken. Met de productbeschrijvingen worden de basisafspraken vastgelegd waar het recherchewerk aan moet voldoen. De beschrijvingen van de producten geven ook aan welke hulpmiddelen nodig zijn om te komen tot het product zoals bijvoorbeeld checklists, bevoegdheden, essentiële informatie en benodigd vakmanschap.

Alle inspanningen zijn erop gericht om het RWOV in 2001 aan alle korpsen aan te bieden. Het moet dan dienen als instrument om procesgericht te kunnen werken. Zoals nader uiteengezet bij de antwoorden op de vragen 21 en 23 wordt thans gewerkt aan het implementatieplan.

Vraag 14. Wat is vermoedelijk de gezamenlijke omvang in financiële termen van de voorgenomen vernieuwingsprojecten? Wordt voor de uitvoering van die projecten naar samenwerking gezocht met partners binnen de Europese Unie ?

Specifiek voor de vernieuwingsprojecten in het verlengde van het masterplan stelt het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties additionele middelen beschikbaar ter financiering van leningen. In het Convenant Politie 1999 is een oplopende reeks opgenomen waarvan het bedrag vanaf 2005 structureel 68 miljoen gulden bedraagt. Afhankelijk van de rentelast kan op die manier naar verwachting voor een waarde van circa 500 miljoen gulden worden gerealiseerd aan vernieuwingsprojecten.

De uiteindelijke omvang van het gehele verandertraject wordt bepaald door een combinatie van deze vernieuwingsprojecten en de aanwending van bestaand geld voor aanpassing en hergebruik van bestaande elementen van de ICT-huishouding als daar goede mogelijkheden voor zijn. De Regieraad heeft opdracht gegeven een bestek te maken van de nieuwe ICT-huishouding dat ook op dit laatste punt uitsluitsel moet geven. Waar dat opportuun is zal samenwerking met partners binnen de Europese Unie gezocht worden.

Vraag 15. Wanneer verwacht de regering het masterplan ICT aan de kamer voor te leggen ?

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is van plan het masterplan ICT voor het einde van het zomerreces aan de Kamer aan te bieden.

Vraag 16. Wie zijn de deelnemers aan de discussie over hoe de informatie-voorziening op concernniveau gestalte moet worden gegeven ? Zijn er reeds uitkomsten te melden van deze discussie ?

Aan de discussie over de inrichting van de informatievoorziening op concernniveau wordt deelgenomen door de beide ministeries en de drie beraden, die zich hierin laten bijstaan door een aantal externe deskundigen. Een eerste versie van het bestek voor de inrichting van de informatie-voorziening dient in oktober a.s. gereed te zijn.

Vraag 17. Kan de regering meer specifiek informatie geven over de `zeer noodzakelijke vernieuwingsprojecten' ? Waarom zijn deze projecten `zeer noodzakelijk', welke doelen worden hiermee nagestreefd, wie moeten de projecten gaan uitvoeren en wat zijn de verwachte kosten ?

De zeer noodzakelijk vernieuwingsprojecten waarvan in eerdere correspondentie met de Kamer sprake was betreffen de aanpassing en vernieuwing van de aftapfaciliteiten, het Politienet en het Politie Intra Net. De aftapfaciliteiten worden aangepast aan de ontwikkelingen op het gebied van telecommunicatie op zo'n manier dat ook bij nieuwe technologie en diensten het afluistermiddel voor de opsporingdiensten inzetbaar blijft. Dit project wordt uitgevoerd door een interdepartementaal samenwerkingsverband waarin alle behoeftestellende partijen vertegenwoordigd zijn. Voor het jaar 2000 is op de begroting van de Regieraad een post van 2,5 miljoen gulden voor dit project gereserveerd.

De vernieuwing van de infrastructuur is noodzakelijk vanwege de in omvang en belang nog steeds toenemende datacommunicatie tussen de politiekorpsen. De projecten op dit gebied worden uitgevoerd door de Taakorganisatie ICT en de beheerders van de huidige netwerken. In de begroting van de Regieraad is voor dit jaar in totaal anderhalf miljoen gulden voor beide projecten gereserveerd. Ten overvloede zij vermeld dat naast de drie genoemde projecten ook nog andere projecten door de Regieraad in uitvoering zijn gegeven, zoals het Landelijk Recherche Systeem en de Personenserver.

Vraag 18. Waarom is het generieke model specifiek aan de genoemde vier thema's getoetst? Zijn deze thema's representatief voor het recherchewerk en daarbij optredende problemen?

De genoemde thema's zijn gekozen omdat ten aanzien van deze onderwerpen bovenregionale samenwerking reeds tot stand was gekomen. Aansluiten bij deze ontwikkeling bood de meeste kansen om op korte termijn de hieronder beschreven resultaten te bereiken. Het draagvlak voor medewerking aan het standaardiseren van de werkprocessen was bij de bij deze samenwerkings-verbanden betrokkenen erg groot. Beoogd is daarbij de thema's zodanig te kiezen dat deze een zo representatief mogelijk beeld bieden van de praktijk (b.v. bulkzaken versus kapitale delicten).

Het Referentiemodel Opsporing en Vervolging (RWOV) is tot stand gekomen door middel van een brede consultatieronde in het veld. Het generieke model voor een rechercheonderzoek, is getoetst in operationele onderzoeken op vier thema's. Daarbij werd de veronderstelling dat het recherchewerk een generiek proces is bevestigd. Gebleken is dat in de uitvoering van de getoetste rechercheonderzoeken voor ca 90% generieke processen kunnen worden onderkend en ca 97% generieke producten worden gemaakt. Niet alle producten in dit generieke proces zijn van even groot belang daarom is er een selectie gemaakt van producten waarvan wordt aangenomen dat hierop in belangrijke mate het rechercheproces wordt gestuurd of dat deze producten de kwaliteit van het eindproduct bepalen; de zogenoemde kritische producten. Deze producten, een 20-tal, zijn van groot belang voor de sturing van de opsporing en zullen voorzien worden van o.a. prestatie-indicatoren en kwaliteitseisen. Het RWOV zal nog getoetst worden aan onderwerpen levensdelict, woningcriminaliteit en voertuigcriminaliteit om te bezien of het generieke karakter van het rechercheproces ook in deze thema's gevonden kan worden.

Overigens zal door het openbaar ministerie, volgens de methodiek waarmee het RWOV in eerste instantie voor politiekorpsen is ontwikkeld, in het najaar van 2000 worden geïnventariseerd welke producten een rol spelen in de vervolgingsfase. De veronderstelling, dat er sprake zal zijn van een generiek proces, geldt ook hier.

Vraag 19. Aan de infodesks worden door de verschillende regiokorpsen verschillende eisen gesteld en mogelijkheden geboden. Dit betekent niet dat alle infodesks gelijksoortige informatie kunnen leveren. Acht de regering dit gewenst? Zo nee wat zal worden gedaan om de infodesks wel op gelijke wijze te laten functioneren?

De infodesks zijn gebaseerd op een ontwerp dat in 1996 in opdracht van de Raad van Hoofdcommissarissen tot stand is gekomen. De opdracht luidde destijds om een model voor een regionale in-for-ma-tiedesk te ontwikkelen waarmee de beschikbare kennis en informatie regio-naal beschikbaar en toegankelijk zou worden. Randvoorwaarde daarbij was dat de opzet zodanig vorm moest worden gegeven, dat uiteindelijk de informatiedesks met elkaar en met de CRI zouden kunnen communiceren.

Op dit moment zijn bij alle regionale korpsen infodesks ingericht. Uit recent onderzoek is gebleken dat bij een drietal geëvalueerde korpsen negentig procent van de vragen aan de infodesk afkomstig is uit de basispolitiezorg en de recherche uit het eigen regiokorps (Praktijkonderzoek in Brabant-Noord, Haaglanden en Twente; In-pact, februari 2000). Uit hetzelfde onderzoek is gebleken dat de politiemensen de infodesk bruikbaar tot zeer bruikbaar vinden en hiermee ook daadwerkelijk contact opnemen voor het oplossen van vragen.

Het is een juiste constatering dat binnen de regio's aan de infodesks verschillende eisen worden gesteld en mogelijkheden worden geboden. Dit houdt verband met het gegeven dat bij de invoering van de infodesk er naar is gestreefd aan te sluiten bij de recherchefunctie in de regio, die niet in alle regio's op gelijke wijze is georganiseerd. Meerdere factoren waaronder bijvoorbeeld organisatorische inbedding, imago, mate waarin binnen een korps gebruik wordt gemaakt van informatietechnologie en de vaardigheden van de individuele medewerkers die worden ingezet, bepalen de mate waarin een infodesk een bijdrage kan leveren aan het oplossen van delicten. Het verschil in opzet betekent echter niet noodzakelijkerwijs dat hierdoor infodesks ongelijksoortige informatie zullen opleveren.

Ik acht de inrichting van een infodesk primair de verantwoordelijkheid van de regio's. Dat door de korpsen in de organisatorische vormgeving aansluiting wordt gezocht bij de wijze waarop de recherche is georganiseerd, acht ik een logische keuze, omdat zich daarin een belangrijke groep gebruikers bevindt.

Het regionale beleid ten aanzien van de infodesks is nog volop in beweging. Daarbij wordt in het kader van het project ABRIO gewerkt aan de verdere ontwikkeling van de infodesk. De aanwezigheid van de bestaande verschillen hebben ons niet tot de conclusie geleid dat er een zodanig onaanvaardbare situatie is ontstaan of dreigt dat thans in aanvulling op het regionaal beleid en de lopende activiteiten in het kader van het project ABRIO op centraal niveau aanvullende maatregelen moeten worden genomen.

Vraag 20 Wordt informatie voor de Verwijzingsindex Rechercheonderzoeken en Subjecten (VROS), in tegenstelling tot de situatie in 1juni 1999, op dit moment wel door alle regiokorpsen op gelijke wijze aangeboden? Wordt, met andere woorden, VROS door alle regiokorpsen op gelijke wijze ondersteund? Zo nee, welke verschillen zijn per regiokorps vast te stellen?

Vraag 22. Komen de treffers die VROS oplevert de resultaten ten goede? Wordt er door VROS meer of beter samengewerkt dan voorheen?

Momenteel worden aan het VROS geautomatiseerd gegevens aangeboden door alle regiokorpsen (incl. de kernteams), het KLPD/Divisie Recherche en de Koninklijke Marechaussee. Daarnaast leveren de rijksrecherche en drie bijzondere opsporingsdiensten onderzoeksgegevens aan het VROS.

Inhoudelijk evenwel zijn er nog verschillen tussen de regio's waar te nemen in de hoeveelheid aangeleverde gegevens (zowel in totaliteit als per onder-scheiden categorie binnen VROS), die zich niet direct laten verklaren door de verschillende grootte van de regio's. Naar het zich laat aanzien zijn de verschillende in de regio's gebruikte basisapplicaties en de soms verschillende werkwijzen en procedures er de oorzaak van dat er nog verschillen bestaan in de hoeveelheid aangeleverde gegevens. Niettemin is er een stijgende lijn te zien in de homogeniteit van het aanbod en derhalve ook een stijging van het aantal treffers.

In hoeverre de treffers die VROS oplevert de resultaten ten goede komen, laat zich moeilijk meten. Het succes van een recherche-onderzoek is immers ook van andere factoren afhankelijk.

Duidelijk is echter dat de treffers in VROS het inzicht van de politie sterk verbeteren. Als duidelijk is dat een bepaald subject ook in een andere regio actief is en/of in een andere regio in een onderzoek is betrokken, wordt in de regel contact met die andere regio opgenomen om tot een nadere informatie-uitwisseling te komen. Of het vervolgens tot verdere samenwerking komt, is afhankelijk van de situatie van het individuele geval. Het spreekt voor zich dat de informatie-uitwisseling op zijn minst een gunstig effect heeft op het verdere verloop van het (de) onderzoek(en), en dat daarmee inefficiëntie als gevolg van overlappende politieactiviteiten wordt voorkomen.

Vraag 21. Welke ideeën leven er bij de regering over de implementatie, de borging en het beheer van het RWOV? Wat is de stand van zaken van het RWOV, hoever is men met de implementatie dan wel de planning hiervan?

Vraag 23. Wordt er door de regering ook actief aangedrongen op de uitwerking van het beheersthema in de regionale beleidsplannen?

a. Stand van zaken RWOV

De eerste in maart 2000 opgeleverde versie (1.0) van het RWOV is door de drie politieberaden inmiddels als een standaard voor de Nederlandse Politie geaccepteerd. Deze versie beschrijft het opsporingsproces bij de politie, met de daaraan verbonden criteria zoals (kritische) producten, actoren (functionarissen met desbetreffende bevoegdheden) en voorwaarden, bijvoorbeeld wettelijke voorschriften. Doel van het RWOV is om het recherchemanagement zowel als de rechercheurs hulpmiddelen te verschaffen de (praktische) opsporing te verbeteren, dit vanuit een procesgeoriënteerde optiek.

Naast aspecten als de deskundigheid van de opsporingsfunctionaris, de kwaliteit van de bedrijfsvoering en van het product, vormt ook het aansturen van het proces een belangrijk aspect bij het vormgeven van het RWOV.

Er is een aanvang gemaakt met het aanbrengen van verbeteringen in de eerste versie en voorts met een uitbreiding en completering van het te beschrijven proces, onder andere ten aanzien van het vervolgingsproces bij het OM.

b. Implementatie, beheer en borging van het RWOV

Over de wijze waarop het RWOV wordt ingevoerd, beheerd en geborgd zijn door mij, de minister van BZK en het veld nog geen definitieve besluiten genomen. Het in de regiokorpsen toepassen van het RWOV wordt gezien als een volgende substantiële en cruciale stap om verbeteringen in het rechercheproces te bewerkstelligen. Het betreft verbeteringen, waarvan de noodzaak vooral vanuit het korps moet worden onderkend en die door het korps moeten worden geïnitieerd. Deze activiteiten vragen een zorgvuldige voorbereiding en aanpak. Door ABRIO worden op dit moment voorstellen uitgewerkt waarbij de aandacht onder meer uitgaat naar het bevorderen van de bewustwording van de korpsen door een doorlichting van het eigen opsporingsproces, de mogelijkheid van het opzetten van een landelijke voorziening voor het verdere beheer van het RWOV alsmede het voorbereiden van praktische handboeken.

c. ABRIO in de beleids- en beheerscyclus

Uit de beoordeling van de regionale beleidsplannen voor 2000 bleek voor het merendeel dat in de plannen niet aangegeven is wat de samenhang is tussen de verbetering van de bedrijfsvoering en het project ABRIO. Voor 2001 is in de landelijke beleidsbrief het accent op deze samenhang met ABRIO gelegd (zie bijlage 4, punt 5 bij de Landelijke Politiebrief 2001 (kenmerk EA 2000/U 61740 d.d. 31 maart 2000); beheersmatige randvoorwaarden, organisatie en kwaliteit van de recherchefunctie). In de voorgestructureerde beleids- en beheersdocumenten is aangegeven dat de korpsen in het bijzonder in zullen gaan op het project ABRIO en zullen aangeven in het jaarplan welke ABRIO-projecten in hun regio's zijn opgezet en worden uitgevoerd. Bij de beoordeling van de beleidsplannen 2001 zal derhalve zeker onze aandacht naar dit beheersthema in relatie tot ABRIO uitgaan en zal de voortgang van dit thema worden meegenomen in periodieke besprekingen over de uitvoering van het beleidsplan en de begroting.

Vraag 24. Hoe is de stand van zaken met betrekking tot het eenduidig positioneren van operationele taken van het KLPD? Is hiermee reeds begonnen, wanneer zal dit naar verwachting zijn gerealiseerd?

In 1999 is, na mijn instemming, binnen het KLPD gestart met het onderbrengen van de recherchetaken in één divisie, de divisie Recherche i.o. Doelstelling is hierin expertise, informatie en opsporing dichter bij elkaar te brengen, en de samen-werking met regio's te verstevigen. Het voornemen is hieraan vorm te geven door de vorming van vier diensten. De taken van de dienst Nationale Recherche Informatie en de dienst Internationale Netwerken omvatten een coördinatie- en makelaarsfunctie op het gebied van informatie, en taken op het gebied van netwerken. De dienst Specialistische Recherche Toepassingen is gericht op operationele onder-steuning van de regio's met hoogwaardige techniek en tactische middelen. De eigen operationele recherchetaak van het KLPD krijgt vorm in de dienst Recherche Onderzoeken. De verwachting is dat hierdoor een heldere verdeling en een overzichtelijk beeld ontstaat van de recherchetaken van het KLPD.

Dit proces zal medio 2001 volledig zijn afgerond.

Vraag 25. Op welke wijze zal de regering bevorderen, los van het project ABRIO, dat de toekomstige beleidsplannen verbeterd zijn op het terrein van de organisatie en kwaliteit van de recherchefunctie?

In de Landelijke Politiebrief hebben de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik uitdrukkelijk aandacht gevraagd voor verbeteringen op het terrein van de organisatie en kwaliteit van de recherche. Voorts is er aandacht voor kwaliteit van de recherchefunctie door middel van de sturing op resultaten binnen de beleids- en beheerscyclus waarbij het informatie-model Nederlandse politie ondersteunend is.

Vraag 26. Kan duidelijker worden aangegeven wat de divisie recherche van de KLPD precies aan taken krijgt en hoe die taken zich verhouden tot andere bovenregionale eenheden met rechercheteams? Kan tevens worden aan-gegeven waarom het kennelijk noodzakelijk wordt geacht deze nieuwe divisie op te richten?

In de divisie Recherche worden de recherchetaken van het KLPD samengevoegd. Het betreft hier taken die voorheen opgedragen waren aan verschillende onderdelen van het KLPD. Het gaat om een aantal ondersteunende recherchetaken ten behoeve van de regionale politiekorpsen en de bovenregionale rechercheteams, voorts gaat het om een aantal zelfstandige taken (onder meer het Landelijk rechercheteam en het Rechercheteam Transport en Logistiek).

Met de inrichting van de divisie Recherche worden alle rechercheactiviteiten van het KLPD ondergebracht onder leiding van de divisiechef, die functioneert onder de directe verantwoordelijkheid van een lid van de korpsleiding, conform de aanbeveling van de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden. Het samenbrengen van de operationele taken binnen één organisatorisch verband zal naar verwachting een positief effect hebben op de taakuitoefening van het korps en de aansturing door het openbaar ministerie.

Vraag 27. Op welke wijze staat hetgeen naar aanleiding van aanbeveling 41 wordt opgemerkt in verhouding tot de gevraagde herbezinning ten aanzien van de organisatie van de landelijke opsporing in aanbeveling 37 en 38?

De herschikking van taken bij het KLPD is een interne organisatieverandering en leidt niet tot een taakverandering. De herschikking van taken staat in beginsel los van de besprekingen die plaatsvinden in de overleggroep Bovenregionale organisatie van de politie onder leiding van de heer mr. drs. L.C. Brinkman (zie hiervoor de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 14 december 1999, TK 1999-2000, 26 345, nr. 28). De overleggroep Bovenregionale organisatie van de politie richt zich op het verbeteren van de samenwerking tussen de regiokorpsen onderling en tussen de regiokorpsen en het KLPD. De overleggroep spreekt hierbij ook over de positionering van de bovenregionale rechercheteams. Naar verwachting zal de overleggroep in de zomer haar werkzaamheden kunnen afronden.

Vraag 28. Is de regering bereid om, naar aanleiding van de rapportage van de overleggroep Brinkman die in de zomer wordt verwacht, een heldere visie en beslispunten aan te geven met betrekking tot de bovenregionale en landelijke recherchetaken en infohuishouding? Is de regering bereid dit per afzonderlijke brief te doen.

Voor wat betreft de bovenregionale en landelijke recherchetaken is de regering bereid de Kamer per brief te informeren. Voor wat betreft de informatiehuishouding zullen de eerste resultaten van de Regieraad ICT Politie worden afgewacht, in oktober wordt volgens de planning het bestek afgerond.

Vraag 29. Het huidige takenpakket van het KLPD wordt thans beschouwd als een gegeven, zal dat naar het zich nu laat aanzien in de toekomst ook zo zijn?

Vooralsnog is er geen reden om aan te nemen dat er verschuivingen zullen plaatsvinden tussen de taken van het KLPD en de regio's. Het is echter niet

uitgesloten dat het verbeteren van de samenwerking en het verhelderen van de taakafbakening tussen de regio's en het KLPD in de toekomst tot

verschuivingen aanleiding geven.

Vraag 30. Is het werkprogramma inmiddels gereed? Zo niet, wat is de reden van de vertraging?

Nee, ten behoeve van het werkprogramma zullen bijeenkomsten met ervaringsdeskundigen worden georganiseerd. Het bleek niet mogelijk om nog voor de zomer deze bijeenkomsten te organiseren. Begin september zullen de bijeenkomsten plaatsvinden.

Vraag 31. Het College van procureurs-generaal heeft gepleit voor een klantenraad voor het KLPD. Gaat deze raad er ook komen? Hoe denkt de regering daarover?

Zoals ook is aangegeven in het kabinetsstandpunt naar aanleiding van de evaluatie van de Raad voor het KLPD (TK 1999-2000, 26 800 VII, nr. 41), is het van belang dat de taakuitvoering van het KLPD is afgestemd op de behoeften van de 'afnemers' van het korps. Gelet op de taken van het KLPD is -naast de regiokorpsen- te denken aan onder meer de ministeries van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en aan de Nederlandse Spoorwegen. Ik acht een 'klantgerichte benadering' van het KLPD van grote betekenis. De korpschef heeft daarin een wezenlijke taak. Daarnaast kan waar het gaat om een 'klantgerichte benadering', afhankelijk van de specifieke taak van de desbetreffende divisie een adequate formule gevonden worden. De vraag of de Raad zich wil laten bijstaan door vormen van klantenraden, onderraden en werkgroepen betreft primair een interne aangelegenheid van de Raad.

Vraag 32. Wat zijn de redenen voor de regering om de bijzondere opsporings-diensten de bevoegdheid tot het houden van bijzondere politieregisters toe te kennen. Is de regering hiertoe voornemens wetgeving aan de Kamer voor te leggen?

Zoals uiteen gezet in het Kabinetsstandpunt van 15 december 1999 inzake de bijzondere opsporingsdiensten (TK 1999-2000, 26 955, nr. 1) wordt zeer gehecht aan een adequate en slagvaardige handhaving van de zgn. ordenings-wetgeving. Daarbij zal in de toekomst de strafrechtelijke handhaving nog slechts bij 4 bijzondere opsporingsdiensten berusten (thans 21), welke diensten een grote overeenkomst zullen vertonen met de recherche-onderdelen zoals die bij de reguliere politie worden aangetroffen. Naar het oordeel van het kabinet kan in het kader van een slagvaardige, efficiënte en effectieve opsporing door deze vier bijzondere opsporingsdiensten de bevoegdheid tot het voeren van bijzondere politieregisters niet worden gemist. Dat te minder omdat het niet beschikken over deze bevoegdheid een intensieve samen-werking tussen de bijzondere opsporingsdiensten onderling alsmede met de reguliere politie, in de weg zou kunnen staan.

Overigens biedt de Wet politieregisters de mogelijkheid om aan de bijzondere opsporingsdiensten de bevoegdheid tot het voeren van de onderhavige registers te verlenen.

Vraag 33. Aan welke criteria denkt de regering bij de mogelijke registratie van `zachte' en overige informatie van belang voor de bijzondere opsporings-diensten? Aan welke garanties zal worden gedacht met betrekking tot de privacy van persoonsgegevens en de tijdige vernietiging?

De Wet politieregisters is ook onverkort van toepassing op de door de bijzondere opsporingsdiensten te voeren bijzondere registers. Het betreft dus een duidelijk regiem dat voor de reguliere politie en de bijzondere opsporingsdiensten gelijk is.

Vraag 34. Waarom is de raad van Advies voor de CID niet betrokken bij het ambtelijk overleg met vertegenwoordigers van de 4 grote BOD-en, het landelijk parket en de CRI.

Bij zijn advies van 26 mei 2000 inzake de (concept-)CIE-regeling heeft de Raad van Advies voor de CID mij een separate advisering in het vooruitzicht gesteld met betrekking tot het voeren van bijzondere registers door de vier bijzondere opsporingsdiensten «nieuwe stijl». Ik wijs er overigens op dat de bijzondere opsporingsdiensten zijn vertegenwoordigd in bovengenoemde Raad.

Vraag 35. Kan aan de hand van de door de regering aangegeven regelingen aangegeven worden wat de formeel van toepassing zijnde regels zijn met betrekking tot criminele burgerinfiltranten c.q. informanten in het rechts-hulpverkeer met landen als Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Turkije?

Zoals ik reeds heb aangegeven in mijn brieven van 30 november 1999 (TK
1999-2000, 26269, nr. 17) en 25 april 2000 (TK 1999-2000, 26269, nr. 28) geldt voor het optreden van buitenlandse opsporingsambtenaren op Nederlands grondgebied dat de bestaande verdragen en de Nederlandse regelgeving van toepassing zijn op dit optreden. Hetzelfde geldt voor de inzet van buitenlandse criminele burgerinfiltranten of burgerinformanten op Nederlands grondgebied. Derhalve kan gesteld worden dat hetgeen onmogelijk of verboden is op grond van Nederlandse wetgeving in een Nederlands strafrechtelijk onderzoek, ook niet kan plaatsvinden op Nederlands grondgebied t.b.v. een buitenlands strafrechtelijk onderzoek. Uitgangspunt daarbij is dat steeds zal worden bezien welke handeling de criminele burgerinfiltrant of de criminele burgerinformant op Nederlands grondgebied zal gaan verrichten. Het desbetreffende rechtshulpverzoek wordt derhalve beoordeeld op grond van de daadwerkelijke handeling die op Nederlands grondgebied op basis van de Nederlandse wet- en regelgeving dient te worden verricht. De inzet van een buitenlandse burger op Nederlands grondgebied in het kader van een buitenlands strafrechtelijk onderzoek vindt te allen tijde plaats onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse justitiële autoriteiten. De beoordeling van de betrouwbaarheid en stuurbaarheid van de in te zetten burger ligt in eerste instantie bij de buitenlandse opsporingsautoriteiten. De Nederlandse autoriteiten toetsen aanvullend. Ten behoeve van deze aanvullende toetsing dient het buitenland alle door Nederland relevant geachte informatie te overleggen, waaronder een overzicht van het crimineel heden en verleden van de burger. Indien uit die informatie over de criminele achtergrond blijkt dat de beoogde burgerinfiltrant op grond van Nederlandse regelgeving als crimineel moet worden aangemerkt, kan geen gevolg worden gegeven aan het verzoek van de buitenlandse autoriteiten tot het verrichten van infiltratieactiviteiten door een burger op Nederlands grondgebied. Het hiervoor staande geldt in beginsel ten aanzien van de samenwerking met alle landen die de inzet van een burgerinfiltrant of -informant verzoeken op Nederlands grondgebied.

Vraag 36. Wanneer kan de notitie van de regering op basis van het rapport Tak (vgl. toezegging minister van Justitie in TCEO-debat) verwacht worden?

Bij brief van 6 juni 2000 (TK 1999-2000, 26 269, nr. 30) zond ik u het rapport van prof. P.J.P. Tak inzake «Heimelijke opsporing in de Europese Unie». Eerder, bij brief van 30 november 2000 (TK 1999-2000, 26 269, nr. 17) en tijdens het algemeen overleg dat op 10 november
1999 plaatsvond, deelde ik u mee dat eerst na afronding van het onderzoeksrapport door professor Tak bezien zou kunnen worden of de Nederlandse wetgeving op het gebied van de bijzondere opsporingsbevoegdheden afwijkt van de regelgeving in andere EU-landen. Bij brief van 6 juni deelde ik u mee dat in de eindconclusies van het onderzoeksrapport «Heimelijke opsporing in de Europese Unie» kort gezegd wordt vastgesteld dat in het algemeen niet gesteld kan worden dat de regelgeving inzake de bijzondere opsporingsmethoden in het buitenland soepeler is dan die in Nederland. Er zijn verschillen tussen de Nederlandse wetgeving en de wetgeving van andere landen, net zo als er verschillen zijn tussen de wetgeving van andere landen onderling. De verschillen die zich voordoen in wet- en regelgeving inzake de bijzondere opsporingsmethoden leveren evenwel geen indicaties op voor belem-meringen in de internationale samenwerking. Voor zover er sprake is van feitelijke belemmeringen in de grensoverschrijdende samenwerking zijn deze veelal niet zozeer het gevolg van verschillen in wetgeving, maar vloeien deze voort uit het gebrek aan kennis van en inzicht in die verschillen. Ik verwijs voor het overige naar mijn brief van 6 juni 2000.

Ik ben van mening dat een notitie over de vraag of de Nederlandse wetgeving op het gebied van bijzondere opsporingsbevoegdheden afwijkt van de regelgeving in andere EU-landen, naast het thans verschenen rapport van professor Tak dan ook geen meerwaarde heeft. Wel zal blijvend aandacht besteed worden aan voorlichting over onder andere de Wet BOB en internationale samenwerking in zowel Nederland als in andere landen waarmee Nederland samenwerkt. Hierdoor kan worden voorkomen dat door een gebrek aan kennis over de mogelijkheden binnen de toepasselijke Nederlandse regelgeving, de indruk ontstaat dat Nederland minder bijstand kan verlenen dan nodig is in buitenlandse strafrechtelijke onderzoeken.

Vraag 37. Wanneer zal het overleg over de vorming van een CIE in het kader van de bijzondere opsporing naar verwachting zijn afgerond?

Zoals in het Kabinetsstandpunt van 15 december 1999 inzake de bijzondere opsporingsdiensten (TK 1999-2000, 26 955, nr. 1) is aangegeven, wordt een nadere studie verricht inzake de criminele inlichtingen eenheid (CIE) bij de BOD-en. Bij brief van 23 mei 2000 (TK 1999-2000, 26 955, nr. 3) heb ik uw Kamer bericht dat over de vormgeving van de nieuwe CIE een oriënterende bespreking heeft plaatsgevonden met de direct betrokkenen. Inmiddels heeft nader overleg plaatsgevonden met vertegenwoordigers van de BOD-en, het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het KLPD en het OM, waarin de vormgeving van een CIE voor de BOD-en en de samenwerking met betrekking tot bijzondere organisatorische voorzieningen uitvoerig is besproken.

Wat betreft de termijn van afronding van de hiervoor genoemde trajecten merk ik op dat op 7 september a.s. over de hiervoor genoemde brief van 23 mei jl. nog overleg met de vaste commissie voor Justitie zal plaatsvinden. De uitkomsten van dat debat zullen mede richtinggevend zijn voor het verdere verloop.

Inmiddels wordt gewerkt aan het uitwerken van randvoorwaarden voor een CIE bij de BOD-en en het opstellen van een concept voor de CIE-regeling voor de BOD-en, overeenkomstig de CIE-regeling welke op korte termijn van kracht zal worden voor de politie. Tevens wordt gewerkt aan aanvullingen op de verzoeken van de bewindspersonen van de vakdepartementen. De oude aanvragen om een CID-status dateren nog van vóór het uitbrengen van het Kabinetsstandpunt en de daarin ingeslagen weg en eveneens van vóór de onderbrenging van de Economische Controledienst bij de Belastingdienst.

Vraag 38. Komt er nu wel of geen periodiek wetenschappelijk onderzoek zoals aanbeveling 58 voorstaat? Zo nee, waarom niet?

Een periodiek wetenschappelijk onderzoek naar de frequentie van toepassing van bijzondere onderzoeksmethoden is niet nodig. Alle zaken die voor de inwerkingtreding van de Wet Bijzondere opsporingsbevoegdheden bij de CTC geregistreerd werden, zijn nu onderworpen aan een bevel van de officier van justitie. Die bevelen worden opgeslagen in COMPAS. Met dat systeem is een overzicht van frequentie van inzet te genereren. In dit verband wijs ik op de voorgenomen evaluatie van de Wet Bijzondere opsporingsmethoden die het WODC zal verrichten. Dit onderzoek zal in 2003 zijn afgerond. In 2001 zal een tussenrapportage worden opgemaakt.

Vraag 39. Zal de Kamer onmiddellijk na de voltooiing van de uitkomsten van het internationaal onderzoek van professor Tak op de hoogte gebracht worden?

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 36.

3. Stand va zaken met betrekking tot enkele andere aanbevelingen en enkele overige punten.

Vraag 40. Zal de regering begin volgend jaar zicht hebben op de vraag of het Expertisecentrum operationeel zal zijn en zal dan duidelijk zijn hoe de sanering in het aantal overlegorganen rond de opsporing zal worden vormgegeven

Het expertisecentrum opsporingsmethoden is dit najaar operationeel. De sanering in het aantal overlegorganen zal door het centrum worden voor-bereid. Uiterlijk aan het eind van 2001 doet het expertisecentrum, na overleg met het veld, voorstellen voor een dergelijke sanering.

Vraag 41. Zal het Expertisecentrum ook een consultatiefunctie hebben voor individuele vragen, of hebben zijn taken voornamelijk een meer weten-schappelijke invalshoek? Zullen de bevindingen van het expertisecentrum ook toegankelijk zijn voor derden?

Het Expertisecentrum wordt opgericht voor het verzamelen, ordenen, toetsen en beschikbaar stellen van kennis omtrent opsporingsmethoden. Deze taken worden uitgevoerd voor de politiepraktijk.

Vraag 42. Welke invloed hebben de recent gepubliceerde boeken van T. Moare en B. van Hout op de toegezegde onderzoeken naar liquidaties en corruptie van douaneambtenaren?

In de tweede voortgangsrapportage integraal onderzoek die bij brief van de minister van Justitie d.d. 31 mei 2000 aan de voorzitter van de Tweede Kamer is verzonden, is aangegeven dat er nader (aanvullend) onderzoek zal worden gedaan naar diverse verklaringen die te lezen zijn in recente publicaties van de journalisten Van Hout en Middelburg.

Vraag 43. Is er geprobeerd mevrouw T. Moare als getuige c.q. verdachte te horen?

In de antwoorden op de schriftelijke Kamervragen van het lid Van de Camp (nr. 2990011320) ben ik al op deze vraag ingegaan. Overigens werd de bedoelde mevrouw op 31 juli 2000 in Panama aangehouden in verband met het bezit van XTC.

Samenstelling:

Leden:

Plv. leden:

Swildens-Rozendaal (PvdA)

Van de Camp (CDA)

Biesheuvel (CDA)

Scheltema-de Nie (D66)

Zijlstra (PvdA)

Kalsbeek-Jasperse (PvdA)

Apostolou (PvdA)

Middel (PvdA)

Van Heemst (PvdA),

voorzitter

Rouvoet (RPF)

Rabbae (GroenLinks)

Van Oven (PvdA)

Kamp (VVD)

Dittrich (D66),

ondervoorzitter

O.P.G. Vos (VVD)

Van Wijmen (CDA)

De Wit (SP)

Weekers (VVD)

Wijn (CDA)

Van der Staaij (SGP)

Ross-van Dorp (CDA)

Patijn (VVD)

Niederer (VVD)

Nicolaï (VVD)

Halsema (GL)

Wagenaar (PvdA)

Balkenende (CDA)

Verhagen (CDA)

Van Vliet (D66)

Duijkers (PvdA)

Arib (PvdA)

Kuijper (PvdA)

Albayrak (PvdA)

Barth (PvdA)

Schutte (GPV)

Karimi (GroenLinks)

Santi (PvdA)

Passtoors (VVD)

Hoekema (D66)

Van den Doel (VVD)

Rietkerk (CDA)

Marijnissen (SP)

De Vries (VVD)

Eurlings (CDA)

Van Walsem (D66)

Buijs (CDA)

Rijpstra (VVD)

Van Baalen (VVD)

Van Blerck-Woerdman

(VVD)

Oedayraj Singh Varma

(GroenLinks)

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie