Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Opslag hielprikbloed bij RIVM een persoonsregistratie?

Datum nieuwsfeit: 23-08-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Registratiekamer

Is opslag hielprikbloed bij RIVM een persoonsregistratie?

Kort na de ramp in Enschede is gesuggereerd dat het bloed dat bij nagenoeg alle pasgeboren baby's wordt afgenomen en opgeslagen bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), gebruikt kan worden voor identificatie van slachtoffers via DNA-analyse. Naar aanleiding daarvan heeft de Registratiekamer onderzocht of de opslag van het bloed beschouwd kan worden als een persoonsregistratie, en daarmee onder het regime van de Wet persoonsregistraties (WPR) valt. Dat is niet het geval, maar de Registratiekamer adviseert wel om een aantal maatregelen te treffen om de persoonlijke levenssfeer te beschermen.

Kort na de geboorte wordt bloed afgenomen door middel van de hielprik. De prik is nodig om de pasgeboren baby's te onderzoeken op twee aangeboren ziekten: PKU (phenylketonurie) en CHT (congenitale hypothyreoïdie). Het hielprikbloed wordt toegevoegd aan een kaartje met een uniek setnummer, bestaande uit een provinciecode en een volgnummer. Tevens worden onder andere de naam-, adres- en woonplaats (NAW)- gegevens van de pasgeborene en het setnummer op een tweetal kaartjes ingevuld. Eén van deze kaartjes wordt op het screeningslaboratorium bewaard, het andere kaartje wordt naar de Provinciale Entadministratie (PEA) gestuurd. Binnen het RIVM bevindt zich het screeningslaboratorium van de provincies Utrecht en Gelderland. Na één jaar sturen de vijf screeningslaboratoria in het land de hielprikkaartjes met bloed en setnummer, meestal gebundeld per analysedag, in dozen naar het RIVM voor opslag. Elke doos heeft een etiket met de naam van het laboratorium, de maand en het jaartal.

De Registratiekamer:
Ten eerste heeft de Registratiekamer getoetst of de kaartjes met hielprikbloed, voorzien van een uniek setnummer, persoonsgegevens zijn in de zin van de WPR. Deze toetsing bestond uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel betreft de vraag of het bloed op het kaartje een persoonsgegeven is. Bloed kan volgens de Registratiekamer niet als een persoonsgegeven worden beschouwd, maar wel als een bron van persoonsgegevens. Het RIVM is in staat om uit het bloed bepaalde gegevens te verkrijgen. Het tweede onderdeel betreft de vraag of het unieke setnummer te beschouwen is als een persoonsgegeven in de zin van de Wpr. Het unieke setnummer, dat aan de kaartjes met hielprikbloed is toegevoegd, bestaat voor de pasgeborenen uit de provincies Utrecht en Gelderland uit persoonsgegevens. Het RIVM is namelijk in staat om deze setnummers te herleiden tot individuele natuurlijke personen. Bij de overige provincies is geen sprake van persoonsgegevens in de dozen, onder het voorbehoud dat geen koppeling of vergelijking met gegevens uit de andere screeningsorganisaties en PEA's plaatsvindt. Uit eigen waarneming van de Registratiekamer is echter gebleken dat er op dit moment geen sprake is van een gestructureerde gegevensverzameling. De verzameling kaartjes met hielprikbloed met uniek setnummer zijn dus op dit moment geen persoonsregistratie in de zin van de WPR, zodat de bepalingen van deze wet niet van toepassing zijn.

De Registratiekamer heeft als maatschappelijke taak constructief bij te dragen aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in het algemeen. Op grond daarvan heeft zij geadviseerd aan het RIVM en de ministeries van VWS en Justitie de volgende maatregelen te treffen:
- ouders over de opslag van hielprikbloed informeren en ten minste de mogelijkheid bieden om bezwaar te maken;

- de mogelijkheid onderzoeken van expliciete wetgeving met het oog op toekomstige risico's bij de opslag van lichaamsmateriaal;
- het vaststellen en bekendmaken van een duidelijke, geformaliseerde bewaartermijn;

- het scheppen van meer rechtszekerheid over de toepasselijkheid van beroepsgeheim en verschoningsrecht;

- het realiseren van een adequaat toezicht. 14 augustus 2000, Z2000-0502

Opslag hielprikbloed bij RIVM
augustus 2000


1. Aanleiding
In het dagblad Trouw van 19 mei jl. stond een artikel waarin melding werd gemaakt van een databank bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin sinds 1993 van alle pasgeboren Nederlanders kaartjes met bloed van een hielprik zouden worden bewaard. Deze databank zou volgens het betreffende artikel kunnen worden gebruikt om slachtoffers van de ramp in Enschede mee te identificeren. Naar verluid zou door het DNA-profiel van een gevonden lichaam te vergelijken met een eerder afgenomen hielprik de identiteit van het slachtoffer kunnen worden vastgesteld.

De Registratiekamer heeft een toezichthoudende taak op het gebied van persoonsgegevens en privacybescherming. Ingevolge artikel 37, tweede lid, van de Wet persoonsregistraties (WPR) ziet de Registratiekamer toe op de werking van persoonsregistraties overeenkomstig het bij en krachtens deze wet bepaalde, en in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in het algemeen.

Tegen deze achtergrond heeft de Registratiekamer ambtshalve een onderzoek ingesteld naar de status van de gegevensverzameling bij het RIVM en de mogelijkheid daarmee personen te identificeren via DNA-analyse. Van dit onderzoek is door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de minister van Justitie, mededeling gedaan bij de beantwoording van schriftelijke vragen uit de Tweede Kamer over deze kwestie (TK, 1999-2000, Aanhangsel nrs. 1437, 1438, 1439 en 1440).

Bij brief van 31 mei jl. met bijlage heeft het RIVM geantwoord op het verzoek van de Registratiekamer om een toelichting. Vervolgens hebben de heer mr. P.J. Hustinx, voorzitter, en mevrouw drs. A. ter Linden, beleidsmedewerker, op vrijdag 16 juni een bezoek gebracht aan het RIVM en daar gesproken met de heer dr. G. Elzinga, wnd. directeur-generaal, en de heer L.H. Elvers, afdelingshoofd bij het Laboratorium voor Infectieziektendiagnostiek en Screening. Daarbij hebben zij tevens de bij het RIVM opgeslagen kaartjes hielprikbloed bekeken. Op woensdag 12 juli is van de zijde van de Registratiekamer door de heer mr.drs. T.F.M. Hooghiemstra, senior beleidsmedewerker, nog een aanvullend onderzoek verricht bij het RIVM, al waar hij gesproken heeft met de heer dr. J.G. Loeber, hoofd van het Laboratorium voor Infectieziektendiagnostiek en Screening.

In dit rapport wordt achtereenvolgens ingegaan op de feiten, het toetsingskader en de toetsing. In het licht daarvan komt de Registratiekamer tot conclusies en op een aantal punten tot een advies.


2. De feiten


2.1 Voorkomen van ernstige ziekten
Sinds 1974 worden in Nederland alle pasgeborenen gescreend aan de hand van kaartjes met hielprikbloed. Aanvankelijk alleen op phenylketonurie (PKU). Sinds 1981 is daar de screening op congenitale hypothyreoïde (CHT) en sinds 1 juli 2000 screening op het adrenogenitaal syndroom (AGS) aan toegevoegd. PKU is een erfelijke stofwisselingsziekte die tot ernstige hersenbeschadiging leidt waardoor het kind verstandelijk gehandicapt wordt. Een vroegtijdige behandeling heeft tot op heden bij vele tientallen patiënten deze ernstige gevolgen grotendeels voorkomen. CHT is een aangeboren tekort van de werking van de schildklier waardoor het kind groeistoornis, andere lichamelijke afwijkingen en een achterstand in mentale ontwikkeling kan krijgen. Vroegtijdige opsporing en behandeling kan deze ernstige gevolgen voorkomen. AGS is een erfelijke ziekte die kan leiden tot ernstig water- en zoutverlies en sterfte in de tweede levensweek. Ook deze ziekte kan bij vroegtijdige opsporing voorkomen worden.


2.2 Voorlichting aan ouders
Alle ouders ontvangen bij de geboorteaangifte een folder met informatie over de PKU/CHT-screening (zie bijlage 1). Dit betreft een verstrekking op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) die aan alle pasgeborenen wordt aangeboden. In de folder is expliciet vermeld dat wanneer de ouders geen bezwaar hebben, het kind wordt onderzocht door het afnemen van bloed door de hielprik. Vermeld wordt dat het bloed naar het screeningslaboratorium gaat. Aan het eind van de folder wordt de hoop uitgesproken dat toestemming wordt gegeven voor dit onderzoek. Weigering en bezwaar komt in de praktijk sporadisch voor. In 1998 gebeurde dat honderdtwintig maal (0,06%). De ouders zijn en worden echter niet geïnformeerd over het bewaren van de bloedmonsters en de daarbij behorende persoonsgegevens.


2.3 Het hielpriksetje
Tussen de vierde en de zevende dag na de geboorte wordt het bloed bij de pasgeborene afgenomen door middel van de hielprik. Het hielprikbloed wordt toegevoegd aan het hielpriksetje. Dit setje bestaat uit:
1) een kaartje filtreerpapier bestemd voor het opnemen van hielprikbloed. Op hetzelfde kaartje staat een uniek setnummer bestaande uit 8 cijfers. De eerste twee cijfers van dit setnummer geven de provinciecode aan, de andere zes vormen een volgnummer; 2) twee velletjes waarop de naam-, adres- en woonplaatsgegevens (NAW-gegevens)worden ingevuld en verder enkele gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van de screeningsresultaten (geboortegewicht, zwangerschapsduur).


2.4 Opslag van gegevens bij screeningslaboratoria Van de velletjes met uniek setnummer en de NAW-gegevens wordt er één op het screeningslaboratorium bewaard, in beginsel gedurende vijf jaren (mede in verband met accountantcontrole). Er zijn in Nederland vijf screeningslaboratoria.
Eén daarvan bevindt zich binnen het RIVM, de andere vier staan onder contract van het RIVM. Het screeningslaboratorium van het RIVM betreft het Laboratorium voor Infectieziektendiagnostiek en Screening. De daar aanwezige persoonsregistratie is sinds mei 1996 aangemeld bij de Registratiekamer onder nummer O-0038053 (zie bijlage 2). Dit laboratorium screent de pasgeborenen in de provincies Utrecht en Gelderland. De velletjes met NAW-gegevens van deze pasgeborenen én het unieke nummer zijn in een afsluitbare kast op het secretariaat van dit screeningslaboratorium handmatig opgeslagen. Bij een niet-negatieve uitslag worden de NAW-gegevens, langs geautomatiseerde weg, speciaal bijgehouden op een lijst waar alle unieke nummers en de uitslag op staan. Een niet-negatieve uitslag komt bij de screening in ongeveer 1,5 % van de gevallen voor.


2.5 Opslag van gegevens bij Provinciale Entadministraties Het andere velletje met persoonsgegevens wordt gestuurd naar de Provinciale Entadministratie (PEA) waar de woonplaats van de moeder van de pasgeborene onder valt. De PEA is verantwoordelijk voor de registratie van screeningsresultaten en vaccinatiegegevens van alle pasgeborenen en voor eventuele doorverwijzing van opgespoorde kinderen voor verder diagnostisch onderzoek.


2.6 Organisatie van de landelijke screening Op landelijk niveau wordt de screening georganiseerd door de Inspectie voor de Gezondheidszorg, het RIVM en de Landelijke Vereniging voor Thuiszorg. De Landelijke Begeleidingscommissies (LBC's) PKU en CHT waarin de bij de screening betrokken instanties vertegenwoordigd zijn, zijn ingesteld door de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde en hebben als taak toe te zien op en te adviseren over de uitvoering van de screening en het opstellen van richtlijnen voor diagnostiek en behandeling. In de LBC's zit ook een vertegenwoordiger van de Inspectie voor de Gezondheidszorg.


2.7 Landelijke en langere opslag van hielprikbloed De kaartjes filtreerpapier met het hielprikbloed worden door het betreffende screeningslaboratorium gedurende één jaar bij vier graden Celsius bewaard. In eerste instantie wordt het bloed op de filtreerpapiertjes bewaard om in geval van twijfel over de correctheid van de screeningsuitslag het onderzoek te kunnen herhalen. Dit komt een enkele keer per jaar voor en meestal in het eerste levensjaar. Langzamerhand bestond er echter de behoefte bij onder andere klinisch genetici, kinderartsen en wetenschappelijk onderzoekers om het hielprikbloed langer te bewaren.
Klinisch genetici en kinderartsen wilden bijvoorbeeld in geval van ziekte of overlijden van een kind, na toestemming van de ouders, een kaartje filtreerpapier kunnen lichten om na te gaan of de ziekte al bij de geboorte aanwezig was. En wetenschappelijk onderzoekers kregen bijvoorbeeld de beschikking over nieuwe technologie waardoor er aandacht kwam voor andere metabole ziekten en de mogelijke opsporing daarvan. In 1993 is in de vergadering van de LBC's PKU en CHT daarom besloten voor heel Nederland alle setjes met hielprikbloed in beginsel vijf jaren te bewaren. Inmiddels worden de setjes hielprikbloed echter al langer dan 5 jaren bewaard.

Het RIVM stelde één van haar kelders beschikbaar om de opslag van al deze setjes te verzorgen. Deze kelder bevindt zich in hetzelfde gebouw als het eerder genoemde screeningslaboratorium. Besloten werd dat de screeningslaboratoria de hielprikkaartjes in "schoenendozen" naar het RIVM zouden zenden voor opslag. Elke doos heeft een etiket met de naam van het laboratorium, de maand en het jaartal. De inhoud wordt gevormd door stapeltjes filtreerstrookjes, meestal gebundeld per analysedag. Op de kaartjes worden enkele druppels bloed op filtreerpapier bewaard. Tot op heden wordt door het RIVM dit bloed niet voor DNA-analyse gebruikt. De potentie om dit in de toekomst te gaan doen is echter wel aanwezig.

Momenteel zijn de hielpriksetjes van alle screeningslaboratoria sinds 1994 bewaard gebleven. Uitgaande van 200.000 geboorten per jaar, zijn dat er nu ongeveer 1,4 miljoen.


2.8 Toegang tot de landelijke verzameling hielprikbloed Naast de eerdergenoemde verzoeken vanwege controle-onderzoek of de toenemende verzoeken van kinderartsen of klinisch genetici om met toestemming van de ouders na te laten gaan of een ziekte ook al bij de geboorte aanwezig was, zijn er bij het RIVM sinds 1993 ongeveer tien verzoeken geweest om toegang tot de landelijke verzameling hielprikbloed voor wetenschappelijke onderzoeksprojecten. Meestal gaat het om verzoeken voor anoniem onderzoek, soms voor individueel herleidbaar onderzoek. Verzoeken om toegang tot de hielprikstrookjes voor medisch-wetenschappelijke onderzoeksprojecten worden door het RIVM ook voorgelegd aan de genoemde LBC's. Tot op heden zijn al de ingediende verzoeken gehonoreerd. Alleen over het laatst ingediende verzoek in het kader van tot individuen herleidbaar onderzoek is een beslissing aangehouden.

Het beleid van de LBC's is dat bij individueel herleidbaar onderzoek om toestemming van de ouders wordt gevraagd voor het verstrekken van de bij het unieke setnummer behorende NAW-gegevens, die bij de PEA's (grotendeels geautomatiseerd) en de screeningsorganisaties (alleen bij de niet-negatieve uitslagen geautomatiseerd) aanwezig zijn. Los van de vraag of dit daadwerkelijk ook gebeurt, bestaat de mogelijkheid dat het RIVM, via de persoonsregistratie van haar screeningslaboratorium, de aan het unieke setnummer gekoppelde NAW-gegevens voor de provincies Gelderland en Utrecht, buiten de LBC's om, zelf de unieke nummers bij de kaartjes met hielprikbloed gaat herleiden tot individuen.

Tot op heden is er nooit een beroep op het RIVM gedaan om hielprikbloed te lichten voor identificatie van slachtoffers of om andere dan de hiervoor genoemde redenen.


2.9 Internationale achtergrondinformatie
In vele landen wordt vergelijkbaar screeningsonderzoek met hielprikbloed gedaan. In de meeste gevallen is dit onderzoek, net als in Nederland, nauwelijks expliciet formeel gereguleerd. Uitzonderingen zijn enkele staten in de Verenigde Staten (Californië en South Carolina) en Denemarken. In Denemarken gaat het daarbij om een wettelijk gereguleerde opslag in het zusterinstituut van het RIVM, waarbij gegevensverwerking slechts voor medische doeleinden onder officieel toezicht mag plaatsvinden.


3. Toetsingskader
Om de vraag te beantwoorden of de opslag van kaartjes met hielprikbloed van pasgeborenen een persoonsregistratie is in de zin van de WPR, moet eerst bezien worden of de opgeslagen gegevens persoonsgegevens zijn. Vervolgens moet de vraag beantwoord worden of er sprake is van een persoonsregistratie.


3.1 Het begrip persoonsgegeven
Het begrip persoonsgegeven is in artikel 1 van de WPR omschreven als 'een gegeven dat herleidbaar is tot een individuele natuurlijke persoon'. Deze definitie heeft een ruime strekking en sluit aan bij de omschrijving van het begrip 'personal data' in het Europees Dataverdrag (Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, Straatsburg, 28 januari 1981, Trb. 1988, 7). In artikel 2 van dat verdrag wordt het begrip omschreven als 'any information relating to an identified or identifiable individual'.

Bij de vraag of er sprake is van persoonsgegevens gaat het met name om de elementen 'any information relating to' en 'identified or identifiable'. Beide vereisten liggen besloten in de term herleidbaar.

Wat precies onder 'herleidbaar' in de laatstbedoelde zin moet worden verstaan, is bij de parlementaire behandeling van de WPR nauwelijks aan de orde geweest. De memorie van toelichting bij artikel 1 stelt hierover slechts het volgende:

"Denkbaar is dat onder omstandigheden bepaalde gegevens, hoewel niet direct herleidbaar tot een persoon, door systematische vergelijking en langdurig onderzoek wel tot een bepaalde persoon zouden kunnen worden herleid. Indien echter een onevenredige hoeveelheid tijd, geld en mankracht nodig zou zijn om herleiding mogelijk te maken, dan zal er voor de toepassing van de wettelijke regeling van moeten worden uitgegaan dat de gegevens geen persoonsgegevens in de zin van dit artikel zijn." (Kamerstukken II 1984/1985, 19 095, nrs. 1-3, blz. 35).

Voor een uitvoeriger beschouwing over de wetsgeschiedenis omtrent het begrip persoonsgegeven zij verwezen naar bijlage 3.


3.2 Nadere beschouwingen over herleidbaarheid Zoals uit de wetsgeschiedenis blijkt, kan een gegeven niet als persoonsgegeven worden aangemerkt indien een onevenredige hoeveelheid tijd, geld en mankracht nodig zou zijn om het tot een individuele natuurlijke persoon te herleiden. De wetsgeschiedenis en de internationale regelgeving bieden ook aanknopingspunten voor een nadere invulling van deze maatstaf. Daarbij gaat het vooral om twee factoren: de aard van de gegevens en de mogelijkheden die de houder ten dienste staan om de gegevens te herleiden.

Een gegevensbestand waaruit de direct identificerende gegevens zijn verwijderd, kan onder omstandigheden toch persoonsgegevens bevatten indien herleiding met behulp van de hierna te bespreken indirect identificerende gegevens mogelijk is. Het gaat hierbij om gegevens die in combinatie met andere beschikbare gegevens kunnen worden herleid tot een bepaalde persoon.

Of er in de praktijk metterdaad sprake is van herleidbaarheid, hangt echter mede af van de mogelijkheden waarover de houder beschikt en de bekendheid c.q. beschikbaarheid van aanvullende informatie. Een redelijke toepassing van de wet vergt dat in dit verband wordt rekening gehouden met de omstandigheden van het geval. Met het oog op het voorkomen van misbruik bestaat hierbij enerzijds aanleiding tot objectivering in die zin, dat dient te worden uitgegaan van een redelijk toegeruste houder. Anderzijds is ook subjectivering op zijn plaats in die zin, dat een eventueel surplus aan expertise, technische faciliteiten en dergelijke aan de houder dient te worden toegerekend. Een andere benadering op dit punt zou tekort doen aan de strekking van de wet. Niet voor niets knoopt deze aan bij de vraag of gegevens herleidbaar zijn, en laat zij in het midden of herleiding ook in feite zal plaatsvinden.

Wat blijkens het voorgaande geldt voor de houder, geldt bij het verstrekken van gegevens aan een derde uiteraard ook voor de ontvanger. Dat betekent dat de houder zich in een dergelijk geval zal moeten afvragen, of de bewuste gegevens in handen van de ontvanger al dan niet als herleidbaar zullen moeten worden aangemerkt. Evenmin als ten aanzien van de houder zelf gaat het hierbij om toevallige omstandigheden, maar om hetgeen in de gegeven situatie redelijkerwijs mag worden verwacht. Naarmate een verstrekker over meer mogelijkheden beschikt om de risico's van identificatie door de ontvanger in te schatten c.q. te beperken, mag van hem in dit opzicht meer zorgvuldigheid worden verwacht.

Meer in het algemeen dient men er op bedacht te zijn, dat bepaalde gegevens in handen van derden herleidbaar kunnen zijn. Dit kan zich ook voordoen bij het verstrekken van hielprikkaartjes aan onderzoekers. Hierover zijn thans geen nadere uitspraken te doen.

Voor het antwoord op de vraag of onevenredige inspanningen nodig zouden zijn om gegevens in een bepaald geval te herleiden, is ten slotte nog van betekenis welke belangen daarbij aan de orde zijn. Tegen deze achtergrond is er onder meer reden voor extra zorgvuldigheid bij gegevens met een gevoelig karakter.


3.3 Het begrip persoonsregistratie
Ingevolge artikel 1 WPR is deze wet van toepassing op persoonsregistraties. Volgens dit artikel is een persoonsregistratie 'een samenhangende verzameling van op verschillende personen betrekking hebbende persoonsgegevens, die langs geautomatiseerde weg wordt gevoerd of met het oog op een doeltreffende raadpleging van die gegevens systematisch is aangelegd'.

Het element 'met het oog op een doeltreffende raadpleging van die gegevens systematisch .... aangelegd' betreft de systematische toegankelijkheid. Dit element speelt een belangrijke rol bij handmatig gevoerde gegevensverzamelingen, zoals de onderhavige "schoenendozen" met hielprikkaartjes en een unieke code. Het gaat daarbij vooral om de vraag of een gegevensverzameling een duidelijke, vooraf bepaalde structuur bezit. Of een handmatige verzameling inderdaad als een persoonsregistratie in de zin van de WPR is aan te merken, is afhankelijk van de feitelijke situatie.


4. Toetsing


4.1 Is er sprake van persoonsgegevens?
Ten eerste wordt getoetst of de kaartjes met hielprikbloed, voorzien van een uniek nummer, persoonsgegevens zijn in de zin van de WPR. Deze toetsing bestaat uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel betreft de vraag of het bloed op het kaartje te beschouwen is als een persoonsgegeven. Het tweede onderdeel betreft de vraag of het unieke setnummer te beschouwen is als een persoonsgegeven in de zin van de WPR.


4.1.1. Bloed
Bloed bestaat uit celmateriaal. De Registratiekamer is in haar advies inzake het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken (zie bijlage 4) ingegaan op de status van celmateriaal in het licht van de WPR. Daarover is het volgende opgemerkt:
"De vraag of celmateriaal als persoonsgegeven beschouwd zou kunnen worden, valt in zijn algemeenheid niet te beantwoorden. Weliswaar is het begrip "persoonsgegeven" niet gebonden aan een bepaalde vorm (ook beeld of geluid kan onder omstandigheden worden aangemerkt als een persoonsgegeven), maar de natuurlijke reikwijdte van de wetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens lijkt met zich mee te brengen, dat het in elk geval moet gaan om informatie die op een zodanige wijze is vastgelegd, dat deze zich voor directe raadpleging of verdere verwerking leent.
De Registratiekamer geeft er dan ook de voorkeur aan om celmateriaal te zien als een bron van persoonsgegevens. In het aanwezige celmateriaal liggen in beginsel alle erfelijke eigenschappen van een individu besloten. Het hangt van de beschikbaarheid van de vereiste specialistische technieken af, of de daarop betrekking hebbende gegevens ook daadwerkelijk uit het celmateriaal te voorschijn kunnen worden gehaald. Indien dat het geval is, moet worden rekening gehouden met het bijzondere beschermingsregime voor persoonsgegevens omtrent erfelijke eigenschappen dat geldt ingevolge artikel 21 Wbp en waarvan slechts bij wet in formele zin kan worden afgeweken."

Kort gezegd: bloed kan niet als een persoonsgegeven, maar wel als een bron van persoonsgegevens worden beschouwd. Het RIVM is uiteraard ook in staat om daaruit bepaalde gegevens te verkrijgen.


4.1.2 Het unieke setnummer
De vraag of het unieke setnummer van acht cijfers een persoonsgegeven in de zin van de WPR is, valt niet met volledige scherpte te beantwoorden.
Vast staat wel dat voor de regio's Utrecht en Gelderland het RIVM tevens houder is van de persoonsregistratie van het Laboratorium voor Infectieziektendiagnostiek en Screening. In deze persoonsregistratie is hetzelfde unieke setnummer opgenomen als in de verzameling "schoenendozen" in de kelder van het RIVM. In de persoonsregistratie van het laboratorium zijn, in geval van een negatieve uitslag, het unieke setnummer en de NAW-gegevens samen handmatig opgeslagen. In geval van een niet-negatieve uitslag zijn het unieke setnummer, de NAW-gegevens én de uitslag van het onderzoek in een geautomatiseerde registratie opgenomen. Los van de vraag of het RIVM van die mogelijkheid feitelijk gebruik maakt, kan vastgesteld worden dat het RIVM in staat moet worden geacht om voor de geregistreerden uit de provincies Gelderland en Utrecht het unieke setnummer te herleiden tot individuele natuurlijke personen. Met andere woorden bevatten de "schoenendozen" persoonsgegevens van de geregistreerden uit deze twee provincies.
Om individuele personen uit de overige provincies uit de "schoenendozen" te herleiden is medewerking nodig van de desbetreffende PEA of screeningsorganisatie. De screeningsorganisaties en het RIVM laten verzoeken om herleiding van individuele personen beoordelen door de zogenaamde LBC's. Het beleid van deze LBC's, die overigens geen juridische status hebben, is om in dergelijke gevallen toestemming van de ouders van de desbetreffende pasgeborenen te vragen. De mogelijkheid tot herleiding bestaat dus wel, maar niet gesteld kan worden dat het RIVM als houder daar zelf toe in staat of verantwoordelijk voor is. Derhalve is bij de overige provincies geen sprake van persoonsgegevens in de "schoenendozen", onder het voorbehoud dat geen koppeling of vergelijking met gegevens uit de andere screeningsorganisaties en PEA's plaatsvindt. Een bijzonder aandachtspunt is hierbij dat de vier screeningsorganisaties tot het RIVM in een contractuele relatie staan.


4.2. Is er sprake van een persoonsregistratie? Voor wat betreft de vraag of de verzameling kaartjes met hielprikbloed en een unieke code een persoonsregistratie is, heeft de Registratiekamer uit eigen waarneming kunnen vastellen dat er op dit moment geen sprake is van een gestructureerde gegevensverzameling en derhalve ook geen sprake is van een persoonsregistratie. Weliswaar dient rekening gehouden te worden met de kanttekeningen die in het voorgaande gemaakt zijn bij mogelijkheden voor de toekomst en de mogelijke verbanden met de persoonsregistraties bij screeningsorganisaties, maar dat neemt niet weg dat op dit moment niet gesteld kan worden dat de betrokken gegevensverzameling een persoonsregistratie is in de zin van de WPR.


4.3 Is de WPR van toepassing?
Het feit dat er geen sprake is van een persoonsregistratie leidt er toe dat de bepalingen van de WPR niet van toepassing zijn op de onderhavige gegevensverzameling. Dit betekent onder andere dat deze gegevensverzameling niet bij de Registratiekamer behoefde te worden aangemeld.


5. Conclusies en nadere beschouwingen


5.1 Conclusies
Het onderhavige onderzoek van de Registratiekamer is ingesteld om te bezien in hoeverre het RIVM over een databank beschikt waarmee het mogelijk is om personen te identificeren via DNA-analyse. Vastgesteld moet worden dat het RIVM op dit moment, in tegenstelling tot wat diverse media eerder hebben gemeld, niet over een DNA-databank van pasgeborenen beschikt. Wel beschikt het RIVM in één van haar kelders over een verzameling "schoenendozen" met kaartjes hielprikbloed van pasgeborenen. Aan deze kaartjes met hielprikbloed is een uniek setnummer toegevoegd. Het bloed op deze kaartjes bevat celmateriaal waarop in theorie DNA-onderzoek mogelijk is.
In de praktijk is het verrichten van DNA-bepalingen op de bloedmonsters echter (nog) niet aan de orde. Met deze mogelijkheid dient voor de toekomst echter wel rekening te worden gehouden.

Het aanwezige bloed kan niet als een persoongegeven, maar wel als een bron van persoonsgegevens worden beschouwd. De unieke code die aan de kaartjes met hielprikbloed is toegevoegd bestaat voor de pasgeborenen uit de provincies Utrecht en Gelderland uit persoonsgegevens. Bij de overige provincies is geen sprake van persoonsgegevens in de "schoenendozen", onder het voorbehoud dat geen koppeling of vergelijking met gegevens uit de andere screeningsorganisaties en PEA's plaatsvindt. Een bijzonder aandachtspunt is hierbij dat de vier screeningsorganisaties met het RIVM in een contractuele relatie staan.

Uit eigen waarneming van de Registratiekamer is gebleken dat er op dit moment geen sprake is van een gestructureerde gegevensverzameling en derhalve ook geen sprake is van een persoonsregistratie. Deze conclusie blijft van belang na de invoering in 2001 van de Wet bescherming persoonsgegevens, omdat het begrip 'bestand' uit de WBP in zoverre geheel aansluit op het begrip 'persoonsregistratie' uit de WPR.

Nu er geen sprake is van een persoonsregistratie, baseert de Registratiekamer de hierna volgende beschouwingen op haar maatschappelijke taak constructief bij te dragen aan bescherming van de persoonlijke levenssfeer in het algemeen.


5.2 Anoniem lichaamsmateriaal (artikel 7:467 BW) Zelfs indien de kaartjes met hielprikbloed geheel anoniem zouden zijn opgeslagen, is reeds artikel 7:467 BW van toepassing. In dit artikel staat het volgende:

" 1. Van het lichaam afgescheiden anonieme stoffen en delen kunnen worden gebruikt voor medisch statistisch of ander medisch wetenschappelijk onderzoek voor zover de patiënt van wie het lichaamsmateriaal afkomstig is, geen bezwaar heeft gemaakt tegen zodanig onderzoek en het onderzoek met de vereiste zorgvuldigheid wordt verricht.

2. Onder onderzoek met van het lichaam afgescheiden anonieme stoffen en delen
wordt verstaan onderzoek waarbij is gewaarborgd dat het bij het onderzoek te gebruiken lichaamsmateriaal en de daaruit te verkrijgen gegevens niet tot de persoon herleidbaar zijn."

In de huidige situatie wordt de ouders van de pasgeborene wél de mogelijkheid geboden bezwaar te maken tegen verstrekking van het hielprikbloed aan de provinciale entadministraties en screeningslaboratoria, maar wordt deze ouders niet de mogelijkheid geboden bezwaar te maken tegen verstrekking van dit hielprikbloed door de provinciale entadministraties en screeningslaboratoria aan het RIVM.
De Registratiekamer adviseert om aan de folder die de ouders krijgen bij de afname van het hielprikbloed van hun pasgeborene tevens een tekst toe te voegen waaruit blijkt dat men bezwaar kan maken tegen de verstrekking van hielprikbloed aan het RIVM.

Voor zover het om identificeerbaar lichaamsmateriaal gaat (in casu het hielprikbloed uit de provincies Utrecht en Gelderland, in het bijzonder bij de niet-negatieve uitslagen) is in gevolge de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst en algemene rechtsbeginselen (expliciete) toestemming van de ouders van de pasgeborene noodzakelijk.


5.3 Toekomstige risico's
Gebleken is dat er op dit moment nog geen sprake is van een (geautomatiseerde) databank, laat staan van een DNA-databank. In potentie kan de onderhavige gegevensverzameling daar echter wel toe leiden. Een belangrijk kenmerk van gegevensverzamelingen met celmateriaal, zoals bloed, is dat het toekomstig gebruik daarvan onvoorspelbaar is, mede gelet op de snelle ontwikkelingen van moleculair genetisch onderzoek. Tevens is gebleken dat de waarborgen van de WPR thans niet van toepassing zijn en er derhalve ook geen op wetgeving gebaseerde reglementering bestaat voor deze, in potentie, risicovolle gegevensverzameling.

De Registratiekamer merkt hierover op dat in Denemarken een soortgelijke opslag van lichaamsmateriaal expliciet wettelijk geregeld is. Zij adviseert de minister van VWS te laten onderzoeken of dit voor Nederland ook een goede optie is. Mogelijk biedt de in voorbereiding zijnde Wet zeggenschap nader gebruik lichaamsmateriaal daarvoor een aanknopingspunt.


5.4 Bewaartermijnen
Sinds 1994 zijn alle setjes met hielprikbloed bewaard, dus van ongeveer 1,4 miljoen personen. Deze setjes zouden, volgens het besluit van de LBC's, in principe voor 5 jaar worden bewaard. Inmiddels worden de betreffende setjes al langer dan 5 jaren bewaard. Er zijn ten aanzien van de landelijke opslag van hielprikbloed bij het RIVM geen formele regels of daarop gebaseerde reglementen waaruit een bewaartermijn blijkt.

De Registratiekamer dringt er op aan, dat de betrokken beroepsbeoefenaren tot een goed onderbouwd standpunt komen inzake de noodzakelijke bewaartermijn van de setjes hielprikbloed. Deze bewaartermijn zou dan ook in de eerder genoemde folder aan de ouders inzichtelijk kunnen worden gemaakt en vastgelegd kunnen worden in één of andere reglementering. Juist met het oog op de onvoorspelbare ontwikkelingen van moleculair genetisch onderzoek is het van belang de hielpriksetjes niet langer te bewaren dan noodzakelijk is om de doelen te realiseren die met de opslag van deze gegevens wordt beoogd.


5.5 Beroepsgeheim
Bij de beantwoording van de Kamervragen over de onderhavige kwestie hebben de bewindslieden gesteld, dat het opgeslagen lichaamsmateriaal en de bijbehorende gegevens bij het RIVM vallen onder het beroepsgeheim en het verschoningsrecht, waardoor de bevoegdheid van het OM om gegevens op te vragen wordt gestuit.

Hoewel de Registratiekamer met veel belangstelling heeft kennisgenomen van deze stellingname, meent zij dat er gezien de afstand tot de behandelsector, enige ruimte bestaat voor twijfel op dit punt. Een grotere mate van rechtszekerheid acht zij in elk geval gewenst. Zij adviseert om in samenhang met de voorgaande punten daarin te voorzien.


5.6 Toezicht
De vraag inzake het toezicht op de landelijk opgeslagen setjes hielprikbloed bij het RIVM dringt zich op en is klemmender, nu blijkt dat onderhavige verzameling niet te beschouwen is als een persoonsregistratie in de zin van de WPR, onder toezicht van de Registratiekamer, maar wel een verzameling (geanonimiseerd) lichaamsmateriaal bevat met de potentie op termijn tot automatisering en DNA-analyse over te gaan. De Inspectie voor de Gezondheidszorg neemt wel deel aan de LBC's, maar haar rol is daarbij niet geheel duidelijk.

Graag zou de Registratiekamer zien dat het ministerie van VWS zich gaat buigen over de vraag hoe adequaat toezicht op de onderhavige gegevensverzameling kan worden gerealiseerd. De Registratiekamer is te allen tijde bereid het ministerie van VWS hierin bij te staan.

Rapport

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie