Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief over werkzaamheden van de Veiligheidsraad

Datum nieuwsfeit: 24-08-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

br min buza inz werkzaamheden veiligheidsraad
Gemaakt: 28-8-2000 tijd: 11:36


10


26301 Lidmaatschap Veiligheidsraad

Nr. 28 Brief van de minister van Buitenlandse Zaken

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 augustus 2000

Hierbij bied ik u mede namens de Minister voor
Ontwikkelingssamenwerking een verslag aan over de werkzaamheden van de Veiligheidsraad in de maand juli 2000.
INLEIDING

Jamaica, in juli voorzitter van de Veiligheidsraad, organiseerde drie thematische debatten over Kinderen in Gewapend Conflict, Conflictpreventie, respectievelijk de relatie tussen HIV/AIDS en vrede en veiligheid.

Daarnaast stonden de werkzaamheden van de Raad wederom grotendeels in het teken van Sierra Leone. De Raad aanvaardde een resolutie waarmee de invoer van niet gecertificeerde ruwe diamanten uit Sierra Leone voorlopig wordt verboden. De Raad discussieerde voorts over verlenging van het UNAMSIL-mandaat en troepensterkte. Onderhandelingen over een resolutie inzake de berechting van degenen die de mensenrechten hadden geschonden, werden voortgezet. De Raad nam voorts een presidentiële verklaring aan over een bevrijdingsactie door UNAMSIL.

De voorbereidingen voor een vredesoperatie voor Ethiopië/Eritrea zijn in volle gang. Een Nederlander leidde het team dat naar Asmara werd gezonden voor de verdere uitwerking van een vredesoperatie. De Raad nam een resolutie aan waarmee, vooruitlopend op deze vredesoperatie, een VN-waarnemersmacht werd gemandateerd.

In de Democratische Republiek Congo (DRC) hadden opnieuw schendingen van het Lusaka-Akkoord plaatsgevonden. Kabila had kenbaar gemaakt dat gewapende VN-soldaten niet tot de DRC zouden worden toegelaten.

De Raad herdacht met een voorzittersverklaring en een minuut stilte de val van Srebrenica in juli 1995 en besprak de situatie in Kosovo.

De Raad sprak voorts over het halfjaarlijks rapport over de VN-missie in Oost-Timor, UNTAET. De activiteiten van milities, zowel in kampen in West-Timor als langs de grens tussen Oost- en West-Timor, bleven zorg baren. Het geweld op de Molukken kwam eveneens aan de orde. De Indonesische autoriteiten werden op hun verantwoordelijkheid voor herstel van de orde en rust gewezen.

De mandaten van de VN-vredesmissies in Prevlaka (UNMOP), Westelijke Sahara (MINURSO), Georgië (UNOMIG) en Libanon (UNIFIL) werden verlengd.

AFRIKA

Angola

Op 27 juli presenteerde de Speciale Vertegenwoordiger voor Angola, Gambari, een rapport van de Secretaris-Generaal over de situatie in Angola. President Dos Santos had het Lusaka protocol nogmaals omarmd als de basis voor vrede en duidelijk gemaakt amnestie te willen overwegen voor UNITA-strijders die de wapens neerlegden, inclusief wellicht voor Savimbi. Gambari verwelkomde deze handreiking en was van mening dat de internationale gemeenschap een actieve rol moest blijven spelen in de pogingen vrede te brengen in Angola. De verbeterde effectiviteit van de sancties tegen UNITA was in dit verband een belangrijke stap voorwaarts.

De humanitaire situatie was dramatisch. Grote aantallen vluchtelingen en ontheemden, moeizame verbindingen, onveiligheid en gebrek aan financiële middelen waren enkele van de problemen waar de hulpverlening mee kampte en waardoor grote delen van de Angolese bevolking verstoken bleven van de broodnodige humanitaire hulp.

De leden van de Raad waren eensgezind in hun veroordeling van de rol van UNITA en wezen op het belang van de verscherping van de sancties. Allerwegen werd Ambassadeur Fowler terzake lof toegezwaaid. Nederland wees ook op de baanbrekende rol van NGOs, die immers al jaren op het verband tussen diamanten en wapenhandel en de voortgang van het conflict wezen. Nederland sprak verder zorg uit over de humanitaire situatie en benadrukte het belang van een politieke oplossing. Het verwelkomde de aanscherping van de sancties en onderstreepte het belang van de hernieuwde dialoog tussen de Regering Dos Santos en het IMF.

Centraal Afrikaanse Republiek

De veiligheidssituatie en de moeizame economische ontwikkeling in de Centraal Afrikaanse Republiek (CAR) baarden grote zorg, aldus Directeur Afrika, Youssef Mahmoud in een bijeenkomst met de Raad op 7 juli. Het banditisme was toegenomen, vooral in de hoofdstad Bangui. De Wereldbank en het IMF hadden hun bijdragen aan de CAR opgeschort, totdat de regering Patassé serieus werk maakte van de economische hervormingen en met name privatisering van de olie-industrie.

Sommige delegaties in de Raad spraken daarover grote zorg uit; de CAR had juist nu extra hulp nodig. Alle leden waren van mening dat BONUCA (het VN-«Post Conflict Peacebuilding Office» in de CAR), gesteund door de internationale gemeenschap, op de ingeslagen weg moest doorgaan en dat de Veiligheidsraad de vinger aan de pols moest houden om hernieuwde conflicten te voorkomen.

Democratische Republiek Congo

Assistent Secretaris-Generaal Annabi maakte op 19 juli melding van diverse schendingen van het bestand in de Democratische Republiek Congo (DRC). Daarnaast was, ondanks presentie van de rebellengroepering RCD-Goma, de situatie rond Kisangani rustig. De bewegingsvrijheid van MONUC, de VN-missie in de DRC, was nog steeds beperkt. Kabila bleef zich verzetten tegen Masire als «facilitator». Het proces van de nationale dialoog werd steeds moeizamer.

Algemeen heerste binnen de Raad een gevoel van teleurstelling over de recente ontwikkelingen, hetgeen tot uitdrukking kwam in een persverklaring.

Op 28 juli lichtte Annabi de Raad in over de laatste ontwikkelingen met betrekking tot de ontplooiing van MONUC in de DRC. De Speciale Vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal, Morjane, had van president Kabila en minister van Buitenlandse Zaken Yerodia te horen gekregen dat gewapende VN-soldaten niet tot de DRC zouden worden toegelaten, ondanks het feit dat een en ander was geregeld in de «Status of Forces Agreement» van MONUC. De ontplooiing van het Tunesische contingent voor het hoofdkwartier in Kinshasa en het Marokkaanse bataljon naar Kanaga moest daarom op het laatste moment worden afgezegd. Annabi meldde dat militair succes de bereidheid van Kabila met MONUC samen te werken, zou hebben verkleind.

De Raad onderstreepte de noodzaak te blijven zoeken naar mogelijkheden om het vredesproces nieuw leven in te blazen. Nederland bracht in herinnering dat de Raad het afgelopen jaar aan geen onderwerp zo veel tijd heeft besteed als aan de DRC en niet zou moeten dulden dat Kabila de besluitvorming van de Raad volledig negeerde; een opvatting die door vele leden van de Raad werd gedeeld. Een eind augustus te verschijnen rapport van de Secretaris-Generaal zal aanbevelingen bevatten over de toekomst van MONUC.
Ethiopië/Eritrea

Onder Secretaris-Generaal Miyet verzorgde op 6 juli een korte toelichting op het eerste rapport van de Secretaris-Generaal over de mogelijke VN-vredesoperatie in Ethiopië en Eritrea. De Secretaris-Generaal voorzag de volgende stappen:


- uitzending van een verkenningsteam dat in de derde week van juli een ontwerp «concept-of operations» aan de SGVN moest voorleggen;


- uitzending van twee liaisonteams naar respectievelijk Asmara en Addis Abeba, belast met het onderhouden van de contacten met beide partijen en de ondersteuning van de VN bij de verdere uitwerking van de operatie. (De Nederlandse kolonel Hoogeland zou het Asmara-team leiden; zie mijn brief van 14 juli jl., kenmerk DVN-PZ/309/00.);


- uitzending van maximaal 100 militaire waarnemers, vooruitlopend op een vredesoperatie.

De leden van de Raad konden zich in de voorgestelde aanpak vinden. Alle delegaties, waaronder Nederland, wezen op het belang van een goede afstemming tussen de VN en de OAE, een eenduidige commandostructuur en de noodzaak van een duidelijk eindpunt van de operatie: het moment dat de demarcatie is afgerond.

Op 31 juli aanvaardde de Raad een resolutie tot instelling van de VN-waarnemersmacht in Ethiopië en Eritrea. De waarnemersmacht bestaat uit de eerdergenoemde 100 militairen en is voorzien tot 1 januari
2001. De OAE zal op het niveau van brigade-generaal betrokken zijn. Guinee-Bissau Directeur Afrika, Youssef Mahmoud verzorgde op 7 juli een korte briefing over de ontwikkelingen in Guinee-Bissau. De spanning tussen de militairen en de burgerregering bestond nog steeds, maar vooruitgang was merkbaar. Mahmoud toonde zich bezorgder over de spanningen tussen Senegal en Guinee-Bissau. Het grootste probleem voor Guinee-Bissau was de zwakke economie en de enorme armoede. Mahmoud benadrukte het belang van voortgezette hulp van de internationale gemeenschap. Nederland sprak grote waardering uit voor het werk van UNOGBIS. Tevens gaf Nederland aan bereid te zijn projectvoorstellen op het gebied van onder meer ontmijning, mensenrechten en de gemeentelijke verkiezingen in behandeling te nemen. Tot op heden waren echter geen voorstellen ontvangen. Volgens Mahmoud beschikte de regering van Guinee-Bissau niet over de capaciteit om projectvoorstellen te formuleren. Hij riep daarvoor de hulp van de internationale gemeenschap in.

De Veiligheidsraad sprak in een persverklaring waardering uit voor het werk van UNOGBIS. Sierra Leone

De Veiligheidsraad aanvaardde op 5 juli een resolutie inzake illegale handel in diamanten en wapens. Met deze resolutie werd de invoer van ruwe diamanten uit Sierra Leone verboden voor een initiële periode van 18 maanden, met uitzondering van diamanten die zijn voorzien van een certificaat. Het certificeringsmechanisme hiervoor diende nog te worden opgezet door de regering van Sierra Leone en te worden goedgekeurd door de Veiligheidsraad. De regering van Sierra Leone heeft zich akkoord verklaard met de sancties.

Nederland onderstreepte het belang van deze resolutie. Het stelde in een stemverklaring dat sancties niet gekoppeld dienen te zijn aan een termijn, maar aan bepaalde criteria.

Assistent Secretaris-Generaal Annabi onderbouwde op 11 juli het voorstel van de Secretaris-Generaal voor de uitbreiding van UNAMSIL, de VN vredesmissie in Sierra Leone, tot 16.500 man. Aangezien de omstandigheden waaronder UNAMSIL moest opereren de afgelopen maanden sterk waren gewijzigd, was de huidige sterkte van UNAMSIL onvoldoende. Aanvankelijk ging UNAMSIL uit van medewerking van de rebellengroepering RUF, doch inmiddels moesten UNAMSIL-troepen zich tegen de RUF verdedigen. UNAMSIL kon alleen op basis van het robuuste Veiligheidsraadmandaat opereren, indien het over voldoende troepen kon beschikken. Bovendien kon UNAMSIL met het huidige plafond van 13.000 slechts Freetown, Lungi en enkele nabij gelegen strategische plaatsen controleren.

Annabi benadrukte dat het doel van de uitbreiding was om versterkt, geloofwaardig en wijder verspreid aanwezig te kunnen zijn ter ondersteuning van de regering van Sierra Leone; niet om tot een militaire oplossing van het conflict te komen.

De Verenigde Staten verzetten zich tegen een verhoging tot 16.500 personen. Dit aantal zou arbitrair zijn vastgesteld, terwijl voorts niet duidelijk was waar de troepen vandaan moesten komen. Het huidige quotum van 13.000 man was ook nog niet geheel gevuld. Overige leden van de Raad waren van mening dat versterking van UNAMSIL, vooral ter afschrikking van de RUF, onontbeerlijk was. Nederland was van mening dat bij het uitblijven van de gevraagde uitbreiding UNAMSIL zich uit bepaalde gebieden zou moeten terugtrekken en dat van een «robuuste» uitvoering van het mandaat geen sprake meer zou kunnen zijn. Dit zou kunnen leiden tot een de facto tweedeling van het land, die niet wenselijk is.

Onderhandelingen over verlenging van het UNAMSIL-mandaat waren eind juli nog niet afgerond.

Assistent Secretaris-Generaal Annabi informeerde de Raad op 17 juli over de bevrijdingsactie door UNAMSIL die het voorgaande weekeinde had plaatsgevonden en was gesanctioneerd door de Secretaris-Generaal. 233 vredeshandhavers en waarnemers, die sinds mei werden omsingeld door RUF-rebellen in het oostelijk deel van Sierra Leone, werden bevrijd. Alle UNAMSIL-troepen waren nu relatief veilig, aldus Annabi.

De Raad nam een presidentiële verklaring aan waarin zij volledige steun uitsprak voor de operatie, die paste binnen het UNAMSIL-mandaat. Wellicht het belangrijkste effect van de operatie is een hernieuwd vertrouwen in UNAMSIL, de samenwerking tussen de UNAMSIL-troepen en het leiderschap van de «Force Commander».

Op 25 juli deelde Annabi mede dat UNAMSIL het voorgaande weekeinde preventieve militaire actie had genomen tegen de zogenaamde «West Side Boys», een groepering die aanvankelijk tot het kamp van de FARC - een regeringsgezinde groepering - behoorde. Deze groep had wegversperringen en «checkpoints» ingesteld om daarmee het gebied in de buurt van Masiaka te kunnen controleren. Na hardnekkige weigeringen van de «West Side Boys» zich vrijwillig te ontwapenen - ondanks een oproep daartoe van FARC-leider Johnny Paul Koroma - zat er voor UNAMSIL weinig anders op dan actie te ondernemen. Een en ander was succesvol verlopen.

De in juni gestarte onderhandelingen over een resolutie inzake de berechting van degenen die mensenrechten hadden geschonden, waren eind juli nog niet afgerond.

Westelijke Sahara

Assistent Secretaris-Generaal Annabi introduceerde op 18 juli een vrij pessimistisch rapport van de Secretaris-Generaal over de Westelijke Sahara. De recente bijeenkomst van betrokken partijen in Londen, onder leiding van Persoonlijk Afgezant James Baker, had niets opgeleverd en leek het proces eerder een stap terug te hebben gebracht. Enige hoop was gevestigd op een expertbijeenkomst op 20 en 21 juli in Genève, waar problemen met betrekking tot de beroepsprocedures, krijgsgevangenen en vluchtelingen zouden worden besproken.

De leden van de Raad spraken hun teleurstelling uit over het gebrek aan voortgang in het proces. De algemene teneur van de discussie was dat het «settlement plan» nog immer als uitgangspunt moest worden beschouwd, tenzij partijen met een voor allen acceptabele, alternatieve oplossing kwamen. Baker diende ruimte te krijgen om diverse opties te onderzoeken.

Onder andere Nederland waarschuwde dat zonder uitzicht op een acceptabele politieke oplossing een terugkeer naar geweld helaas niet kon worden uitgesloten. Nederland sloot zich verder aan bij Canada dat aandacht vroeg voor de krijgsgevangenenproblematiek.

Op 25 juli werd een resolutie aanvaard waarmee het mandaat van MINURSO met drie maanden werd verlengd tot 31 oktober 2000.

MIDDEN-OOSTEN

Israël/Libanon

Op 25 juli deelde de Secretaris-Generaal de Raad mede dat alle schendingen van de demarcatielijn waren beëindigd en dat de Libanese autoriteiten hadden ingestemd met volledige ontplooiing van UNIFIL. Als voorbeeld van het goede overleg tussen alle partijen noemde hij dat overeengekomen was het tussen Libanon en Israël verdeelde dorp Ghazar onverdeeld aan Syrië toe te wijzen wanneer het Syrisch-Israëlische vredesproces zou zijn voltooid. Alle partijen wensten te voorkomen dat het dorp verdeeld zou blijven. Desgevraagd (door Nederland) deelde de Secretaris-Generaal mede dat de bestaande samenwerking tussen UNTSO en UNIFIL zou worden voortgezet.

Alle delegaties spraken grote voldoening uit over deze ontwikkelingen en zwaaiden de Secretaris-Generaal en diens Speciale Gezant Terje Roed-Larsen lof toe voor hun bijdrage aan dit resultaat. Nederland benadrukte daarnaast dat de Libanese overheid zo spoedig mogelijk haar gezag over Zuid-Libanon diende te vestigen, waarmee het doel van Veiligheidsraadresolutie 425 zou zijn bereikt. Nederland was voorstander van verlenging van het mandaat van UNIFIL met zes maanden.

Het standpunt van de Raad werd neergelegd in een persverklaring.

Op 27 juli aanvaardde de Raad een resolutie waarmee het mandaat van UNIFIL werd verlengd met zes maanden.

EUROPA

Georgië De Veiligheidsraad kreeg op 25 juli een briefing van de Speciale Vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal, Dieter Boden, over de situatie in Georgië langs de lijnen van het laatste rapport terzake. De Secretaris-Generaal merkte in dat rapport onder andere op dat in het kader van het Genève-vredesproces nog weinig vorderingen waren gemaakt. De situatie van de duizenden ontheemden was in toenemende mate hopeloos. Er was sprake van een fikse toename van de georganiseerde misdaad langs de bestandslijn. Beide partijen werden in het rapport herinnerd aan hun verantwoordelijkheden met betrekking tot de veiligheid van VN personeel. Positief was de voorzetting van het werk met betrekking tot vertrouwenwekkende maatregelen. De Secretaris-Generaal adviseerde het mandaat van UNOMIG, de VN-missie ter plekke, te verlengen met zes maanden gezien de sleutelrol die het vervult bij het zoeken naar een vreedzame oplossing van het conflict, en gezien het stabiliserende effect dat van de missie uitgaat. De Raad volgde dit advies en nam op 28 juli een resolutie terzake aan. De Raad sprak verder zorg uit over de veiligheidssituatie, criminaliteit, terugkeer van vluchtelingen en veiligheid van VN-personeel. Algemeen was er lof voor het werk en de volharding van Boden. Kosovo Assistent Secretaris-Generaal Annabi informeerde de Veiligheidsraad op 13 juli over de situatie in Kosovo. Belangrijkste boodschap was dat UNMIK nog steeds de meeste tijd besteedde aan het verbeteren van de veiligheidssituatie, met name van minderheden, en aan de voorbereidingen van de lokale verkiezingen, dit najaar. De ondertekening door Speciale Vertegenwoordiger Kouchner op 8 juli van een regeling voor de verkiezingen was een belangrijke stap. Het registratieproces vorderde gestaag. Helaas bleven Serviërs in Kosovo massaal weigeren zich te laten registreren, zolang, volgens hun leiders, de veiligheid en hun terugkeer niet waren gegarandeerd. De meeste leden van de Raad, waaronder Nederland, onderstreepten het belang van de lokale verkiezingen en spraken bezorgdheid uit over het geweld in Kosovo, met name tegen minderheden. Nederland benadrukte dat blijvende en volledige medewerking van alle Albanees-Kosovaarse partijen geboden bleef. Prevlaka

De Veiligheidsraad aanvaardde op 13 juli unaniem een resolutie waarmee het mandaat van de VN-waarnemersmissie in Prevlaka met zes maanden werd verlengd tot 15 januari 2001. De Raad riep Kroatië en de FRJ op om alle schendingen van het gedemilitariseerde regime in de VN zone te beëindigen en zo spoedig mogelijk een oplossing van het conflict te bereiken.

Srebrenica

In een openbare zitting van de Veiligheidsraad op 13 juli las de Jamaicaanse voorzitter een voorzittersverklaring voor ter herdenking van de val van Srebrenica, vijf jaar geleden. Daarna werd een minuut stilte in acht genomen voor de daarbij gevallen slachtoffers. In de voorzittersverklaring benadrukte de Raad dat deze tragedie nooit mag worden vergeten. In dat verband onderstreepte de Raad het belang van het werk van ICTY, bedoeld om recht te doen en herhaling van dergelijke misdrijven te voorkomen. De verklaring wees ook op het belang van de naar aanleiding van de val van Srebrenica te leren lessen onder verwijzing naar het desbetreffende rapport van de Secretaris-Generaal. Ten slotte riep de Raad op tot volledig implementatie van het Dayton-akkoord en de vestiging van een multi-etnische democratie in voormalig Joegoslavië.

LATIJNS-AMERIKA

Haïti

De Veiligheidsraad werd op 6 juli geïnformeerd over de eerste ronde van verkiezingen in Haïti. De verkiezingen zelf waren rustig verlopen, maar achteraf waren ernstige onregelmatigheden bij het tellen van de stemmen geconstateerd. Veel zou nu afhangen van het verloop van de volgende ronde die in de tweede helft van juli zou plaatsvinden. Inmiddels waren MICAH-medewerkers (VN Post Conflict Peacebuilding Office) in Haïti gearriveerd en de VN had mensenrechtenadviseurs, juridische adviseurs en politie-adviseurs aangeboden. De Raad legde terzake een persverklaring af.

AZIE

Afghanistan

Onder Secretaris Generaal Prendergast meldde in een briefing op 6 juli dat het Afghanistan Comité van de OIC (Organisation of Islamic Conference) zijn vredesinitiatieven zou voortzetten. Daarnaast trachtte de VN samen met de leden van de zogenaamde 6+2 groep de discussie over de drugsproblematiek meer inhoud te geven. Het «Loya Jirga»-proces, rond de voormalige koning van Afghanistan, was ook nog actief. Vooral op militair gebied waren verontrustende ontwikkelingen te melden. Er waren aanwijzingen dat de Taliban en de Noordelijke Alliantie druk doende waren zich te herbewapenen.

De humanitaire situatie was zeer zorgwekkend. De langdurige droogte bedreigde de algehele gezondheids- en voedselsituatie. De respons van de internationale gemeenschap op de humanitaire situatie was bedroevend, aldus Prendergast. Slechts 22% van de benodigde hulpfondsen was beschikbaar gesteld.

De mensenrechtensituatie, met name die van vrouwen, leek te verslechteren. De Taliban had onlangs in een brief aan VN-kantoren verordonneerd dat zij geen vrouwen meer in dienst mochten nemen.

In een persverklaring betoonden de leden van de Raad zich zeer bezorgd over de Afghaanse situatie.

Oost-Timor

Op 25 juli sprak de Raad in een persverklaring haar condoleances uit aan de familie van een Nieuw-Zeelandse vredeshandhaver die op 24 juli in Oost-Timor was vermoord. De Raad drong bij de Indonesische regering aan op actie jegens de gewapende groeperingen die langs de grens tussen West- en Oost-Timor opereerden. Het Indonesische leger werd opgeroepen nauwer samen te werken met UNTAET, de VN-missie in Oost-Timor. De Raad drong er voorts bij de Indonesische autoriteiten op aan militieleden die misdaden hadden gepleegd, te vervolgen.

In een bijeenkomst op 28 juli introduceerde Assistent Secretaris-Generaal Annabi een rapport van de Secretaris-Generaal over de werkzaamheden van UNTAET gedurende de eerste zes maanden van het jaar 2000. Daarin werd onder andere de rol van UNTAET toegelicht, onder andere met betrekking tot het handhaven van de veiligheid en het leggen van een basis voor effectief bestuur. Zorgelijk was de intolerantie, die recent de kop had opgestoken, jegens politieke groeperingen buiten de Nationale Raad voor Timorees Verzet (CNRT). In het rapport werd de hoop uitgesproken dat de CNRT de politieke vrijheid, waarvoor het had gevochten, zou verdedigen en brede deelname aan het politieke proces zou verwelkomen en aanmoedigen. Ook de vluchtelingenkwestie en de activiteiten van milities baarden nog zorg. De Indonesische regering werd gevraagd terzake haar verantwoordelijkheden te nemen.

De Raad zwaaide lof toe aan UNTAET-hoofd Vieira de Mello en aan UNTAET, die in korte tijd veel tot stand hadden gebracht. De oprichting van een interim-kabinet en een Nationale Raad met Oost-Timorese vertegenwoordigers, alsmede de tekenen van economisch herstel werden toegejuicht. Verscheidene delegaties, waaronder Nederland, sneden de toekomst van Falintil aan. Annabi meldde naar aanleiding daarvan dat voor zover geschikt en bekwaam oud-strijders zouden kunnen toetreden tot de te vormen Oost-Timorese strijdmacht.

Nederland ging voorts in op de veiligheidssituatie en het vraagstuk van onafhankelijkheid. Wederom werd bepleit dat besluiten over de troepensterkte dienden te worden genomen op basis van professioneel militair advies, bij voorkeur nadat de Raad de «Force Commander» zelf had gehoord. Met betrekking tot onafhankelijkheid droeg de VN een grote verantwoordelijkheid. Voorkomen moest worden dat verantwoordelijkheden aan Oost-Timorezen werden overgedragen voordat voldoende bestuurscapaciteit was ontwikkeld.

Onderhandelingen over een voorzittersverklaring naar aanleiding van de zitting waren eind juli nog niet afgerond.

Tijdens de bijeenkomst brachten de Verenigde Staten, Frankrijk en Nederland ook het geweld op de Molukken aan de orde. De Amerikaanse afgevaardigde verklaarde dat het de verantwoordelijkheid van de Indonesische regering was om een eind aan de crisis te maken en riep de Indonesische overheid op stappen te ondernemen om de orde en rust, alsmede de basisvoorzieningen voor de getroffen gemeenschappen (zowel Christenen als Moslims), te herstellen. Voorts werd Indonesië opgeroepen internationale humanitaire hulpverleners onmiddellijk veilige toegang te verschaffen opdat de broodnodige hulp kon worden gegeven. Frankrijk steunde de door de Verenigde Staten gesproken woorden. Nederland deelde mee de door de Verenigde Staten verwoorde zorg over de situatie op de Molukken te delen. Het ondersteunde de oproep aan de Indonesische regering om rust en orde te herstellen. Voorts onderschreef het de oproep aan Indonesië om humanitaire werkers veilige en ongehinderde toegang tot het gebied te verschaffen.

DIVERSEN

HIV/AIDS

Op 17 juli vond voor de tweede keer in de Veiligheidsraad een open debat plaats over HIV/AIDS. In zijn inleiding ging de Uitvoerend Directeur van UNAIDS, Dr. Peter Piot, in op hetgeen sinds het laatste Veiligheidsraaddebat (januari 2000) over dit onderwerp had plaatsgevonden: AIDS was een prioriteit geworden bij de VN-organisaties, er was een database opgezet en het «International Partnership Against AIDS in Africa» was bekrachtigd door de Organisatie van Afrikaanse Eenheid. Piot haalde het belang aan van vrijwillige testen en vertrouwelijke advisering.

Over het algemeen waren de sprekers positief over de bemoeienis van de Raad met AIDS. Diverse delegaties wezen erop dat het van groot belang was dat het personeel dat deelneemt aan vredesoperaties goed wordt voorgelicht en dat voldoende faciliteiten aanwezig zijn voor vrijwillige testen en hulpverlening. Van belang waren voorts toegang van arme landen tot geneesmiddelen, een geschikte infrastructuur en opleidingen.

Nederland wees op het belang van een geïntegreerde benadering van preventie, bewustmaking, zorg en ontwikkeling van vaccins. In die benadering diende ook ECOSOC een rol te spelen. AIDS was niet slechts een gezondheidsprobleem: de sociale gevolgen waren ernstig en het economisch ontwikkelingspotentieel leed er onder. AIDS ontwrichtte samenlevingen en leidde tot uitzichtloze situaties, hetgeen één van de oorzaken van conflict kon zijn. De ongelijke positie van vrouwen en armoede waren in Nederlandse ogen een achterliggende oorzaak van de snelle verspreiding van het virus.

In een na afloop van het debat aanvaarde resolutie werd onder andere de Secretaris-Generaal gevraagd verdere stappen te nemen met betrekking tot de training van vredeshandhavingspersoneel over preventie van de verspreiding van HIV/AIDS. Geïnteresseerde lidstaten werden opgeroepen de internationale samenwerking tussen relevante nationale organen te verbeteren.

Conflictpreventie

Op 20 juli vond een open debat plaats over de rol van de Veiligheidsraad in conflictpreventie, waarmee een vervolg werd gegeven aan een eerder Veiligheidsraaddebat terzake in november 1999. De Secretaris-Generaal was van mening dat de beste vorm van preventie een gezonde en evenwichtige economische ontwikkeling was. Naar zijn oordeel had de Raad een belangrijke bijdrage aan conflictpreventie geleverd door handel in diamanten uit UNITA-gebied en Sierra Leone te verbieden. De Secretaris-Generaal deed daarnaast suggesties voor andere activiteiten van de Raad: zittingen op ministerieel niveau om conflictpreventie te bespreken; samenwerking met andere VN-lichamen, met name regelmatig overleg tussen de President van de Veiligheidsraad en de President van de Algemene Vergadering; het vragen van advies over conflictsituaties aan het Internationale Gerechtshof; en het onderzoeken van nauwere samenwerking met NGOs en andere geledingen van de maatschappij, zoals het bedrijfsleven.

Vrijwel alle sprekers vroegen aandacht voor de dieperliggende oorzaken van conflicten, waarbij met name armoede, economische onderontwikkeling en sociale achterstelling werden genoemd. Algemeen werd onderstreept dat conflictpreventie verre te verkiezen was boven interventie in een ontvlamd conflict, niet alleen vanwege de geldelijke kosten, maar ook vanwege de kosten in de zin van mensenlevens. Vrijwel alle sprekers legden verband tussen het ontstaan van conflicten en de problematiek van kleine wapens, almede de financiering van conflicten door met name de diamanthandel. Algemeen was ook de wens tot betere samenwerking van VN-lichamen onderling en met regionale en subregionale organisaties.

Sommige delegaties spraken zorg uit dat conflictpreventie op gespannen voet zou kunnen staan met het in het Handvest vastgelegde beginsel van niet-inmenging in aangelegenheden die uitsluitend tot de jurisdictie van het betrokken land behoren. Nederland wees er op dat een enge interpretatie van dat beginsel de Raad zou belemmeren in het nemen van actie, preventief of niet. De Raad zou aldus geen invulling kunnen geven aan zijn taak op het gebied van internationale vrede en veiligheid.

De Raad nam een presidentiële verklaring over het onderwerp aan.

Kinderen in Gewapend Conflict

Op 26 juli vond een debat over Kinderen in Gewapend Conflict plaats naar aanleiding van een rapport met 55 aanbevelingen van de Secretaris-Generaal. De Speciale Vertegenwoordiger voor Kinderen en Gewapende Conflicten, Olara Otunnu, benadrukte het belang van het uitoefenen van druk door de Raad op partijen in conflict, alsmede de belangrijke rol die de nationale en lokale overheden, organisaties en «civil society» (en hun lokale traditionele waarden) spelen in de bescherming van kinderen in gewapend conflict. Otunnu noemde als mogelijke aanpak voor het bedrijfsleven een gedragscode, om geen zaken te doen met strijdende partijen die de internationale normen niet naleven.

Veel sprekers benadrukten dat het tijd was om van normstelling over te gaan naar toepassing van normen. De aanbevelingen van de Secretaris-Generaal dienden daartoe nader te worden bestudeerd. Voorts werd nadruk gelegd op preventie van gewapende conflicten, adequaat onderwijs aan actoren in conflictgebieden en de bescherming van meisjes in gewapende conflicten. Gewezen werd op gevallen van aanranding, verkrachting, ongewenste zwangerschap en gedwongen prostitutie. Veel landen spraken in navolging van het rapport van de Secretaris-Generaal hun zorg uit over de gevolgen van sancties voor kinderen, voor onderwijs en voor gezondheidszorg, alsmede voor de economische situatie van het betreffende land.

Onderhandelingen over een ontwerpresolutie inzake kinderen in gewapend conflict waren eind juli nog niet afgerond.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J.J. van Aartsen

Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie