Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief SZW inzake scholing tijdens de bijstand

Datum nieuwsfeit: 22-08-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief SZW inzake scholing tijdens de bijstand
Gemaakt: 7-9-2000 tijd: 11:

7

Aan de Voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid

's-Gravenhage, 22 augustus 2000

In vervolg op mijn brief van 1 mei 2000 (kamerstukken II 26 800 XV, nr. 73) doe ik u hierbij een reactie toekomen naar aanleiding van het met u gevoerde overleg over genoemde brief op 15 juni jl. Tijdens het overleg heb ik u toegezegd om u over onderstaande onderwerpen nader te informeren.

Van deze gelegenheid maak ik gebruik om aan het slot van deze brief twee vragen uit het Algemeen Overleg van 17 april jl. over het rapport «In goede banen» te beantwoorden.


1. De maximale duur van de scholing/opleiding
Tijdens het Algemeen Overleg is gesproken over de maximale duur van een voor de arbeidsinschakeling noodzakelijke opleiding die tijdens de bijstand mogelijk is. Enkele leden van uw commissie meenden dat de voorgestelde termijn van twee jaar niet in alle situaties voldoende zal zijn.

In dit verband wil ik eerst nog eens benadrukken dat de beoordeling of voor bijstands-gerechtigden voor wie de arbeidsverplichting geldt, een scholing noodzakelijk is voor de arbeidsinschakeling, mede in het licht van de richtlijn passende arbeid moet plaatsvinden. Het uitgangspunt van de Algemene bijstandswet (Abw) is immers dat de bijstands-gerechtigde zo spoedig mogelijk weer zelfstandig in de kosten van het bestaan moet voorzien. Het instrument van scholing staat dan ook in het teken van arbeidsinpassing en zal uitsluitend kunnen worden toegepast indien geen passende arbeid voorhanden is. Bovendien zal door burgemeester en wethouders tevens de inzet van andere arbeidsmarktgerichte maatregelen gecombineerd met scholing moeten worden afgewogen, zoals een dienst-betrekking als bedoeld in de Wet inschakeling werkzoekenden. Ook zal de gemeente de mogelijkheden moeten afwegen van de beroepsbegeleidende leerweg en andere vormen van werkend leren bij bemiddeling naar niet-gesubsidieerde, reguliere arbeid.

Voor de termijn van twee jaar is gekozen omdat bij een langere termijn nauwelijks meer getoetst kan worden of de scholing noodzakelijk is voor de arbeidsinschakeling. Bij een langere termijn is het perspectief van arbeidsinschakeling te ver verwijderd. De tweejaars-termijn voorkomt bovendien dat de Abw voor hogere opleidingen (die doorgaans vier jaar duren) in de plaats kan treden van de Wet Studiefinanciering 2000. Voor lagere opleidingen geldt dat deze doorgaans binnen twee jaar kunnen worden afgerond. De tweejaarstermijn sluit ook goed aan bij de behoefte van de meeste werkzoekenden die veelal een voorkeur hebben voor een kort scholingstraject dat snel opleidt tot de mogelijkheid van werk-aanvaarding.

Als gevolg van de tweejaarstermijn kunnen in ieder geval opleidingen tijdens de bijstand gevolgd worden waarvan vooraf vaststaat dat zij niet langer dan twee jaar duren en dus binnen deze termijn kunnen worden afgerond. Tevens ziet de termijn van twee jaar erop toe dat (met name hogere) opleidingen die in beginsel langer dan twee jaar duren, (uitsluitend) door zogenoemde zij-instromers met behoud van uitkering kunnen worden gevolgd indien vooraf vaststaat dat in hun geval de opleiding binnen twee jaar kan worden afgerond omdat vanwege de bij hen reeds aanwezige voorkennis volstaan kan worden met het volgen van enkele modules om de noodzakelijk geachte kwalificatie te behalen. Dit is een uitgangs-situatie die bijvoorbeeld voor veel hoger opgeleide toegelaten vluchtelingen geldt.

Een algemene termijn die langer is dan twee jaar acht ik om bovenvermelde redenen niet wenselijk. Daarbij heb ik tevens overwogen dat het toestaan van scholing tijdens de bijstand welke opleidt tot een hoger niveau dan met in acht neming van de richtlijn passende arbeid noodzakelijk is, niet in overeenstemming is met de reïntegratiedoelstelling van de Abw, waar gemeenten uitvoering aan moeten geven.

In plaats van uitbreiding van de scholingstermijn, stel ik daarom voor, rekening houdend met uw verzoek, dat burgemeester en wethouders bij hoge uitzondering in individuele gevallen van de tweejaarstermijn kunnen afwijken. Om dit mogelijk te maken zal in de Regeling noodzakelijke scholing een uitzondering met betrekking tot de tweejaarstermijn worden opgenomen voor die gevallen waarin naar het oordeel van burgemeester en wethouders, na advies van het arbeidsbureau/Centrum voor Werk en Inkomen (CWI), een langere scholingsduur noodzakelijk is. Een dergelijk besluit moet met redenen worden omkleed. Daarbij zal in ieder geval uitdrukkelijk moeten vaststaan dat voor de betrokkene geen passende arbeid beschikbaar is. Voorts zal moeten vaststaan dat de functie of het beroep waartoe de betreffende scholing opleidt goede kansen biedt tot directe werk-aanvaarding na afronding van de scholing. Algemeen vormende opleidingen die na afronding niet direct leiden tot de mogelijkheid van toetreding tot de arbeidsmarkt in een specifiek beroep of functie vallen dus buiten dit bestek.

De vraag of voor alleenstaande ouders in verband met zorgtaken voor kinderen in dit verband een afwijkend regime van verplichtingen in de Abw gewenst is, zal ik meewegen in de discussie over het dossier Alleenstaande ouders waarover ik binnenkort uw Kamer zal informeren.


2. Uitgangspunten voor scholing in de Algemene bijstandswet
Zoals in het overleg van 15 juni jl. is besproken, wordt in mijn voorstel de uitsluitingsgrond in de Abw op het volgen van onderwijs als bedoeld in hoofdstuk II van de Wet op de Studiefinanciering en Hoofdstuk III van de Wet tegemoetkoming studiekosten, alsmede andere vormen van (dag-)onderwijs die meer dan 19 uur per week in beslag nemen, opgeheven. Dit betekent dat alle onderwijsniveaus voor bijstandsgerechtigden in principe kunnen worden toegestaan. Daarbij geldt voor bijstandsgerechtigden met arbeids-verplichtingen dat de belanghebbende in staat wordt gesteld om met behoud van uitkering een scholing of opleiding te volgen waarmee belemmeringen voor toetreding op de arbeidsmarkt als gevolg van een ontoereikend opleidingsniveau of een verkeerde opleidingsrichting, kunnen worden weggenomen. Bij het bepalen van de noodzaak van scholing of opleiding geldt dat de duur van de opleiding niet meer bedraagt dan twee jaar en goede kansen biedt tot directe werkaanvaarding na afronding van de opleiding, dat wil zeggen dat de opleiding functie- of beroepsgericht moet zijn. Van de termijn van twee jaar zal kunnen worden afgeweken in gevallen zoals hiervoor onder punt 1 is beschreven. Het oordeel over de noodzaak van de opleiding ligt in de eerste plaats bij het arbeidsbureau/ CWI. Hoewel de belanghebbende verplicht is om mee te werken aan een voor de arbeids-inschakeling noodzakelijk geachte scholing of opleiding, zal in het merendeel van de gevallen het volgen van de opleiding in samenspraak met betrokkene en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie op basis van vrijwilligheid totstandkomen. Gedurende de opleidingstijd wordt betrokkene ontheven van een deel van de arbeidsverplichtingen.

Aan personen die om andere redenen zijn ontheven van de arbeidsverplichtingen kan het deelnemen aan scholing niet verplicht worden gesteld. Uiteraard kunnen de gemeenten ook nu al, bijvoorbeeld bij alleenstaande ouders met een kind jonger dan vijf jaar, stimuleren dat de tijd dat de arbeidsverplichtingen nog niet gelden, wordt benut om een zo goed mogelijke arbeidsmarktpositie te verkrijgen, zodat te zijner tijd uitstroom uit de bijstand mogelijk wordt.

In het geval dat de belanghebbende op eigen initiatief een opleiding volgt, zal de gemeente moeten beoordelen of het volgen van die opleiding de inschakeling in betaalde arbeid belemmert. Zolang de inschakeling op de arbeidsmarkt niet wordt belemmerd, kan betrokkene de opleiding zonder bezwaren voor de uitkering volgen.

In het kader van de algemene informatieverplichting zijn alle bijstandsgerechtigden verplicht burgemeester en wethouders te informeren over het feit dat zij een opleiding gaan volgen. Dit maakt het mogelijk dat burgemeester en wethouders nagaan of gebruik gemaakt kan worden van een voorliggende voorziening.

In onderstaand overzicht is aangegeven welke criteria er in het nieuwe voorstel zullen gelden voor bijstandsgerechtigden die tijdens de bijstand scholing volgen.

Scholing

Noodzakelijk-heidstoets

Criteria

Financiering

Ontheffing

soll.verplichting

verplicht o.g.v. art 113

ja

max. 2 jaar, beroepsgericht

ja

ja, voor de duur van de scholing

niet verplicht o.g.v. art 113 (scholing op eigen initiatief)

neen

het volgen van de scholing is niet belemmerend voor arbeidsinschakeling

ja, indien de scholing

het arbeidsmarkt-perspectief van betrokkene verbetert

neen


3. Financieringsmogelijkheden

De kosten verbonden aan een noodzakelijke scholing worden door de gemeente vergoed uit het scholings- en activeringsbudget van de WIW.

In voorkomende gevallen kan de gemeente ook de kosten van een niet verplichte scholing bekostigen. Dat zal bijvoorbeeld het geval kunnen zijn in de situatie dat een alleenstaande ouder met een kind jonger dan vijf jaar, de periode tot het moment waarop de arbeids-verplichtingen van toepassing worden, wil benutten om zich voor te bereiden op

(her-)intreding op de arbeidsmarkt.

Voor bekostiging vanuit het scholings- en activeringsbudget geldt slechts de algemene voorwaarde dat de scholing moet zijn gericht op het verbeteren van de perspectieven op arbeidsinschakeling. Kosten die verband houden met het volgen van een scholing zoals bijvoorbeeld reiskosten, kunnen eveneens uit de WIW-middelen worden vergoed. Voor alleenstaande ouders kan de gemeente - op basis van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders - zonodig kinderopvang realiseren.

Het is ter beoordeling van de gemeente of een niet noodzakelijk geachte scholing past binnen het WIW-kader en of de aan de scholing verbonden kosten worden vergoed.

Het staat de gemeente vrij om vanuit sociale activerings- of emancipatoire doelstellingen een eigen beleid voor subsidiëring van deze kosten te ontwikkelen.


4. Dansers in de WW

Tijdens het overleg op 15 juni jl. zegde ik toe over de problematiek van dansers die omscholing behoeven met staatssecretaris Hoogervorst te overleggen. Ons overleg heeft geen nieuwe inzichten opgeleverd.

De opleiding van professionele dansers is vanzelfsprekend bijzonder te noemen. Ik heb ook zeker waardering voor de door de Stichting Opleiding Dansers (SOD) aan stoppende dansers aangeboden loopbaanadvisering en ondersteuning. De door de dansers doorlopen carrière leidt er echter niet toe dat zij na beëindiging daarvan een zodanig problematische arbeidsmarktpositie innemen dat specifieke maatregelen in het kader van de Werkloosheidswet (WW) aangewezen zijn. Uit de door de SOD verstrekte documentatie blijkt dat de dansers via korte beroepsgerichte opleidingen vaak snel weer aan de slag gaan. Tijdens het Algemeen Overleg werd verwezen naar de beperkte vooropleiding waarover de stoppende dansers beschikken. De vraag werd opgeroepen of dit gegeven geen aanleiding moest vormen om deze groep in de gelegenheid te stellen zich om te scholen. De dansers zijn in dit opzicht echter niet uniek. Er zijn meerdere beroepsgroepen in dit land die over een beperkte opleiding beschikken en die om uiteenlopende na enige jaren - al dan niet daartoe gedwongen - omzien naar een tweede carrière. Niet alleen vanwege fysieke beperkingen kan men ertoe besluiten om uit een vak te stappen, maar ook psychische redenen, geen uitdaging, geen carrièreperspectief en dergelijke kunnen daartoe aanleiding zijn. Ook komt het voor dat personen vanwege dreigende of manifeste arbeidsongeschiktheid om moeten zien naar ander werk. In de bouw komt dit veelvuldig voor, zoals bij stratenmakers. Het normale scholingsregime van de WW is - op incidentele uitzonderingen na - echter ook in die gevallen, voldoende.

Het beleid is erop gericht de verblijfsduur in de WW zo kort mogelijk te laten zijn. Langdurige opleidingen passen niet binnen dit streven. Gebleken is dat de thans toegestane maximaal toelaatbare scholingsduur van één jaar over het algemeen voldoende is om WW-gerechtigden een adequaat scholingsaanbod te doen. De experimentele verruiming van de scholingsregels is erop gericht met name praktijkgerichte opleidingen en opleidingen die voor het behalen van een beroepskwalificaties een langere duur rechtvaardigen mogelijk te maken.


5. Duale opleidingen voor hoger opgeleide asielzoekers
Tijdens het overleg van 15 juni jl. heb ik toegezegd u nader te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de pilot duale opleidingen voor hoger opgeleide vluchtelingen. Hiervoor verwijs ik u kortheidshalve naar het actieplan In Goede Banen, dat als bijlage bij mijn brief over het Voorjaarsoverleg op 26 juni jl. aan de Kamer is aangeboden (kamerstukken II 1999/2000 26 800 XV, nr.82).


6. Vragen naar aanleiding van het Algemeen Overleg van 17 april 2000
In het overleg met de Tweede Kamer op 17 april jl. over de nota In Goede Banen

(kamerstukken II 1999/2000 27 060, nr 1) zijn mij eveneens twee vragen gesteld over scholing.

a. Verzoek van de Kamer om geïnformeerd te worden over de vraag of het arbeidsbureau in de praktijk voor scholing een leeftijdsgrens van 40 jaar hanteert

Dit verzoek betreft een email die mevrouw Schimmel (D66) heeft ontvangen van een mevrouw die werkzaam is als schoonmaakster maar liever in de bejaardenzorg wil werken. Daarom wil zij stoppen met werken teneinde een opleiding te volgen en heeft zij het arbeidsbureau verzocht om dit te financieren. Het arbeidsbureau heeft dit verzoek afgewezen. Met een leeftijdsgrens heeft deze afwijzing overigens niets te maken.

Werkenden zullen zelf werk en opleiding zodanig moeten inrichten dat opleiding mogelijk is. Het is niet de bedoeling dat werkenden stoppen met werken om een opleiding te volgen en voor de financiering hiervan bij Arbeidsvoorziening aankloppen. Er zijn ten behoeve van werkenden die scholing willen volgen diverse fiscale aftrekmogelijkheden en subsidies. Daarnaast geven sommige werkgevers de mogelijkheid om duale trajecten te volgen, waarbij de leerling een arbeidsovereenkomst heeft en werken en leren worden gecombineerd. Het arbeidsbureau heeft met deze mevrouw contact opgenomen en haar geadviseerd om te solliciteren bij een werkgever in de zorg die dergelijke mogelijkheden biedt, bijvoorbeeld de Thuiszorg. Zij was tevreden met dit advies en kondigde aan initiatieven in die richting te gaan ontplooien.

b. Verzoek van de Kamer om geïnformeerd te worden over het scholingsrecht in Frankrijk
.

.

Wetgeving op het gebied van de scholing van werkenden in Frankrijk dateert uit het begin van de jaren zeventig. Er zijn momenteel twee basissystemen die als volgt zijn samen te vatten:

Scholing onder verantwoordelijkheid van de werkgever. De werkgever ontwikkelt een opleidingsplan voor het bedrijf en bespreekt dit met de werknemersvertegenwoordiging. Instemming van de werknemersvertegenwoordiging is hierbij niet verplicht. Deze scholing is gerelateerd aan het werk en werknemers kunnen worden verplicht hieraan deel te nemen. Het gaat hierbij om scholing van maximaal 50 uur per jaar, in werktijd en m.n. gericht op het verwerven van kennis om met nieuwe apparatuur, werk- en organisatievormen, technieken, enz. om te gaan. Het loon wordt doorbetaald en de scholing wordt door de werkgever gefinancierd. Bedrijven besteden gemiddeld 0,9% van de loonsom aan deze scholing. Met name in het grootbedrijf vindt deze bedrijfsscholing plaats. Voorts nemen hoger opgeleiden meer deel dan lager opgeleiden en mannen meer dan vrouwen. Deze vorm van kortdurende, functiegebonden scholing wordt in Nederland veelal geregeld in CAO-afspraken en opleidingsplannen van bedrijven.

Individueel recht op scholingsverlof
Franse werknemers hebben een wettelijk recht op scholingsverlof. Alleen om zwaarwegende redenen (zoals aantoonbare onmisbaarheid op het werk) kan de werkgever dit recht aan een werknemer onthouden. Het verlof omvat een tijdvak van aaneensluitend 800 tot 1000 uur. Er is een lijst van toegestane scholing die zo ruim is geformuleerd dat in de praktijk bijna alles mogelijk is, ook allerlei niet werkgerelateerde scholing. Het individuele recht op scholingsverlof wordt echter sterk ingeperkt door het jaarlijks beschikbare budget. Dit budget bedraagt 0,2% van de loonsom die alle bedrijven verplicht afdragen voor dit doel.

Dit individuele recht op scholingsverlof is erg kostbaar. De werkgever betaalt namelijk 80% van het salaris door en de sociale lasten. Het «organisme de financement» vergoedt deze kosten aan de werkgever uit de scholingsbijdrage van 0,2% van de loonsom en betaalt hiervan ook de kosten van de scholing. De werknemer ontvangt 20% minder salaris. Het «organisme de financement» dient eveneens toestemming te verlenen voor de scholing.
Het budget is niet geoormerkt naar bedrijf of sector. Als het budget op is, moeten nieuwe aanvragers wachten tot het volgende jaar. Vanwege de in verhouding tot de kosten beperkte omvang van het budget hebben in het afgelopen jaar niet meer dan 33.000 Fransen (= 0,15% à 0,20% van de werknemers) gebruik kunnen maken van de regeling. Een wettelijk recht op scholingsverlof en financiering van de scholing bestaat in Nederland niet. Het doel van de Nederlandse Wet Financiering Loopbaanonderbreking (Finlo) is het geven van een (financiële) stimulans voor verlof dat wordt opgenomen voor educatie of zorg en dat mede beoogd de arbeidsparticipatie van doelgroepen te bevorderen door hen werkervaring op te laten doen. Met name dat laatste aspect, dat wordt geconcretiseerd in de voorwaarde dat de werkgever een uitkeringsgerechtigde, arbeidsgehandicapte of herintreder als vervanger in dienst neemt, is in Franse model voor scholingsverlof afwezig. Een ander belangrijk verschil met de Wet Finlo is, dat in Frankrijk de werknemer 80% van het salaris krijgt doorbetaald. In Nederland ontvangt de werknemer van de overheid een bedrag van fl 960,= bruto per maand voor langdurig verlof en eventueel hetgeen is geregeld in de CAO. In Frankrijk is de stimulans voor de werknemer dus veel groter. Een moeilijk punt in het Franse systeem is, dat een duur instrument is gecreëerd zonder dat voldoende duidelijk is wat de baten zijn voor de arbeidsmarktpositie van de werknemer of voor de bedrijfsvoering en het personeelsbeleid van de werkgevers die verplicht zijn de financiële middelen opbrengen. In Nederland wordt het educatief verlof in het kader van de Wet Finlo vooral opgenomen als investering in de persoon zelf, die ook een belangrijk deel van de kosten draagt c.q. minder inkomsten geniet.
Vanwege de omvang van het beschikbare budget in Frankrijk en de hoge kosten die de loondoorbetaling tot 80% met zich meebrengt, is in de praktijk evenwel slechts een beperkte benutting van het individuele recht op scholingsverlof mogelijk.
Vooralsnog kan dan ook niet geconcludeerd worden, dat het individuele recht op scholingsverlof zoals dat in Frankrijk in de praktijk gestalte heeft gekregen, tot een opmerkelijke impuls van het scholingsverlof leidt.

In Frankrijk is de overheid verantwoordelijk voor de scholing van werkzoekenden. Daartoe worden uiteenlopende faciliteiten aangeboden, zoals activiteiten gericht op sociale activering, werkervaringsplaatsen en scholing. De financiering en de mogelijkheden tot scholing zijn mede afhankelijk van de uitkering die men geniet. De organisatie is complex en wordt momenteel herzien.

De Minister van Sociale Zaken

en Werkgelegenheid,

(W.A. Vermeend)

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie