Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief inzake uitzenden personeel ontwikkelingssamenwerking

Datum nieuwsfeit: 30-08-2000
Vindplaats van dit bericht
Bron: Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoek soortgelijke berichten
Tweede Kamer der Staten Generaal

br min ontw samenw inz beleidskader technische assistenti e

Gemaakt: 4-9-2000 tijd: 12:45

3

26958 Interdepartementale beleidsonderzoek: uitzending personeel ontwikkelingssamenwerking

Nr. 2 Brief van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 augustus 2000

Op 21 december verleden jaar heb ik u een brief, kamerstuk 26 958, doen toekomen omtrent de uitkomst van het interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) naar de uitzending van personeel in het kader van ontwikkelingssamenwerking. Ik heb u bij die gelegenheid toegezegd dat ik u nader zou informeren over de uitwerking van de in het IBO rapport gedane aanbevelingen. Dat wil ik bij deze gaarne doen.

Allereerst is onderzoek gedaan naar de plaats en toekomst van technische assistentie (TA), waarvan personele uitzending een belangrijk onderdeel uitmaakt. De resultaten van dit onderzoek zijn vervat in een bij deze brief gevoegd rapport1). Het rapport geeft de huidige stand van zaken weer en mondt uit in een beleidskader.

Hieruit blijkt dat personele uitzending als onderdeel van technische assistentie bepaald niet gespeend is van kritiek. Al sinds het verschijnen van het rapport «Rethinking Technical Cooperation» in 1993 (Elliot Berg, UNDP) is duidelijk dat de inzet van buitenlandse deskundigen veelal niet leidt tot blijvende capaciteitstoename bij uitvoerende organisaties in ontwikkelingslanden.

In de eerste plaats kleven er economische bezwaren aan de inzet van buitenlandse deskundigen. De kosten van personele uitzendingen zijn hoog. Bijna een derde van de fondsen voor Afrika wordt besteed aan deze vorm van ondersteuning, terwijl geen duidelijk beeld bestaat van het rendement. Over mogelijke alternatieven wordt nog te weinig nagedacht. Het behoeft inmiddels geen betoog dat overheden in ontwikkelingslanden -- ook daar waar een goed beleid bestaat -- grote moeite hebben met het aantrekken en behouden van capabel personeel. De vaak lage salariëring speelt hierbij een grote rol; lang niet altijd is er sprake van ontbreken van gekwalificeerde lokale professionals. Uit schattingen blijkt dat de kosten die samenhangen met het uitzenden van deskundigen bijna net zo hoog zijn als de gezamenlijke salariskosten van Afrikaanse overheden, met uitzondering van Zuid-Afrika.

De bezwaren zijn soms ook cultureel van aard. Veel lokale deskundigen voelen zich ondergewaardeerd of betutteld en de belangen van buitenlandse deskundigen stemmen vaak niet overeen met doelen van lokale organisaties. Een van buiten aangetrokken deskundige verdient tot tien maal zoveel salaris als haar of zijn lokale evenknie, voor in principe hetzelfde werk. Het is evident dat deze situatie scheve ogen geeft en voor veel spanning binnen organisaties in ontwikkelingslanden kan zorgen. Culturele verschillen kunnen ook leiden tot misverstanden binnen organisaties. Zo gaat de inpassing van een buitenlandse deskundige binnen een lokale entiteit vaak gepaard met autoriteitsvraagstukken en wordt het gedrag van deskundigen door hun lokale counterparts niet altijd als even respectvol ervaren.

Zonder iets af te doen aan het enthousiasme, de betrokkenheid en de inzet van veel deskundigen in het veld, mag getwijfeld worden aan de effectiviteit van het instrument personele uitzending in het kader van ontwikkelingssamenwerking. In enkele gevallen heeft de inzet van buitenlandse deskundigen zelfs verlies van lokale capaciteit tot gevolg: de goede bedoelingen ten spijt wordt lokale deskundigheid ontmoedigd en verdrongen door de (als) gratis (ervaren) aanwezigheid van internationale deskundigen.

Deze en andere kanttekeningen dienen overigens wel in historisch perspectief te worden geplaatst. Buitenlandse deskundigen werden ooit aangetrokken om bij te dragen aan de ontwikkeling van nieuw kader in ontwikkelingslanden. Na dekolonisatie bleek aan deze vorm van ondersteuning vaak sterke behoefte. Andere instrumenten zoals het verstrekken van studiebeurzen droegen hiertoe evenzeer bij. Thans wordt de inzet van buitenlandse deskundigen tegen het licht gehouden van hun bijdrage aan institutionele ontwikkeling en capaciteitsopbouw. De algemene vraag naar training heeft zich in de loop der tijd omgevormd tot specifieke wensen die zijn ingegeven door een analyse van de eigen capaciteit en wat daaraan complementair nog nodig is of ter versterking dient. In deze veranderende optiek wordt de inbreng van buitenlandse deskundigen vergeleken met alternatieve instrumenten die bijdragen aan capaciteitsopbouw.

Het is zeker niet zo dat aan aanbiederszijde de tijd heeft stil gestaan. Geïnspireerd door het Berg-rapport -- maar zeker niet alleen hierdoor -- bezinnen uitzendende organisaties zich al langere tijd op de rol en het nut van buitenlandse expertise. De uitzendingen zijn inmiddels beperkter geworden in tijd en aan sterke voorwaarden gebonden. Het karakter van de ondersteuning verschuift, waarbij de adviserende rol steeds prominenter wordt, in weerwil van louter uitvoerende taken. Ook wordt in toenemende mate beroep gedaan op lokale deskundigheid, krijgt men oog voor de institutionele inbedding van deskundigen en wordt hun inbreng gekoppeld aan additionele instrumenten ter bevordering van capaciteitsopbouw. Deze en andere aanpassingen hebben evenwel niet geleid tot de door mij gewenste duurzame effecten.

Het voor u liggende beleidskader voor technische assistentie bouwt voort op de goede praktijkervaringen die de laatste jaren zijn opgedaan, maar probeert ook richting te geven aan verdere innovatie van het instrument. Technische assistentie moet beter gaan aansluiten bij de uitgangspunten die gelden bij de implementatie van de sectorale benadering. Voorop staan vraaggerichtheid en een totaal aanpak van ontwikkelingsproblemen. Hierbij kan TA een bijdrage leveren op het vlak van institutionele en capaciteitsontwikkeling. Meer dan in het verleden zal aandacht geschonken moeten worden aan een grondige analyse vooraf. Bezien zal moeten worden of aan de noodzakelijke randvoorwaarden waarbinnen TA succesvol verleend kan worden, voldaan is.

De door mij voorgestane beperking van de uitzending van deskundigen betekent niet dat technische assistentie als belangrijk instrument tot capaciteitsopbouw van het toneel zal verdwijnen. Meer dan voorheen zal aandacht moeten worden besteed aan mogelijke alternatieven voor de uitzending van deskundigen. De ontwikkeling van de nieuwe media biedt kansen die een paar jaar geleden nog onbekend waren. Ook institutionele koppeling van organisaties in Nederland en ontwikkelingslanden door middel van partnership- en twinningsprogramma's zal ik blijven stimuleren. Naast de ontwikkelingstechnische voordelen van een dergelijke aanpak, verwacht ik ook dat dergelijke programma's, meer dan de «klassieke» TA, bijdragen aan het uitbreiden van het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking in Nederland. Daarnaast zal ik voortgaan met het bevorderen van kenniscentra in ontwikkelingslanden zelf. Ik noem hierbij als voorbeeld de steun die werd verleend aan het samen laten gaan van de African Capacity Building Foundation (ACBF) en het Partnership for Capacity Building in Africa (PACT).

In het beleidskader wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen ontwikkelingsrelevante TA gericht op institutionele en capaciteitsopbouw en TA die wordt ingezet uit humanitaire overwegingen. Voor deze laatste vorm van ondersteuning zal de inzet van deskundigen minder beperkt kunnen zijn en gelden er andere criteria voor het toekennen van subsidies en de beoordeling van de doelmatigheid en doeltreffendheid van de geboden ondersteuning. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan de inzet van artsen in zwaar door de aids-epidemie getroffen landen. Wel zal er scherp gelet worden op kostenoverwegingen en effectiviteit, en moet de inzet van deskundigen nadrukkelijk een beperkt en tijdelijk karakter kennen.

De richting die het beleidskader aangeeft zal voor mij bepalend zijn bij het toekennen van subsidies aan particuliere organisaties en het beoordelen van de inspanningen van multilaterale organisaties op dit terrein. Hiermee lijkt de weg vrij gemaakt voor verdere innovaties waarmee de doelmatigheid van TA vergroot kan worden. Daarmee is niet gezegd dat het beleidskader een alomvattend en definitief antwoord geeft op alle vragen inzake capaciteitsontwikkeling. Daarvoor zijn de onderliggende problemen te divers en complex. Het beleidskader bestaat dan ook niet uit een samenstel van regels en bepalingen, maar heeft veeleer het karakter van een baken in het denken over TA en de richting die TA-verschaffers in zullen moeten slaan. Voor de particuliere organisaties en SNV zal het beleidskader een uitdaging kunnen vormen om hun beleid nog duidelijker aan de eisen van de tijd aan te passen. Het gaat mij erom dat in de toekomst organisaties duidelijk kunnen maken op welke wijze zij aan capaciteitsopbouw bijdragen, welke doelen zij zichzelf daarbij stellen en hoe hun resultaten gemeten kunnen worden.

Met het aanbieden van bijgevoegd rapport zijn de aanbevelingen 2 en 10 van het IBO rapport betreffende het opstellen van een beleidskader voor TA uitgewerkt. Over de overige punten licht ik u het volgende toe:

Wat betreft de aanbevelingen 1, 4, 5 ,6 en 8, die meer operationele aspecten bevatten, zij vermeld dat uiterlijk per juli 2002 de uitvoerende taken van het ministerie betreffende personele uitzendingen zullen zijn afgebouwd. Het assistent- deskundigen programma, gericht op het laten opdoen van internationale ervaring van recent afgestudeerden, blijft voortbestaan. Het programma zal per juli 2002 zelfstandig door de ontvangende organisaties worden uitgevoerd. Binnen één van de bestaande directies zal een expertise centrum TA ingesteld worden. Dit centrum krijgt onder meer tot taak het assistent deskundigen programma te monitoren, subsidieaanvragen te beoordelen en als referentie punt voor derden op te treden. De huidige verschaffers van TA zal gevraagd worden om, aan de hand van het thans opgestelde beleidskader, eerst hun programma's zelf verder bij te stellen en duidelijke output indicatoren aan te geven.

De bij het IBO betrokken organisaties zullen tot december 2001 de gelegenheid krijgen om hun eventuele uitvoeringsstrategie verder bij te stellen. Ook de niet bij het IBO betrokken aanbieders van TA zullen zich moeten beraden op de gevolgen van het beleidskader voor hun bestaande beleid. Per 2002 zullen alle TA verschaffers die middelen van het ministerie ontvangen verplicht moeten aangeven hoe de uitvoering van hun beleid zich verhoudt tot het beleidskader, terwijl in 2004 de effecten van het nieuwe beleid op de bestaande praktijk geëvalueerd zullen worden.

Tenslotte, over de aanbevelingen 3 en 7 ben ik in gesprek met SNV over de oriëntatie en toekomstige strategie van de organisatie. Ik zal u hierover desgewenst verder informeren.

De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking

E. L. Herfkens


1) Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie
Tweede Kamer der Staten Generaal

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie